Hof van beroep ziet procedure in Qatargate-zaak als regelmatig

20 februari 2026

Het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, heeft op woensdag 18 februari 2026 uitspraak gedaan over de regelmatigheid van de procedure in het dossier dat publiek bekend is als Qatargate. Het federaal parket meldde op vrijdag 20 februari 2026, in Brussel, dat het arrest 113 pagina’s telt en dat het onderzoek vandaag 20 inverdenkinggestelden betreft. Press-Release-Qatargate-FP (1)

Wat het Hof besliste

Volgens het federaal parket volgt het Hof in ruime mate het juridisch standpunt van het openbaar ministerie. De kamer van inbeschuldigingstelling verklaarde de procedure regelmatig en wees alle verzoeken van de verdediging af die onder meer mikten op niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of het weren van bepaalde onderzoeksdaden. Het Hof voerde die controle uit zonder zich uit te spreken over bezwaren of aanwijzingen van schuld, en het arrest loopt dus niet vooruit op de vraag of de inverdenkinggestelden al dan niet schuldig zijn.

Discussiepunten in het arrest

In het arrest werden verschillende juridische kwesties beoordeeld die door partijen en het federaal parket waren opgeworpen. Het Hof ging in op procedurestukken die door vier inverdenkinggestelden laattijdig werden neergelegd met nieuwe juridische argumenten; op vraag van het federaal parket werden bepaalde conclusies en bijlagen uit het debat geweerd omdat het Hof dat kwalificeerde als misbruik van procesrecht of oneerlijk procesgedrag. Daarnaast oordeelde het Hof dat de neerlegging van zeer veel stukken uit een ander lopend onderzoek door de verdediging van twee inverdenkinggestelden een miskenning kan vormen van het vermoeden van onschuld van de in dat andere dossier verdachte personen.

Het Hof sprak zich ook uit over het inlichtingenonderzoek van de Staatsveiligheid. Daarbij werd geoordeeld dat de dienst, gelet op de aard van de door de Staatsveiligheid vastgestelde vermoedelijke inmengingsfeiten, rechtmatig en wettig handelde binnen zijn opdrachten. Het Hof verwees daarbij naar het toezicht van het Comité R, dat in een advies van 17 januari 2025 de wettigheid van de gebruikte methoden en de finaliteit van het onderzoek had gecontroleerd.

Immuniteiten, onderzoeksrechter en verdere voortgang

Verder stelde het Hof dat het bestaan van een inlichtingenonderzoek geen schending inhoudt van parlementaire immuniteit, onder meer omdat de Staatsveiligheid geen dwang- of vervolgingsbevoegdheden heeft. Over artikel 9 van Protocol nr. 7 over voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen werd toegelicht dat die immuniteit een functioneel karakter heeft en uitsluitend in het belang van het Europees Parlement wordt toegekend. Het Hof stelde dat de immuniteiten van de inverdenkinggestelden A.C. en M.T. rechtsgeldig door het Europees Parlement werden opgeheven, en dat de inverdenkinggestelde E.K. zich niet op parlementaire immuniteit kon beroepen in het licht van een situatie van heterdaad, indien de feiten worden bewezen. In dezelfde lijn werd ook gesteld dat feiten van corruptie, witwassen en criminele organisatie, indien bewezen, niet kunnen worden gezien als handelingen binnen een diplomatieke zending.

Vier inverdenkinggestelden hadden de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van onderzoeksrechter M.C. betwist, maar het Hof oordeelde dat de aangevoerde elementen geen objectieve of subjectieve partijdigheid aantonen. Het stelde vast dat onderzoeksdaden zowel ten laste als ten ontlaste werden verricht en dat de benoemingen van de opeenvolgende onderzoeksrechters regelmatig verliepen. Ook argumenten over een vermeende schending van het geheim van het onderzoek werden in dit stadium niet als vaststaand beschouwd, omdat die kwesties nog het voorwerp uitmaken van een ander lopend onderzoek. Het Hof wees er tegelijk op dat zulke argumenten later, indien relevant, nog aan bod kunnen komen voor de vonnisrechter.

Tot slot oordeelde het Hof dat de redelijke termijn voor het instellen en uitoefenen van de strafvordering niet werd overschreden. Daarbij werd verwezen naar de omvang van het gerechtelijk onderzoek, met meerdere tientallen dozen, en naar de aard van de vermoedelijke feiten: openbare corruptie, witwassen en criminele organisatie binnen het Europees Parlement. Het federaal parket gaf aan dat het gerechtelijk onderzoek wordt voortgezet met de nodige voortvarendheid.

Bronnen:
Federaal Parket – bericht 20 februari 2026
Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, arrest van 18 februari 2026 (113 pagina’s)

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)