Diksmuide Voorop vraagt handelsplan voor winkels aan Woumenweg

21 augustus 2026

De zeven aangekondigde winkelketens in het nieuwe winkelpark aan de Woumenweg zorgen in Diksmuide voor hoop op een ruimer aanbod, maar ook voor vragen over de gevolgen voor bestaande handelszaken en het stadscentrum. Diksmuide Voorop vraagt dat het stadsbestuur duidelijk maakt welke handelsvisie achter de verdere ontwikkeling schuilt en hoe het wil vermijden dat koopkracht binnen de stad enkel van de ene zaak naar de andere verschuift.

Nieuwe winkels en uiteenlopende verwachtingen

Volgens Diksmuide Voorop reageren veel inwoners positief op de komst van nieuwe winkels. Zij verwachten dat bepaalde aankopen dichter bij huis mogelijk worden en dat verplaatsingen naar onder meer Roeselare en Oostende kunnen dalen. Tegelijk klinkt er bij inwoners volgens de partij vooral vraag naar een kwaliteitsvolle kleding- en schoenenzaak. Er zijn ook vragen over de aangekondigde ketens TEDi en Wibra, naast de bestaande Action, omdat die volgens sommige inwoners een gelijkaardig segment bedienen.

De partij stelt niet gekant te zijn tegen het winkelpark. Zij verwijst daarbij naar haar verkiezingsprogramma van 2024, waarin ze pleitte voor een ruimer lokaal aanbod, waaronder kleding en schoenen, en voor ruimte nabij het centrum voor grotere handelszaken die het merkenaanbod kunnen versterken. Wel vraagt Diksmuide Voorop dat de stad vooraf duidelijk onderzoekt welke winkels een leemte vullen, welke zaken aanvullend zijn op het centrum en welke gevolgen nieuwe handelsoppervlakte heeft voor de bestaande handel.

Rol van het stadsbestuur

Schepen van Lokale Economie Herlinde Rollez stelde dat het stadsbestuur niet zelf bepaalt welke keten een huurovereenkomst met een ontwikkelaar afsluit. Diksmuide Voorop erkent dat die commerciële beslissing bij ontwikkelaars en retailers ligt, maar wijst erop dat de stad via ruimtelijke keuzes, vergunningen en overleg wel degelijk richting kan geven aan de ontwikkeling van grootschalige handel.

De partij wijst erop dat eerder in overleg met de ontwikkelaar onder meer een schoenenzaak, elektrozaak, meubelzaak en kledingzaak als gewenste types naar voren werden gebracht. Volgens Diksmuide Voorop toont dat aan dat de stad geen individuele winkel kiest, maar wel kan bepalen welke ontwikkeling zij wenselijk acht en welke handelssegmenten zij wil stimuleren.

Günther Claes stelt dat het terughalen van koopkracht die vandaag buiten Diksmuide wordt besteed, een positief effect kan hebben. Wanneer inwoners hun aankopen die zij vroeger in een andere stad deden voortaan in Diksmuide kunnen doen, blijft die besteding lokaal. Maar wanneer klanten enkel van een bestaande Diksmuidse zaak naar een nieuwe keten aan de stadsrand overstappen, ontstaat er volgens hem geen bijkomende koopkracht voor de stad.

Vragen over cijfers en draagkracht

Diksmuide Voorop vraagt actuele gegevens over de koopkracht die vandaag naar andere steden vloeit, de handelssegmenten die ontbreken en de hoeveelheid bijkomende winkeloppervlakte die Diksmuide kan dragen. De partij wil ook weten welk aandeel van de verwachte omzet van nieuwe winkels werkelijk uit andere gemeenten zou komen.

In het opiniestuk wordt verwezen naar de Omgevingsanalyse van Stad Diksmuide. Daaruit blijkt volgens Diksmuide Voorop dat de stad in 2014 nog 172 winkels telde en in 2024 nog 141. In dezelfde periode nam de totale winkelvloeroppervlakte toe, onder meer door de handelszone aan de Esenweg. Voor de partij is dat geen argument tegen elke bijkomende handelsontwikkeling, maar wel een reden om nieuwe projecten te beoordelen op basis van actuele gegevens.

De Woumenweg, de bestaande handelszone aan de Esenweg, mogelijke bijkomende ontwikkelingen aan de Esenweg en de handelskern moeten volgens Diksmuide Voorop als één economisch geheel worden bekeken. De partij wil vermijden dat elk dossier los van de andere wordt behandeld.

Centrummanagement als vaste brug

Diksmuide Voorop vraagt een sterk en onafhankelijk centrummanagement dat blijvend overleg organiseert tussen ondernemers, stadsdiensten en bestuur. Voorzitter Claude Vindevogel was tussen 2000 en 2007 centrummanager in Diksmuide. Die ervaring ligt volgens de partij mee aan de basis van haar pleidooi voor een aanspreekpunt dat zicht houdt op leegstand, mobiliteit, ontbrekende handelszaken, koopstromen en de gevolgen van ruimtelijke keuzes.

In het verkiezingsprogramma van Project 8600, de voorloper van Diksmuide Voorop, stond ook het voorstel voor een lokale ondernemersraad die minstens drie keer per jaar samenkomt. Strategische planning, mobiliteit en ruimtelijke dossiers zouden daarin volgens de partij rechtstreeks met ondernemers moeten worden besproken vóór belangrijke beslissingen worden genomen.

Kurt Vanlerberghe en de vroegere kritiek

Diksmuide Voorop richt zich ook tot schepen Kurt Vanlerberghe. De partij wijst erop dat hij vanuit de oppositie eerder kritische vragen stelde over de ontwikkeling van grootschalige handel aan de Esenweg en de Woumenweg, en over de toenemende leegstand. In het opiniestuk worden leegstandscijfers aangehaald die volgens Vanlerberghe evolueerden van 8,9 procent in 2020 tot 13,6 procent in 2023.

Vanlerberghe is vandaag schepen en maakt deel uit van het college van burgemeester en schepenen. Diksmuide Voorop stelt dat lokale economie niet tot zijn persoonlijke bevoegdheden behoort, maar dat een bestuursploeg volgens het principe van collegiaal bestuur samen politieke verantwoordelijkheid draagt. De partij vraagt daarom dat de vragen die vroeger vanuit de oppositie werden gesteld, nu ook vanuit het bestuur beantwoord worden.

Selectief beleid als toetssteen

Het Strategisch Commercieel Plan van Diksmuide omschrijft grootschalige detailhandel aan de Woumenweg en de Esenweg volgens Diksmuide Voorop als een domein voor selectief beleid. Nieuwe zaken zouden aanvullend moeten zijn op het kernwinkelgebied. Voor die zones zou ook geen stimulerend beleid worden vooropgesteld.

Diksmuide Voorop vraagt dat het stadsbestuur concreet motiveert hoe de nieuwe handelsontwikkelingen binnen die uitgangspunten passen. De partij wil weten welke segmenten werkelijk ontbreken, hoe de gevolgen voor bestaande handelaars worden ingeschat en welke plaats de handelskern krijgt in de ruimere handelsvisie.

Bronnen:
Opiniestuk Günther Claes, Diksmuide Voorop
Campagnebeeld Diksmuide Voorop

Foto: Diksmuide Voorop

Integrale tekst van het opiniestuk

Diksmuide Voorop: “Diksmuide wil meer winkels. Maar krijgen we ook het aanbod waar Diksmuidelingen om vragen?”

De komst van zeven bevestigde winkelketens naar het nieuwe winkelpark aan de Woumenweg zorgt voor heel wat reacties. Dat Diksmuidelingen meer winkelkeuze willen, lijkt duidelijk. Ook uit het recente HLN-debat blijkt dat het winkelpark overwegend positief wordt onthaald. Heel wat inwoners zijn blij dat ze voor bepaalde aankopen straks misschien niet langer naar Roeselare, Oostende of andere steden moeten.

Maar over de concrete invulling zijn de meningen veel meer verdeeld.

Vooral de vraag naar een kwaliteitsvolle kleding- en schoenenzaak klinkt opvallend vaak. Ook vragen verschillende inwoners zich af of winkels als TEDi en Wibra, naast de al aanwezige Action, niet te veel van hetzelfde aanbod brengen.

En net daar begint voor ons de interessante discussie.

Schepen van Lokale Economie Herlinde Rollez stelt dat zo’n winkelpark de lokale handel kan versterken omdat inwoners voor bepaalde aankopen niet langer naar Roeselare, Oostende of andere steden moeten.

Daar zit een logica achter. Als we koopkracht die vandaag buiten Diksmuide wordt besteed kunnen terughalen, is dat goed voor onze lokale economie.

Laat daar dan ook geen misverstand over bestaan: Diksmuide Voorop is niet tegen het nieuwe winkelpark.

Dat zou bovendien haaks staan op wat we zelf voor de verkiezingen van 2024 aan de kiezer hebben voorgelegd. In ons beleidsplan schreven we uitdrukkelijk dat er nood is aan meer winkels in eigen streek, onder meer voor kleding en schoenen, en dat er dichtbij het centrum ruimte moet zijn voor grootschalige winkels die het merkenaanbod versterken.

Maar precies omdat we vóór economische ontwikkeling zijn, willen we dat die ontwikkeling doordacht gebeurt. En daar hebben we vandaag vragen bij.

Schepen Rollez zegt terecht dat het stadsbestuur niet rechtstreeks bepaalt welke winkelketen een contract afsluit met een projectontwikkelaar. Uiteindelijk zijn het de ontwikkelaar en de retailers die daarover commerciële afspraken maken.

Maar daarmee is de rol van het stadsbestuur niet uitgespeeld.

Het lokale bestuur bepaalt via zijn ruimtelijk beleid mee waar grootschalige detailhandel mogelijk is en binnen welk kader commerciële ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Voor grotere kleinhandelsactiviteiten speelt bovendien de omgevingsvergunning een belangrijke rol. De stad kiest dus niet welke naam uiteindelijk boven de winkeldeur hangt, maar bepaalt wel mee het speelveld waarbinnen projectontwikkelaars en winkelketens actief kunnen worden.

Dat onderscheid is belangrijk. Een stadsbestuur kan niet zomaar een individuele winkel weigeren omdat het liever een andere keten ziet of omdat bestaande handelaars concurrentie zouden kunnen ondervinden. Maar een lokaal bestuur kan wél een handelsvisie ontwikkelen, onderzoeken welke functies en handelssegmenten ontbreken, ruimtelijke keuzes maken en daarover in overleg gaan met ontwikkelaars en ondernemers.

En precies dat laatste blijkt ook uit de woorden van schepen Rollez zelf. Zij geeft aan dat het vorige stadsbestuur in overleg ging met de ontwikkelaar en daarbij een schoenwinkel, elektrozaak, meubelzaak en kledingzaak als gewenste types naar voren schoof.

Dat toont net aan dat verwijzen naar de vrije markt maar een deel van het antwoord is. De stad kiest de retailer niet, maar kan wel degelijk richting geven aan de ontwikkeling van haar handelsaanbod.

De vraag is voor ons dan ook niet waarom winkelketen A er wel komt en winkelketen B niet. De vraag is welke actuele handelsvisie achter de verdere ontwikkeling zit.

Welke handelssegmenten ontbreken vandaag in Diksmuide en kunnen het bestaande aanbod echt aanvullen? Welke zijn complementair met het centrum? Welke impact wordt verwacht op bestaande handelszaken? En waarop is die beoordeling gebaseerd?

Want uiteindelijk moet dát het doel zijn: niet zomaar meer vierkante meters winkelruimte creëren, maar een handelsaanbod uitbouwen dat Diksmuide als geheel sterker maakt.

“Als iemand vandaag naar Roeselare of Oostende rijdt om daar meubels, schoenen, kleding of andere producten te kopen en die aankoop straks in Diksmuide doet, dan hebben we koopkracht teruggewonnen. Dat is positief”, zegt Günther Claes van Diksmuide Voorop. “Maar wanneer iemand vandaag bij een bestaande Diksmuidse handelaar koopt en diezelfde euro straks bij een keten aan de rand van de stad uitgeeft, hebben we geen extra koopkracht gecreëerd. Dan hebben we ze alleen binnen Diksmuide verschoven.”

“Als ondernemer weet ik hoeveel investeringen, werk en risico er achter een onderneming zitten. Ik wil daarom absoluut nieuwe ondernemers en nieuwe winkels naar Diksmuide halen. Maar onze bestaande handelaars verdienen evenzeer een stadsbestuur dat vooraf onderzoekt wat de gevolgen van zijn keuzes zijn.”

En precies daar ontbreken voor ons vandaag antwoorden.

Welke recente cijfers tonen hoeveel koopkracht Diksmuide momenteel verliest? Naar welke steden vloeit die koopkracht? Welke handelssegmenten ontbreken vandaag werkelijk? Hoeveel bijkomende winkeloppervlakte kan Diksmuide dragen? En welk deel van de omzet van nieuwe winkels verwacht men werkelijk van buiten Diksmuide terug te halen?

Die vragen zijn niet uit de lucht gegrepen.

Volgens de eigen Omgevingsanalyse van Stad Diksmuide telde onze stad in 2014 nog 172 winkels. In 2024 waren dat er 141. Tegelijk nam de totale winkelvloeroppervlakte toe, onder meer door de ontwikkeling van de handelszone aan de Esenweg.

Minder winkels, maar meer winkeloppervlakte.

Dat betekent niet dat bijkomende winkeloppervlakte automatisch slecht is. Het betekent wel dat verdere uitbreiding met kennis van zaken moet gebeuren.

Zeker omdat het verhaal niet stopt aan de Woumenweg. Binnen de herziening van de afbakening van het kleinstedelijk gebied wordt ook onderzocht welke bijkomende mogelijkheden er aan de Esenweg kunnen komen.

Woumenweg, de bestaande handelszone Esenweg, een mogelijke verdere uitbreiding van Esenweg én onze handelskern moeten daarom volgens ons als één economisch geheel worden bekeken.

Die visie op handel is voor Diksmuide Voorop niet nieuw. Voorzitter Claude Vindevogel was van 2000 tot 2007 zelf centrummanager van Diksmuide en kent de verhouding tussen stadsbestuur en lokale ondernemers van dichtbij.

Die ervaring ligt ook mee in het verlengde van onze keuze voor een sterk centrummanagement. Niet alleen om activiteiten te organiseren, maar als permanente brug tussen ondernemers, stadsdiensten en beleid. Een centrummanagement moet mee weten welke handelszaken ontbreken, welke koopkracht wegvloeit en welke ontwikkelingen werkelijk complementair zijn met de bestaande handel. Wanneer belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen op tafel liggen, moeten ondernemers daar vroeg bij betrokken worden.

Precies daarom stond centrummanagement centraal in het verkiezingsprogramma waarmee Project 8600, vandaag Diksmuide Voorop, in 2024 naar de kiezer trok. We pleitten voor een onafhankelijk centrummanagement als rechtstreeks aanspreekpunt voor ondernemers en als brug tussen lokale handelaars en stadsbestuur. Daarnaast stelden we een lokale ondernemersraad voor die minstens drie keer per jaar samenkomt. Strategische planning, mobiliteit en ruimtelijke ontwikkelingen zouden daar in detail aan ondernemers worden voorgelegd en besproken.

Dat voorstel is vandaag actueler dan ooit.

En dan komen we onvermijdelijk bij schepen Kurt Vanlerberghe.

Vanlerberghe stelde vanuit de oppositie jarenlang zelf kritische vragen over het handelsbeleid. In 2022 vroeg hij duidelijkheid over de ontwikkeling van grootschalige kleinhandel aan Esenweg en Woumenweg.

Ook de toenemende leegstand kaartte hij nadrukkelijk aan. De cijfers die hij daarbij naar voren bracht, evolueerden van 8,9 procent in 2020 naar 10 procent in 2021, 10,9 procent in 2022 en 13,6 procent in 2023. Zijn conclusie was duidelijk: er moest dringend verandering komen.

Daar had Vanlerberghe volgens ons gelijk in. Alleen zit hij vandaag zelf aan de bestuurstafel.

Kurt Vanlerberghe zit vandaag niet meer in de oppositie. Hij is schepen en maakt deel uit van het college van burgemeester en schepenen en van de ruime meerderheid die het beleid van Diksmuide bepaalt.

Lokale Economie behoort niet tot zijn persoonlijke bevoegdheden. Maar een college bestuurt collegiaal. Beleidskeuzes van een bestuursploeg dragen dus ook een collectieve politieke verantwoordelijkheid.

De vragen die Vanlerberghe vroeger terecht aan het toenmalige stadsbestuur stelde, mogen daarom vandaag ook gesteld worden aan de meerderheid waarvan hij zelf deel uitmaakt.

Wij vragen Kurt niet om afstand te nemen van zijn vroegere woorden. Wij vragen hem om binnen de huidige bestuursploeg mee de antwoorden te geven waarop hij vanuit de oppositie zelf aandrong.

Als de leegstand toen zo’n belangrijke bezorgdheid was, welke concrete analyse ligt vandaag op tafel om te beoordelen wat bijkomende perifere winkeloppervlakte betekent voor onze handelskern?

Als er toen nood was aan duidelijkheid over Esenweg en Woumenweg, waar ligt vandaag dan de grens?

En als straks naast Woumenweg ook bijkomende handelsontwikkeling aan Esenweg mogelijk wordt gemaakt, hoeveel commerciële vierkante meters vindt deze meerderheid dat Diksmuide uiteindelijk kan dragen?

De eigen beleidsdocumenten leggen de lat nochtans duidelijk.

Het Strategisch Commercieel Plan van Diksmuide spreekt voor grootschalige detailhandel aan Woumenweg en Esenweg over een “selectief beleid”. Nieuwe detailhandel moet complementair zijn met het aanbod in het kernwinkelgebied. Voor deze zones wordt zelfs gesproken over “geen stimulerend beleid”.

Dat zijn niet onze woorden. Dat staat in de handelsvisie die Diksmuide zelf heeft vastgelegd.

Dan mogen inwoners en ondernemers ook verwachten dat wordt aangetoond hoe nieuwe ontwikkelingen aan die uitgangspunten beantwoorden.

Welke handelssegmenten vullen daadwerkelijk een leemte? Welke zijn complementair met het centrum? Welke impact wordt verwacht op bestaande handelszaken? En waarop is die beoordeling gebaseerd?

Ook de Bouwmeesterscan waarschuwde eerder voor de mogelijke impact van perifere baanwinkels op de concentratie van voorzieningen in het centrum. Dat betekent niet dat er geen plaats kan zijn voor grotere winkelconcepten. Het betekent wel dat je die ontwikkeling niet los kunt bekijken van wat er ondertussen in de handelskern gebeurt.

Schepen Rollez verwijst naar modeshows, etalagewedstrijden, een startersavond, subsidies voor nieuwe handelaars en toekomstige ondernemersawards.

Daar is op zichzelf niets verkeerd mee. Initiatieven die lokale ondernemers in de kijker zetten, kunnen we alleen maar toejuichen.

Maar een modeshow is geen handelsstrategie.

Een premie voor een ondernemer die een leegstaand pand in het centrum betrekt, is nuttig. Maar tegelijk moet een bestuur zicht hebben op wat bijkomende winkeloppervlakte elders doet met diezelfde handelskern.

Een gezellige en economisch gezonde handelskern ontstaat evenmin door twee modeshows en een etalagewedstrijd per jaar. Daarvoor zijn bereikbaarheid, mobiliteit, leegstandsbeleid, ruimtelijke ordening, aantrekkelijke publieke ruimte, evenementen, een goed handelsaanbod en vooral voortdurend overleg met ondernemers nodig.

Daarom blijven wij pleiten voor een sterk centrummanagement.

Diksmuide Voorop wil niet vervallen in de eenvoudige tegenstelling tussen winkelketens en zelfstandige ondernemers. We hebben beide nodig.

Wij willen winkels aantrekken waarvoor Diksmuidelingen vandaag naar andere steden rijden. Wij willen nieuwe ondernemers kansen geven. Wij willen werkgelegenheid creëren.

Maar we willen tegelijk een levendige handelskern en sterke lokale ondernemers behouden.

Dat vraagt sturing. Het vraagt actuele koopstromencijfers. Het vraagt overleg met ondernemers vóór belangrijke beslissingen worden genomen. Het vraagt een duidelijk antwoord op de vraag hoeveel perifere handelsontwikkeling Diksmuide kan dragen.

En het vraagt vooral dat Woumenweg, Esenweg en het stadscentrum niet als drie afzonderlijke dossiers worden behandeld, maar als onderdelen van één handelsstad.

“Wij zijn niet tegen groei”, besluit Claes. “Integendeel. Wij willen dat Diksmuide economisch sterker wordt. Maar meer winkeloppervlakte is op zichzelf nog geen economisch beleid. Als we koopkracht van buiten Diksmuide terughalen, hebben we iets gewonnen. Als we ze alleen van de ene Diksmuidse winkel naar de andere verschuiven, niet.”

Daarom moet je ondernemers betrekken en permanent weten wat er leeft. Niet wanneer alles al beslist is, maar wanneer je de richting van het handelsbeleid bepaalt.

En misschien ligt daar uiteindelijk de belangrijkste les.

Kurt Vanlerberghe stelde vanuit de oppositie zelf scherpe en terechte vragen over het handelsbeleid en de leegstand. Vandaag draagt hij als schepen mee de collectieve verantwoordelijkheid voor het beleid van deze meerderheid.

De lat die hij toen voor het stadsbestuur legde, mag vandaag dus ook voor zijn eigen bestuursploeg gelden.

Wie vanuit de oppositie jarenlang terecht vroeg om te luisteren naar wat er leeft, moet daar eenmaal aan de bestuurstafel niet mee ophouden.

De touwtjes hangen misschien niet meer uit de brievenbus, maar de afstand tussen het stadsbestuur, onze inwoners en onze ondernemers hoeft daarom niet groter te worden.

Nieuwe winkels zijn welkom. Een sterk centrum is even belangrijk.

Diksmuide verdient beide.

Maar dan moet het stadsbestuur niet alleen vertellen dat de vrije markt haar werk doet. Het moet vooral kunnen aantonen welke richting het zélf met onze handelsstad uit wil.

Günther Claes
Diksmuide Voorop