Waarom worden er geen brede brandgangen gegraven in de Hoge Venen?

Een opmerking onder een Facebookbericht over de zware brand in de Hoge Venen raakt aan een vraag die veel mensen zich stellen wanneer zij beelden zien van een vuur dat zich door een natuurgebied verspreidt: waarom wordt het vuur niet gewoon gestopt door met bulldozers en kranen brede corridors of brandgangen te graven? Stijn D’Hulster bracht die mogelijkheid naar voren. Brandgangen kunnen inderdaad een belangrijk middel zijn in de strijd tegen natuurbranden, maar bij een grootschalige veenbrand zijn ze geen eenvoudige noodknop die overal en op elk moment kan worden ingedrukt.
Auteur: Andy Vermaut
Een terechte vraag wanneer het vuur blijft uitbreiden
De brand in de Hoge Venen heeft een uitzonderlijke omvang aangenomen. De Waalse overheid meldde dat het vuur op 14 augustus nog niet onder controle was, dat het zich onder invloed van de wind naar het zuidoosten verplaatste en dat de getroffen oppervlakte toen op ongeveer 3.000 hectare werd geraamd. Bijna vijfhonderd mensen en meer dan 120 voertuigen werden ingezet, met bijstand van verschillende Belgische hulpverleningszones, Luxemburgse diensten en andere partners. Wie die cijfers leest, begrijpt waarom de vraag naar een fysieke barrière zo sterk leeft: als vuur brandbaar materiaal nodig heeft, waarom haal je dat materiaal dan niet weg vóór de vlammen er zijn?
Dat is precies de gedachte achter brandgangen. Een brandgang onderbreekt de opeenvolging van droge vegetatie, struiken of bomen waarlangs vuur zich kan voortplanten. In een bosgebied kunnen bestaande wegen, brede paden, stroken met weinig begroeiing of vooraf aangelegde en onderhouden corridors de brandweer helpen om een vuurfront af te remmen, te omtrekken of te bestrijden. De Europese Commissie wijst er eveneens op dat het beheer van vegetatie en het verminderen van brandbaar materiaal de bestrijding van natuurbranden kunnen vergemakkelijken.
Een brandgang werkt alleen als de omstandigheden kloppen
Dat betekent echter niet dat een bulldozer die in volle crisis een strook openmaakt, het vuur automatisch tot stilstand brengt. De breedte, ligging en timing zijn doorslaggevend. Een brandgang moet voldoende breed zijn voor de vlamlengte, de hoeveelheid brandbaar materiaal en vooral de wind. Bij sterke wind kunnen brandende stukken vegetatie, vonken en gloeiende as over een kale strook worden geblazen. Dan ontstaat er aan de andere kant van de corridor een nieuw vuur. Een brandgang kan dus waardevolle tijd opleveren of een vuurfront vertragen, maar ze is nooit op zichzelf een garantie.
Daarbij is ook de toegankelijkheid van het terrein bepalend. Zware machines moeten het gebied kunnen bereiken en er veilig kunnen werken. In de Hoge Venen gaat het niet alleen om bos of grasland, maar ook om kwetsbare, natte en op sommige plaatsen moeilijk draagkrachtige veengronden. De inzet van kranen en bulldozers kan in dergelijke omstandigheden vastlopen, gevaar opleveren voor de bestuurders of het terrein verder beschadigen. Een route die op een kaart logisch lijkt, kan op het terrein ontoegankelijk zijn door water, zachte bodem, reliëf, rook, vallende takken of de snelheid waarmee een vuurfront van richting verandert.
Veen brandt niet zoals een gewoon gras- of bosvuur
De Hoge Venen vormen bovendien een veengebied. Dat maakt de situatie bijzonder moeilijk. Turf bestaat uit samengeperste resten van plantenmateriaal. Wanneer die na lange droogte uitdrogen, kan het vuur niet alleen boven de grond door vegetatie lopen, maar ook in de bodem blijven smeulen. Een zichtbare vlammenlijn stoppen is dan slechts een deel van de opdracht. Ondergronds smeulende brandhaarden kunnen later opnieuw vuur veroorzaken, soms buiten het gebied waar men op dat moment de vlammen ziet.
Volgens Copernicus kunnen veenbranden langdurig smeulen en grote schade veroorzaken aan biodiversiteit, waterhuishouding en koolstofopslag. Een gegraven corridor kan bovengrondse vegetatie onderbreken, maar lost een ondergrondse turfvuurhaard niet vanzelf op. Daarvoor zijn langdurige controle, koeling, water en een gerichte inzet op de nog warme zones nodig. De vraag is dus niet alleen waar een strook moet komen, maar ook hoe diep het vuur zit en of het langs of onder die strook kan blijven voortgaan.
Natuurgebied betekent niet dat hulpdiensten niets mogen doen
De gedachte dat men in een natuurgebied eerst dagenlang moet vergaderen om in een noodsituatie te mogen optreden, verdient nuancering. Bij een acute dreiging voor mensen, woningen, kritieke infrastructuur of een groot natuurgebied moeten operationele hulpdiensten kunnen handelen. De brandweer en de leiding van de interventie beslissen in zo’n situatie op basis van veiligheid, bereikbaarheid, de evolutie van het vuur en het beschikbare materieel. Beschermde natuur is geen reden om een noodzakelijke reddings- of blusactie na te laten.
Tegelijk is het net de taak van de operationele leiding om te vermijden dat een maatregel meer schade veroorzaakt dan hij voorkomt. Een zware machine inzetten in veen kan waterstromen verstoren, bodem verdichten, kwetsbare vegetatie vernielen en in sommige omstandigheden het terrein droger of moeilijker herstelbaar maken. Dat zijn geen bureaucratische details, maar gevolgen die ook de toekomstige brandgevoeligheid kunnen beïnvloeden. Daarom moeten brandgangen deskundig worden gekozen: waar ze het vuur werkelijk kunnen afremmen, waar machines veilig kunnen rijden en waar bestaande wegen, paden of minder kwetsbare zones maximaal kunnen worden benut.
De echte les ligt vóór de volgende brand
De discussie onder het Facebookbericht gaat dus over meer dan één mogelijke tactiek tijdens één dramatische brand. Stijn D’Hulster stelt terecht de vraag waarom zichtbare, fysieke barrières niet vaker worden ingezet. Het antwoord is niet dat brandgangen nutteloos zijn. Integendeel: goed ontworpen, vooraf geplande en onderhouden brandgangen kunnen een cruciale rol spelen in natuurbrandbeheer. Maar tijdens een grote veenbrand zijn ze slechts één instrument naast snelle detectie, toegankelijke bluswegen, voldoende waterpunten, luchtsteun, terreinvoertuigen, evacuatieplannen en het langdurig nablussen van smeulende bodems.
De belangrijkste vraag voor na deze brand is daarom of de Hoge Venen voldoende voorbereid zijn op extreem droge periodes en grote vuurfronten. Welke bestaande wegen kunnen als verdedigingslijn dienen? Waar zijn vooraf beheerde bufferstroken nodig? Hoe worden brandbare vegetatie, waterpeilen en bereikbaarheid opgevolgd? En beschikken de hulpdiensten snel over de machines, kaarten en terreinkennis die in de eerste uren het verschil kunnen maken?
Wie de Hoge Venen wil beschermen, moet natuurbehoud en brandveiligheid niet tegenover elkaar plaatsen. Beide vragen om voorbereiding, kennis van het terrein en duidelijke keuzes vóór de volgende hete, droge en winderige periode. In een noodsituatie moet doortastend worden gehandeld. Maar de beste brandgang is meestal degene die vooraf, doordacht en op de juiste plaats is voorzien — niet degene die pas wordt overwogen wanneer duizenden hectares al in brand staan.
Bronnen: Waalse overheid, stand van zaken over de brand in de Hoge Venen; Europese Commissie, beleid en preventie van bosbranden; Copernicus Climate Change Service, veenbranden en gevolgen voor biodiversiteit; Facebookgesprek met Stijn D’Hulster, geraadpleegd op 17 augustus 2026.
Andy Vermaut


