Onderzoeker Hans Bruintjes legt pijnlijke cijfers bloot: meer dan helft van bevraagde neurodivergente personen ervaart stigma bij werkgevers

Diksmuide, 16 oktober 2026 – Hoeveel betekenis heeft de uitspraak dat iedereen meetelt wanneer mensen met autisme, ADHD of andere neurodivergente kenmerken in werkelijkheid niet op gelijke voet kunnen deelnemen aan onderwijs, werk en overheidsdienstverlening? Die vraag stelt de Nederlandse juridisch en beleidsmatig onderzoeker Hans Bruintjes in een uitgebreide bijdrage voor de EDC Fan Dag van zaterdag 17 oktober 2026 in Diksmuide. Hij verwijst naar een eigen bevraging van 631 respondenten, waarbij 51,1 procent melding maakte van stigmatisering door werkgevers en 47,5 procent van negatieve ervaringen met medewerkers in het reguliere onderwijs. Bruintjes benadrukt dat zijn resultaten niet representatief zijn voor alle neurodivergente personen, maar beschouwt de gerapporteerde ervaringen wel als een ernstig signaal.

Toegankelijk op papier, maar niet in de praktijk

Volgens Bruintjes worden uitsluitingsmechanismen te vaak over het hoofd gezien omdat regels op papier voor iedereen gelijk zijn. Een sollicitatieprocedure kan bijvoorbeeld voor alle kandidaten openstaan, terwijl de manier waarop gesprekken worden gevoerd bepaalde personen benadeelt. Kandidaten die moeite hebben met onverwachte vragen, sociale communicatie of prikkelrijke omgevingen kunnen daardoor minder goed beoordeeld worden, ook wanneer zij inhoudelijk geschikt zijn voor de functie. Hetzelfde probleem kan zich voordoen in het onderwijs en bij overheidsdiensten. Formele gelijkheid is volgens de onderzoeker niet hetzelfde als daadwerkelijk gelijke mogelijkheden.

Meer dan de helft rapporteert stigmatisering door werkgevers

Bruintjes verwijst naar zijn onderzoek onder 631 respondenten. Binnen deze onderzochte groep rapporteerde 51,1 procent stigmatisering door werkgevers en 47,5 procent door medewerkers van het reguliere onderwijs. Daarnaast wees 82,1 procent onwetendheid aan als een oorzaak van ervaren problemen en noemde 77,3 procent stereotypen. De cijfers zijn gebaseerd op de door Bruintjes beschreven bevraging en mogen niet worden veralgemeend naar de volledige neurodivergente bevolking. Ze illustreren volgens hem wel hoe sterk bepaalde ervaringen van stigma en uitsluiting binnen de onderzochte groep aanwezig zijn.

Onzichtbare drempels kunnen financiële gevolgen hebben

De onderzoeker legt een verband tussen ontoegankelijke systemen en armoede. Wie door selectieprocedures moeilijker werk vindt, riskeert inkomensverlies. Wanneer onderwijs onvoldoende rekening houdt met verschillende manieren van leren, kunnen opleidingskansen verloren gaan. Mensen die vastlopen in ingewikkelde administratieve procedures, kunnen problemen ondervinden bij het verkrijgen van ondersteuning. Volgens Bruintjes kunnen dergelijke drempels bestaande financiële kwetsbaarheid versterken. Hij benadrukt dat armoede meerdere oorzaken heeft en dat niet iedere ontoegankelijke situatie automatisch tot armoede leidt.

Ook de samenleving draagt de kosten

Bruintjes vraagt aandacht voor de bredere economische gevolgen van uitsluiting. Hij verwijst naar onderzoek van de Nederlandse Oudervereniging Balans over kinderen die niet naar school kunnen. Daarbij noemt hij mogelijke kosten tot 50.000 euro per kind, onder meer door inkomensverlies van ouders, juridische procedures en bijkomende sociale lasten. Deze bedragen zijn in zijn bijdrage aangehaald en vormen geen afzonderlijk door de redactie geverifieerde kostprijsberekening. Zijn centrale punt is dat onvoldoende toegankelijkheid niet alleen gevolgen kan hebben voor het betrokken individu of gezin, maar ook voor openbare middelen en maatschappelijke dienstverlening.

Toegankelijkheid gaat verder dan een rolstoelhelling

De onderzoeker vraagt om een ruimere benadering van toegankelijkheid. Naast aangepaste gebouwen zijn ook duidelijke informatie, voorspelbare procedures, rustige omgevingen en passende beoordelingsmethoden noodzakelijk. Een persoon met autisme of ADHD kan bijvoorbeeld behoefte hebben aan extra verwerkingstijd of schriftelijke instructies. Volgens Bruintjes moeten organisaties dergelijke verschillen al bij het ontwerpen van hun dienstverlening in overweging nemen, in plaats van mensen telkens afzonderlijk te verplichten om uitzonderingen te vragen.

Een andere vraag stellen aan onze samenleving

Bruintjes pleit ervoor om niet uitsluitend te vragen hoe een persoon zich kan aanpassen aan bestaande systemen. Hij wil dat beleidsmakers, werkgevers, onderwijsinstellingen en overheidsdiensten onderzoeken welke veranderingen zij zelf kunnen doorvoeren. Daarmee verschuift de aandacht van individuele tekortkomingen naar mogelijke hindernissen in de omgeving. Het recht op redelijke aanpassingen en maatschappelijke deelname, zoals vervat in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt.

Een indringende bijdrage voor de EDC Fan Dag

De onderzoeker besluit zijn bijdrage met de vraag of de samenleving werkelijk bereid is iedereen te laten deelnemen. Volgens hem mag ‘Iedereen telt mee’ niet alleen een uitnodigende slogan blijven. De woorden moeten ook een maatstaf worden voor de manier waarop onderwijs, arbeidsmarkt, dienstverlening en beleid worden ingericht. Zijn bijdrage sluit rechtstreeks aan bij de thema’s van de EDC Fan Dag in Diksmuide: toegankelijkheid, armoedebestrijding, autisme, niet-zichtbare handicaps en menselijke waardigheid.

Hieronder vind je de integrale steunbrief:

Men zegt dat iedereen meetelt en gelijkwaardig is aan elkaar, maar kan iedereen ook meedoen?

Stel je voor dat je een opleiding wilt volgen, een baan zoekt of hulp nodig hebt van de overheid. Je hebt de motivatie, de kennis en de capaciteiten om mee te doen. Toch loop je steeds opnieuw vast. Informatie is onduidelijk, procedures zijn ingewikkeld, gesprekken verlopen anders dan je had verwacht of je omgeving vraagt meer prikkels en sociale energie dan je kunt opbrengen.

Wie hiertegenaan loopt, krijgt nogal eens het gevoel dat het probleem bij hemzelf ligt. Maar wat als het probleem niet uitsluitend bij de persoon ligt, maar ook bij de manier waarop onze samenleving is ingericht? De samenleving houdt helaas makkelijk drempels in stand omdat men het “nou eenmaal zo doet”, zonder te erkennen wat de gevolgen ervan zijn, zowel voor de mensen die uitgesloten worden, maar ook voor de rest van de samenleving.

Als juridisch en beleidsmatig onderzoeker houd ik mij bezig met discriminatie van neurodivergente mensen, waaronder mensen met autisme en ADHD. Mijn onderzoek laat zien dat uitsluiting niet altijd ontstaat doordat iemand expliciet wordt geweigerd. Soms ontstaan de grootste drempels juist doordat organisaties geen rekening houden met verschillen tussen mensen.

Gelijkwaardige behandeling betekent niet dat iedereen altijd hetzelfde wordt behandeld
We spreken graag over gelijke kansen. Iedereen mag solliciteren, iedereen kan een opleiding volgen en iedereen heeft in beginsel toegang tot publieke voorzieningen. Maar formele openstelling betekent nog niet dat iedereen daadwerkelijk kan deelnemen.

Neem een sollicitatieprocedure. Een werkgever beoordeelt kandidaten bijvoorbeeld op hun vermogen om zichzelf overtuigend te presenteren tijdens een gesprek, snel te reageren op onverwachte vragen en sociaal soepel te communiceren. Dat lijken neutrale criteria. Toch kunnen ze kandidaten benadelen die door autisme, ADHD of andere neurodivergente kenmerken op deze onderdelen anders functioneren, terwijl zij inhoudelijk uitstekend geschikt zijn voor de functie.

Hetzelfde mechanisme zien we bij overheidsdienstverlening. Wie een ingewikkelde brief niet goed begrijpt, een formulier niet zelfstandig kan invullen of tijdens een gesprek informatie moeilijk kan verwerken, loopt het risico vast te lopen in een procedure. Dat hoeft niets te zeggen over iemands intelligentie, motivatie of vermogen om zelfstandig beslissingen te nemen.

Een voorziening kan op papier voor iedereen beschikbaar zijn en in de praktijk toch ontoegankelijk blijven.

Dat is een belangrijk onderscheid. Toegankelijkheid gaat niet alleen over een rolstoelhelling, een lift of een aangepast toilet. Zij gaat ook over begrijpelijke communicatie, voorspelbare procedures, passende manieren om kennis en vaardigheden te beoordelen en een omgeving waarin mensen niet onnodig worden overbelast. Hoe wordt er omgegaan als iets moet veranderen om het voor een ander makkelijker te maken. Het VN-verdrag Handicap zegt dat redelijke aanpassingen doorgevoerd moeten worden. Maar de praktijk is dat het vaak voorkomt dat men het vaak helemaal niet wil.

Onderzoek
In mijn onderzoek naar ervaringen van neurodivergente mensen heb ik 631 respondenten bevraagd over onder meer stigma en uitsluiting. Van hen rapporteerde 51,1% stigmatisering door werkgevers en 47,5% door medewerkers in het reguliere onderwijs. Ook in het speciaal onderwijs, de gezondheidszorg en contacten met instanties kwamen negatieve ervaringen naar voren.

Deze cijfers zijn geen representatieve schatting van de ervaringen van alle neurodivergente mensen. Ze laten wel zien welke problemen binnen de onderzochte groep nadrukkelijk naar voren komen.

Een ander resultaat is veelzeggend: 82,1% van de respondenten wees onwetendheid aan als een oorzaak van de problemen die zij ervaren. Stereotypen werden door 77,3% genoemd.

Daarmee komt een belangrijke vraag in beeld. Hoe vaak beoordelen we mensen op hun daadwerkelijke mogelijkheden, en hoe vaak op onze verwachtingen over hoe iemand zich hoort te gedragen, te leren of te werken?

Wie niet voldoet aan het gangbare beeld van een goede werknemer, zelfstandige leerling of mondige burger, kan sneller worden gezien als ongemotiveerd, lastig of onvoldoende zelfstandig. Terwijl het soms juist de omgeving is die onvoldoende ruimte biedt voor andere manieren van functioneren.

De verbinding met armoede
Voor mij is toegankelijkheid onlosmakelijk verbonden met bestaanszekerheid en maatschappelijke participatie. Wanneer iemand door ontoegankelijke selectieprocedures moeilijker aan werk komt, kan dat leiden tot inkomensverlies en afhankelijkheid van uitkeringen of anderen. Wanneer onderwijs onvoldoende aansluit bij verschillende manieren van leren, kunnen talenten onbenut blijven en worden opleidingskansen kleiner. Wanneer iemand niet goed door overheidsprocedures heen komt, kan ondersteuning buiten bereik raken, zelfs als die persoon er recht op heeft.

Niet iedere ontoegankelijkheid leidt automatisch tot armoede, en armoede heeft meerdere oorzaken. Maar ontoegankelijke systemen kunnen bestaande kwetsbaarheden wel versterken en de mogelijkheden beperken om eraan te ontsnappen. Daarom moeten we armoede niet uitsluitend bekijken als een tekort aan financiële middelen. We moeten ook kijken naar de maatschappelijke structuren die mensen belemmeren om inkomen te verwerven, ondersteuning te ontvangen en volwaardig deel te nemen.

Wie voortdurend extra tijd, energie of geld moet besteden om dezelfde voorzieningen te bereiken als anderen, betaalt als het ware een aanvullende toegangsprijs. Die prijs staat niet op een rekening, maar kan wel grote gevolgen hebben voor iemands leven. Denk aan niet of minder kunnen werken dan gemiddeld, wat vaak betekent: lager salaris, en dus ook meer moeite met levensonderhoud.

En dit kost niet alleen de individu geld. Indirect betaalt iedere belastingbetaler eraan mee. Zo blijkt uit een onderzoek van een Nederlandse vereniging, de Oudervereniging Balans, over kinderen die niet naar school kunnen, dat de kosten per kind dat niet naar school kan, tot € 50.000 kunnen bedragen, aan het moeten opzeggen van hun baan door ouders, advocaatkosten en sociale zekerheid, zoals uitkeringen en pensioenopbouw, naast meer mentale spanningen thuis. 


Van individuele aanpassing naar een toegankelijke samenleving
Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap biedt een belangrijk uitgangspunt: mensen met een handicap hebben recht op gelijke deelname aan de samenleving. Dat vraagt niet alleen om bescherming tegen expliciete discriminatie, maar ook om het wegnemen van barrières die deelname verhinderen.

Daarbij zijn individuele aanpassingen belangrijk. Soms heeft iemand extra verwerkingstijd nodig, schriftelijke informatie in plaats van uitsluitend mondelinge uitleg, een rustige werkplek of een andere manier om vaardigheden aan te tonen.

Maar we moeten verder kijken dan individuele oplossingen. Waarom organiseren we procedures eigenlijk zo dat sommige mensen telkens opnieuw om een uitzondering moeten vragen? Waarom wordt zelfstandigheid soms gelijkgesteld aan het zonder hulp doorlopen van een ingewikkeld systeem? En waarom wordt afwijkend gedrag zo gemakkelijk als een individueel tekort beschouwd?

Een toegankelijke samenleving begint met het herkennen van menselijke verschillen bij het ontwerpen van onderwijs, werk, dienstverlening en beleid. Niet iedere oplossing hoeft voor iedereen identiek te zijn. Het doel is dat mensen daadwerkelijk gelijke mogelijkheden krijgen om hun rechten uit te oefenen en hun capaciteiten te benutten.

Dat vraagt ook om betere kennis. Als neurodivergentie in beleid, onderzoek en monitoring onvoldoende zichtbaar is, kunnen specifieke drempels onopgemerkt blijven. Algemene maatregelen zijn waardevol, maar moeten in de praktijk worden getoetst op de vraag of verschillende groepen er werkelijk baat bij hebben. In mijn onderzoek heb ik ook gezien dat begrippen als toegankelijkheid meestal vaag zijn voor velen, waaronder beleidsmakers en inspecteurs. Zo zegt zelfs het VN-verdrag Handicap niets over toegankelijkheid voor neurodivergente mensen.

Omdenken
Wanneer iemand niet kan deelnemen, vragen we vaak wat die persoon nodig heeft om zich aan de samenleving aan te passen. En het is die persoon die eenzijdig te horen krijgt: jij kunt niet meedoen. Maar die krijgt vrijwel nooit te horen dat het probleem ligt bij het systeem. Ik pleit ervoor om daarnaast een andere vraag te stellen: Wat moet er veranderen aan onze samenleving om ervoor te zorgen dat deze persoon kan deelnemen?

Die verschuiving verandert hoe we naar toegankelijkheid kijken. Een leerling die niet tot leren komt, een sollicitant die niet door een selectieprocedure komt of een burger die vastloopt bij een overheidsinstantie is niet automatisch iemand die tekortschiet. Het kan ook iemand zijn die ons laat zien waar onze systemen tekortschieten.

Dat perspectief is relevant voor iedereen die met uitsluiting te maken kan krijgen. Want wie vandaag geen drempels ervaart, kan morgen afhankelijk worden van voorzieningen, informatie of ondersteuning die onvoldoende toegankelijk blijken.

‘Iedereen telt mee’ mag daarom niet alleen een uitnodigende boodschap zijn. Het moet een toetssteen worden voor de manier waarop wij onze samenleving inrichten.

De vraag is niet alleen of iedereen welkom is. De vraag is of iedereen daadwerkelijk kan meedoen, en of de samenleving bereid is toegankelijker te worden.

Met vriendelijke groet,

Hans Bruintjes

Bron: uitgebreide schriftelijke bijdrage van Hans Bruintjes, ontvangen in oktober 2026 voor de EDC Fan Dag – Iedereen telt mee.

Andy Vermaut +32499357495