Oost-België buigt zich over miljoeneninvesteringen, betaalbaar wonen, kunstmatige intelligentie, onderwijs en de toekomst van de zorg

29 oktober 2026
EUPEN – Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap van België behandelt een reeks dossiers die rechtstreeks gevolgen hebben voor de gezondheidszorg, de huisvesting, de arbeidsmarkt, het onderwijs, het toerisme en de overheidsfinanciën. De toekomst van de ziekenhuizen in Eupen en Sankt Vith, de betaalbaarheid van woningen voor jonge gezinnen, de invloed van kunstmatige intelligentie op de werkgelegenheid en de beoordeling van toekomstige leerkrachten staan ter discussie. Ook de stijgende bouwkosten van een sporthal in Eynatten trekken politieke aandacht: de geraamde investering is opgelopen van 12,74 miljoen euro naar ongeveer 14,1 miljoen euro. Een andere kwestie betreft de aangekondigde bevolkingsenquête waarvoor de regering een opdracht van 37.500 euro, exclusief btw, heeft toegekend. Terwijl verschillende ministers schriftelijke antwoorden hebben bezorgd, staan in november nieuwe parlementaire controlevergaderingen gepland.
Ziekenhuizen in Eupen en Sankt Vith staan voor omvangrijke investeringen
De toekomst van de ziekenhuisinfrastructuur in Oost-België staat centraal in een schriftelijke vraag van parlementslid Fabienne Colling aan minister-president Oliver Paasch. Het gaat om de ontwikkeling van het ziekenhuis in Sankt Vith en het ziekenhuis in Eupen, waar aanzienlijke investeringen worden voorbereid. Voor het project Klinik Eifel-Ardennen werd gesproken over infrastructuurinvesteringen van ruim 100 miljoen euro, terwijl voor het ziekenhuis in Eupen bijkomende middelen in beeld zijn. De financiële draagkracht van de Duitstalige Gemeenschap speelt hierbij een grote rol. Volgens de toepasselijke subsidieregeling neemt de deelstaat in beginsel 80 procent van de erkende infrastructuurkosten voor haar rekening. De resterende 20 procent moet door de betrokken ziekenhuisorganisatie worden gefinancierd. Daarbij bestaat een onderscheid tussen investeringen in infrastructuur, onderhoudswerkzaamheden en uitrusting. Colling vroeg daarom welke projecten precies worden gefinancierd, wanneer de werkzaamheden zijn gepland, welke bedragen al begrotingsmatig zijn vastgelegd en welke financiële verplichtingen daaruit voor de komende jaren voortvloeien. De regering moet ook rekening houden met de financieringsmogelijkheden van de ziekenhuizen zelf. Een aangekondigd investeringsbedrag is immers niet noodzakelijk gelijk aan een volledig vastgelegde of reeds uitgegeven som.
Ziekenhuisfinanciering raakt aan toekomstige begrotingen
Het ziekenhuisdossier gaat verder dan de bouw of uitbreiding van gebouwen. Ook medische apparatuur, technische installaties en digitale voorzieningen maken deel uit van de toekomstige investeringsbehoeften. Voor Sankt Vith werd onder andere gevraagd hoe de plannen voor Klinik Eifel-Ardennen zich verhouden tot het eerder aangekondigde Masterplan Eifel. Bij het ziekenhuis van Eupen speelt de vraag welke middelen bestemd zijn voor de verdere ontwikkeling van de bestaande infrastructuur. Fabienne Colling vroeg een uitsplitsing van de investeringen en een overzicht van de jaren waarin de middelen beschikbaar moeten worden gemaakt. De parlementaire controle richt zich op de verhouding tussen politieke toezeggingen en daadwerkelijke begrotingsverplichtingen. Bij investeringen die over verschillende jaren worden gespreid, kunnen wijzigingen in bouwkosten, uitrusting en financieringsvoorwaarden gevolgen hebben voor de uiteindelijke uitgaven. De vragen hebben ook betrekking op de mate waarin de overheid de ziekenhuizen voldoende zekerheid kan bieden om toekomstige werkzaamheden te organiseren.
Woningprijs bereikt 268.500 euro in Duitstalig België
De betaalbaarheid van woningen vormt een ander onderwerp van parlementaire controle. In zijn schriftelijke vraag van 8 september 2026 aan minister Lydia Klinkenberg verwees parlementslid Wertz naar cijfers over de vastgoedmarkt in de Duitstalige Gemeenschap. De mediaanprijs voor een woonhuis bedroeg in 2025 volgens de aangehaalde gegevens 268.500 euro. Dat betekende een stijging van 8,3 procent tegenover het voorgaande jaar. Sinds 2010 zouden de vastgoedprijzen in de regio met ongeveer 80 procent zijn gestegen. Voor jonge huishoudens die een eerste woning willen kopen, brengt deze ontwikkeling steeds hogere financiële verplichtingen met zich mee. De parlementaire vraag ging ook over het beperkte aantal nieuwbouwvergunningen, het beschikbare aanbod van huurwoningen en de mate waarin bestaande gebouwen beter kunnen worden benut. De toegang tot betaalbare huisvesting speelt eveneens een rol bij de beslissing van jongeren om in Oost-België te blijven wonen en werken.
Leegstaande gebouwen moeten opnieuw woningen kunnen worden
De aanpak van leegstand kreeg bijzondere aandacht in het antwoord over de woningmarkt. Bestaande gebouwen kunnen door renovatie, herbestemming, verbouwing of opsplitsing opnieuw als woonruimte worden gebruikt. Sociale vastgoedagentschappen spelen hierbij een rol doordat zij particuliere woningen huren of beheren en beschikbaar stellen aan huishoudens die moeilijk toegang vinden tot de gewone huurmarkt. Voor eigenaars kunnen dergelijke overeenkomsten de administratieve verplichtingen en bepaalde verhuurrisico’s beperken. De regering ondersteunt deze structuren financieel. Ook renovatiepremies en subsidies voor energiebesparende werkzaamheden kunnen de bestaande woningvoorraad toegankelijker maken. Binnen het uitvoeringsprogramma Oostbelgien 2030 zijn maatregelen opgenomen die betrekking hebben op nieuwbouw, verbouwing, renovatie en de uitbreiding van sociaal verhuurde woningen. Er wordt eveneens gekeken naar een betere samenwerking tussen sociale vastgoedagentschappen en de openbare huisvestingsmaatschappij ÖWOB.
Jonge gezinnen moeten gemakkelijker toegang krijgen tot huisvesting
Sinds 2025 geldt in Wallonië onder bepaalde voorwaarden een verlaagd registratierecht van 3 procent bij de aankoop van de eigen en enige woning. Die maatregel beperkt de aankoopkosten, maar verandert op zichzelf niets aan het tekort aan betaalbare woningen. In de Duitstalige Gemeenschap wordt daarom gekeken naar bijkomende mogelijkheden om het woningaanbod uit te breiden. Kleine en middelgrote woningen, gezinsvriendelijke indelingen, voorspelbare energiekosten en de renovatie van leegstaande panden komen hierbij aan bod. De verschillen tussen het noorden van de Duitstalige Gemeenschap en de Eifel moeten eveneens worden meegewogen. De vastgoedmarkt ontwikkelt zich niet overal op dezelfde manier. Voor de beoordeling van de maatregelen worden onder andere de evolutie van de aankoopprijzen, nieuwe huurcontracten, leegstand, wachttijden bij sociale huisvesting en de beschikbaarheid van woningen voor jonge huishoudens genoemd.
Kunstmatige intelligentie roept vragen op over werkgelegenheid voor hoogopgeleiden
Parlementslid Charles Servaty stelde minister Franssen schriftelijke vraag nummer 191 over de invloed van kunstmatige intelligentie op de arbeidsmarkt voor personen met een universitair of hogeschooldiploma. Aanleiding vormden onder andere cijfers van de arbeidsbemiddelingsdienst van de Duitstalige Gemeenschap. In het eerste kwartaal van 2026 had volgens de aangehaalde cijfers bijna 16 procent van de geregistreerde werklozen een diploma van het hoger onderwijs. Servaty plaatste deze vaststelling tegenover de toenemende toepassing van kunstmatige intelligentie in administratieve functies, zakelijke dienstverlening, informatieverwerking en andere beroepen waarvoor traditioneel hogere opleidingen worden gevraagd. Daarbij verwees hij naar internationale onderzoeken over automatisering en de mogelijke invloed daarvan op werkgelegenheid. De aangehaalde percentages over toekomstige automatisering zijn scenario’s en mogen niet worden gelezen als reeds vastgestelde arbeidsplaatsen die door kunstmatige intelligentie verloren zijn gegaan.
Arbeidsmarkt moet veranderingen door nieuwe technologie kunnen opvangen
De vraag van Charles Servaty gaat over de mate waarin de overheid beschikt over gegevens om technologische veranderingen op de arbeidsmarkt te beoordelen. Kunstmatige intelligentie kan bestaande werkzaamheden ondersteunen, maar kan ook leiden tot wijzigingen in de taken die werknemers uitvoeren. Vooral administratieve werkzaamheden, informatieverwerking en bepaalde analytische functies komen in internationale onderzoeken regelmatig aan bod. Voor de Duitstalige Gemeenschap rijst de vraag welke beroepsgroepen een verhoogd risico op veranderingen lopen en welke opleidingen werknemers kunnen helpen om nieuwe vaardigheden te verwerven. Jongeren die de arbeidsmarkt betreden, mensen die na jaren werkervaring een andere functie zoeken en personen die zich willen omscholen, kunnen met verschillende behoeften worden geconfronteerd. De parlementaire controle heeft daarom betrekking op arbeidsmarktgegevens, opleidingsmogelijkheden en de manier waarop de overheid haar werkgelegenheidsbeleid kan afstemmen op nieuwe technologische toepassingen.
Kunstmatige intelligentie krijgt ook aandacht in de ouderenzorg
Parlementslid Löfgen stelde op 11 september 2026 vragen aan minister Lydia Klinkenberg over het gebruik van kunstmatige intelligentie in de zorg. Het tekort aan verpleegkundigen en ander zorgpersoneel vormde een van de aanleidingen. Technologische toepassingen kunnen mogelijk helpen bij administratieve registraties, het bewaken van gezondheidsgegevens en het herkennen van valincidenten. Ook spraakgestuurde verslaggeving, digitale ondersteuning bij incontinentiezorg en robotsystemen werden besproken als mogelijke toepassingen. Het uitgangspunt is dat zorgpersoneel ondersteuning kan krijgen bij bepaalde taken, zodat er tijd beschikbaar blijft voor persoonlijke verzorging en begeleiding. De toepassing van dergelijke systemen vergt echter meer voorbereiding dan alleen de aankoop van software of apparatuur.
Digitale zorgdossiers vormen de volgende stap
Binnen de Duitstalige Gemeenschap wordt gewerkt aan een ICT-masterplan voor woonzorgcentra. Een centraal zorg- en begeleidingsdossier vormt een volgende stap in de digitalisering. Wanneer gegevens op een gestructureerde manier beschikbaar zijn, kunnen later aanvullende toepassingen worden onderzocht. Daarbij gaat het onder andere om systemen die gesproken informatie omzetten in documentatie of die medewerkers helpen veranderingen in de gezondheidstoestand van bewoners vast te stellen. Voor mogelijke proefprojecten wordt wetenschappelijke begeleiding voorgesteld. Onderzoekers zouden onder andere kunnen nagaan hoeveel werktijd zulke systemen besparen, hoe medewerkers de toepassingen ervaren en welke invloed ze hebben op de kwaliteit van de zorg. Ook de ervaringen van bewoners moeten worden meegenomen. Een systeem dat technisch functioneert, is immers niet automatisch geschikt voor elke zorgsituatie.
Privacy en menselijke begeleiding blijven aandachtspunten in de zorg
Het gebruik van kunstmatige intelligentie bij gezondheidsgegevens vraagt bijzondere voorzorgsmaatregelen. Medische informatie valt onder strenge regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Zorginstellingen moeten daarom rekening houden met gegevensopslag, toegangsrechten, beveiliging en de informatie die bewoners en familieleden ontvangen. De situatie van personen met dementie of andere cognitieve beperkingen vraagt afzonderlijke aandacht, onder andere wanneer toestemming nodig is voor het gebruik van technologie. De inzet van digitale bewaking mag de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van bewoners niet aantasten. Ook de verschillen tussen grote en kleine zorginstellingen spelen een rol. Niet elke organisatie heeft dezelfde financiële middelen of technische ondersteuning. In de verdere voorbereiding worden daarom overleg met beroepsorganisaties, deskundigen inzake gegevensbescherming, ethische commissies en vertegenwoordigers van de ouderenzorg genoemd.
Opleiding van zijinstromers in het onderwijs wordt onderzocht
De kwaliteit van de opleiding van personen die vanuit een ander beroep naar het onderwijs overstappen, vormde het onderwerp van schriftelijke vragen van parlementslid Lothar Faymonville aan minister Franssen. Vraag nummer 195 ging over de positie van tijdelijke leerkrachten en de loopbaanmogelijkheden van zijinstromers. Vraag nummer 196 behandelde de CAP+-opleiding, een traject voor personen die vanuit een andere beroepsachtergrond een onderwijsfunctie willen opnemen. Verschillende deelnemers hadden kritiek geuit op de beoordeling van de afsluitende proefles. Volgens de aangehaalde ervaringen was het niet altijd duidelijk waarom kandidaten, ondanks een degelijke voorbereiding en een positief lesverloop, toch niet slaagden. Ook werden vragen gesteld over de manier waarop verschillende examenjury’s dezelfde criteria toepassen en over de aansluiting tussen de opleiding en de competenties die tijdens het examen worden beoordeeld.
CAP+-examens gebruiken een gezamenlijk beoordelingskader
Minister Franssen verduidelijkte dat de CAP+-examens worden beoordeeld aan de hand van een gezamenlijk criteriaoverzicht. Dat werd opgesteld door het docententeam van de opleiding in samenwerking met vertegenwoordigers van de pedagogische dienst. Een examencommissie bestaat uit drie personen: een onderwijswetenschapper van de Autonome Hochschule Ostbelgien, een vertegenwoordiger van de pedagogische dienst en een vakdeskundige. De beoordelingscriteria worden toegelicht in aanvullende documenten en een verklarende woordenlijst. Ook bestaat er een instructievideo. In oktober 2024 vond een gezamenlijke afstemmingsbijeenkomst plaats over de toepassing van het beoordelingskader. Voor beoordelaars werden eveneens vormingsactiviteiten georganiseerd. Volgens de minister moeten deze maatregelen bijdragen aan een vergelijkbare beoordeling door de verschillende jury’s.
Geen afzonderlijke statistische vergelijking tussen examenjury’s
Uit het antwoord op vraag nummer 196 blijkt dat momenteel geen aanvullende statistische analyse wordt uitgevoerd waarbij de resultaten van verschillende jurycombinaties met elkaar worden vergeleken. De overheid vertrouwt voor de vergelijkbaarheid vooral op het gezamenlijke beoordelingskader en de voorafgaande voorbereiding van de beoordelaars. Deelnemers krijgen de criteria aan het begin van hun opleiding en gebruiken deze ook tijdens didactische oefeningen en stages. De opleiding wordt jaarlijks geëvalueerd door de deelnemers. Hun ervaringen worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van het programma. Een hervorming van de CAP- en CAP+-opleidingen is in voorbereiding. De vernieuwde opleiding moet volgens de planning in september 2028 voor het eerst starten. Een werkgroep met vertegenwoordigers van secundaire scholen en de duale opleiding werkt mee aan de voorbereiding.
Kritiek op de duale opleiding leidt tot nieuwe vragen
Ook de duale opleiding, waarbij leren op school wordt afgewisseld met opleiding op de werkvloer, staat ter discussie. Parlementslid Hoffmann stelde op 9 september 2026 een vervolgvraag aan minister Franssen over de beoordeling van leerlingen tijdens hun opleiding en de onafhankelijkheid van de afsluitende examens. Hoffmann vond dat eerdere antwoorden onvoldoende concrete gegevens bevatten over de slaagpercentages, de oorzaken van veranderingen in de examenresultaten en de selectie van externe vakdeskundigen. Hij vroeg onder andere om cijfers per schooljaar en per opleidingsrichting. Ook wilde hij weten op welke onderzoeken de regering zich baseert om het bestaande examensysteem te beoordelen. Zijn kritiek heeft betrekking op de controleerbaarheid van examenresultaten en de mogelijkheid om met voldoende gegevens vast te stellen waar problemen ontstaan.
Regering onderzoekt positie van tijdelijke leerkrachten
De loopbaanzekerheid van beginnende leerkrachten en zijinstromers vormde een afzonderlijk onderdeel van de onderwijsdiscussie. In vraag nummer 195 wilde Lothar Faymonville weten welke mogelijkheden bestaan om tijdelijke leerkrachten betere beroepsperspectieven te bieden. Daarbij maakte hij een onderscheid tussen personen die rechtstreeks vanuit een lerarenopleiding instromen en kandidaten die na een andere beroepsloopbaan voor het onderwijs kiezen. Voor beide groepen gelden niet noodzakelijk dezelfde rechtspositionele voorwaarden. De regering heeft maatregelen genomen om de instroom in het onderwijs toegankelijker te maken en beginnende leerkrachten te begeleiden. De verdere ontwikkeling van de opleidingsmogelijkheden hangt samen met het personeelsbeleid en de geplande hervorming van de CAP- en CAP+-trajecten.
Bevolkingsenquête kost 37.500 euro exclusief btw
De regering van de Duitstalige Gemeenschap heeft het onderzoeksinstituut forsa opdracht gegeven om in 2026 een nieuwe bevolkingsenquête uit te voeren. De overeenkomst heeft een waarde van 37.500 euro exclusief btw. Parlementslid Fabienne Colling vroeg minister-president Oliver Paasch welke doelstellingen de regering met het onderzoek nastreeft en hoe de vragenlijst werd samengesteld. De enquête bouwt voort op eerdere onderzoeken in 2011, 2014, 2018 en 2022. Door bepaalde vragen opnieuw te stellen, wil de regering de ontwikkeling van opvattingen en levensomstandigheden over een periode van ongeveer vijftien jaar vergelijken. Het onderzoek maakt deel uit van een langere reeks studies over de ontwikkeling van Oost-België. In het voorjaar van 2024 keurde de regering het toekomstkader ‘Ostbelgien leben 2040’ goed, dat eveneens een plaats krijgt in de nieuwe enquête.
Minstens duizend inwoners worden telefonisch bevraagd
Voor de enquête worden minstens duizend inwoners van achttien jaar en ouder bevraagd. De selectie moet representatieve uitspraken mogelijk maken over onder andere leeftijd, geslacht, opleiding, beroepssituatie en de verschillen tussen het noordelijke en zuidelijke deel van de Duitstalige Gemeenschap. De interviews worden telefonisch uitgevoerd met ondersteuning van een computersysteem. Zowel vaste als mobiele telefoonnummers worden gebruikt. Het onderzoeksinstituut verwacht dat mobiele nummers ongeveer 20 tot 25 procent van de uiteindelijke steekproef zullen uitmaken. Na de bevraging worden de resultaten gewogen op basis van gegevens uit officiële statistieken. De vragenlijst bevat dertig inhoudelijke vragen, aangevuld met vragen over de persoonlijke achtergrond van de deelnemers.
Inwoners krijgen vragen over wonen, klimaat en dienstverlening
De enquête behandelt de problemen en prioriteiten die inwoners zelf ervaren, hun tevredenheid over het leven in Oost-België, politieke belangstelling, maatschappelijke deelname en vrijwilligerswerk. Ook de dienstverlening van het ministerie, de institutionele ontwikkeling van de Duitstalige Gemeenschap en de toekomstplannen van de overheid komen aan bod. Ten opzichte van eerdere enquêtes zijn onderdelen toegevoegd over de digitalisering van dienstverlening, betaalbare woningen, de ontwikkeling van dorpskernen en de bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering. Voor vragen over de tevredenheid over overheidsdiensten wordt gebruikgemaakt van een gestandaardiseerde vragenreeks die aansluit bij internationaal onderzoek van de OESO. De vragenlijst werd voorbereid door de bevoegde administratieve dienst, de regering en onderzoeksinstituut forsa. De regering keurde de vragen goed op 8 oktober 2026.
Resultaten van bevolkingsenquête worden in november verwacht
Het veldwerk begon op maandag 12 oktober 2026 en zou ongeveer drie tot vier weken duren. De resultaten worden in november 2026 verwacht. De regering heeft aangekondigd dat zowel de volledige vragenlijst als een uitgebreid resultatenverslag openbaar zullen worden gemaakt. Dat verslag moet alle antwoorden bevatten, inclusief kritische beoordelingen. Ook vergelijkingen met eerdere enquêtes zullen worden gepubliceerd. De resultaten worden beschikbaar gesteld via de statistische website van Oost-België en toegelicht tijdens een bijeenkomst voor de pers. De regering wil de gegevens gebruiken om ontwikkelingen in de samenleving te volgen en beleidsmaatregelen verder uit te werken. De waarde van het onderzoek hangt daarbij samen met de mate waarin de antwoorden van inwoners daadwerkelijk in de besluitvorming worden betrokken.
Ouderenzorg krijgt aandacht via dagopvang
Minister Lydia Klinkenberg kreeg een schriftelijke vraag van parlementslid Wertz over de plaats van dagopvang binnen de ouderenzorg. De vraag werd op 16 september 2026 ingediend. Dagopvang kan ouderen de mogelijkheid bieden om overdag begeleiding en ondersteuning te krijgen terwijl zij in hun vertrouwde woonomgeving blijven leven. Het aanbod kan ook mantelzorgers ontlasten. De bestaande regelgeving uit december 2018 voorziet in een vorm van ondersteuning waarbij gezondheidszorg, geriatrische begeleiding, activering, preventie en sociale contacten een plaats krijgen. Wertz vroeg naar de huidige beschikbaarheid en verdere ontwikkeling van deze voorzieningen. De discussie houdt verband met de vergrijzing en de wens van veel ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen. De bereikbaarheid van dagopvang en de spreiding van het aanbod bepalen in welke mate ouderen en hun familieleden hiervan gebruik kunnen maken.
Sporthal in Eynatten wordt 1,36 miljoen euro duurder
Tijdens de controlevergadering van commissie II op dinsdag 3 november 2026 wordt de bouw van een nieuwe sporthal in Eynatten besproken. Parlementslid Hoffmann van VIVANT heeft vragen ingediend bij minister Freches over de stijgende kosten. In februari 2026 werd voor het project uitgegaan van ongeveer 12,74 miljoen euro. Volgens de cijfers die in de parlementaire vraag worden aangehaald, bedraagt de nieuwe raming ongeveer 14,1 miljoen euro. Het verschil is 1,36 miljoen euro. Hoffmann wil weten welke gevolgen deze stijging heeft voor de financiële bijdrage van de Duitstalige Gemeenschap. Eerder was sprake van een subsidie van ongeveer 7,64 miljoen euro. Ook het aantal geplande zitplaatsen zou zijn veranderd. Waar aanvankelijk ongeveer 230 plaatsen werden genoemd, wordt nu gesproken over een capaciteit tot 500 toeschouwers. De vragen hebben betrekking op de redenen voor deze wijziging, de financiering ervan en de eventuele bovengrens van de overheidsbijdrage. De minister zal tijdens de vergadering op deze onderwerpen kunnen antwoorden.
Hoge Venen herstellen na grote natuurbrand
Een tweede vraag in de commissie voor cultuur, toerisme en landschapsbescherming gaat over de gevolgen van de grote brand die in augustus 2026 de Hoge Venen trof. Parlementslid Henn van de CSP vraagt minister Freches welke gevolgen de beschadiging van het natuurgebied kan hebben voor het toerisme. Ook de manier waarop bezoekers in de toekomst door het gebied worden geleid, komt aan bod. Bij het herstel van kwetsbare natuurgebieden moet rekening worden gehouden met beschadigde vegetatie en zones die tijd nodig hebben om zich te herstellen. Er zijn al initiatieven aangekondigd voor natuurherstel en de verdere inrichting van het gebied. De vraag is hoe de toeristische sector bij deze werkzaamheden kan worden betrokken en welke afspraken nodig zijn tussen de bevoegde organisaties. Het gebruik van wandelroutes en andere bezoekersvoorzieningen moet worden afgestemd op de toestand van het terrein.
Digitale informatiezuilen moeten toeristen wegwijs maken
Ook het project voor digitale toeristische informatiezuilen komt op dinsdag 3 november aan bod. De regering wil in Oost-België op toeristische locaties informatie beschikbaar maken via digitale installaties. Bezoekers zouden er informatie kunnen vinden over bezienswaardigheden, wandelroutes, evenementen en plaatselijke diensten. Het project maakt deel uit van de toeristische strategie ‘One Vision – Destination Ostbelgien 2040’. Volgens de voorgelegde planning moeten tegen juni 2027 locaties worden geselecteerd, vergunningen worden geregeld en de Europese aanbestedingsprocedure voor de aankoop en plaatsing zijn afgerond. Henn vraagt welke afspraken zijn gemaakt met gemeenten en de toeristische organisatie, wie de inhoud van de systemen zal beheren en welke functies meteen bij de ingebruikname beschikbaar zullen zijn. De mogelijkheid om op termijn informatie via kunstmatige intelligentie aan te bieden, wordt eveneens genoemd.
Tentoonstelling in Kelmis behandelt de toekomst van de grensregio
In het Museum Vieille Montagne in Kelmis opent op donderdag 29 oktober 2026 de tentoonstelling ‘Ostbelgien: Raum für Zukunft’. Ze loopt tot 15 november 2026. De tentoonstelling komt voort uit een project over ruimtelijke ontwikkeling in de Euregio Maas-Rijn. Onder de betrokken organisaties bevinden zich het ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, de RWTH Aachen en de Nederlandse regio Parkstad Limburg. Het project krijgt steun via het Small Project Fund ‘People to People’. De voorstellen gaan over grensoverschrijdende mobiliteit, nieuwe woonvormen, circulair bouwen, economische initiatieven en culturele projecten. Ook ideeën voor een landschapskunstroute en een grensoverschrijdend centrum voor nieuwe bedrijvigheid komen aan bod. Parlementslid Klinkenberg van de SP vraagt minister Freches welke voorstellen volgens de regering uitvoerbaar zijn en wat er met de resultaten zal gebeuren nadat de tentoonstelling is afgelopen.
Zwemonderwijs blijft onderwerp van parlementaire controle
Parlementslid Klinkenberg heeft ook vragen ingediend over het zwemonderwijs in de Duitstalige Gemeenschap. In maart 2025 werden plannen aangekondigd om de zwemvaardigheid van kinderen te verbeteren. Daarbij werd gesproken over zwemvaardigheidsbewijzen op verschillende niveaus en een jaarlijkse zwemtest in het vierde leerjaar. Door de eerdere sluiting van zwembaden in Eupen en Kelmis ontstonden problemen bij het organiseren van zwemlessen. Het Wetzlarbad in Eupen ging begin 2025 opnieuw open en het Galmeibad in Kelmis volgde in september 2025. De heropening maakt het mogelijk om het zwemonderwijs opnieuw uit te bouwen, maar de gevolgen van de eerdere onderbreking vragen verdere aandacht. De parlementaire vragen gaan over de uitvoering van de plannen en de mogelijkheden voor scholen om voldoende zwemonderricht aan te bieden.
Parlement controleert regering tijdens vier vergaderingen in november
De parlementaire controle wordt in november voortgezet. Op dinsdag 3 november 2026 begint om 16.00 uur de vergadering van commissie II, bevoegd voor cultuur, volwassenenonderwijs, toerisme en monumenten- en landschapsbescherming. Op woensdag 4 november 2026 om 16.00 uur volgt commissie IV, die zich bezighoudt met gezondheid, sociale aangelegenheden, gezin en huisvesting. Donderdag 5 november 2026 om 15.00 uur vergadert commissie III over onderwijs, opleiding en werkgelegenheid. Op maandag 9 november 2026 om 17.00 uur behandelt commissie I onderwerpen zoals algemeen beleid, samenwerking, financiën, lokale besturen, ruimtelijke ordening, energie, duurzame ontwikkeling en economische ontwikkeling. De vergaderingen zijn openbaar en worden via livestream uitgezonden. Uitzendingen via de Duitstalige openbare omroep BRF zijn eveneens voorzien. Wijzigingen in de planning blijven mogelijk.
UNIA presenteerde jaarverslag tijdens parlementaire werkzaamheden
Op maandag 19 oktober 2026 stond in Eupen een gezamenlijke vergadering van alle parlementaire commissies op de agenda. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum UNIA zou tijdens die vergadering zijn jaarverslag over 2025 voorstellen. Later op de dag stond een plenaire vergadering gepland. De agenda bevatte onder andere aanpassingen aan de begrotingen voor 2025 en 2026, de definitieve afrekening van het begrotingsjaar 2025 en de ontwerpbegroting voor 2027. Ook wijzigingen in de samenstelling van parlementaire commissies en het uitgebreide bureau waren geagendeerd. Uit de beschikbare agenda kan niet worden afgeleid welke besluiten tijdens die vergadering definitief werden genomen. De begrotingsstukken maken wel duidelijk welke financiële dossiers in de parlementaire werkzaamheden aan bod kwamen.
Oost-België moet keuzes maken over uitgaven en dienstverlening
De onderwerpen die in het parlement worden behandeld, raken rechtstreeks aan het dagelijks leven van inwoners. Ziekenhuisinvesteringen hebben gevolgen voor de beschikbaarheid van zorg. De stijgende vastgoedprijzen maken het moeilijker voor jonge gezinnen om een woning te kopen. De arbeidsmarkt verandert onder invloed van nieuwe technologie, terwijl onderwijsinstellingen personeel nodig hebben en opleidingen voor zijinstromers worden herzien. In de ouderenzorg worden nieuwe digitale toepassingen onderzocht en bij de bouw van sportinfrastructuur rijzen vragen over de financiering. De uitgaven moeten worden afgewogen tegen de beschikbare middelen. Parlementaire vragen bieden de gelegenheid om cijfers, beleidskeuzes en de uitvoering van eerdere toezeggingen te onderzoeken.
Bronnen:
Parlement van de Duitstalige Gemeenschap van België, schriftelijke vragen 186 tot en met 196 en bijbehorende regeringsantwoorden, oktober 2026.
Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, vragen voor commissie II van 3 november 2026.
Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, agenda van de parlementaire controlevergaderingen van 3 tot en met 9 november 2026.
Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, agenda van de gezamenlijke commissievergadering en plenaire vergadering van 19 oktober 2026.
https://www.ostbelgienstatistik.be
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en een sterke overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen.
Wil je onze redactie een financieel duwtje in de rug geven? Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten.
Je kunt ons ondersteunen via:
☕ Ko-fi: https://ko-fi.com/andyvermaut
☕ Buy Me a Coffee: https://buymeacoffee.com/andyvermaut
Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


