Vijfentwintig jaar Joodse studies in Antwerpen: Vivian Liska draagt haar levenswerk over

14 oktober 2026
Het Instituut voor Joodse Studies van de Universiteit Antwerpen viert zijn vijfentwintigste verjaardag met een tweedaagse conferentie over de overdracht van kennis tussen generaties. Op woensdag 14 oktober 2026 kwamen onderzoekers samen in het Klooster van de Grauwzusters, aan de Lange Sint-Annastraat 7 in Antwerpen. Indegazette.be was ter plaatse voor de gesprekken en de viering van een instituut dat sinds 2001 bijna vijfhonderd openbare lezingen en ongeveer honderd conferenties, workshops en symposia organiseerde. Oprichtend directeur Vivian Liska draagt de leiding over aan Theodor Dunkelgrün. Haar terugblik ging over de mensen die het instituut hebben opgebouwd, de vrijheid om onderzoek te doen en de vraag wat een volgende generatie met een intellectuele erfenis zal doen.
Een begin dat niet vanzelf sprak
Toen Vivian Liska vijfentwintig jaar geleden werd gevraagd een instituut voor Joodse studies op te richten, reageerde ze aanvankelijk afwijzend. Ze was pas professor geworden, had vier jonge kinderen en betwijfelde of er aan de universiteit en in de regio voldoende belangstelling bestond om een dergelijke instelling te dragen. Er waren voordien enkele lezingen geweest, georganiseerd door het toenmalige Martin Buber Instituut in Brussel, maar een eigen Antwerpse werking moest nog worden opgebouwd. Baron Julien Klener bleef aandringen. Hij nam haar mee naar een gesprek met de onderwijsautoriteiten in Brussel, waar jaarlijkse financiële ondersteuning werd aangeboden. Liska vertelde met humor hoe Klener haar onder tafel een aansporing gaf om toch toe te stemmen. Achter die herinnering zat een zakelijke werkelijkheid: een idee kon pas een instelling worden zodra mensen bereid waren verantwoordelijkheid te nemen en er middelen beschikbaar kwamen.
Van een gesprek in Beër Sjeva naar een instituut in Antwerpen
De gedachte aan een Antwerps instituut was al eerder geopperd. Op 22 mei 1996, tijdens een conferentie aan de Ben-Gurion Universiteit van de Negev in Beër Sjeva over de laatste fase van de literatuur van Holocaustoverlevenden, hadden onder anderen Mark Gelber, Alvin Rosenfeld en Geoffrey Hartman Liska aangemoedigd om die stap te zetten. Gelber en Rosenfeld stonden nu opnieuw op het programma van de jubileumconferentie. Hartman, inmiddels overleden, kreeg een plaats in haar herinnering aan het ontstaan van het project. Voor Liska kwamen verschillende tijdslijnen samen: dertig jaar geleden verdedigde ze haar proefschrift aan de Antwerpse universiteit, vijfentwintig jaar geleden begon het instituut en nu geeft ze de leiding door. Wat in 1996 nog nauwelijks als een uitvoerbaar plan werd ervaren, kreeg enkele jaren later een bestuur, een programma en een publiek.
Vier vakgebieden aan de eerste bestuurstafel
Liska maakte duidelijk dat ze de oprichting niet alleen had kunnen dragen. Vier collega’s uit verschillende afdelingen van de faculteit namen plaats in het eerste bestuur: Herman Van Goethem vanuit geschiedenis, Geert Lernout vanuit literatuur, Joachim Leilich vanuit filosofie en Johan van der Auwera vanuit taalkunde. Die samenstelling gaf het instituut vanaf het begin een werkterrein dat zich niet tot één discipline beperkte. Joodse teksten konden worden gelezen als literatuur, religieuze tradities konden filosofisch worden onderzocht en historische gebeurtenissen konden naast taal en cultuur worden bestudeerd. De dagelijkse voorbereiding was in die eerste periode nog bescheiden. Liska herinnerde zich hoe ze met student Eric Caers telefoonnummers verzamelde uit adresboeken en gegevens van organisaties die mogelijk belangstelling hadden voor de eerste lezing.
De eerste lezing bracht een beladen verleden de aula binnen
Op 11 oktober 2001 opende het instituut zijn deuren met een lezing van Herman Van Goethem over de medewerking van het Vlaamse establishment aan de deportatie van de Antwerpse Joden. Voor de bijeenkomst in de grote aula op de benedenverdieping van het R-gebouw waren bijna driehonderd inschrijvingen binnengekomen. Liska herinnerde zich dat in de zaal zowel families van slachtoffers als families van daders aanwezig waren. De spanning was voelbaar. De geschiedenis waarover werd gesproken, raakte aan familieverhalen en aan vragen over verantwoordelijkheid die niet voor iedere aanwezige dezelfde waren. Die eerste avond werd in haar terugblik een vertrekpunt voor de werkwijze van het instituut: mensen met uiteenlopende, soms tegengestelde opvattingen samen laten luisteren naar onderzoek en hen ruimte geven om met elkaar in gesprek te gaan.
Vijfentwintig jaar in lezingen, onderwijs en boeken
Liska gaf tijdens de viering enkele cijfers over de werking. Het instituut ontving in vijfentwintig jaar ruim duizend internationale gastsprekers met verschillende religieuze, politieke en wetenschappelijke achtergronden. Het organiseerde bijna vijfhonderd openbare lezingen en ongeveer honderd conferenties, workshops en symposia. Honderden studenten volgden onderwijs in Jiddisch, Hebreeuws, Joodse filosofie, Duits-Joodse en Frans-Joodse literatuur en de inleiding tot het jodendom. Er kwamen twaalf proefschriften tot stand. Onderzoekers verbleven in Antwerpen voor hun werk en het instituut organiseerde intensieve studiebijeenkomsten voor studenten en academici. In de reeks Perspectives on Jewish Texts and Contexts bij De Gruyter/Brill verschenen ruim dertig boekdelen. De cijfers kregen in haar rede geen afzonderlijk bestaan: ze verwezen telkens naar docenten, studenten, medewerkers en partners die het werk hadden uitgevoerd.
Antwerpen als werkplek voor internationale samenwerking
De contacten reikten van afdelingen binnen de Universiteit Antwerpen tot andere Belgische universiteiten en onderzoeksinstellingen in het buitenland. Liska noemde het Katz Center en David Ruderman, die als directeur bij de ontwikkeling van het Antwerpse instituut betrokken was. Met Leora Batnitzky van Princeton en Ilana Pardes van de Hebreeuwse Universiteit richtte ze het Center for Bible, Culture and Modernity op. Een recenter initiatief is het Network for European Philosophy and the Jewish Tradition, dat ze met Arthur Cools en Willem Styfhals oprichtte. In haar rede sprak ze over een netwerk dat inmiddels ruim tweehonderdvijftig leden telt. Die samenwerkingen maakten van het instituut een plaats waar onderzoekers elkaar niet uitsluitend voor een lezing ontmoetten, maar ook langer aan teksten, boeken en onderwijsprojecten werkten.
Waarom de verjaardag over overdracht gaat
De conferentie draagt de titel Intergenerational Transmission in Jewish Studies. De keuze voor overdracht als onderwerp sloot rechtstreeks aan bij de wisseling van directeur. Ervaren onderzoekers gingen in gesprek met een onderzoeker uit hun vakgebied over wat zij hebben ontvangen, wat zij doorgeven en waar zij van hun leermeesters afwijken. De opzet liet ruimte voor dankbaarheid en voor onenigheid. Een student neemt een methode over, maar kan die later anders gebruiken. Een opvolger ontvangt verantwoordelijkheid, maar moet zelf beslissingen nemen. Een tekst blijft beschikbaar, terwijl de vragen waarmee een volgende generatie hem leest veranderen. Liska legde uit dat ze het afscheid van een bestuursperiode wilde benaderen als een begin voor het instituut. De verjaardag werd zo een aanleiding om te spreken over het werk dat na deze overdracht verdergaat.
Een programma van filosofie tot beeldende kunst
Het onthaal op woensdag 14 oktober was voorzien om 12.00 uur, met een verwelkoming door Vivian Liska. Om 12.30 uur stond het Duits-Joodse denken centraal in een gesprek tussen Benjamin Pollock en Dana Rubinstein, gemodereerd door Dennis Baert. Om 13.15 uur waren Moshe Halbertal en Omer Michaelis geprogrammeerd voor Talmoed en Joodse filosofie. Willem Styfhals stond voor die sessie als moderator vermeld; Dennis Baert nam bij de aanvang de inleiding over omdat de voorziene moderator nog niet aanwezig was. Na de koffiepauze volgde om 14.30 uur Holocaust en antisemitisme, met Alvin H. Rosenfeld en Flora Cassen en Veerle Vanden Daelen als moderator. Om 15.15 uur stonden Mark H. Gelber en Andree Michaelis-König geprogrammeerd voor Duits-Joodse literatuur, onder leiding van Thomas Ernst. De sessie over Jiddisch bracht om 16.30 uur Itzchok Niborski en Ethel Niborski samen, met Paul Gybels als moderator. Om 17.15 uur volgden Ilana Pardes en Yosefa Raz over Bijbel en literatuur, gemodereerd door Asif Rahamim. Richard I. Cohen en Mirjam Rajner sloten het inhoudelijke dagprogramma vanaf 18.00 uur af met kunstgeschiedenis, onder leiding van Timothy De Paepe.
De mantel van Elia en de verantwoordelijkheid van een opvolger
In het gesprek over Duits-Joods denken kreeg de overdracht van kennis een Bijbelse vorm. Dana Rubinstein werkte met het verhaal van Elia en Elisa, waarin Elisa vraagt om een dubbel aandeel in de geest van zijn leermeester. Wat betekent zo’n verzoek? Wil de leerling zijn meester overtreffen, of vraagt hij om de positie van eerste erfgenaam onder diens leerlingen? Rubinstein besprak hoe Martin Buber die passage las en hoe de vertaling samenhing met zijn samenwerking met Franz Rosenzweig. De mantel die Elia achterlaat, werd een beeld voor wat een opvolger ontvangt. De leerling kan de taak voortzetten, maar de overdracht wist het verlies van de voorganger niet uit. Het verhaal bevat zowel een voortzetting als een breuk. Voor een vakgebied waarvan zoveel levens en loopbanen door vervolging zijn afgebroken, kreeg die lezing een historische lading.
Wanneer een leerling de methode van zijn leermeester verder doorvoert
De samenwerking tussen Buber en Rosenzweig maakte ook zichtbaar dat een leerling een methode soms strikter toepast dan degene van wie hij haar heeft geleerd. Buber hechtte bij het vertalen van de Bijbel aandacht aan terugkerende woorden: de lezer moest de samenhang tussen passages ook in het Duits kunnen herkennen. Rosenzweig nam dat uitgangspunt over en drong volgens Rubinsteins bespreking soms op een consequente toepassing aan waar Buber zelf terughoudender was. De verhouding tussen leermeester en leerling werd daardoor geen eenvoudige rangorde. De methode keerde terug naar haar bedenker in een vorm die hem tot reactie dwong. In het gesprek met Benjamin Pollock en Dennis Baert kwam vervolgens de vraag aan bod of academische autoriteit wel iets is dat een onderzoeker als bezit kan doorgeven. Kennisoverdracht staat immers in dienst van een onderzoeksvraag en van een streven naar waarheid dat geen van de betrokkenen alleen toebehoort.
De kleindochter van vier Holocaustoverlevenden leest verder
Rubinstein plaatste haar werk ook in haar eigen familiegeschiedenis. Ze groeide op in Duitsland als kleindochter van vier Holocaustoverlevenden. Haar belangstelling voor Duits-Joodse denkers gaat gepaard met verantwoordelijkheid voor nalatenschappen die door vervolging zijn afgebroken en voor archieven die verspreid zijn geraakt. Ze verwees naar Gershom Scholems pijnlijke oordeel dat de Bijbelvertaling van Buber en Rosenzweig een grafsteen zonder publiek was geworden. Voor haar vormt die uitspraak een aansporing om de teksten opnieuw onder de aandacht te brengen. Dat kan binnen de universiteit, maar ook daarbuiten. Ze sprak over een hedendaags Lehrhaus in Somerville, bij Boston, waar Joodse studie en een sociaal ontmoetingsadres samengaan. De volgende generatie neemt de mantel over, maar bepaalt zelf in welke omgeving ze hem zal dragen.
Zorgen over de uitsluiting van onderzoekers
Tijdens de discussie verdedigde Rubinstein de mogelijkheid om Duits-Joods denken met hedendaagse vragen te lezen. Ze noemde studentenwerk over Buber en artificiële intelligentie en over de verhouding tussen Buber en taoïstisch denken. Haar bezorgdheid richtte zich vooral op de onderzoekers zelf: de mogelijke uitsluiting van Israëlische academici en de polarisering binnen het vakgebied. Ook Liska sprak in haar jubileumrede over druk op samenwerkingen met Israëlische instellingen. Zij omschreef bepaalde beleidsmaatregelen als discriminerend en verdedigde een universiteit waar onderzoek wordt beoordeeld op wetenschappelijke kwaliteit, niet op partijpolitiek of ideologie. Die beoordeling was onderdeel van haar betoog. Ze noemde geen afzonderlijke maatregel of instelling waarop haar kritiek betrekking had. Haar uitgangspunt voor het instituut was wel helder: de relaties die door jarenlang onderzoek zijn opgebouwd, vragen om een academische beoordeling en om ruimte voor gesprek.
Ilana Pardes keert terug naar Antwerpen
Voor Ilana Pardes was de bijeenkomst ook een terugkeer. Vijftien jaar eerder was ze aanwezig geweest bij de conferentie voor de tiende verjaardag van het instituut. Ze vertelde hoe ze sindsdien de Antwerpse werking had zien groeien en hoe haar samenwerking met Liska en Leora Batnitzky rond Bijbel, cultuur en moderniteit daar een plaats had gekregen. In de sessie over Bijbel en literatuur zat ze tegenover Yosefa Raz, die ze in 2005 had ontmoet toen Raz overwoog voor haar doctoraat naar Berkeley te gaan. Pardes raadde haar die stap aan. Een jaar later volgde Raz er haar seminarie over het boek Job en de latere lezingen ervan. Hun contact bleef bestaan en veranderde van begeleiding in een samenwerking waarin beiden elkaars werk lazen, hoofdstukken uitwisselden en nadachten over titels en de vorm van hun publicaties.
De leermeester leert terug
Pardes sprak over de begeleiding van vrouwelijke studenten in een academische wereld waarin vrouwen eeuwenlang nauwelijks als onderzoeker konden werken. De toegang tot de universiteit is veranderd, maar volgens haar blijven er specifieke hindernissen voor vrouwen die een academische loopbaan opbouwen. Haar verhouding met Raz gaf aan dat begeleiding niet bij één richting hoeft te blijven. Naarmate Raz haar eigen onderzoek ontwikkelde, leerde Pardes ook van haar. De vroegere student werd een gesprekspartner die teksten ter discussie kon stellen en nieuwe vragen kon aandragen. Asif Rahamim modereerde de sessie op afstand. Liska stelde hem voor als haar voormalige promovendus, die juist zijn eerste lesdag als professor aan de Hebreeuwse Universiteit had. Ook zijn deelname gaf het onderwerp van de conferentie een concrete vorm: een vroegere student leidde het gesprek tussen onderzoekers van wie hij zelf werk had leren lezen.
Een schip dat Rachel heet
Pardes koos voor haar bijdrage een passage uit Moby-Dick van Herman Melville. Tegen het einde van de roman ontmoet kapitein Ahab het schip Rachel. De kapitein daarvan vraagt hulp bij de zoektocht naar zijn zoon, maar Ahab weigert omdat hij zijn jacht op de witte walvis wil voortzetten. Pardes las de naam van het schip naast de Bijbelse Rachel die in het boek Jeremia om haar kinderen weent en weigert zich te laten troosten. Het verdriet van een moeder krijgt bij Melville een plaats in een wereld die wordt beheerst door mannen, jacht en de wil van een kapitein. In Pardes’ lezing staat de Rachel voor een andere handelwijze: de bereidheid de eigen koers te wijzigen om iemand te helpen. Het schip krijgt zo een politieke en ethische betekenis, zonder dat de roman een eenvoudige oplossing voor het leed aanbiedt.
De redding van één verteller
Aan het einde van Moby-Dick redt de Rachel de overlevende Ishmael. Het schip vindt niet het kind waarvoor het op zoek was, maar neemt iemand anders aan boord. Pardes richtte de aandacht op die beperkte redding. De ondergang van de Pequod wordt niet ongedaan gemaakt en de Rachel kan de ramp niet voorkomen. Er blijft wel iemand leven die het verhaal kan vertellen. De roman eindigt op het punt waar de mogelijkheid tot vertellen opnieuw ontstaat. Pardes zag daarin een vorm van overdracht: het verhaal wordt bewaard doordat een overlevende een stem krijgt. Ze bracht die lezing in verband met Hannah Arendts denken over het menselijk vermogen om iets nieuws te beginnen. Haar eerbetoon aan Liska sloot daar op aan: een instituut oprichten betekent een plaats maken waar anderen kunnen beginnen met lezen, denken en spreken.
Yosefa Raz vraagt wanneer troost te vroeg komt
Yosefa Raz nam Rachels klacht als vertrekpunt voor een vraag die ze uit Pardes’ werk had meegenomen: hoe kan een tekst troost bieden zonder oneerlijk te worden tegenover het verdriet? Ze besprak de passage in Jeremia waarin Rachel eerst weigert zich te laten troosten en daarna de belofte krijgt dat haar kinderen zullen terugkeren. Raz wees op wetenschappelijke lezingen waarin die verzen worden beschouwd als teksten die uit verschillende tradities of perioden kunnen stammen. De klacht van een moeder en de belofte van terugkeer zijn in de bestaande tekst naast elkaar komen te staan. Voor haar roept dat een leesprobleem op: blijft de klacht hoorbaar zodra zij onderdeel wordt van een verhaal over herstel? Troost kan ruimte geven om verder te leven, maar kan ook te snel verlangen dat het verdriet ophoudt.
Rachel in de Israëlische liedcultuur
Raz trok die vraag door naar de moderne omgang met de Bijbelse figuur. Ze besprak een lied van Shmulik Rosen dat na de oorlog van 1967 bekend werd en waarin soldaten als teruggekeerde kinderen Rachel aanspreken. In haar analyse wordt het moederlijke verdriet er opgenomen in een verhaal over nationale terugkeer en militaire overwinning. De woorden die het huilen moeten beëindigen, worden dan uitgesproken door de soldaten. Raz vroeg wat met de klacht gebeurt wanneer zij een bewijs van geslaagde terugkeer moet worden. Haar bespreking bleef niet bij de vraag of een lied hoop biedt. Ze onderzocht welke stemmen hoorbaar blijven en welke door de gewenste afloop naar de achtergrond worden gedrongen. De Bijbelse tekst werd zo gelezen als materiaal dat door latere lezers, dichters en uitvoerders telkens opnieuw een richting krijgt.
Profetie die geen zekerheid belooft
In haar onderzoek gebruikt Raz het begrip zwakke profetie. Het gaat om profetische taal waarin twijfel, mislukking, onderbreking en verlies aanwezig blijven. Een profeet spreekt niet altijd met zekerheid; hij kan ook aarzelen, zwijgen of niet gehoord worden. Raz legde uit hoe zij in Bijbelse teksten en moderne poëzie zoekt naar die momenten. Hoop hoeft in zo’n lezing niet afhankelijk te zijn van een belofte dat alles zal worden hersteld. Ze kan ook bestaan in een tekst die het verlies laat staan en toch ruimte maakt voor een volgende gedachte. Die benadering geeft rouw geen verplichte afloop. Het is een manier van lezen die zich verzet tegen de eis dat ieder leed meteen een les of rechtvaardiging moet krijgen.
Een klas hoeft niet ieder antwoord te leveren
Rahamim bracht de bijdragen terug naar het onderwijs. Hoe kunnen docenten studenten leren omgaan met teksten die verschillende lezingen toelaten en waarin het lijden niet wordt opgelost? Raz sprak over de stilte die in een klas kan ontstaan wanneer een vraag geen onmiddellijk antwoord krijgt. Ook die stilte hoort volgens haar bij het leren. Pardes verzette zich tegen de verwachting dat de Bijbel vooral een boek met duidelijke gedragslessen is. De personages zijn feilbaar en vragen over rechtvaardigheid krijgen niet telkens een sluitend antwoord. Een literaire lezing kan studenten helpen hun vooraf gevormde verwachtingen te toetsen aan wat er daadwerkelijk staat. De overdracht van een tekst bestaat dan ook uit de bereidheid hem opnieuw te lezen, zonder het antwoord al vast te leggen.
Kunstgeschiedenis begint bij aandacht voor het beeld
De afsluitende sessie van de dag bracht Richard I. Cohen en Mirjam Rajner samen. Cohen omschreef zijn werk vanuit de positie van een historicus die met beeldmateriaal werkt. Schilderijen, gebouwen, portretten, museumcollecties en andere objecten kunnen volgens hem gegevens bewaren die geschreven documenten niet op dezelfde manier geven. Ze vertellen iets over smaak, maatschappelijke ambities, religieuze praktijk en de plaats die mensen voor zichzelf opeisten. Hij haalde herinneringen op aan zijn opleiding, waarin het nauwkeurig beschrijven en catalogiseren van objecten een vaste plaats had. Zijn latere werk richtte zich op de vraag hoe zulke beelden kunnen worden opgenomen in de geschiedschrijving. Een afbeelding is in die benadering zelf een historisch document dat aandacht vraagt voor de omstandigheden waarin het werd gemaakt, gebruikt en bekeken.
Verzamelaars, synagogen en de wens om erbij te horen
Cohen besprak onder anderen de Berlijnse kunstverzamelaar en mecenas James Simon. Zijn steun aan musea en archeologische projecten liet zien hoe Joodse verzamelaars deelnamen aan het culturele leven van hun stad en land. Dat betekende niet dat zij zich uitsluitend op Joodse kunst richtten. Hun verzamelingen en schenkingen konden juist een veel ruimer werkterrein hebben. Ook synagogen kwamen aan bod, waaronder die aan de Dohánystraat in Boedapest en de synagoge aan de Rue de la Victoire in Parijs. De bouw van een synagoge is voor Cohen een historische kwestie die verder gaat dan de keuze van een stijl. Er zijn wensen van opdrachtgevers, onderhandelingen met stadsbesturen en beslissingen over zichtbaarheid en plaats in de stad. Een gebouw kan daardoor iets vertellen over de verhouding tussen een Joodse bevolking en de omgeving waarin zij leeft.
Mirjam Rajner volgt de weg van haar leermeesters
Rajner koos een autobiografische benadering. Ze groeide op in het voormalige Joegoslavië, in een familie van Holocaustoverlevenden, met ook herinneringen aan partizanen en vooroorlogs cultureel zionisme. Haar belangstelling voor kunst en haar vragen over Joodse identiteit brachten haar naar de kunstgeschiedenis. Ze studeerde in Belgrado, werkte in het Joods museum van de stad en zette haar opleiding voort in Heidelberg en Jeruzalem. Ze noemde onder anderen Hannelore Künzl, Moshe Zimmermann en Ziva Amishai-Maisels als docenten die haar vorming richting gaven. Via haar leermeesters kwam ze in aanraking met de werkwijzen van Erwin Panofsky en Aby Warburg. Kunstwerken moesten zorgvuldig worden gelezen, met aandacht voor terugkerende motieven, historische omstandigheden en de manieren waarop beelden tussen perioden en plaatsen worden doorgegeven.
Archieven gingen open, haar onderzoek veranderde
Rajner beschreef hoe haar werk veranderde toen rond de val van de Berlijnse Muur archieven en collecties in Oost-Europa toegankelijker werden. Ze kon materiaal bestuderen dat lang buiten bereik had gelegen en kwam in contact met plaatselijke onderzoekers die aan dezelfde onderwerpen werkten. Daardoor ging ze sterker letten op de omgeving waarin Joodse kunstenaars werkten en op hun contacten met niet-Joodse kunstenaars en instellingen. De oorlogen bij het uiteenvallen van Joegoslavië gaven die periode voor haar een andere kant. Haar onderzoek naar kunstenaars uit de regio werd ook een manier om hun levens en werk zorgvuldig te beschrijven tegenover nationalistische vereenvoudiging en de herschrijving van het verleden. De herinnering aan haar eigen opleiding kreeg zo een plaats naast de geschiedenis van het gebied waar ze was opgegroeid.
Vijfendertig jaar gesprek tussen twee onderzoekers
Rajner merkte op dat zij en Cohen niet eenvoudig in de rollen van oudere leermeester en jonge leerling pasten. Hun gesprek loopt al ongeveer vijfendertig jaar. Cohen brengt de vragen van een historicus naar het beeld, Rajner de opleiding en werkwijze van een kunsthistoricus. Hun gezamenlijke onderzoek naar Samuel Hirszenberg kreeg een plaats in de sessie als voorbeeld van die samenwerking. Rajner waarschuwde ook voor een risico wanneer historici vaker met afbeeldingen werken: een beeld mag niet worden behandeld als een passief plaatje bij een betoog dat al vaststaat. Het moet zelf worden onderzocht. Voor de betekenis zijn de maker, de vorm, het onderwerp en de omstandigheden van gebruik nodig. De uitbreiding van het onderzoeksterrein vraagt dus ook om scholing in het lezen van beeldmateriaal.
Timothy De Paepe en het Antwerpse muzikale erfgoed
De sessie werd geleid door Timothy De Paepe, directeur van Museum Vleeshuis. Bij de afsluiting werd zijn langdurige betrokkenheid bij het instituut genoemd, samen met zijn onderzoek naar muzikale cultuur en families van nieuw-christelijke, Portugees-Joodse afkomst in het zeventiende-eeuwse Antwerpen. Ook zijn werk rond componiste Leonora Duarte kwam ter sprake. Het slot van de dag bracht de internationale gesprekken zo terug naar de stad waar de conferentie plaatsvond. De geschiedenis van Joods leven in Antwerpen ligt ook in muziek, gebouwen, familiearchieven en objecten die zorgvuldig moeten worden bestudeerd. De dank aan De Paepe ging gepaard met een toezegging van bereidheid tot verdere samenwerking vanuit het instituut.
Liska blijft betrokken bij onderwijs en onderzoek
De overdracht aan Theodor Dunkelgrün betekent voor Liska geen einde van haar werkzaamheden. Ze vertelde dat ze betrokken wil blijven bij het instituut en het Network for European Philosophy and the Jewish Tradition verder wil uitbouwen. Dat netwerk moet volgens haar plan aangesloten blijven bij het Instituut voor Joodse Studies en de Universiteit Antwerpen. Ze blijft lesgeven in Jeruzalem en bereidt een reeks lezingen in Antwerpen voor over Duits-Joodse literatuur en filosofie. Ook werkt ze aan een boek met de voorlopige titel Radicalism and Restraint: German-Jewish Modernists before the Absolute. In haar beschrijving van dat project stonden de gevaren van extremisme en polarisering, zorgvuldigheid bij het handelen en de bereidheid naar verschillende standpunten te luisteren centraal.
Dank aan de mensen die de werking dragen
In haar dankwoord noemde Liska Herman Van Goethem voor de totstandkoming van een professoraat Joodse geschiedenis tijdens zijn rectoraat. Zij zag die beslissing als een voorwaarde voor de voortzetting van het instituut. Coördinator Jan kreeg dank voor zijn werk gedurende ruim vijftien jaar, in gunstige en moeilijke perioden. Aan haar opvolger Theodor Dunkelgrün sprak ze haar vertrouwen uit. Ze dankte ook haar familie: haar broer en schoonzus Sylvia Liska, haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen en in het bijzonder Charly. De overdracht waarover de conferentie ging, kreeg in dat dankwoord ook een persoonlijke betekenis. Achter lezingen, publicaties en onderwijs staat de tijd die mensen beschikbaar stellen en de steun die het mogelijk maakt dat anderen hun werk blijven doen.
Van een gespannen eerste avond naar samen verder werken
Aan het einde keerde Liska terug naar de eerste bijeenkomst van vijfentwintig jaar geleden. Toen zaten mensen met verschillende achtergronden in een zaal zonder zeker te weten of zij daar samen konden zitten. Nu kwamen mensen met verschillende achtergronden bijeen om samen te denken en te vieren. Het was haar manier om de geschiedenis van het instituut te beschrijven zonder de meningsverschillen weg te schrijven. De conferentie gaat op donderdag 15 oktober verder. Indegazette.be was op de eerste dag aanwezig bij een verjaardag waarop de nalatenschap van het instituut in concrete termen werd besproken: wie krijgt de ruimte om onderzoek te doen, wie leert van wie en hoe blijft een tekst beschikbaar voor lezers die andere vragen stellen?
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en de overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen.
Wil je onze redactie een financieel duwtje in de rug geven? Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten. Ook een terugkerende bijdrage helpt om de verslaggeving te blijven dragen.
Steunen kan via Ko-fi of Buy Me a Coffee.
Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


