Pensioenstelsel onder vuur: wie betaalt de prijs van de hervorming?

De afgelopen jaren zijn beleidsmakers, experten en politici het er steeds meer over eens: de huidige pensioenstelsels in België staan onder zware druk. In vergelijking met de rest van Europa zal onze pensioenfactuur in de nabije en verdere toekomst maar liefst méér dan zes keer harder stijgen. Terwijl de kosten in de Europese Unie gemiddeld met 0,4 procent van het bbp toenemen tegen 2070, groeit de pensioenfactuur in België met 2,5 procent. Dat is op termijn onhoudbaar, niet in het minst omdat onze werkgelegenheidsgraad onder het Europees gemiddelde ligt en omdat onze pensioenen niet altijd even stevig gebaseerd zijn op effectief gewerkte jaren.
De cruciale boodschap is helder: we worden met z’n allen ouder, maar blijven niet in hetzelfde tempo langer werken. De regering-De Wever neemt nu – mede onder druk van Europa – een reeks maatregelen om deze scheefgroei te counteren. De hervorming heeft als doel mensen langer aan het werk te houden, historische gunstregimes af te bouwen en de band tussen effectief werken en pensioenrechten te versterken. Op het eerste gezicht lijkt dat logisch: “vergrijzing” is geen modewoord of tijdelijke hype, maar een realiteit waar we elke dag mee geconfronteerd worden. Toch roept de voorgestelde hervorming ook heel wat vragen op. Is dit de beste manier om onze pensioenen te redden? Worden de lasten correct verdeeld? En hoe zorgen we ervoor dat wie nu al dicht bij zijn pensioen staat, niet plots in de kou blijft staan?
De stijgende pensioenfactuur: waarom België uit de pas loopt
Wie de situatie in België vergelijkt met die in andere Europese landen, ziet dat ons land een dubbele uitdaging heeft. Enerzijds vergrijst onze bevolking even snel of zelfs iets sneller dan het Europese gemiddelde. Anderzijds hebben wij op dit moment een te lage werkgelegenheidsgraad. Een groot deel van de beroepsbevolking is niet actief aan het werk, maar bouwt (op basis van gelijkgestelde periodes) wél pensioenrechten op. Dat is geen ongebruikelijk systeem: gelijkgestelde periodes (brugpensioen, langdurige werkloosheid, ziekteperiodes, zorgverloven enzovoort) worden in veel landen gedeeltelijk of volledig meeteld. Maar in België is de kloof tussen werkenden en niet-werkenden intussen zo groot geworden, dat de financiële draagkracht van ons pensioenstelsel in het gedrang komt.
Bovendien worden de lonen en de pensioenen bij de overheid op een andere manier berekend en geïndexeerd (met bijvoorbeeld de perequatie voor ambtenaren). Ook dat draagt bij aan de hogere pensioenfactuur. Tel daar nog een gecompliceerd kluwen van uitzonderingsregimes bij op – militairen, spoorwegpersoneel, politie, onderwijzend personeel – en het resultaat is een systeem dat aan alle kanten begint te kraken.
De nieuwe pensioenmaatregelen: een overzicht
De regering-De Wever wil een omvattend en ingrijpend plan uitrollen waarmee ze vooral inzet op langer werken en een eerlijkere berekening van de pensioenrechten. Hier volgt een beknopt overzicht van de belangrijkste voorstellen:
- Pensioenmalus en -bonus
- De pensioenmalus wordt vanaf 2026 ingevoerd. Wie vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd stopt – zonder een carrière van 35 jaar met minstens 156 gewerkte dagen per jaar – krijgt een percentuele korting op zijn pensioen. Die korting stijgt geleidelijk tot 5 procent in 2040.
- Symmetrisch komt er ook een pensioenbonus voor wie langer werkt dan de wettelijke pensioenleeftijd. De bonus kan oplopen tot 5 procent, afhankelijk van het jaar van uitkering.
- Gelijkgestelde periodes
- Voortaan tellen minder periodes waarin men niet daadwerkelijk werkt, toch mee als ‘gewerkte tijd’ voor de pensioenberekening. Ziekte, zwangerschaps- en ouderschapsverlof én zorgverloven blijven wel behouden.
- Langdurige werkloosheid, brugpensioen (SWT) en landingsbanen tellen minder of niet meer mee. De betrokken werknemers worden in sommige gevallen met een fictief loon gelijkgesteld, wat de opgebouwde pensioenrechten verlaagt.
- Vervroegd pensioen bij lange loopbaan
- Wie 42 jaar gewerkt heeft (minstens 234 dagen per jaar) kan al op zijn 60ste stoppen. Dat is dus haalbaar voor wie op 18-jarige leeftijd startte.
- Overgangsuitkering voor weduwen
- Het overlevingspensioen wordt vervangen door een overgangsuitkering van maximaal 2 jaar, die cumuleerbaar is met andere inkomsten.
- Gezinspensioen
- Het gezinspensioen voor werknemers en zelfstandigen wordt op middellange termijn afgebouwd.
- Tweede pensioenpijler
- Deze zou universeel worden ingevoerd: ook voor contractuele ambtenaren komt er een tweede pijler, of wordt het minimale bijdragepercentage verplicht op 3 procent gebracht.
- Opgetrokken pensioenleeftijd voor militairen en NMBS-personeel
- Van 56 (militairen) en 55 (NMBS) naar de wettelijke pensioenleeftijd, met een jaarlijkse verhoging en eventueel recht op vervroegd pensioen. Bij militairen wordt rekening gehouden met operationele missies.
- Een uniforme loopbaan van 45 jaar
- Voor alle beroepscategorieën – ook onderwijs, waar een jaar nu voor 1,05 telt – vervalt die gunstige berekening geleidelijk tegen 2027.
- NAVAP-regeling voor politie
- De mogelijkheid voor politieagenten om vanaf 59 jaar vervroegd met pensioen te gaan, wordt op termijn afgeschaft.
- Ziektepensioen en ziektedagen opsparen
- Het ziektepensioen voor statutaire ambtenaren verdwijnt vanaf 2026, net als de mogelijkheid om ongebruikte ziektedagen te cumuleren.
- Gelijkgeschakelde berekening van ambtenarenpensioenen
- Tegen 2062 moet de berekening van ambtenarenpensioenen gelijklopen met die in de privésector. In de privésector wordt het pensioen gebaseerd op het loon tijdens de hele carrière, bij ambtenaren op de laatste 10 jaar. Dat relatief gunstige systeem verdwijnt.
- Perequatie
- Vanaf 2026 wordt ook de perequatie (automatische verhoging van pensioen bij loonsverhoging van actieve ambtenaren) afgeschaft.
- Flexibiliteit rond pensioenleeftijd
- Ambtenaren mogen doorwerken als zij dat willen; de verplichte pensioenleeftijd wordt geschrapt.
- Overgangsmaatregelen
- Wie in 2025 al 60 jaar of ouder is, moet maximaal 1 jaar langer werken. Wie 59 jaar is, maximaal 2 jaar.
- Solidariteitsbijdrage op pensioenkapitaal
- Er komt een hogere bijdrage voor wie meer dan 150.000 euro aan pensioenkapitaal uitbetaald krijgt.
Waarom deze maatregelen niet uit de lucht vallen
Het mag duidelijk zijn dat de vergrijzing niet plotsklaps is ontstaan. Demografen en economen roepen al decennia op tot structurele hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenstelsels. In de voorbije coalities is daar af en toe aan gesleuteld, maar nooit grondig genoeg om onze snel stijgende pensioenfactuur écht bij te sturen. De regering-De Wever pakt nu de koe bij de horens: of men het nu waardeert of niet, het plan om de ongelijke behandeling tussen het ambtenaren- en werknemersstelsel te beperken, en om sommige gunstregimes af te schaffen, is financieel gezien verdedigbaar.Toch mag men niet blind zijn voor de sociale impact. Mensen die jarenlang op brugpensioen of een landingsbaan rekenden, moeten zich plots aanpassen aan de nieuwe realiteit. Zeker voor wie een fysiek of mentaal belastende job heeft (denk aan zorg- of veiligheidsdiensten) is het geen gemakkelijke boodschap dat men misschien langer moet doorwerken. De overgangsmaatregelen moeten daarom robuust genoeg zijn om te voorkomen dat mensen zich bekocht voelen of in de problemen komen.Een belangrijk argument vóór deze hervormingen is dat er voortaan een stevigere link wordt gelegd tussen effectief gewerkte perioden en de opbouw van pensioenrechten. Dat kan zowel eerlijker als stimulerender werken voor wie wil én kan blijven doorwerken. Tegelijk is de focus op langer werken een soms onpopulaire maar – met het oog op de financiële houdbaarheid van het systeem – noodzakelijke maatregel. Een pensioen dat solide gefinancierd is, biedt immers op lange termijn meer garantie op welvaart na de loopbaan.
De hamvraag: is dit sociaal rechtvaardig?
Critici van de hervorming vrezen dat de geplande maatregelen minder draagkrachtige of kwetsbare groepen zullen treffen. Mensen met een laag loon, of mensen die onvrijwillig werkloos waren, zullen moeilijker voldoende pensioenrechten opbouwen, zeker als sommige gelijkgestelde periodes wegvallen. Het is de vraag hoe de regering-De Wever – in nauwe samenwerking met de sociale partners – ervoor zorgt dat niemand door de mazen van het net valt.Daarnaast zijn er vragen bij de ambtenarenpensioenen. Het is waar dat het huidige systeem op lange termijn te zwaar drukt op de overheidskas. Toch moeten we niet uit het oog verliezen dat een lager ambtenarenpensioen op termijn misschien minder aantrekkelijk is, en daardoor de job van ambtenaar minder populair kan maken. Terwijl de overheid net nood heeft aan goed opgeleid en gemotiveerd personeel. De belofte dat ambtenaren vanaf de volledige gelijkstelling in 2062 eindelijk recht krijgen op een volwaardige tweede pensioenpijler, kan een compensatie zijn, maar zal voor velen nog ver in de toekomst liggen.Het afbouwen van de perequatie en het gelijktrekken van de pensioenberekening met die in de privésector, is in essentie een correctie van een historisch gegroeid privilege. Tegelijk mag men ook niet vergeten dat de sfeer rond overheidsjobs grondig is veranderd: ambtenarenstatuten zijn flexibeler geworden, contractuele ambtenaren nemen in aantal toe, en de zekerheid van een vaste betrekking voor het leven is lang niet meer zo absoluut als vroeger. Het is daarom logisch dat dit ook weerklank vindt in de financiële structuur van de pensioenen.
Overgangsperiodes en verworven rechten: hoe bewaak je het vertrouwen?
Regering-De Wever benadrukt dat ze voldoende overgangstijd voorziet en dat verworven rechten niet zomaar worden geschrapt. Zo is er voor wie nu bijna met (vervroegd) pensioen wil, een beperkte stijging van de pensioenleeftijd. Ook in de geleidelijke afbouw van gunstregimes (zoals voor militairen, spoorpersoneel en politie) wordt een overgangsschema voorzien. Toch zijn hervormingen onvermijdelijk pijnlijk wanneer ze diep in iemands carrièreplanning snijden. Een goede communicatie is hier cruciaal. Grote pensioenhervormingen kunnen leiden tot onzekerheid en onbegrip bij de bevolking: men hoort in de media vaak alleen de meest radicale of controversiële aspecten. Het is aan de regering en de sociale partners om de modale burger helder uit te leggen wat er verandert, waarom dat gebeurt, en hoe men zich kan aanpassen.
zal dit volstaan?
Zelfs met deze hervormingen blijft de financiële uitdaging aanzienlijk. Of deze maatregelen de stijging van de pensioenfactuur effectief binnen de perken zullen houden, blijft koffiedik kijken. We staan voor een economische realiteit waarin digitalisering, robotisering en internationale concurrentie vragen om een flexibele en welopgeleide beroepsbevolking. Het is dus niet enkel een kwestie van het stelsel van pensioenberekening te wijzigen; ook de arbeidsmarkt zelf moet aantrekkelijker, inclusiever en toegankelijker worden, zodat meer mensen de kans krijgen hun loopbaan te verlengen of soepel aan te passen.
Daarnaast is er de vraag of deze hervorming voldoende oog heeft voor de mentale en fysieke gezondheid van werkenden. Langer werken kan alleen als werknemers gezond en met de juiste ondersteuning (her)ingezet worden. Investeren in continue vorming, loopbaanbegeleiding en re-integratietrajecten voor wie uitvalt, zijn noodzakelijke randvoorwaarden om deze hervorming te laten slagen.
een moeilijke hervorming
De hervorming van de pensioenen onder de regering-De Wever is zonder twijfel ambitieus. Ze schaaft privileges af en trekt bestaande stelsels recht, met als voornaamste doel de stijgende pensioenfactuur af te remmen en langer werken te stimuleren. Dit is geen gemakkelijke opgave, want de maatregelen snijden diep in de manier waarop generaties Belgen hun loopbaan en pensioen hebben gepland. Toch is de rode draad van deze hervorming duidelijk: we leven langer, dus moeten we ons pensioenstelsel aan de nieuwe levensverwachting én economische realiteit aanpassen. Dat vraagt solidariteit, heldere communicatie en rechtvaardige flankerende maatregelen. Cruciaal wordt nu hoe de regering de ingevoerde maatregelen in de praktijk uitwerkt, en hoe ze de sociale partners, werkgevers en werknemers meekrijgt in het verhaal.Als de overheid erin slaagt om deze hervormingen te koppelen aan voldoende ondersteuning op de arbeidsmarkt, kan dit een stap zijn naar een duurzaam en betaalbaar pensioenstelsel voor huidige en toekomstige generaties. Maar als men de complexiteit onderschat en de communicatie verslonst, dreigt een vertrouwensbreuk die net het omgekeerde effect heeft: onvrede, een dalende bereidheid tot langer werken en een pensioenbom die alsnog onverminderd tikt. Het is dus nu of nooit: onze pensioenen zijn geen tijdelijke kostenpost, maar de belofte van een waardige oude dag voor ieder van ons – een belofte die absoluut waargemaakt moet blijven.


