Een strafklacht tegen een magistraat, vier jaar zonder antwoord en 48 vastgestelde onregelmatigheden: burger wil na dertien jaar gerechtelijke verantwoording

1 november 2026
BRUSSEL/ZAVENTEM/OVERIJSE – Een Belgische burger die op 29 mei 2015 een strafklacht liet registreren tegen een vrederechter, wil opnieuw duidelijkheid over de behandeling van zijn dossier. Volgens zijn relaas werd de klacht tien dagen later geseponeerd, maar kreeg hij daarvan pas vier jaar later kennis. Zijn beschuldigingen hebben betrekking op een volgens hem bewust onwettige rechterlijke beslissing, betwiste bewijsstukken in een politiedossier uit 2013 en financiële schade voor zijn familie. Het bijzondere onderzoek naar bewindvoeringen bij het vredegerecht van Zaventem, waarvan de resultaten op 25 maart 2026 bekend werden gemaakt, heeft zijn voornemen om opnieuw gerechtelijke stappen te ondernemen aangewakkerd. Bij dat onderzoek werden zeven disfuncties en 48 praktijken vastgesteld die niet overeenstemden met geldende regels of eerdere aanbevelingen. De burger wil nu vernemen of een strafonderzoek tegen de betrokken magistraat loopt, welke instantie dat onderzoek behandelt en of hij zich als benadeelde partij bij een gerechtelijke procedure kan aansluiten. Vanaf 1 december 2026 wil hij ook rechtenstudenten inschakelen om de juridische vragen rond zijn dossiers te onderzoeken.
Een conflict over een openbare weg ligt aan de oorsprong
De voorgeschiedenis begint in 2013, toen een conflict ontstond over de juridische status van een stuk weg in Overijse. De burger betwistte de voorstelling van een private tegenpartij die stelde dat het betrokken terrein geen deel uitmaakte van de openbare weg. Het geschil leidde tot gerechtelijke procedures en discussies over de juistheid van documenten die door verschillende partijen werden gebruikt. Volgens de klager werd daarbij informatie aangebracht die een onjuist beeld gaf van de feitelijke en juridische toestand. Hij beschouwt het geschil niet als een gewone discussie over eigendom of toegang, maar als het begin van een reeks gebeurtenissen waarbij volgens hem officiële stukken op onjuiste wijze werden opgesteld of gebruikt. Zijn standpunt is dat de betrouwbaarheid van dergelijke documenten bepalend kan zijn voor de beoordeling door een rechtbank. Wanneer de oorsprong van een stuk niet correct wordt weergegeven, kan volgens hem een procespartij daardoor worden benadeeld. Of daarvan in dit geval sprake was, is niet onafhankelijk vastgesteld.
Het proces-verbaal van 17 mei 2013 wordt betwist
Op vrijdag 17 mei 2013 liet de burger volgens zijn relaas bij de politie een aangifte registreren over mogelijke fraude in verband met de openbare weg. Het oorspronkelijke proces-verbaal zou door een politie-inspecteur zijn opgesteld. De klager beweert dat een leidinggevende politiefunctionaris dat document later op dezelfde avond zonder medeweten van de oorspronkelijke opsteller heeft aangepast. Volgens hem werd eveneens een bewijsstuk toegevoegd waarvan de herkomst onjuist werd vermeld. Hij vermoedt dat een document dat door een belanghebbende private partij was aangebracht, binnen het politiedossier werd voorgesteld als informatie afkomstig van de bevoegde lokale overheid. Dat onderscheid heeft voor de bewijsvoering een concrete betekenis. Een document dat door een procespartij wordt overgelegd, kan uiteraard worden onderzocht en gebruikt, maar de herkomst ervan mag niet verkeerd worden voorgesteld. Een officieel gemeentelijk standpunt en een verklaring van een private tegenpartij hebben immers niet dezelfde juridische betekenis. De bewering dat het proces-verbaal doelbewust werd vervalst, blijft een beschuldiging van de klager. Voor een vaststelling van vervalsing zouden de oorspronkelijke versie, de wijzigingen, de registratiegegevens en de verklaringen van de betrokken functionarissen moeten worden onderzocht.
De politie zou zich op gemeentelijke bewijzen hebben beroepen
De burger verklaart dat de leidinggevende politiefunctionaris hem in 2013 mondeling meedeelde over bewijzen van het gemeentebestuur te beschikken waaruit zou blijken dat het betrokken stuk terrein geen openbare weg was. Die verklaring vormde volgens hem een eerste aanleiding om de herkomst van de documenten te controleren. Hij zegt daarop zelf contact te hebben opgenomen met de bevoegde lokale overheid. Volgens zijn relaas antwoordde het bestuur dat het geen standpunt innam in een lopend gerechtelijk geschil en dat het geen dergelijke bewijsstukken aan de politie had bezorgd. De klager beschouwt die tegenstrijdigheid als een aanwijzing dat de informatie die binnen het politiedossier aan de gemeente werd toegeschreven, mogelijk van elders kwam. Hij vermoedt dat de private tegenpartij die het geschil aanhangig maakte, het document had aangeleverd. De precieze herkomst kan alleen worden vastgesteld aan de hand van de oorspronkelijke correspondentie, de documentregistratie en eventuele verklaringen van de betrokken instanties. De beschikbare gegevens volstaan niet om te concluderen dat een politiefunctionaris bewust een onjuiste verklaring heeft afgelegd.
Een bewijsstuk van de tegenpartij zou als officieel document zijn voorgesteld
De klager stelt dat hij het betwiste document al kende omdat het eerder door de private tegenpartij was gebruikt. Volgens hem kon hij daardoor vaststellen dat het stuk geen onafhankelijk gemeentelijk bewijs vormde. Zijn bezwaar is dat de beweerde herkomst de indruk zou hebben kunnen wekken dat het gemeentebestuur de juridische status van de weg had bevestigd. Dat zou van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het conflict. Een dergelijke voorstelling kan bijzonder problematisch zijn wanneer de rechter of een onderzoeksinstantie de herkomst van een document meeweegt bij de beoordeling ervan. Toch moet worden onderscheiden tussen de opname van een door een procespartij aangebracht stuk en de bewuste voorstelling daarvan als een officieel gemeentelijk document. De eerste handeling hoeft niet onrechtmatig te zijn. De tweede zou, afhankelijk van de omstandigheden en het opzet, vragen kunnen oproepen over de betrouwbaarheid van het dossier en mogelijke juridische verantwoordelijkheid. De klager wil dat precies wordt nagegaan wie het document heeft aangeleverd, wanneer het werd geregistreerd en welke herkomst daarbij werd opgegeven.
Een gemeentelijk document van 10 december 2013 leidt tot bijkomende beschuldigingen
De burger verwijst naar een tweede gebeurtenis uit hetzelfde jaar. Op dinsdag 10 december 2013 werd volgens hem een officieel document opgesteld over werkzaamheden in een natuurgebied. Daarbij ging het om het kappen van bomen, het aanvoeren van grond en de identiteit van de aannemer die de werken zou hebben uitgevoerd. De klager betwist de juistheid van de vermelding van de aannemer. Volgens hem werd in het document een onjuiste voorstelling van de uitgevoerde werkzaamheden gegeven. Hij ziet daarin een verband met het geschil over de openbare weg en de documenten die in de gerechtelijke procedure werden gebruikt. De identiteit van de uitvoerder kan van belang zijn bij vragen over opdrachtverlening, vergunningen en verantwoordelijkheid voor eventuele schade. Zonder de oorspronkelijke documenten, de bijbehorende vergunningen en gegevens over de uitvoering van de werken kan de beschuldiging echter niet worden bevestigd. Ook is niet vastgesteld dat de eventuele onjuistheid bewust werd aangebracht.
Pas elf jaar later kreeg de burger volgens eigen zeggen inzage
De burger stelt dat hij het politiedossier uit 2013 pas in juni 2024 mocht raadplegen. Daardoor verstreken ongeveer elf jaar voordat hij naar eigen zeggen de documenten kon controleren waarop zijn vermoedens betrekking hadden. Volgens hem hadden eerdere verzoeken om inzage geen resultaat opgeleverd. Bij de uiteindelijke raadpleging stelde hij vast dat het dossier geen officiële gemeentelijke brief bevatte waarmee de door de politie beweerde herkomst van het betwiste bewijsstuk werd bevestigd. Hij beschouwt dat als ondersteuning van zijn oorspronkelijke vermoeden. Het ontbreken van een afzonderlijke begeleidende brief bewijst op zichzelf niet dat een document vervalst is of onrechtmatig werd toegevoegd. Wel blijft de vraag hoe de herkomst ervan werd geregistreerd. De lange wachttijd heeft volgens de klager zijn mogelijkheden om de feiten te onderzoeken ernstig bemoeilijkt. Hij kon naar eigen zeggen jarenlang niet controleren welke bijlagen in het dossier aanwezig waren en welke informatie door de betrokken instanties als bewijs werd beschouwd.
Waarom de lange wachttijd volgens de klager gevolgen had
Het probleem van late dossierinzage gaat verder dan het feit dat documenten pas na lange tijd beschikbaar worden. Wanneer een burger vermoedt dat een bewijsstuk onjuist is of achteraf werd gewijzigd, kan het tijdsverloop de mogelijkheid bemoeilijken om die bewering te onderzoeken. Betrokken functionarissen kunnen ondertussen van functie zijn veranderd, getuigen kunnen zich gebeurtenissen minder nauwkeurig herinneren en oorspronkelijke communicatie kan moeilijker terug te vinden zijn. De klager stelt dat hij door de langdurige weigering van inzage niet eerder kon vaststellen welke documenten zich daadwerkelijk in het politiedossier bevonden. Of de vroegere weigeringen juridisch correct waren, hangt af van de toenmalige onderzoeksfase, zijn rechtspositie en de wettelijke bepalingen inzake inzage. Het feit dat een latere verantwoordelijke wel toestemming verleende, bewijst niet automatisch dat eerdere beslissingen onrechtmatig waren. Het maakt de vraag naar de motivering ervan volgens de burger wel des te dringender.
Familiale relaties tussen functionarissen worden ter discussie gesteld
In zijn beoordeling van de gebeurtenissen verwijst de klager naar familiale en professionele relaties tussen personen die destijds functies bekleedden binnen de lokale administratie en het gerechtelijk arrondissement. Hij vermoedt dat dergelijke relaties mogelijk een rol hebben gespeeld bij de behandeling van zijn klachten en bij de opstelling van bepaalde officiële documenten. Daarbij stelt hij vragen over de onafhankelijkheid van beslissingen en over de mogelijkheid dat informatie tussen betrokken functionarissen werd uitgewisseld. Voor die vermoedens zijn echter geen concrete aanwijzingen van ongeoorloofde beïnvloeding vastgesteld. Het bestaan van een familiale relatie tussen personen met een openbaar ambt levert op zichzelf geen bewijs op van belangenvermenging. Daarvoor zouden contacten, instructies of beslissingen moeten worden aangetroffen waaruit blijkt dat een bevoegdheid op onrechtmatige wijze werd gebruikt. De klager wil dat de relaties niet zonder onderzoek terzijde worden geschoven, maar hun juridische betekenis kan pas worden beoordeeld wanneer concrete handelingen worden vastgesteld.
Op 29 mei 2015 volgt een strafklacht tegen een magistraat
Op vrijdag 29 mei 2015 liet de burger een proces-verbaal opstellen wegens vermoedens van fraude en machtsmisbruik door een vrederechter. Volgens hem had de magistraat in een gerechtelijke procedure een beslissing genomen die bewust in strijd was met de toepasselijke wetgeving. De klager stelt dat hij schriftelijke documenten had toegevoegd waarmee die vermeende onwettigheid kon worden vastgesteld. Zijn beschuldiging gaat verder dan de stelling dat een rechterlijke beslissing juridisch onjuist was. Hij vermoedt dat de betrokken magistraat opzettelijk handelde in strijd met een wettelijke verplichting. Dat verschil is juridisch bepalend. Een rechter kan een wet verkeerd interpreteren of feiten onjuist beoordelen zonder daardoor een strafbaar feit te plegen. Om van strafrechtelijk machtsmisbruik te kunnen spreken, moet worden onderzocht welke gedraging plaatsvond, welke wettelijke bepaling werd geschonden en of aan de voorwaarden voor een strafbaar feit is voldaan. De overtuiging van de klager is daarvoor niet voldoende.
De strafklacht wordt op 8 juni 2015 geseponeerd
Volgens de burger besliste het bevoegde openbaar ministerie op maandag 8 juni 2015 om zijn strafklacht te seponeren omdat geen misdrijf werd vastgesteld. Hij betwist de wijze waarop de beslissing tot stand kwam en vindt dat de door hem aangebrachte documenten onvoldoende aandacht kregen. Vooral het ontbreken van een inhoudelijke uitleg blijft hem dwarszitten. Hij stelt dat de beslissing geen antwoord gaf op zijn concrete beschuldiging dat de magistraat bewust een wettelijk voorschrift had miskend. Een seponering is een beslissing van het openbaar ministerie om op dat ogenblik geen strafvervolging in te stellen. Zij is niet gelijk aan een vrijspraak na een strafproces. De wettelijke motiverings- en informatieverplichtingen verschillen naargelang de procedure. Om te beoordelen of de klager destijds recht had op verdere informatie, moet worden nagegaan welke hoedanigheid hij bezat en welke wettelijke regels op zijn verzoek van toepassing waren.
Vier jaar zonder kennis van een beslissing die al genomen was
De klager verklaart dat hij tot juni 2019 niet wist dat zijn strafklacht al in juni 2015 was geseponeerd. Hij stelt dat hij gedurende die vier jaar meerdere aangetekende brieven stuurde om te vernemen of het proces-verbaal door een bevoegde magistraat was gelezen en behandeld. Volgens hem kreeg hij geen antwoord waarmee hij de status van zijn aangifte kon vaststellen. Voor de burger was dat bijzonder frustrerend. Hij had zelf de aangifte laten registreren en wilde weten welke beslissing erop was gevolgd. Zijn ervaring met deze periode verklaart waarom hij nu zo veel belang hecht aan aangetekende correspondentie en schriftelijke bevestigingen. De exacte verzenddata, ontvangstbewijzen en eventuele antwoorden moeten worden nagegaan om vast te stellen hoe de communicatie werkelijk verliep. De beweerde stilte kan niet zonder onderzoek als een opzettelijke weigering worden beschouwd.
Een brief aan een toenmalig minister wordt een bijkomend twistpunt
De klager verwijst naar een brief van woensdag 10 juni 2015 die volgens hem gericht was aan een toenmalig federaal minister van Justitie. Het document zou als persoonlijke correspondentie zijn aangeduid. De datum trekt zijn aandacht omdat de seponeringsbeslissing volgens zijn chronologie slechts twee dagen eerder was genomen. Hij vraagt zich af hoe op politiek niveau kort na die beslissing correspondentie over zijn dossier kon bestaan, terwijl hij zelf jarenlang geen duidelijkheid kreeg. Het bestaan van een brief aan een minister bewijst echter niet dat de bewindsman persoonlijk kennisnam van de volledige inhoud of invloed uitoefende op een gerechtelijke beslissing. Daarvoor zouden de brief, de administratieve behandeling en eventuele reacties moeten worden onderzocht. De klager ziet de correspondentie vooral als een reden om een volledig overzicht te vragen van de manier waarop zijn dossier na de aangifte werd behandeld.
Een arrest uit januari 2017 maakt de vragen over inzage dringender
De burger beroept zich op een arrest van het Grondwettelijk Hof van woensdag 25 januari 2017 waarin de toegang tot informatie over een geseponeerd strafdossier aan de orde kwam. Hij vindt dat deze rechtspraak aanleiding had moeten geven om zijn eerdere verzoeken opnieuw te bekijken. Volgens zijn relaas bleef hij ook daarna zonder voldoende informatie over het lot van zijn aangifte. De precieze toepassing van de betrokken uitspraak op zijn dossier kan niet worden vastgesteld zonder het arrest en de volledige procedure te onderzoeken. Rechten op kennisgeving en inzage kunnen afhangen van de hoedanigheid van de verzoeker, de aard van het onderzoek en de wettelijke beperkingen die gelden voor gerechtelijke informatie. De klager wil vooral laten onderzoeken waarom hij gedurende jaren niet kon vernemen welke beslissing was genomen, terwijl hij naar eigen zeggen herhaaldelijk om duidelijkheid had gevraagd.
Een bijzonder onderzoek brengt zeven disfuncties aan het licht
Op woensdag 25 maart 2026 werden de resultaten bekendgemaakt van een bijzonder onderzoek naar de werking van bewindvoeringen bij het vredegerecht van Zaventem. Het onderzoek volgde op klachten van burgers en een bericht van de korpschef van het betrokken vredegerecht. De onderzoekers formuleerden zeven disfuncties en zes aanbevelingen. Tijdens het onderzoek werden 48 praktijken geïdentificeerd die niet overeenstemden met de geldende regels voor bewindvoering of met aanbevelingen die eerder waren opgesteld. De tekortkomingen hadden betrekking op de selectie van bewindvoerders, het beheer van dossiers, financiële controles, de goedkeuring van vergoedingen en de behandeling van mogelijke belangenvermenging en fraude. Het onderzoek had betrekking op de werking van bewindvoeringen en bevestigt niet automatisch beschuldigingen die voortkomen uit andere geschillen met hetzelfde gerecht. Voor de burger die al jaren vragen stelt over een vroegere rechterlijke beslissing, vormden de resultaten wel een nieuwe aanleiding om zijn dossier opnieuw onder de aandacht te brengen.
Bewindvoerders werden zonder formeel selectiebeleid aangesteld
Een van de vastgestelde problemen was het ontbreken van een formeel beleid voor de selectie en aanwijzing van professionele bewindvoerders. Dat heeft rechtstreeks betrekking op de bescherming van personen die hun goederen niet volledig zelfstandig kunnen beheren. Een bewindvoerder kan beslissingen nemen over bankrekeningen, onroerende goederen en dagelijkse uitgaven van de persoon die onder bescherming staat. Volgens de onderzoeksbevindingen kreeg een bepaalde professionele bewindvoerder geregeld dossiers toegewezen waarin grote vermogens aanwezig waren. De verdeling van dergelijke opdrachten moet controleerbaar zijn, omdat zij gevolgen kan hebben voor de belangen van kwetsbare personen en hun familie. Het ontbreken van duidelijke selectiecriteria kan vragen oproepen over de wijze waarop keuzes tot stand komen. Het rapport stelde organisatorische tekortkomingen vast, maar betekende geen strafrechtelijke veroordeling van de betrokken bewindvoerders of magistraten.
Uitzonderlijk hoge vergoedingen werden toch goedgekeurd
Bij een professionele bewindvoerder werden uitzonderlijk hoge vergoedingen vastgesteld. Volgens de onderzoeksbevindingen werden verslagen geregeld te laat ingediend, provisies niet correct verrekend en vereiste bewijsstukken niet altijd voorgelegd. Toch werden kosten- en ereloonstaten consequent goedgekeurd. Voor personen onder bewind kunnen dergelijke tekortkomingen rechtstreeks financiële gevolgen hebben. De bewindvoerder beheert immers middelen die bestemd zijn voor de bescherming en verzorging van iemand die niet altijd zelfstandig controle kan uitoefenen. Wanneer de rechterlijke controle onvoldoende wordt gedocumenteerd, kan het moeilijk worden om na te gaan of kosten noodzakelijk en behoorlijk verantwoord waren. De onderzoekers beschreven eveneens dat de financiële controle zonder aantoonbare systematiek verliep en uitsluitend door de betrokken vrederechter werd uitgevoerd. De vaststellingen vragen om een beoordeling van de afzonderlijke verantwoordelijkheden, zonder dat daarmee de strafrechtelijke schuld van individuele personen al vaststaat.
Familiale bewindvoerders moesten anders werken dan het gerecht zelf
Een ander probleem had betrekking op het gebruik van een informaticasysteem. Familiale bewindvoerders werden verplicht een systeem te gebruiken dat wettelijk niet verplicht was, terwijl de betrokken rechter er zelf geen gebruik van maakte. In de praktijk werden dossiers afgedrukt en werden instructies via papieren notities doorgegeven. Die werkwijze werd door de onderzoekers als een tekortkoming aangemerkt. De manier waarop documenten worden geregistreerd en instructies worden gegeven, heeft gevolgen voor de controle op dossiers. Wanneer verschillende werkwijzen naast elkaar bestaan zonder voldoende afspraken, kan onduidelijkheid ontstaan over de verwerking van informatie en de uitvoering van beslissingen. Voor familiale bewindvoerders, die vaak een naaste verwant proberen te beschermen, kan een gebrekkige administratieve opvolging bijkomende problemen veroorzaken.
Ook de aanstelling van technische adviseurs vertoonde gebreken
Bij de aanstelling van technische adviseurs werden eveneens tekortkomingen vastgesteld. Volgens het onderzoek ontbraken formele beschikkingen, uniforme opdrachten en geharmoniseerde tarieven. De controle op dergelijke opdrachten was onvoldoende geregeld. Technische adviseurs kunnen worden ingeschakeld wanneer specifieke kennis nodig is voor de beoordeling van goederen of financiële aangelegenheden. Juist daarom moet duidelijk zijn welke opdracht zij krijgen, welke vergoeding wordt aangerekend en wie de uitvoering controleert. Wanneer die gegevens ontbreken, wordt het moeilijk om de noodzaak en de kostprijs van hun tussenkomst achteraf na te gaan. De onderzoekers wezen erop dat verschillende problemen hadden kunnen worden vermeden als eerdere aanbevelingen tijdig waren toegepast.
Waarschuwingen uit 2019 en 2022 kregen onvoldoende gevolg
De tekortkomingen uit maart 2026 moeten ook worden bekeken tegenover eerdere onderzoeken naar de controle op bewindvoeringen. In 2019 werden al aanbevelingen opgesteld en in 2022 volgde een onderzoek naar de opvolging daarvan. De recente bevindingen maakten duidelijk dat verschillende aanbevelingen onvoldoende waren uitgevoerd. Daardoor konden problemen volgens het onderzoek blijven voortbestaan. De klager ziet hierin een reden om aandacht te vragen voor de manier waarop gerechtelijke instellingen omgaan met eerdere waarschuwingen en klachten. Zijn redenering is dat een probleem moeilijk kan worden opgelost wanneer aanbevelingen niet daadwerkelijk in de dagelijkse werking worden opgenomen. Het rapport heeft evenwel betrekking op de controle van bewindvoeringen en geeft geen definitief oordeel over zijn persoonlijke strafklacht uit 2015.
De aangifte bij het parket-generaal krijgt een bijzondere betekenis
Na het bijzondere onderzoek werden de bevindingen en verzamelde dossierstukken overgemaakt aan het parket-generaal van Brussel en aan de bevoegde gerechtelijke verantwoordelijken. Zij beschikken over bevoegdheden om mogelijke strafrechtelijke en tuchtrechtelijke gevolgen te onderzoeken. De aangifte betekent dat de vaststellingen door instanties kunnen worden beoordeeld die verdergaande onderzoeksmogelijkheden hebben. Zij betekent niet dat reeds vaststaat dat een magistraat strafrechtelijk wordt vervolgd of dat er een onderzoeksrechter is aangesteld. Voor de klager is juist dat onderscheid aanleiding om informatie te vragen. Hij wil weten welke procedure daadwerkelijk bestaat, welke feiten daarin worden onderzocht en of hij wegens zijn oudere geschil een juridische rol kan opnemen.
De volgende stap wordt een aangetekende brief aan het parket-generaal
De burger overweegt een aangetekend verzoek te richten aan het parket-generaal bij het hof van beroep in Brussel, gevestigd aan het Poelaertplein 1. Daarin wil hij verwijzen naar zijn strafklacht van 29 mei 2015, de seponering van 8 juni 2015, de jarenlange moeilijkheden bij het verkrijgen van informatie en de nieuwe onderzoeksbevindingen uit maart 2026. Hij wil vragen of naar aanleiding van de recente aangifte een strafdossier is geopend, welke instantie bevoegd is en onder welk dossiernummer de zaak wordt behandeld. Ook wil hij vernemen of hij zich als benadeelde persoon kan laten registreren of op een andere wijze zijn rechten kan uitoefenen. Het aangetekende karakter van de brief moet hem in staat stellen de verzending en ontvangst te documenteren. Daarmee hoopt hij te vermijden dat hij opnieuw jarenlang zonder duidelijkheid blijft.
Ook de toezichthouder en het staatshoofd zouden een brief krijgen
Naast het parket-generaal wil de klager de Hoge Raad voor de Justitie en het staatshoofd informeren over zijn verzoek. Volgens zijn redenering kan een gelijktijdige kennisgeving ervoor zorgen dat er een schriftelijk overzicht bestaat van de instanties die van zijn bezorgdheden op de hoogte zijn. De bevoegdheden van de geadresseerden verschillen. De Hoge Raad kan onderzoek doen naar de werking van gerechtelijke instellingen en aanbevelingen formuleren. Het parket-generaal heeft binnen de wettelijke regeling een eigen rol bij de behandeling van mogelijke strafbare feiten door magistraten. Het staatshoofd kan niet zelfstandig een onderzoeksrechter aanwijzen of een strafrechtelijke vervolging opstarten. De betekenis van de afzonderlijke brieven hangt daarom af van de wettelijke bevoegdheid van iedere instantie en van de precieze inhoud van het verzoek.
Een bijzondere procedure geldt voor strafzaken tegen magistraten
Wanneer een misdrijf wordt toegeschreven aan een magistraat die onder de bijzondere rechtspleging valt, gelden andere procedurevoorschriften dan bij gewone strafzaken. De regeling in het Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat een betrokken magistraat uitsluitend door de procureur-generaal bij het hof van beroep wordt vervolgd. Ook voor burgerlijke partijstelling gelden bijzondere ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die mogelijkheid is gekoppeld aan de instanties die in de wet worden aangewezen en aan zaken die volgens de bijzondere procedure al bij hen aanhangig zijn gemaakt. De klager kan daarom niet zonder voorafgaand juridisch onderzoek uitgaan van de gewone werkwijze waarbij een burger door een klacht met burgerlijke partijstelling rechtstreeks een gerechtelijk onderzoek probeert op gang te brengen. Het is eerst nodig te weten of er een dossier bestaat, welke instantie bevoegd is en of de feiten waarop hij zich beroept juridisch onder dat onderzoek kunnen vallen.
De naam van een onderzoeksmagistraat is niet automatisch beschikbaar
De klager wil weten wie een eventueel strafonderzoek behandelt. Dat kan van belang zijn wanneer hij een advocaat wil inschakelen en wil onderzoeken welke procedurele mogelijkheden bestaan. Niet elk strafonderzoek staat echter onder leiding van een onderzoeksrechter. Tijdens een opsporingsonderzoek ligt de leiding bij het openbaar ministerie. Pas wanneer een gerechtelijk onderzoek wordt geopend, komt een bevoegde onderzoeksmagistraat in beeld. Het geheim van het onderzoek kan beperkingen meebrengen voor informatie die aan derden wordt verstrekt. Een schriftelijk verzoek kan daardoor niet automatisch leiden tot de bekendmaking van alle dossiergegevens. De klager zal moeten duidelijk maken welk persoonlijk belang hij heeft en waarom hij meent door de onderzochte feiten rechtstreeks te zijn benadeeld.
Een advocaat moet de mogelijkheden tot burgerlijke partijstelling onderzoeken
Zodra hij meer duidelijkheid heeft over de gerechtelijke procedure, wil de burger een advocaat raadplegen. Die zal moeten nagaan of hij juridisch als benadeelde kan optreden, welke stukken beschikbaar zijn en of zijn gestelde financiële schade rechtstreeks verband houdt met feiten die daadwerkelijk worden onderzocht. De leeftijd van de dossiers speelt daarbij een rol. De oudste gebeurtenissen dateren van 2013, terwijl de strafklacht uit 2015 inmiddels ruim elf jaar oud is. Mogelijke verjaring, eerdere beslissingen en de vraag of nieuwe feiten juridisch gevolgen kunnen hebben voor een oudere klacht, vereisen een afzonderlijke beoordeling. De klager wil vermijden dat hij opnieuw tijd verliest door een verzoek bij een onbevoegde instantie in te dienen. Gespecialiseerde bijstand moet hem helpen om de toepasselijke procedure vast te stellen voordat verdere stappen worden gezet.
De vergelijking met een historische gerechtelijke dwaling
De burger vergelijkt het betwiste proces-verbaal met een historische gerechtelijke affaire waarin een officier ten onrechte werd veroordeeld en waarbij vervalste documenten en institutionele weerstand een rol speelden. Zijn vergelijking heeft betrekking op het gevaar dat onbetrouwbaar bewijs binnen een officieel dossier gezag krijgt zonder dat de herkomst ervan behoorlijk wordt gecontroleerd. Hij vermoedt dat in zijn eigen zaak een document van een private procespartij ten onrechte als afkomstig van een lokale overheid werd voorgesteld. Die beschuldiging is niet onafhankelijk bevestigd. De historische vergelijking levert geen bewijs voor zijn eigen dossier, maar maakt duidelijk waarom hij zoveel aandacht besteedt aan de oorspronkelijke opmaak van het proces-verbaal en de vraag wie de bijlagen heeft toegevoegd. Voor hem kan de juistheid van één document bepalend zijn voor de manier waarop een volledige gerechtelijke procedure wordt beoordeeld.
Wanneer een rechter bewust tegen de wet zou handelen
De klager stelt een rechtsfilosofische vraag over de verantwoordelijkheid van personen die beroepshalve het recht moeten toepassen. Zijn uitgangspunt is dat de wet een kader vormt waaraan ook rechters en magistraten gebonden zijn. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen een gewone burger die een wettelijke bepaling overtreedt en een magistraat die volgens hem doelbewust een beslissing neemt die met de wet strijdig is. Dat laatste beschouwt hij als bijzonder ernstig, omdat de betrokkene juist de opdracht heeft om het recht toe te passen. In de rechtsfilosofie bestaat een bekende benadering waarin wordt onderzocht wanneer het verschil tussen geschreven recht en gerechtigheid zo groot wordt dat de legitimiteit van een wettelijke norm ter discussie komt. De klager gebruikt die gedachte als aanleiding voor een andere vraag: hoe moet de rechtsstaat reageren wanneer niet de wet zelf onrechtvaardig is, maar de toepassing ervan volgens een burger bewust verkeerd gebeurt? Die vergelijking is een filosofische redenering en geen zelfstandige grond om een individuele magistraat strafrechtelijk aansprakelijk te stellen.
Het onderscheid tussen een juridische fout en een strafbaar feit
Een rechterlijke beslissing kan juridisch onjuist zijn zonder dat de rechter daardoor een misdrijf pleegt. Een verkeerde wetsinterpretatie, een betwiste beoordeling van feiten en opzettelijk misbruik van bevoegdheden zijn verschillende situaties. Voor de eerste twee bestaan onder bepaalde voorwaarden beroepsmogelijkheden of andere rechtsmiddelen. Wanneer iemand een magistraat van strafbare feiten beschuldigt, moet worden nagegaan welke concrete handelingen aan de wettelijke omschrijving van een misdrijf beantwoorden. De klager stelt dat zijn oorspronkelijke aangifte juist op doelbewust handelen betrekking had. Hij wil dat wordt onderzocht of de verantwoordelijke magistraat de toepasselijke wettelijke bepaling kende en bewust buiten dat kader besliste. Of die beschuldiging juridisch kan worden gedragen, hangt af van concrete bewijsstukken en de voorwaarden van het strafrecht. Het enkele feit dat een procespartij een beslissing als onrechtvaardig ervaart, is daarvoor onvoldoende.
Het persoonlijk ervaren onrecht leidt tot kritiek op de juridische wereld
De klager is bijzonder kritisch voor de houding van bepaalde juridische deskundigen tegenover klachten over gerechtelijke functionarissen. Hij vermoedt dat professionele relaties en mogelijke gevolgen voor de loopbaan ertoe kunnen leiden dat mensen terughoudend zijn om kritiek te geven op personen met gezag binnen de rechterlijke organisatie. Hij verwijt de academische wereld een gebrek aan bereidheid om de werking van bepaalde gerechtelijke instellingen kritisch te onderzoeken. Het gaat om een persoonlijke beoordeling. Er zijn geen concrete gegevens beschikbaar die bewijzen dat bepaalde docenten of hoogleraren bewust hebben geweigerd zijn dossier te behandelen uit vrees voor magistraten. De klager wil dat toekomstige juristen leren om gerechtelijke onafhankelijkheid te respecteren en tegelijk aandacht te besteden aan de wettelijke verantwoordelijkheid van personen met een openbaar ambt.
Derdejaarsstudenten rechten moeten vanaf december aan de slag
Vanaf dinsdag 1 december 2026 wil de burger derdejaarsstudenten rechten betrekken bij de bestudering van zijn dossiers. Hij wil hen confronteren met vragen over bewijsstukken, strafprocesrecht, de toegang tot gerechtelijke informatie en de verantwoordelijkheid van magistraten. Zijn voornemen is dat studenten de verschillende gebeurtenissen juridisch onderzoeken en nagaan welke procedures bestaan wanneer een burger een mogelijke onregelmatigheid aan de orde stelt. Hij beschouwt deze benadering als een manier om juridische opleidingen dichter bij situaties te brengen waarmee burgers in de praktijk kunnen worden geconfronteerd. Er is nog geen bevestiging dat een onderwijsinstelling aan het initiatief zal deelnemen. Ook moet worden onderzocht welke documenten rechtmatig met studenten kunnen worden gedeeld, omdat gerechtelijke dossiers vertrouwelijke informatie over verschillende personen kunnen bevatten.
Angst voor professionele gevolgen speelt volgens de klager een rol
De burger vermoedt dat sommige juristen terughoudend zijn om zich uit te spreken over mogelijk wangedrag van gerechtelijke functionarissen omdat zij negatieve gevolgen voor hun positie vrezen. Hij vergelijkt dat met situaties waarin politieke of financiële belangen mensen ervan kunnen weerhouden kritiek te geven op invloedrijke personen. Zijn verwijzing naar de Verenigde Staten heeft betrekking op de manier waarop politieke steun en donaties volgens hem invloed kunnen uitoefenen op het gedrag van partijgenoten en ondernemingen. Hij beschouwt dergelijke afhankelijkheden als een mogelijk mechanisme waardoor mensen hun bezwaren niet openlijk uitspreken. Een dergelijke vergelijking bewijst niet dat dezelfde omstandigheden binnen de Belgische magistratuur bestaan. Voor de beoordeling van individuele gerechtelijke dossiers moeten concrete feiten en beslissingen worden onderzocht. Algemene vermoedens over professionele angst kunnen die bewijsvoering niet vervangen.
Ook contacten tussen politiek en veiligheidsdiensten komen ter sprake
De klager verwijst eveneens naar berichtgeving over persoonlijke contacten tussen een voormalig federaal minister en een functionaris van de Belgische veiligheidsdiensten. In die berichtgeving kwamen communicatie tussen beide personen en vragen over mogelijke beïnvloeding aan bod. Er werd ook verwezen naar een eerdere klacht die na onderzoek werd geseponeerd. De burger gebruikt deze gebeurtenissen als voorbeeld van zijn bezorgdheid over informele contacten tussen personen met invloedrijke functies. Een persoonlijke of professionele relatie tussen functionarissen bewijst op zichzelf echter geen ongeoorloofde beïnvloeding. Daarvoor moet worden vastgesteld dat vertrouwelijke informatie onrechtmatig werd gedeeld, wettelijke bevoegdheden werden misbruikt of beslissingen op een verboden manier werden gestuurd. Er is geen rechtstreeks verband aangetoond tussen die afzonderlijke berichtgeving en de klachten over het politiedossier uit 2013 of de strafklacht uit 2015.
De betrouwbaarheid van officiële documenten blijft het centrale probleem
Doorheen de verschillende dossiers komt dezelfde vraag terug: hoe kan een burger controleren of een officieel document correct is opgesteld en op een rechtmatige manier werd gebruikt? De klager verwijst naar het oorspronkelijke proces-verbaal, de betwiste herkomst van een bewijsstuk, de gemeentelijke informatie en de manier waarop zijn strafklacht werd behandeld. Volgens hem konden de documenten pas veel later worden gecontroleerd doordat hij gedurende jaren geen inzage kreeg. De betrouwbaarheid van officiële stukken is van belang voor iedere gerechtelijke procedure. Een document kan gegevens bevatten die later onjuist blijken, zonder dat daarmee automatisch een strafbare vervalsing is bewezen. De herkomst, de opmaakdatum, eventuele wijzigingen en de wijze waarop een stuk werd gebruikt, moeten afzonderlijk worden onderzocht. Dat is ook noodzakelijk om de beschuldigingen van de klager eerlijk te kunnen beoordelen.
De gestelde financiële schade moet afzonderlijk worden onderzocht
De burger verklaart dat hij en zijn familie door de vroegere gebeurtenissen financieel werden benadeeld. Hij beschouwt dat als een van de redenen om een eventuele burgerlijke partijstelling te onderzoeken. De omvang van de gestelde schade is niet met een volledig financieel overzicht onderbouwd. Voor een vordering moet worden bepaald welke kosten, verliezen of andere nadelen rechtstreeks aan de betwiste handelingen kunnen worden verbonden. Een ongunstige rechterlijke beslissing betekent niet automatisch dat de betrokken magistraat aansprakelijk is voor de financiële gevolgen ervan. Ook kunnen organisatorische tekortkomingen bij bewindvoering niet zonder afzonderlijk onderzoek worden gebruikt als bewijs voor schade in een ander geschil. De concrete stukken, de toepasselijke wettelijke regels en het oorzakelijke verband tussen een eventuele fout en het nadeel zijn bepalend voor de juridische mogelijkheden.
Een onderzoek naar een gerechtelijke instelling is geen veroordeling
De vaststellingen van maart 2026 hebben betrekking op de werking van bewindvoeringen en de controle door een vredegerecht. Het onderzoek kan aanleiding geven tot verdere strafrechtelijke of tuchtrechtelijke stappen, maar spreekt zelf geen strafrechtelijke schuld uit. Hetzelfde onderscheid geldt voor de oudere beschuldigingen van de klager. Een aangifte, een vermoeden van vervalsing of een klacht over een rechterlijke beslissing betekent niet dat de betrokken persoon een misdrijf heeft gepleegd. Magistraten, politiefunctionarissen, bestuurders en private partijen hebben recht op een correcte beoordeling van de feiten. De burger heeft op zijn beurt het recht om klachten in te dienen en de bestaande procedures te gebruiken om mogelijke fouten te laten onderzoeken. De wettelijke bevoegdheden en het beschikbare bewijs bepalen welke stappen mogelijk zijn.
De lange voorgeschiedenis moet per dossier worden gereconstrueerd
Een beoordeling van de gebeurtenissen vraagt om een nauwkeurige chronologie. Het geschil over de openbare weg en het politiedossier begon in 2013. Een afzonderlijke strafklacht tegen een magistraat volgde in mei 2015 en werd volgens de klager in juni van hetzelfde jaar geseponeerd. Hij stelt dat hij daarvan pas in juni 2019 kennis kreeg. In juni 2024 mocht hij naar eigen zeggen het oudere politiedossier raadplegen. Op 25 maart 2026 werden de resultaten van het bijzondere onderzoek naar bewindvoeringen bekendgemaakt. In november 2026 wil hij opnieuw een aangetekend verzoek indienen en vanaf december rechtenstudenten betrekken bij de juridische beoordeling. De opeenvolging verklaart waarom de klager de gebeurtenissen als onderdelen van een langdurig geschil ervaart. Toch moet voor ieder dossier afzonderlijk worden vastgesteld welke personen betrokken waren, welke beslissingen werden genomen en of een juridisch verband met andere gebeurtenissen bestaat.
Een formeel antwoord moet de volgende stappen bepalen
De burger wil nu vooral vernemen of naar aanleiding van het onderzoek uit maart 2026 een strafdossier is geopend en welke gerechtelijke instantie daarvoor verantwoordelijk is. Wanneer hij die informatie ontvangt, wil hij met een advocaat nagaan welke mogelijkheden bestaan om als benadeelde persoon op te treden. Hij wil eveneens duidelijkheid over de juridische betekenis van zijn vroegere strafklacht en de documenten uit het politiedossier. Of nieuwe onderzoeksverrichtingen mogelijk zijn, hangt af van de aard van de feiten, de eerdere beslissingen en mogelijke verjaring. Zijn voornemen om meerdere instellingen aangetekend aan te schrijven, moet vooral voorkomen dat opnieuw onduidelijkheid ontstaat over de ontvangst en behandeling van zijn verzoeken.
Bronnen:
Correspondentie over de strafklacht van 29 mei 2015, de seponering van 8 juni 2015 en de voorgenomen gerechtelijke stappen, oktober en november 2026.
Document over bijzondere strafrechtspleging en burgerlijke partijstelling bij mogelijke misdrijven door magistraten, 30 oktober 2026.
Hoge Raad voor de Justitie, bijzonder onderzoek naar de werking van de bewindvoeringen in het vredegerecht van Zaventem, 25 maart 2026.
Wetboek van Strafvordering, bijzondere rechtspleging voor magistraten, artikelen 479 tot en met 484.
https://etaamb.openjustice.be/nl/wet-van-15-mei-2024_n2024004698
Berichtgeving over contacten tussen een voormalig minister en een functionaris van de Belgische veiligheidsdiensten.
https://www.standaard.be/binnenland/reynders-had-een-spion-bij-de-staatsveiligheid/163504574.html
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en een sterke overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen.
Wil je onze redactie een financieel duwtje in de rug geven? Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten.
Je kunt ons ondersteunen via:
Ko-fi
Buy Me a Coffee
https://buymeacoffee.com/andyvermaut
Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


