i-Police botst op de grens van de rechtsstaat

Het i-Police-dossier draait om een harde beschuldiging: dat wettelijke controle op politie, magistratuur en advocatuur wordt tegengehouden zodra het parlement te dicht bij de kern van de macht komt. Daarmee ligt niet alleen een politieproject onder het vergrootglas, maar ook de vraag of een parlementaire onderzoekscommissie nog daadwerkelijk haar werk kan doen wanneer beëdigde ambtenaren en magistraten zich aan die controle proberen te onttrekken.
Waar het geschil echt over gaat
In het dossier wordt gesteld dat een magistraat zich in beginsel niet kan onttrekken aan een oproeping als getuige voor een parlementaire onderzoekscommissie door eenvoudig te verwijzen naar beroepsgeheim of naar de scheiding der machten. Dat uitgangspunt sluit aan bij een juridisch standaardwerk over het statuut en de deontologie van de magistraat, waarin precies wordt uitgelegd dat functionele onafhankelijkheid geen afscherming tegen elke vorm van democratische controle inhoudt. Dat werk stelt ook dat absolute onafhankelijkheid zonder wederzijdse controle juist een aantasting van de rechtsstaat zou zijn.
Daar ligt de kern van het nieuws. De scheiding der machten beschermt de rechter tegen bevelen over hoe hij moet oordelen. Ze geeft geen vrijbrief om elke verantwoording af te weren. Zodra dat onderscheid vervaagt, verschuift justitie van recht naar gesloten macht. Dan blijft de vorm van de rechtsstaat overeind, maar verliest het legaliteitsbeginsel zijn inhoud.
Beroepsgeheim is geen algemeen schild
Het dossier schuift ook het beroepsgeheim naar voren. In hetzelfde standaardwerk wordt uitgelegd dat niet elke handeling van iemand die in beginsel onder een geheimhoudingsplicht valt, automatisch onder dat beroepsgeheim valt. De vraag is telkens of die verplichting in de concrete omstandigheden werkelijk geldt. Dat maakt het juridisch verschil groot. Het beroepsgeheim is een rechtsfiguur met een afgebakend doel. Het kan niet dienen als een algemeen scherm tegen parlementaire waarheidsvinding.
Rechtsfilosofisch is dat fundamenteel. Geheimhouding heeft alleen legitimiteit wanneer zij het recht beschermt. Zodra zij wordt gebruikt om controle te blokkeren, keert zij zich tegen haar eigen grondslag. Dan beschermt zij niet langer de rechtsorde, maar de geslotenheid van een instituut.
Openbaarheid is een rechtsstatelijke eis
Hetzelfde juridisch werk plaatst de pers uitdrukkelijk binnen de openbaarheid van justitie. Daar wordt gesteld dat openbaarheid een dam vormt tegen willekeur en dat de pers een wezenlijke rol vervult in die publieke controle. Dat uitgangspunt is van belang, omdat het i-Police-dossier precies draait om de vraag of formele en informele controle nog functioneren wanneer een gevoelige zaak binnen politie en justitie op tafel komt.
Ook dat is geen randzaak. Recht moet niet alleen correct worden toegepast, maar ook zichtbaar controleerbaar blijven. Een burger moet kunnen nagaan of instellingen zich aan de wet houden. Wanneer die zichtbaarheid verdwijnt, ontstaat afstand tussen macht en norm. Dat is het punt waarop de geloofwaardigheid van justitie begint te eroderen.
Geen plaats voor procedurele sturing
Een tweede document in het dossier bevat een beschrijving van een corruptieonderzoek waarin sprake is van een vraag om de samenstelling van een raadkamer te laten nagaan en een bepaalde voorzitter te laten verkiezen voor de beoordeling van een strafrechtelijke regeling. In datzelfde stuk staat ook dat betrokkenen elke ongeoorloofde tussenkomst ontkennen en stellen dat zij niemand hebben benaderd of beïnvloed.
Juist die spanning maakt het juridisch zwaar. De regel is helder: geen enkele partij, geen enkele advocaat en geen enkel netwerk kiest zijn rechter. Zodra zelfs de indruk ontstaat dat de samenstelling van een kamer kan worden gestuurd, komt de onpartijdigheid van het proces zelf onder druk te staan. De rechtsstaat leeft niet alleen van correcte uitspraken, maar ook van de zichtbare zuiverheid van de weg waarlangs die uitspraken tot stand komen.
Waarom i-Police hier centraal staat
Binnen het i-Police-luik wordt daarnaast de vraag opgeworpen of personeelsleden uit de IT van politie of Binnenlandse Zaken hun statutaire functie hebben verlaten om nadien als consultant in hetzelfde project terug te keren. Dat is geen detail over personeelsbeheer. Het raakt aan bestuursethiek, rolvermenging en het gebruik van publieke middelen.
Daardoor komen twee lijnen samen. Aan de ene kant staat de beschuldiging dat wettelijke controle wordt afgeblokt wanneer parlement en samenleving vragen stellen. Aan de andere kant staat de vraag of binnen een groot overheidsproject een gesloten kring kon ontstaan tussen functie, invloed en consultancy. Samen maken die elementen van i-Police geen technisch dossier, maar een zaak over de werking van de staat zelf.
Wat nu op tafel ligt
De echte vraag is eenvoudig en hard tegelijk. Geldt de wet ook wanneer zij botst op invloed, beroepstitels en institutionele zelfbescherming, of stopt haar kracht precies waar ze het hardst nodig is. Dat is de inzet van het i-Police-dossier. Niet de toon van de aanklacht, maar de draagwijdte van die vraag geeft deze zaak haar gewicht.
Bronnen:
Statuut en deontologie van de magistraat, die Keure, passages over functionele onafhankelijkheid, wederzijdse controle en openbaarheid
OCRC corruption Tecteo-Ogeo Me Adrien Masset Moreaux
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


