i-Police draait uit op botsing over getuigenplicht en controle op justitie

In het i-Police-dossier wordt de stelling naar voren geschoven dat extern juridisch advies aan politieambtenaren strijdig is met de wettelijke plicht om te verschijnen voor een parlementaire onderzoekscommissie. Daarmee verschuift de inzet van een intern politiedossier naar een ruimer conflict over de verhouding tussen wetgevende macht, rechterlijke macht, advocatuur en overheid. De kernvraag luidt of opgeroepen ambtenaren, advocaten, magistraten en ministers zich aan die controle kunnen onttrekken, of net verplicht zijn om te verschijnen en te getuigen binnen de grenzen van de wet.
Getuigenplicht als kern van het geschil
De centrale redenering is dat een oproeping door een parlementaire onderzoekscommissie niet vrijblijvend is. Volgens die lezing moet wie wordt opgeroepen in beginsel verschijnen, de eed afleggen en vervolgens antwoorden binnen de grenzen van wat wettelijk kan. Alleen wanneer iemand zichzelf rechtstreeks zou belasten, kan een verdergaande weigering aan de orde zijn. Vanuit dat standpunt wordt aangevoerd dat ook magistraten zich niet eenvoudig achter beroepsgeheim of de scheiding der machten kunnen verschuilen om weg te blijven.
Daarmee raakt het dossier aan een principiële kwestie. Een parlementaire onderzoekscommissie is opgezet als controle-instrument van de wetgevende macht. Zodra daartegen juridisch advies wordt gegeven dat neerkomt op niet verschijnen of niet getuigen, botst dat rechtstreeks op de vraag hoe ver de autonomie van beroepsgroepen en instellingen reikt tegenover de wet.
Balies, reglementen en grenzen van bevoegdheid
Een tweede lijn in het dossier gaat over de positie van de advocatuur. Daarbij wordt teruggegrepen naar de regeling waarbij de balies en hun organen gedragsregels en tuchtregels uitwerken, terwijl het Hof van Cassatie toezicht houdt op de wettigheid van die normen. Net daar wordt de juridische spanning gelegd. Als reglementen van de advocatuur botsen met hogere rechtsnormen of met de werking van een parlementaire onderzoekscommissie, rijst de vraag wie dat corrigeert en op welke wijze.
In dat verband wordt het onderscheid gemaakt tussen bevoegdheidsoverschrijding en rechtsbeuging. Volgens de voorgelegde redenering kan een stafhouder of balie een bevoegdheidsoverschrijding plegen wanneer een verbod of regel buiten de wettelijke grenzen treedt. Bij magistraten wordt dan weer gesproken over rechtsbeuging wanneer een beslissing bewust strijdig met de wet tot stand komt. Dat onderscheid is in deze zaak niet bijkomstig. Het bepaalt welk juridisch middel volgens die visie moet worden ingezet en welke instantie moet optreden.
Artikel 1088 en artikel 441
Het dossier schuift twee bepalingen nadrukkelijk naar voren. Enerzijds is er artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek, dat volgens deze lezing kan worden gebruikt tegen handelingen waarbij rechters, magistraten, tuchtoverheden of balies hun bevoegdheid hebben overschreden. Anderzijds is er artikel 441 van het Wetboek van Strafvordering, dat wordt voorgesteld als het middel wanneer rechterlijke akten, arresten of vonnissen strijdig zouden zijn met de wet.
Vanuit die opbouw wordt aangevoerd dat de minister van Justitie als zegelbewaarder der wetten de plicht heeft om op te treden in het belang van de wet. In dezelfde redenering staat ook dat een overheid niet kan volstaan met het laten uitdoven van zulke kwesties in individuele dossiers. Zodra een procedurele wet van openbare orde wordt geschonden, gaat het volgens die visie niet om een persoonlijk conflict, maar om een institutioneel probleem.
Van i-Police naar een ruimer justitiedebat
Het i-Police-dossier wordt zo ingebed in een veel ruimere kritiek op de werking van justitie. De klacht luidt dat bepaalde onwettige beslissingen of verboden niet worden rechtgezet en dat de formele wet daardoor in de praktijk ondergeschikt wordt aan reglementen, interne afscherming en beroepslogica. In die lezing ontstaat een rechtsorde waarin sommige regels streng gelden voor burgers, maar veel minder dwingend lijken zodra instellingen of beroepsgroepen zelf ter discussie staan.
Dat verwijt wordt nog zwaarder gemaakt door de koppeling aan vroegere dossiers waarin volgens dezelfde redenering procedurele wetten van openbare orde niet correct werden nageleefd. De stelling is dat zulke feiten niet als losse vergissingen mogen worden behandeld, maar als tekenen van een structureel falen in toezicht, correctie en rechtsbescherming.
De inzet voor het parlement
Daarmee komt het zwaartepunt opnieuw bij het parlement te liggen. Als een onderzoekscommissie effectief haar rol wil spelen, dan moet duidelijk zijn dat opgeroepen personen verschijnen en dat geen enkel intern reglement van een beroepsorde zich boven die verplichting kan plaatsen. Anders verliest de wetgevende macht een deel van haar controletaak precies op het moment dat zij die het hardst nodig heeft.
De zaak draait daardoor niet alleen om i-Police zelf. Ze draait om de vraag of de Belgische rechtsorde nog duidelijk kan afdwingen dat de wet voor iedereen geldt, ook voor wie zich beroept op functie, beroepsstatuut of institutionele bescherming.
In dat spanningsveld ligt de echte draagwijdte van dit dossier. Als een parlementaire onderzoekscommissie niet vrij kan nagaan wie wat wist, wie welk advies gaf en wie waarvoor verantwoordelijk was, dan blijft niet alleen één dossier hangen. Dan komt ook de geloofwaardigheid van controle op politie, justitie en advocatuur onder druk te staan. En precies daar zal dit debat verder worden uitgevochten.
Bronnen:
i-Police-debacle 3v3 wanneer leugens van advocatenbureaus sneuvelen – artikel 500 GerW
i-Police-debacle 2v2 te machtige leugens van advocatenbureaus 260220
i-Police-debacle 1v2 te machtige leugens van advocatenbureaus 260220
Lexnow Hugo LAMON regels lokaal en OVB 2013 – alleen cassatie kan het vernietigen 260224
Statuut en deontologie 2020 5- pro2deri2020 220705
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


