Voor het Internationaal Strafhof: waarom ‘nooit meer’ een dagelijkse opdracht blijft

Op zondagvoormiddag 23 november 2025 stond ik als spreker voor het Internationaal Strafhof in Den Haag, in mijn hoedanigheid van voorzitter van de fundamentele grondrechtenorganisatie Postversa vzw. Achter mij rees het gebouw op dat symbool staat voor iets wat we liever niet onder ogen zien: de capaciteit van de mens om de mens tot ding te maken. Voor velen die langsliepen, was het misschien een gewone zondagochtend. Voor mij voelde het als een toetsmoment: menen we nog wat we sinds Neurenberg zo graag herhalen – “nooit meer” – of is het een frase geworden voor herdenkingsplechtigheden?
We namen alles in ons op, maar niets aan de kern van ons verhaal was fake. Het verhaal dat we brachten, gaat over reële patronen, en de mensen rond mij waren geen decorstukken. Zij waren bewuste burgers en influencers die hun eigen achterban aanspreken en dit thema in een breed publiek willen binnenbrengen. Niet zomaar figuranten, maar mensen die hun naam en gezicht verbinden aan een waarschuwing.
De beweging die in de scène voorkomt – een moslimbroederschap dat religie inzet als hefboom voor macht – is geen letterlijke kopie van één organisatie, maar wel een scherpe verbeelding van iets wat we al vaker hebben gezien. Telkens weer duikt een ideologie op die zegt: “Wij kennen de waarheid, wij spreken namens God, wij beslissen wie er bij hoort en wie niet.” De verpakking verandert – religieus, nationalistisch, identitair – maar de kern is dezelfde: mensen worden gereduceerd tot pionnen in functie van een project dat groter zou zijn dan zijzelf.
Dat patroon is geen theorie. Het heeft gezichten en begraafplaatsen. De loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, de processen van Neurenberg, de getuigenissen uit Rwanda en Srebrenica, de dossiers in dit hof: telkens was er een voorafgaande periode waarin woorden langzaam verhardden. Buren werden eerst “anders”, dan “probleem”, dan “vijand”. Pas veel later kregen we termen als “genocide” en “misdrijf tegen de menselijkheid”. De taal liep achter op de feiten. De doden hadden toen al geen stem meer.
Juist daarom wilden we deze scène niet ergens in een anonieme setting draaien, maar voor het Internationaal Strafhof. Niet omdat ik geloof dat cinema of opinieteksten de wereld redden, wel omdat ik ervan overtuigd ben dat we de ondergrens van onze samenleving voortdurend moeten herhalen. Dat is ongemakkelijk werk. Het vraagt dat we erkennen hoe verleidelijk de belofte van schijnbare duidelijkheid is: “Geef je vrijheid aan ons, en wij geven je veiligheid terug.” In mijn speech heb ik geprobeerd die verleiding bij naam te noemen.
Het gaat mij niet om een geloofsgemeenschap. Integendeel: de miljoenen moslims die elke dag werken, studeren, liefhebben en bidden voor vrede zijn geen doelwit, maar bondgenoten. Waar het om gaat, is de georganiseerde manipulatie van overtuiging. Op het moment dat een organisatie zegt: “Wij spreken namens God, wij beslissen wie zuiver is en wie niet, wij bepalen wie recht heeft op vrijheid”, dan verschuift er iets fundamenteel. Dan wordt geloof niet langer de intieme ruimte van het geweten, maar een instrument om mensen te sturen.

Vandaag gebeurt dat zelden nog in uniform. De geschiedenis heeft zijn werk gedaan; de openlijke marsen met vlaggen zijn minder aantrekkelijk geworden. In de plaats krijgen we netwerken, NGO’s, scholen, digitale structuren die ogenschijnlijk bezig zijn met vorming, hulp of identiteit. De woorden klinken zacht: “bescherming”, “moraliteit”, “eer”. Maar onder die woorden kan een andere agenda schuilgaan: de gelijkheid van vrouwen inperken, onderwijs in dienst stellen van één doctrine, jongeren losweken van hun eigen kritische vermogen.
Sommigen zeggen dan: “Het is maar een bijeenkomst.” Maar hier was het precies omgekeerd: we gebruikten deze bijeenkomst als middel om een echte zorg te tonen, met echte mensen die hun stem en bereik inzetten. Net daarom is de setting van Den Haag belangrijk. Dit hof is geen abstract symbool. Het is gebouwd omdat er momenten waren waarop staten, legers, milities en leiders een grens overschreden. Die grens was niet plots daar. Vooraf was er een lange periode van aarzeling, van wegkijken, van “het zal wel meevallen”. De weg naar de rechtszaal is geplaveid met momenten waarop burgers, media en politici hadden kunnen zeggen: “Tot hier en niet verder.”
Ik heb in mijn speech geprobeerd dat “tot hier” concreet te maken. Wanneer een beweging vrouwen naar de tweede rij verwijst, is dat geen interne aangelegenheid, maar een aanval op de gelijkwaardigheid van mensen. Wanneer onderwijs verengd wordt tot indoctrinatie, is dat geen culturele keuze, maar het monddood maken van de volgende generatie. Wanneer twijfel wordt gelijkgesteld met verraad, is dat geen religieuze ijver, maar een aanval op het geweten.
Wat kunnen wij, als gewone burgers, daartegenover zetten? Zeker geen fetisj van neutraliteit. De slogan “ik bemoei mij niet met politiek of religie” klinkt bescheiden, maar wordt gevaarlijk zodra hij betekent dat we onze morele intuïtie uitbesteden aan wie het luidst roept. De les van Neurenberg tot Den Haag is niet dat alleen staten en generaals verantwoordelijk zijn. De les is dat ieder van ons een minimale plicht heeft om het verhaal van “wij tegen zij” te weigeren.
In Den Haag heb ik die plicht in twee zinnen proberen te vatten: geloof is heilig, maar het geweten van de mens is niet te koop. Dat geldt voor elke religie, maar evengoed voor seculiere ideologieën. Zodra een beweging – welk etiket ze zichzelf ook geeft – de eigen doctrine boven de menselijke waardigheid plaatst, wordt ze een gevaar. Niet omdat ze anders denkt, maar omdat ze de vrijheid van anderen als wisselgeld gebruikt.
De actie die we op 23 november 2025 voor het Internationaal Strafhof hebben neergezet, zal misschien voor sommigen een titel in de aftiteling zijn. Wat hopelijk blijft hangen, is de vraag aan de toeschouwer – en aan onszelf: wat doen wij wanneer een organisatie in naam van God, de natie of de groep vraagt om ons geweten in te leveren? Knikken we, omdat het comfortabel is? Of staan we recht, ook als dat maar betekent dat we in onze eigen omgeving “niet in onze naam” durven zeggen?
Die dag heb ik gekozen om dat hardop te zeggen, met het Internationaal Strafhof als getuige in de achtergrond, samen met mensen, figuranten van deze tijd en influencers die hun bereik inzetten om deze boodschap verder te dragen. Niet omdat ik mezelf belangrijk vind, maar omdat stilte in zulke zaken een luxe is die we ons niet meer kunnen veroorloven.
Andy Vermaut +32499357495


