Antwerpen bespreekt de toekomst van Joodse studies: van filosofisch meningsverschil tot muziek die de vervolging overleefde

15 oktober 2026
Hoe wordt Joodse kennis doorgegeven wanneer iedere generatie andere vragen stelt en de geschiedenis de overdracht telkens onderbreekt? Die vraag stond op donderdag 15 oktober 2026 centraal tijdens de tweede dag van de conferentie Intergenerational Transmission in Jewish Studies aan de Universiteit Antwerpen. In de Tassiszaal, op de tweede verdieping van het Hof van Liere aan de Prinsstraat 13, spraken onderzoekers over filosofie, geschiedschrijving, religieuze tradities en de toekomst van hun vakgebied. De dag eindigde met Lebensmelodien van Nur Ben Shalom, waarbij muziek en levensverhalen van tijdens de Holocaust vervolgde Joden werden samengebracht. indegazette.be was voor de tweede dag op rij aanwezig.
Vijfentwintig jaar onderzoek en een wissel in de leiding
Het Instituut voor Joodse Studies vierde met de tweedaagse conferentie zijn vijfentwintigste verjaardag. De bijeenkomst stond ook in het teken van de overdracht van de leiding door oprichtend directeur Vivian Liska aan Theodor Dunkelgrün. Het programma bracht onderzoekers van verschillende generaties telkens per twee in gesprek. Hun opdracht ging over de overdracht van kennis, onderzoeksmethoden en manieren van lezen, met ruimte voor tegenspraak. Een leerling neemt de vragen van een leermeester immers niet noodzakelijk op dezelfde manier over. Ook de uitgangspunten kunnen ter discussie komen te staan. Dat gebeurde tijdens de gesprekken in Antwerpen: waardering voor het werk van een voorganger ging geregeld samen met kritiek op diens begrippen en conclusies.
Arthur Cools opent met de verhouding tussen filosofie en literatuur
Om 9.30 uur opende het gesprek over moderne Joodse filosofie met Leora Batnitzky en Eli Schonfeld, onder leiding van Arthur Cools. Cools plaatste de bijeenkomst in een geschiedenis van gesprekken met Vivian Liska over filosofie en literatuur. Hij herinnerde aan zijn onderzoek naar Emmanuel Levinas en Maurice Blanchot en aan de vragen die hun werk oproept over het ik, het schrijven en de verhouding tot anderen. Ook Franz Kafka kwam ter sprake als auteur die in die gesprekken een plaats had gekregen. Cools maakte van de titel van de sessie meteen een onderzoeksvraag. Wat betekent modern, wat betekent Joods en wat wordt onder filosofie verstaan? Achter die drie woorden liggen verschillende intellectuele tradities. De plaats van filosofie binnen Joodse studies kon voor hem daarom niet als een vanzelfsprekend gegeven worden beschouwd.
Leora Batnitzky onderzoekt het verschil tussen denken binnen en denken over het jodendom
Leora Batnitzky vertrok bij Franz Rosenzweig en diens beschouwing over apologetisch denken. In haar bespreking stond het onderscheid centraal tussen denken binnen het jodendom en denken over het jodendom. Wie binnen een traditie leeft, kan de gebruiken, teksten en taal ervan als een gegeven ervaren. Wie die traditie moet uitleggen tegenover een andere intellectuele omgeving, krijgt met andere vragen te maken. De begrippen waarin het jodendom wordt beschreven, zijn dan vaak mede afkomstig uit die omgeving. Batnitzky besprak hoe Rosenzweig de moderne Joodse filosofie vanuit die grenssituatie benaderde. De vraag naar overdracht krijgt daarin een concrete inhoud: wat gebeurt er wanneer de taal en de dagelijkse vertrouwdheid met een traditie niet langer vanzelf van de ene generatie naar de andere gaan?
Het Lehrhaus en de vraag naar herstel
In dat verband kwam Rosenzweigs Lehrhaus ter sprake, waar onderwijs en het opnieuw leren lezen van Joodse teksten een antwoord moesten bieden op de afstand tot de traditie. Hebreeuws en tekststudie kregen daarin een plaats. Batnitzky gebruikte dit voorbeeld om een bepaalde opvatting van moderne Joodse filosofie te bespreken: de moderniteit heeft een overdracht onderbroken, waarna onderwijs een terugkeer mogelijk probeert te maken. Zij bleef echter niet bij dat schema. Het veronderstelt immers dat er ooit een duidelijk afgebakende binnenwereld bestond en dat de moderne mens daarbuiten terechtkwam. Batnitzky vroeg of die scheiding voldoende recht doet aan de manier waarop mensen denken, lezen en leven.
Waarom Batnitzky liever ruimte maakt voor Joods denken
Batnitzky sloot aan bij Vivian Liska’s voorkeur voor het begrip Joods denken. Dat biedt plaats aan filosofie, theologie, literatuur en culturele vragen zonder deze vooraf strikt van elkaar te scheiden. Zij beschreef hoe haar samenwerking met Liska en Ilana Pardes haar eigen benadering had veranderd. Haar eerdere onderzoek naar Rosenzweig maakte geleidelijk plaats voor een ruimer begrip van de vragen die onder Joods denken kunnen vallen. Religieuze en niet-religieuze taal, verschillende historische tijden en uiteenlopende vormen van schrijven kunnen binnen hetzelfde werk aanwezig zijn. Denken binnen een traditie en denken over die traditie hoeven elkaar dan niet uit te sluiten. De onderzoeker kan beide bewegingen maken.
Verschil hoeft geen afstand van het universele te betekenen
Bij Batnitzky kreeg ook de verhouding tussen menselijke verscheidenheid en universele aanspraken aandacht. Zij verzette zich tegen de gedachte dat filosofie uitsluitend vanuit een Griekse of Duitse herkomst kan worden begrepen. Een aanspraak die voor iedereen bedoeld is, ontstaat zelf eveneens in een bepaalde taal en historische omgeving. Met verwijzingen naar Hannah Arendt en Moses Mendelssohn besprak zij een denken dat verschil niet wegwerkt om tot overeenstemming te komen. Mensen hoeven niet hetzelfde te denken of te voelen om zich tot elkaar te richten. Ook de mens tegenover zichzelf is geen naadloze eenheid: nadenken houdt een gesprek met zichzelf in. Vanuit die benadering betekent overdracht dat een traditie verandert zodra mensen haar opnieuw lezen en bevragen.
Eli Schonfeld stelt de overdracht zelf ter discussie
Eli Schonfeld begon bij Walter Benjamins beschouwingen over Kafka. Daarin vond hij de vraag terug wat er gebeurt wanneer een traditie nog wordt gehoord, maar haar waarheid niet langer op dezelfde manier toegankelijk is. Schonfeld maakte de overdracht zelf tot het onderwerp van zijn bijdrage. Hij beschreef moderne Joodse filosofie als een reeks pogingen om te antwoorden op een crisis van het moderne Joodse bestaan. Spinoza fungeerde daarbij als naam voor een breuk, niet als een eenvoudige historische verklaring voor alles wat later kwam. Schonfeld plaatste onder anderen Mendelssohn, Hermann Cohen, Rosenzweig, Levinas en Benny Lévy binnen een geschiedenis van denken waarin een crisis geregeld gepaard gaat met een beweging van terugkeer.
De universiteit als plaats van kennis
Schonfeld richtte zijn aandacht daarna op de instelling waarin de conferentie plaatsvond. Kan de moderne universiteit een plaats zijn voor de overdracht van Joods denken? Zijn antwoord begon bij de mogelijkheid om kennis als een academische discipline te onderwijzen. Binnen de moderne universiteit kunnen teksten worden onderzocht, begrippen worden uitgelegd en historische ontwikkelingen worden beschreven. Hij besprak de opvatting van wetenschap die hij met Wilhelm von Humboldt in verband bracht: onderzoek als een open onderneming die steeds nieuwe onderwerpen kan opnemen. Ook het jodendom kon zo een onderwerp van wetenschappelijk onderzoek worden. De geschiedenis van de Wissenschaft des Judentums en die van hedendaagse instituten voor Joodse studies kregen in zijn betoog vanuit die ontwikkeling een plaats.
Kennis overdragen is voor Schonfeld niet hetzelfde als een traditie doorgeven
Het meningsverschil werd zichtbaar bij de vraag wat de universiteit precies doorgeeft. Schonfeld stelde dat academische kennisoverdracht en overdracht binnen een Joodse leertraditie verschillende zaken zijn. Wetenschappelijk onderzoek verlangt afstand tot het onderwerp. De onderzoeker moet een tekst kunnen onderzoeken zonder de aanspraken van die tekst zelf te aanvaarden. Maar moderne Joodse filosofie gaat in zijn lezing juist over vragen waarbij de denker zelf betrokken is. Degene die onderzoekt, kan ook degene zijn wiens bestaan door de vraag wordt geraakt. Een beschrijving van die crisis neemt de crisis niet weg. Schonfeld vroeg daarom of de academische vorm iets buiten beeld laat wanneer zij een levende vraag tot een object van onderzoek maakt.
Het leerhuis tegenover de academische instelling
Schonfeld plaatste tegenover de universiteit het beit midrasj en de jesjiva, plaatsen van Joodse tekststudie die al vóór de moderne academische instellingen bestonden. Binnen zijn betoog vertegenwoordigen die een andere verhouding tussen tekst, leerling en leraar. Zijn conclusie was bewust confronterend: de universiteit kan moderne Joodse filosofie onderwijzen, terwijl zij zelf ook deel uitmaakt van de omstandigheden waarin de traditionele overdracht onder druk is komen te staan. Dat was zijn stelling, geen gezamenlijk besluit van de sprekers. Waar Batnitzky ruimte zocht voor het naast elkaar bestaan van verschillende vormen van denken, stelde Schonfeld de verenigbaarheid van twee onderwijspraktijken ter discussie. Arthur Cools zag in de bijdragen voldoende stof voor een afzonderlijke conferentie.
Steven Aschheim over wat een historicus doorgeeft
Om 10.15 uur spraken Steven Aschheim en Itamar Ben Ami over moderne intellectuele geschiedenis, met Bart Wallet als moderator. Aschheim koos voor een persoonlijke benadering van de vraag wat zijn werk aan jongere onderzoekers kan doorgeven. Hij vertelde met zelfspot dat hij daarvoor de AI-toepassing Claude had geraadpleegd: zichzelf presenteren als iemand die precies weet welke lessen hij heeft nagelaten, vond hij ongemakkelijk. De inhoud die hij vervolgens besprak, ging over de verantwoordelijkheid van de historicus. Verklaringen die alles tot één oorzaak herleiden, verdienen wantrouwen. Ook bij onderzoek naar nazisme, genocide, ballingschap en vervolging moeten onderscheidingen behouden blijven. Morele ernst ontslaat een historicus niet van zorgvuldig lezen.
Onderzoek moet ook buiten de kring van vakgenoten leesbaar zijn
Aschheim waarschuwde voor een academische praktijk waarin onderzoekers voornamelijk schrijven voor een handvol collega’s. Een groter publiek bereiken vraagt taal die ook buiten het eigen vakgebied te begrijpen is. Jargon kan daarbij een hindernis worden. Hij sprak ook over zijn leermeester George Mosse. Voor Aschheim hoort bij goed mentorschap dat een docent de kritiek en zelfstandigheid van leerlingen aanvaardt. De overdracht van kennis is dan geen opdracht tot gehoorzaamheid. Een leerling moet een andere richting kunnen kiezen en de uitgangspunten van een leermeester kunnen betwisten. Het gesprek met Ben Ami gaf daar meteen een voorbeeld van: de wederzijdse waardering liet ruimte voor een meningsverschil over de politieke en intellectuele toestand van deze tijd.
Menselijkheid als grens aan politieke rangordes
Aschheim verdedigde een begrip van menselijkheid dat niet afhangt van afkomst of groepslidmaatschap. Hij wees rangordes tussen zogenaamd hogere en lagere mensen af. Wanneer de gedachte verdwijnt dat ieder mens een morele aanspraak heeft, ontstaat volgens hem ruimte voor slavernij en genocide. Ook cultuur en opleiding bieden geen automatische bescherming tegen wreedheid. Kunst, onderwijs en traditie kunnen zelfs worden gebruikt om geweld te rechtvaardigen. Daarom mogen ze niet als vrijbrief dienen. Zijn positie was die van een liberaal humanist die zich bewust is van angst, misbruik en politieke ontsporing. Het ging hem om het bewaren van grenzen aan wat mensen elkaar mogen aandoen.
Het vergelijken van leed vraagt onderscheid
Een ander vraagstuk in Aschheims bijdrage was de vergelijking tussen verschillende vormen van lijden. Verwijzingen naar andere oorlogen of genocides kunnen historische verschillen helpen onderzoeken, maar ook worden ingezet om kritiek op eigen handelen te ontwijken. Aschheim beschreef de spanning tussen die twee gebruiken. Niet elke vergelijking is een afleiding, maar een verwijzing naar andermans leed mag evenmin dienen om verantwoordelijkheid af te schuiven. Hij koppelde die zorg aan de geschiedenis van ideeën. Een tekst kan later voor andere doeleinden worden gebruikt dan de auteur beoogde. De studie van die ontvangstgeschiedenis gaat voor hem daarom ook over verantwoordelijkheid. Zijn onderzoek naar Nietzsche vormde daarvoor een aanknopingspunt.
Itamar Ben Ami beschrijft een generatie die haar richting kwijt is
Itamar Ben Ami bouwde voort op Aschheims werk, maar gaf het begrip crisis een andere nadruk. Een crisis ontstaat in zijn beschrijving wanneer de ideeën waarmee mensen hun wereld begrepen, niet langer helpen om daarin hun plaats te bepalen. Het gaat dan ook om het wegvallen van vertrouwde verklaringen. Een generatie erft een manier van denken, maar merkt dat die geen antwoord geeft op de vragen waarmee zij wordt geconfronteerd. Ben Ami zag daarin een verschil tussen zijn eigen generatie en die van Aschheim. Voor hem ligt het liberalisme zelf op de onderzoekstafel. Individualisme, groepsvorming en het verdwijnen van gedeelde politieke verhalen behandelde hij als problemen die ook binnen de liberale orde ontstaan.
Van Nietzsche naar Carl Schmitt
Ben Ami stelde voor om de belangstelling voor Carl Schmitt te onderzoeken als een aanwijzing voor de politieke veranderingen van deze tijd. Zoals de ontvangst van Nietzsche iets kan vertellen over eerdere intellectuele ontwikkelingen, zou de hedendaagse ontvangst van Schmitt kunnen helpen begrijpen waarom het onderscheid tussen vriend en vijand opnieuw zoveel aandacht krijgt. Ben Ami maakte tijdens het gesprek duidelijk dat hij Schmitt niet als oplossing aanbeval. Hij wilde diens werk gebruiken om de crisis te lezen. Aschheim hield afstand van Schmitt als gids voor het eigen politieke denken. Hij kon het nut van onderzoek naar diens aantrekkingskracht erkennen zonder diens uitgangspunten over te nemen.
De vreemdeling en de vijand vragen verschillende antwoorden
Ben Ami werkte het verschil uit tussen de vreemdeling en de vijand als figuren in het politieke denken. De vreemdeling kan een samenleving ertoe brengen haar grenzen en uitsluitingen te onderzoeken. De vijand stelt volgens hem een andere vraag: hoe blijft een mens menselijk wanneer een ander hem niet om erkenning vraagt, maar hem bedreigt? Vanuit dat onderscheid besprak hij zijn belangstelling voor politiek realisme en voor denkers zoals Leo Strauss, Hans Morgenthau en Judith Shklar. Zijn vraag ging over het voorkomen van oorlog en ontmenselijking in omstandigheden waarin wederzijds begrip geen voldoende bescherming biedt. Ook verdediging heeft grenzen nodig. Het erkennen van gevaar mag geen rechtvaardiging worden voor onbegrensd geweld.
Europa en de plaats van Joods bestaan
Ben Ami formuleerde een kritische lezing van een Europa dat culturele verscheidenheid verdedigt. In zijn beoordeling kan juist de concrete Joodse aanwezigheid daar moeilijk in passen, terwijl nationale instellingen soms duidelijker bescherming bieden. Dat bleef een stelling binnen het debat. Bart Wallet vroeg Aschheim hoe hij de huidige positie van Joden in Europa beoordeelde. Aschheim wilde geen advies geven alsof hij vanuit Israël de Europese situatie als geheel kon overzien. Hij sprak liever over de problemen die hij zelf ervaart. Die terughoudendheid hield ook een methodische grens in: een historicus hoeft niet iedere actuele vraag vanuit een vermeend totaaloverzicht te beantwoorden.
Kritiek op Israël zonder afwijzing
Aschheim beschreef zowel zijn bezorgdheid over politieke ontwikkelingen binnen Israël als zijn verzet tegen voorstellingen waarin Israël tot één ontmenselijkt vijandbeeld wordt herleid. Hij wees de gedachte af dat zijn Israëlische identiteit hem verplicht om tegen Palestijnen te zijn. In zijn bijdrage nam hij afstand van Hamas en van Ben-Gvir. Zijn pleidooi ging over het behoud van onderscheidingen in een debat dat mensen vaak in twee kampen onderbrengt. Ben Ami erkende dat ook hij geen uitgewerkt antwoord had op de politieke crisis. Hij zocht naar een manier van samenleven waarin mensen hun veiligheid kunnen verdedigen zonder hun menselijkheid op te geven.
Ook Joodse studies moeten hun begrippen onderzoeken
Wallet bracht het gesprek terug naar het vakgebied. Is er ook een crisis binnen Joodse studies? Ben Ami vroeg of het begrip verschil, dat in Europees Joods denken veel gewicht heeft gekregen, voldoende ruimte biedt voor Joods bestaan in de praktijk. Een vakgebied kan Joodse teksten waarderen als kritiek op bestaande categorieën en toch moeite hebben met Joden als mensen die bescherming en politieke handelingsruimte nodig hebben. Aschheim beschreef zijn eigen positie vanuit de algemene geschiedenis. Zijn belangstelling gaat onder andere uit naar denkers die tussen verschillende vormen van identiteit bewegen. De spanning tussen Joods zijn en de omgeving kan volgens hem intellectuele arbeid voortbrengen. Die spanning kan echter ook angst en kwetsbaarheid betekenen.
Joods-christelijke relaties, kabbala en vroegmoderne geschiedenis
Na de koffiepauze van 11.00 uur vermeldde het programma om 11.30 uur het gesprek over Joods-christelijke relaties met Israel Yuval en Karma Ben-Johanan, onder leiding van René Dausner. Om 12.15 uur was lunch voor de sprekers voorzien. De middagreeks begon om 13.15 uur met Moshe Idel en Ruth Kara-Ivanov over kabbala, met Aaron Kachuck als moderator. Om 14.00 uur stonden David Ruderman en Tamara Morsel-Eisenberg geprogrammeerd voor het gesprek over vroegmoderne geschiedenis, begeleid door Jessica Roitman. Deze sessies plaatsten de overdrachtsvraag binnen verschillende onderzoeksvelden: religieuze verhoudingen, mystieke teksten en historische verandering. Het dagprogramma gaf ieder van die terreinen een eigen plaats.
Vivian Liska en Theodor Dunkelgrün over de toekomst van het instituut
Om 14.45 uur stond de toekomst van Joodse studies centraal in het gesprek tussen Vivian Liska en Theodor Dunkelgrün, met Jan Morrens als moderator. Het programma voorzag daarna woorden van collega’s en vrienden. De overdracht van de leiding gaf de conferentietitel een concrete institutionele inhoud. Een instituut bewaart onderzoek, onderwijs en contacten, maar krijgt bij een wissel in de leiding ook te maken met nieuwe keuzes. De gesprekken van de ochtend hadden al laten horen dat overdracht niet zonder discussie verloopt. Wat een volgende generatie ontvangt, kan zij voortzetten, anders lezen of betwisten. Na een koffiemoment om 15.30 uur maakte het programma plaats voor het concert, dat van 16.00 tot 17.00 uur was aangekondigd, met aansluitend een receptie.
Lebensmelodien geeft de muziek een naam en een levensverhaal
Bij Lebensmelodien van Nur Ben Shalom kregen de vragen over overdracht een andere vorm. Voorafgaand aan de muziek werden levensverhalen verteld. Achter iedere melodie stond een mens met familie, herinneringen en verwachtingen. De uitvoering ging over muziek die tijdens vervolging werd gemaakt, gezongen of bewaard en later door anderen werd doorgegeven. Vivian Liska nam de voorlezing van de verhalen op zich. Zo werd de afstand tussen het academische gesprek en de herinnering aan afzonderlijke mensen kleiner. De luisteraar hoorde niet enkel een compositie, maar kreeg ook te horen onder welke omstandigheden die muziek een plaats had in iemands leven.
De brief van Salomea en het antwoord van Nur Ben Shalom
Nur Ben Shalom vertelde over zijn oudtante Salomea, die pianiste was. Voor haar deportatie en moord schreef zij een brief aan haar familie waarin zij om wraak vroeg. Hij groeide op met die brief. Zijn vader schreef er een boek over en het document bleef in de familie bewaard. Ben Shalom legde uit hoe Lebensmelodien voor hem een antwoord op die vraag vormt. Door de muziek opnieuw uit te voeren, krijgen de vermoorde mensen opnieuw een hoorbare plaats. Hij sprak over hun verwachtingen als musici en over de toekomst die hun werd ontnomen. Het project koppelt die herinnering aan de strijd tegen antisemitisme. De muziek wordt doorgegeven aan mensen die de oorspronkelijke makers nooit hebben gekend.
Een rabbijn die bleef zingen
Een van de verhalen ging over rabbijn Kalonymus Kalman Shapira, die in het getto van Warschau zijn religieuze werk voortzette te midden van honger, vervolging en dood. De voorlezing beschreef hoe hij na verlies in zijn eigen familie zong en hoe een aanwezige die herinnering tijdens de oorlog met zich meedroeg. Het verhaal maakte duidelijk dat muziek de omstandigheden niet wegnam, maar mensen tijdelijk kon helpen hun verdriet te dragen. Ook het bewaren van teksten kwam aan bod. Preken en getuigenissen moesten worden beschermd tegen vernietiging, opdat anderen ze later nog zouden kunnen lezen. Zingen, schrijven en bewaren verschenen zo als verschillende manieren om iets door te geven wanneer mensen zelf met de dood worden bedreigd.
Een melodie tussen de bladzijden
Een ander verhaal beschreef hoe een tijdens dwangarbeid aangeleerde melodie op papier werd gezet en thuis werd verborgen. Na de oorlog vond een overlevende het blad terug tussen de pagina’s van een Haggada, het boek dat tijdens de sederavond wordt gelezen. De muziek van een vermoorde vriend was bewaard gebleven. Het ging om een klein voorwerp dat een menselijke relatie kon blijven dragen nadat familieleden en bekenden waren vermoord. De teruggevonden noten kregen tijdens het concert een nieuwe uitvoering. Tussen de eerste overdracht van de melodie en het luisteren in Antwerpen lagen vervolging, verlies, bewaring en de beslissing van anderen om de muziek opnieuw te spelen.
Een kind dat via een lied het Jiddisch terugvond
De voorlezing bracht ook de herinneringen van een meisje dat haar familie tijdens de vervolging verloor. Zij vertelde hoe zij als kind met haar vader zong en hoe hij later, tijdens hun onderduik, van honger stierf. Na verdere omzwervingen raakte zij het Jiddisch kwijt en sprak zij Oekraïens. In contact met Joodse partizanen begon zij op een dag een lied uit haar vroege jeugd te zingen. Met het lied kwamen woorden terug die zij verloren waande. De herinnering aan haar familie kreeg opnieuw taal. Het verhaal ging over de schade die vervolging aanricht in een kinderleven, maar ook over wat een lied kan bewaren wanneer de mensen met wie het werd gezongen er niet meer zijn.
Een ontmoeting na tientallen jaren
In een volgende herinnering herkenden gevangenen een melodie in een barak. De zanger bleek de maker ervan te zijn. Na een later transport meenden de broers die hem hadden gehoord dat hij was omgekomen. Tientallen jaren later leidde het vertellen van die geschiedenis tot een ontmoeting met de man van wie zij dachten dat hij niet meer leefde. Opnieuw klonk dezelfde melodie. De aanwezigen van toen waren er voor een groot deel niet meer, maar het lied had verschillende momenten in het leven van de overlevenden doorkruist. Tijdens de uitvoering in Antwerpen werd die geschiedenis opnieuw verteld, nu aan een publiek dat haar moest ontvangen en verder kon dragen.
Een jonge pianiste die zelf wilde componeren
Ook een jonge pianiste uit het getto van Warschau kreeg een plaats in de voorlezing. Zij oefende urenlang, trad op en begon eigen muziek te schrijven. Haar verwachtingen gingen verder dan het uitvoeren van werk van anderen: zij wilde als vrouw ook als componiste worden gehoord. Het verhaal beschreef haar optredens, de zorg van haar ouders en de ziekte waaraan zij in het getto bezweek. Haar muziek en herinneringen aan haar spel bleven bewaard. Door haar werk opnieuw te laten klinken, kreeg het publiek een beeld van een kind dat plannen had voor een leven als musicus. Haar geschiedenis werd niet tot de omstandigheden van haar dood beperkt.
Van een academische vraag naar een opdracht aan de luisteraar
De tweede conferentiedag bracht uiteenlopende opvattingen over overdracht bijeen. Batnitzky onderzocht hoe een traditie door verandering blijft bestaan. Schonfeld vroeg of academisch onderzoek dezelfde overdracht kan verzorgen als een leerhuis. Aschheim verdedigde zorgvuldig historisch onderscheid en menselijke gelijkwaardigheid. Ben Ami vroeg welke begrippen nog richting geven wanneer vertrouwde politieke antwoorden tekortschieten. Bij Lebensmelodien werd overdracht hoorbaar in muziek die door anderen was bewaard. Een melodie op een blad papier, teruggevonden tussen de pagina’s van een boek, bereikte zo opnieuw luisteraars. indegazette.be volgde in Antwerpen voor de tweede dag op rij hoe teksten, vragen en muziek van de ene generatie naar de andere gaan.
Bronnen:
Eigen verslaggeving indegazette.be, tweede conferentiedag, 15 oktober 2026.
Universiteit Antwerpen, Instituut voor Joodse Studies, conferentieaankondiging en programma Intergenerational Transmission in Jewish Studies, 14 en 15 oktober 2026. University of Antwerp
Lebensmelodien, achtergrond bij het project en de geschiedenis van Salomea. Lebensmelodien
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag brengt indegazette.be nieuws en reportages uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Elke vrijwillige bijdrage helpt om dit journalistieke werk voort te zetten en toegankelijk te houden.
Steunen kan via Ko-fi of Buy Me a Coffee.
Hartelijk dank voor je vertrouwen en steun.
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


