EU-rechten mogen niet afhangen van waar je woont

Europa heeft een uitgebreid stelsel van grondrechten uitgebouwd, maar burgers krijgen nog altijd met sterk uiteenlopende beschermingsniveaus te maken wanneer nationale overheden die rechten toepassen. Met mijn verzoekschrift aan het Europees Parlement stel ik een praktisch kader voor om die kloof te verkleinen.
Door Andy Vermaut
Elke burger van de Europese Unie heeft het recht om een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement. Het is een van de duidelijkste manieren waarop een individuele burger een bezorgdheid rechtstreeks binnen het Europese institutionele systeem kan brengen.Dat recht is niet voorbehouden aan politici, juristen, professionele lobbyisten of grote organisaties. Een burger kan een klacht indienen, wijzen op een gebrekkige toepassing van het EU-recht of het Parlement vragen om een concreet voorstel te onderzoeken. Ook inwoners van een EU-lidstaat die geen EU-burger zijn, evenals ondernemingen en organisaties die wettelijk in de Unie zijn gevestigd, kunnen onder de toepasselijke voorwaarden van deze procedure gebruikmaken.Een verzoekschrift geeft een burger niet het recht om zelf wetgeving in te dienen of de Europese Unie te dwingen een nieuwe wet aan te nemen. Het creëert wel een formeel parlementair dossier, kan aanleiding geven tot onderzoek en kan een kwestie voorleggen aan de commissies die voor het betrokken beleidsdomein bevoegd zijn. Ik heb van dat recht gebruikgemaakt omdat Europa volgens mij met een hardnekkig probleem kampt dat te weinig aandacht krijgt: het verschil tussen grondrechten zoals die in juridische teksten zijn vastgelegd en de manier waarop burgers die rechten in de praktijk ervaren. Met verzoekschrift 2599/2025, dat ik namens de Wereldraad voor Publieke Diplomatie en Gemeenschapsdialoog indiende, vroeg ik het Europees Parlement om een EU-breed kader te onderzoeken met als werktitel “Rechten in de praktijk”. De centrale gedachte is eenvoudig. Grondrechten mogen niet afhangen van administratieve gewoonten, nationale procedurele verschillen of institutioneel toeval.
Rechten op papier volstaan niet
De Europese Unie is gegrondvest op menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten. Het Handvest van de grondrechten beschermt onder meer de persoonlijke levenssfeer, persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting, gelijkheid, het verbod op discriminatie, behoorlijk bestuur, toegang tot de rechter en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Maar de erkenning van een recht in de wet betekent niet automatisch dat dit recht ook doeltreffend wordt toegepast. Een burger kan formeel beschermd zijn en toch geconfronteerd worden met een ontoegankelijke procedure, een beslissing zonder duidelijke motivering, een buitensporige vertraging of een overheid die geen heldere informatie geeft over de beschikbare beroepsmogelijkheden. Een recht dat niet kan worden begrepen, gebruikt of verdedigd, is niet volledig doeltreffend. Een burger die in de ene lidstaat met een overheid te maken krijgt, kan duidelijke informatie ontvangen, tijdig toegang krijgen tot het relevante dossier, een behoorlijk gemotiveerde beslissing ontvangen en een reële mogelijkheid krijgen om beroep aan te tekenen. Iemand in een vergelijkbare situatie in een andere lidstaat kan geconfronteerd worden met onduidelijke bevoegdheden, ontoegankelijke digitale systemen, lange vertragingen of onzekerheid over de instantie waarbij een klacht moet worden ingediend. Niet elk nationaal verschil is onwettig. De Europese Unie bestaat uit lidstaten met verschillende constitutionele tradities, rechtsstelsels en administratieve structuren. Mijn voorstel heeft niet tot doel die diversiteit weg te werken of elke nationale procedure te vervangen door één Europees model. Het probleem ontstaat wanneer legitieme verschillen leiden tot wezenlijk uiteenlopende niveaus van praktische bescherming. Wanneer een Europees recht in de ene lidstaat een degelijk beschermingsniveau biedt en elders een veel zwakkere bescherming oplevert, verliest het Europese burgerschap een deel van zijn betekenis.
Burgers ervaren EU-recht via nationale administraties
Deze kwestie is belangrijk omdat een groot deel van de Europese wetgeving wordt uitgevoerd door nationale, regionale en lokale overheden. De Europese Unie kan wetgeving aannemen, maar burgers krijgen daar doorgaans mee te maken via hun nationale administratie. Zij kunnen dus een recht hebben dat voortvloeit uit EU-wetgeving, terwijl zij dat recht moeten uitoefenen via een procedure die grotendeels door nationale regels wordt bepaald. Die procedures kunnen verschillen op het vlak van termijnen, toegankelijkheid, bewijsvereisten, motiveringsplichten, het recht om gehoord te worden en de mogelijkheden tot administratief of gerechtelijk beroep. Voor juristen is de grens tussen Europese en nationale bevoegdheden mogelijk vertrouwd. Voor burgers is het vaak moeilijk om te bepalen welke instelling verantwoordelijk is, welke regels van toepassing zijn en waar zij een klacht moeten indienen. Burgers zouden geen grondwetspecialist moeten worden voordat zij een grondrecht kunnen verdedigen. Zij moeten weten waarom een beslissing werd genomen, of hun rechten in aanmerking werden genomen en wat zij kunnen doen wanneer een overheid een fout heeft gemaakt. Een democratische rechtsorde moet die vragen gemakkelijker te beantwoorden maken in plaats van de volledige verantwoordelijkheid bij het individu te leggen.
Een praktisch kader voor “Rechten in de praktijk”
Mijn verzoekschrift stelde vier samenhangende maatregelen voor: minimale procedurele waarborgen, jaarlijkse rapportering door de lidstaten, een vergelijkend scorebord en een administratieve toolkit voor overheden. Het eerste onderdeel zou herkenbare minimumbescherming invoeren wanneer een administratieve beslissing grondrechten raakt binnen het toepassingsgebied van het EU-recht. Burgers moeten duidelijke informatie krijgen over de procedure, de bevoegde overheid, de vereiste documenten en de verwachte behandelingstermijn. Zij moeten een redelijke mogelijkheid krijgen om relevante informatie te verstrekken en te reageren voordat een voor hen nadelige beslissing wordt genomen. Overheden moeten de juridische en feitelijke grondslag van hun beslissingen toelichten en burgers informeren over de mogelijkheden tot herziening of beroep. Procedures moeten ook toegankelijk zijn. Dat betekent toegankelijkheid voor personen met een handicap, oudere burgers, mensen met beperkte digitale vaardigheden, personen die de administratieve taal niet begrijpen en burgers die buiten hun eigen land met overheden te maken krijgen. Dat kunnen technische aangelegenheden lijken, maar ze bepalen vaak of een recht überhaupt kan worden uitgeoefend. Iemand die geen gebruik kan maken van een verplicht digitaal platform, kan van een openbare dienst worden uitgesloten. Wie een ongemotiveerde beslissing ontvangt, kan moeilijk beoordelen of de overheid rechtmatig heeft gehandeld. Een burger die niet over een beroepstermijn wordt geïnformeerd, kan de mogelijkheid verliezen om een foutieve beslissing aan te vechten.Procedurele billijkheid staat niet los van de bescherming van grondrechten. Ze is een van de voorwaarden die ervoor zorgen dat die bescherming werkelijk bestaat.
Rapportering die onderzoekt wat er na een schending gebeurt
Het tweede onderdeel van mijn voorstel is een jaarlijkse rapporteringscyclus waarin lidstaten informatie verstrekken over de praktische toepassing van grondrechten. Dat moet verder gaan dan algemene verklaringen dat regeringen de Europese waarden eerbiedigen. De rapporten moeten terugkerende administratieve tekortkomingen, ontoegankelijke procedures, buitensporige vertragingen, gebrekkige klachtensystemen en gevallen waarin rechterlijke uitspraken of officiële aanbevelingen niet werden uitgevoerd, in kaart brengen. Ze moeten ook succesvolle hervormingen benoemen. Wanneer een lidstaat een toegankelijkere openbare dienst, een duidelijkere besluitvormingsprocedure of een doeltreffend klachtenmechanisme ontwikkelt, moeten andere administraties van die ervaring kunnen leren.Het rapporteringsproces kan gebaseerd zijn op informatie van nationale overheden, rechtbanken, ombudsdiensten, gelijkheidsorganen, gegevensbeschermingsautoriteiten en middenveldorganisaties. Van doorslaggevend belang is dat ook wordt aangetoond wat er gebeurde nadat een probleem werd vastgesteld. Werd de procedure aangepast? Kregen ambtenaren bijkomende opleiding? Werd een vergoeding toegekend? Werd het vonnis uitgevoerd? Werden de betrokken burgers geïnformeerd? Rapportering zonder opvolging dreigt opnieuw een administratieve oefening te worden. Het doel moet verantwoording en meetbare verbetering zijn.
Een scorebord met context, geen rangschikking
Het derde onderdeel is een vergelijkend scorebord voor alle EU-lidstaten. De Unie maakt in verschillende beleidsdomeinen al gebruik van scoreborden en benchmarking. Een scorebord voor grondrechten zou verschillen in praktische bescherming duidelijker zichtbaar kunnen maken voor burgers, journalisten, beleidsmakers en het middenveld. Zo’n instrument moet zorgvuldig worden ontworpen. Grondrechten kunnen niet tot één cijfer worden herleid. Een land dat veel schendingen rapporteert, kan ernstige structurele problemen hebben, maar kan tegelijk over toegankelijke klachtenprocedures en onafhankelijke instellingen beschikken die tekortkomingen transparant documenteren. Een land dat zeer weinig schendingen meldt, kan een uitstekende bescherming bieden, maar het kan ook zijn dat burgers op hindernissen stuiten wanneer zij een klacht proberen in te dienen. Elk scorebord zou daarom zowel kwantitatieve als kwalitatieve indicatoren moeten bevatten. Daarbij kan worden gedacht aan de toegankelijkheid van klachtenprocedures, de duur van administratieve herzieningen, de naleving van rechterlijke uitspraken, de onafhankelijkheid van toezichthoudende instanties en de beschikbaarheid van doeltreffende rechtsmiddelen.Het doel mag niet zijn om een simplistische rangschikking van goede en slechte lidstaten te maken. Het moet gaan om het vaststellen van zwakke punten, het erkennen van vooruitgang, het stimuleren van hervormingen en het bieden van meer duidelijkheid aan burgers over de manier waarop hun rechten worden beschermd.
Schendingen voorkomen voordat ze plaatsvinden
Het vierde onderdeel is een administratieve toolkit voor overheden. De toetsing aan grondrechten mag niet pas beginnen nadat een klacht werd ingediend of een rechtbank een schending heeft vastgesteld. Ze moet worden geïntegreerd in het ontwerp van wetgeving, beleid, openbare diensten, digitale systemen en administratieve procedures. Een Europese toolkit kan praktische controlelijsten, toegankelijkheidsnormen, beoordelingsmethoden, richtsnoeren voor behoorlijk gemotiveerde beslissingen en voorbeelden uit de Europese rechtspraak bevatten. Veel tekortkomingen ontstaan niet omdat een ambtenaar bewust beslist de rechten van een burger te schenden. Ze kunnen het gevolg zijn van verouderde procedures, ontoegankelijke technologie, onduidelijke verantwoordelijkheden, gebrekkige opleiding of slechte samenwerking tussen overheden. Een praktische toolkit kan dergelijke problemen voorkomen en ambtenaren ondersteunen die rechtmatig willen handelen maar niet altijd over duidelijke richtlijnen beschikken. Dat is geen bureaucratie omwille van de bureaucratie. Het is preventief bestuur.
Het Parlement erkende zowel het probleem als de juridische grenzen
Op 24 juni 2026 ontving ik het formele antwoord van Bogdan Rzońca, voorzitter van de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement. De commissie verklaarde verzoekschrift 2599/2025 ontvankelijk omdat het betrekking had op een kwestie die binnen de werkterreinen van de Europese Unie valt. Zij stuurde het verzoekschrift ook door naar de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Parlement. Dat betekende niet dat een van beide commissies het voorstel had goedgekeurd of zich ertoe had verbonden wetgeving voor te bereiden. Het betekende wel dat de kwestie formeel werd onderzocht en doorgestuurd naar parlementaire commissies die rechtstreeks bevoegd zijn voor recht, justitie, burgerlijke vrijheden en grondrechten. Het antwoord zette ook de juridische beperkingen van het optreden van de EU uiteen. Op grond van het bevoegdheidsbeginsel in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie mag de EU alleen handelen binnen de bevoegdheden die de lidstaten haar hebben toegekend. De organisatie van nationale administratieve procedures en openbare diensten blijft in de eerste plaats een nationale verantwoordelijkheid. De Unie beschikt niet over een algemene bevoegdheid om elk onderdeel van het nationale bestuursrecht te harmoniseren. Het antwoord wees er verder op dat de lidstaten gebonden zijn aan het Handvest van de grondrechten wanneer zij EU-recht uitvoeren. Het Handvest is niet automatisch van toepassing op elke zuiver nationale administratieve maatregel. Die beperkingen zijn belangrijk. Mijn verzoekschrift ging niet uit van de veronderstelling dat Brussel elke nationale administratieve procedure kan of moet controleren .Maar het ontbreken van een algemene harmonisatiebevoegdheid maakt Europees optreden niet onmogelijk.
De ruimte die het antwoord van het Parlement laat
Het Parlement verwees naar bestaande instrumenten, zoals het jaarlijkse rechtsstaatrapport van de Europese Commissie en haar jaarlijkse verslag over de toepassing van het Handvest van de grondrechten. Die instrumenten leveren al een belangrijke bijdrage. Ze zouden echter meer aandacht kunnen besteden aan de praktische ervaringen van burgers met overheden: of procedures begrijpelijk zijn, beslissingen behoorlijk worden gemotiveerd, rechtsmiddelen toegankelijk zijn en overheden vastgestelde tekortkomingen daadwerkelijk rechtzetten. In het antwoord van het Parlement stond ook dat de Commissie gebruik kan maken van aanbevelingen, benchmarking en scoreborden, op voorwaarde dat die de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid respecteren. Dat biedt een belangrijke opening. De Commissie kan richtsnoeren, vergelijkende beoordelingen, vrijwillige instrumenten of een zorgvuldig ontworpen scorebord ontwikkelen zonder nationale wetgeving te vervangen. Zij kan overheden helpen om procedures te verbeteren en tegelijk de constitutionele autonomie van de lidstaten respecteren. De Commissie verzoekschriften besliste uiteindelijk om mijn verzoekschrift niet verder te behandelen. Het dossier werd formeel afgesloten. Het Europees Parlement nam het voorgestelde kader niet aan en kondigde geen nieuwe wetgeving aan. Maar het verzoekschrift werd niet als onontvankelijk afgewezen. Het werd onderzocht, ontvankelijk verklaard en doorgestuurd naar twee bevoegde parlementaire commissies. Het antwoord bevestigde bovendien dat aanbevelingen, benchmarking en scoreborden binnen de grenzen van het EU-recht mogelijk blijven. De procedure is beëindigd. De beleidsvraag is dat niet.
Europees burgerschap moet in de praktijk worden ervaren
De Europese Unie kan het vertrouwen van haar burgers niet behouden door alleen naar verdragen en institutionele verklaringen te verwijzen. Burgers beoordelen de Unie en haar lidstaten op basis van wat er gebeurt wanneer zij een openbare dienst aanvragen, informatie opvragen, een administratieve beslissing aanvechten of een rechtsmiddel zoeken. Zij merken of een overheid binnen een redelijke termijn antwoordt. Zij merken of een beslissing begrijpelijk is en of hun persoonlijke omstandigheden in aanmerking werden genomen. Zij merken of een fout werkelijk kan worden rechtgezet. Dat is bijzonder belangrijk in een Unie waarin burgers grenzen oversteken om te werken, te studeren, een onderneming te leiden, gezondheidszorg te ontvangen of met pensioen te gaan. Zij kunnen op kwetsbare momenten in hun juridische, financiële of persoonlijke situatie met onbekende overheden te maken krijgen. Zij mogen geen zwakkere procedurele bescherming krijgen alleen omdat de verantwoordelijke overheid zich in een andere lidstaat bevindt.Consistentie vereist geen identieke instellingen of procedures. Ze vereist een herkenbaar minimumniveau van billijkheid, transparantie en toegankelijkheid overal waar EU-recht van toepassing is.Het recht om een verzoekschrift in te dienen, stelde mij als individuele burger en niet als verkozen vertegenwoordiger in staat om deze vraag formeel aan het Europees Parlement voor te leggen. Het resultaat was geen onmiddellijke wetgeving, maar wel parlementaire toetsing, een institutioneel antwoord en een duidelijke uiteenzetting van wat de Unie nog kan doen.Daarom is het petitierecht belangrijk. Democratie beperkt zich niet tot om de paar jaar stemmen. Ze hangt er ook van af of burgers weten hoe zij de institutionele kanalen tussen verkiezingen in kunnen gebruiken.Europa heeft zijn grondrechten al vastgelegd. De volgende opdracht is ervoor te zorgen dat burgers ze in de praktijk kunnen herkennen, gebruiken en verdedigen.
Andy Vermaut


