De tentoonstelling verdween uit Antwerpen, de vragen over psychiatrische medicatie niet

Vrouw met hand in haar haar, zichtbaar emotioneel in zwart-wit.

9 juli 2026

Opinie door Andy Vermaut

Gedurende drie dagen stond in de Horta Art Nouveau-zaal aan het Theaterplein in Antwerpen een tentoonstelling die bezoekers confronteerde met psychiatrische medicatie bij kinderen, verkeerde diagnoses, medische gaslighting, gedwongen behandeling, isolatie en fixatie. Van vrijdag 29 mei tot en met zondag 31 mei 2026 kwamen volgens de organisatoren 740 bezoekers kijken. Vijftien mensen deelden er een ervaring of melding over mogelijk misbruik binnen de geestelijke gezondheidszorg. Daarna werden de panelen weggehaald. De zaal kreeg opnieuw een andere bestemming. Het publieke debat ging verder met het volgende onderwerp.Precies daarin schuilt het probleem. De tentoonstelling was geen culturele uitstap die na drie dagen kon worden afgesloten. Zij bracht vragen naar boven die vandaag nog altijd onvoldoende worden gesteld. Hoeveel mensen gebruiken jarenlang psychofarmaca zonder regelmatige evaluatie? Hoeveel patiënten krijgen te weinig uitleg over bijwerkingen, afhankelijkheid of afbouw? Hoeveel kinderen krijgen medicatie terwijl psychologische begeleiding nauwelijks bereikbaar is? Hoeveel lichamelijke aandoeningen worden te laat onderzocht omdat klachten al vroeg als psychiatrisch worden beschouwd? De tentoonstelling is voorbij. Wat zij zichtbaar maakte, is dat niet.

Een tijdelijke tentoonstelling over een blijvend probleem

De Burgercommissie voor Mensenrechten, internationaal bekend als CCHR, gaf de tentoonstelling de titel “Een industrie des doods”. Dat is uitgesproken en confronterend taalgebruik. Een dergelijke titel kan weerstand oproepen, zeker bij zorgverleners en patiënten die ervaren dat psychiatrische behandeling en medicatie hen juist hebben geholpen.Toch mag discussie over de formulering niet dienen om de inhoudelijke vragen opzij te schuiven. De tentoonstelling bracht getuigenissen samen van mensen die verklaarden schade te hebben ondervonden door verkeerde diagnoses, langdurige medicatie, gebrekkige informatie of gedwongen psychiatrische maatregelen. Zij gaf ruimte aan ervaringen die binnen het gewone zorgdebat vaak moeilijk gehoor vinden. Een tentoonstelling is geen wetenschappelijk onderzoek. Persoonlijke getuigenissen vormen op zichzelf geen bewijs dat een arts, instelling of volledige sector fout heeft gehandeld. Medische dossiers bevatten vaak informatie die bezoekers en organisatoren niet kennen. Een diagnose kan verantwoord zijn, ook wanneer een patiënt haar later betwist. Een geneesmiddel kan noodzakelijk zijn, ook wanneer het ernstige bijwerkingen heeft.Maar dat betekent niet dat zulke verhalen zonder onderzoek mogen verdwijnen. Een getuigenis is geen eindvonnis, maar kan wel een alarmsignaal zijn. Wanneer verschillende mensen spreken over jarenlang medicatiegebruik, onvoldoende uitleg, het ontbreken van alternatieven en het gevoel niet te worden geloofd, hoort een zorgsysteem te luisteren.De tentoonstelling in Antwerpen dwong bezoekers om stil te staan bij ervaringen die gewoonlijk achter deuren van consultatieruimten, ziekenhuizen en gezinswoningen blijven. Dat was haar voornaamste betekenis. Niet de panelen zelf, maar het doorbreken van de stilte.

Anneke Vliegen en de strijd om geloofd te worden

Tijdens de openingsreceptie sprak schrijfster Anneke Vliegen, auteur van Recognise ME, over medische gaslighting en verkeerde diagnoses. Haar boodschap ging niet alleen over medische kennis, maar ook over de manier waarop een patiënt wordt benaderd. Zij wees op het verschil dat respect, openheid en de bereidheid om werkelijk te luisteren kunnen maken. Medische gaslighting is een term die snel en soms te breed wordt gebruikt. Niet iedere meningsverschil tussen arts en patiënt is gaslighting. Een arts kan op basis van onderzoek tot een andere conclusie komen dan de patiënt verwacht. Diagnostiek brengt onzekerheid mee en niet iedere aandoening is onmiddellijk aantoonbaar. Toch bestaat er een herkenbaar probleem wanneer lichamelijke klachten stelselmatig worden geminimaliseerd, aan stress worden toegeschreven of als psychisch worden beschouwd zonder voldoende onderzoek. Zodra een psychiatrisch label in een dossier staat, kan dat ook latere consultaties beïnvloeden. Nieuwe symptomen worden dan soms gelezen vanuit een bestaande diagnose, terwijl een nieuwe medische beoordeling nodig is.De tentoonstelling plaatste dat risico niet in een abstract beleidsdocument. Zij gaf het een menselijke stem. Een patiënt die niet wordt geloofd, verliest niet alleen tijd. Die kan ook vertrouwen verliezen in artsen, instellingen en uiteindelijk in de mogelijkheid om nog passende hulp te krijgen.

Kaat Deruddere en de prijs van jarenlang gebruik

Kaat Deruddere beschreef tijdens de tentoonstelling de lichamelijke en psychische gevolgen van jarenlang voorgeschreven psychiatrische medicatie. Zij verklaarde dat ze na een diagnose van chronisch vermoeidheidssyndroom gedurende jaren benzodiazepines en antidepressiva kreeg. Later vernam zij naar eigen zeggen dat zij de ziekte van Lyme had. Haar getuigenis vestigde de aandacht op twee afzonderlijke vragen. Was de oorspronkelijke diagnose juist en werden lichamelijke oorzaken voldoende onderzocht? Daarnaast: kreeg zij bij de start en tijdens het verdere gebruik voldoende informatie over de risico’s van langdurige behandeling?-Benzodiazepines kunnen bij bepaalde patiënten en gedurende een beperkte periode nuttig zijn. Ze kunnen acute angst verminderen en ernstige slaapproblemen tijdelijk verlichten. Bij langdurig gebruik kunnen echter gewenning, afhankelijkheid en ontwenningsverschijnselen optreden. Daarom vraagt afbouw medische begeleiding en mag een patiënt zulke medicatie niet plots op eigen initiatief stopzetten. Dat laatste is belangrijk. Kritiek op te langdurig voorschrijven mag patiënten er niet toe aanzetten zichzelf in gevaar te brengen. Het antwoord op onvoldoende begeleiding is niet stoppen zonder begeleiding. Het antwoord is betere begeleiding, toegankelijke expertise en een behandelplan waarin vanaf het begin ook over duur, evaluatie en mogelijke afbouw wordt gesproken. De getuigenis van Deruddere maakte duidelijk wat er kan gebeuren wanneer een voorschrift een routine wordt. De oorspronkelijke reden voor behandeling verdwijnt naar de achtergrond, herhaalvoorschriften volgen elkaar op en niemand stelt nog de eenvoudige vraag of de behandeling nog altijd nodig en passend is.

De cijfers geven de tentoonstelling maatschappelijk gewicht

Wat bezoekers in Antwerpen zagen, kan niet worden afgedaan als een verzameling uitzonderlijke verhalen. De Belgische cijfers tonen dat psychofarmacagebruik een vraagstuk van nationale omvang is.In 2022 namen naar schatting ruim drie miljoen Belgen minstens één psychofarmacon. Dat komt neer op ongeveer één inwoner op vier. Het ging om antidepressiva, antipsychotica, slaap- en kalmeermiddelen en psychostimulantia. In vijf jaar tijd steeg het aantal afgeleverde dosissen volgens de toen beschikbare cijfers met bijna 70 procent tot 812 miljoen. Daarbij ging het onder andere om 370 miljoen dosissen antidepressiva, 55 miljoen dosissen antipsychotica en 17 miljoen dosissen psychostimulantia. Die cijfers zeggen niet dat drie miljoen mensen verkeerd worden behandeld. Ze bewijzen evenmin dat al deze gebruikers afhankelijk zijn. Verschillende geneesmiddelengroepen worden voor uiteenlopende aandoeningen en gedurende verschillende termijnen gebruikt. De cijfers tonen wel dat zelfs een beperkt percentage onaangepaste of onvoldoende opgevolgde behandelingen een zeer grote groep patiënten kan treffen. Wanneer psychofarmaca op dergelijke schaal worden gebruikt, zijn voorschrijfkwaliteit, geïnformeerde toestemming en regelmatige evaluatie geen bijkomstigheden. Zij behoren tot de kern van de volksgezondheid. Het officiële Belgische informatieplatform over psychofarmaca erkent zelf dat behandelingen niet altijd aansluiten bij de noden van patiënten, soms onterecht worden verlengd, onvoldoende worden opgevolgd en niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Het platform vraagt aandacht voor niet-medicamenteuze mogelijkheden, een passende dosis en behandelingsduur, regelmatige opvolging, afbouw wanneer medicatie niet langer nodig is en samenwerking tussen artsen, apothekers en psychologen. Dat officiële standpunt geeft de Antwerpse tentoonstelling extra betekenis. De vraag naar kritisch medicatiegebruik komt niet uitsluitend van activisten of ontevreden patiënten. Ook de overheid en zorgprofessionals erkennen dat er tekortkomingen bestaan.

Een pil kan helpen, maar mag geen volledig zorgplan vervangen

Psychofarmaca kunnen noodzakelijk zijn. Een persoon met een zware depressie, psychose, ernstige angststoornis of acuut ontregelde toestand kan veel baat hebben bij medicatie. Soms kan een geneesmiddel een crisis helpen beheersen en iemand opnieuw in staat stellen om te slapen, te functioneren of psychologische begeleiding te volgen. Een eerlijk opiniestuk mag dat niet verzwijgen. Maar de erkenning dat medicatie helpt, mag evenmin betekenen dat ieder voorschrift automatisch zorgvuldig wordt opgevolgd. Een geneesmiddel is een medisch hulpmiddel. Het is geen vervanging voor luisteren, diagnostiek, psychotherapie, sociale ondersteuning, traumazorg of onderzoek naar lichamelijke oorzaken. Psychisch lijden kan samenhangen met rouw, geweld, armoede, werkdruk, eenzaamheid, chronische pijn, discriminatie, schulden of een onveilige thuissituatie. Een middel kan bepaalde symptomen verminderen, maar herstelt geen woning, beëindigt geen gewelddadige relatie en lost geen schulden op. Het risico bestaat dat een snel beschikbaar voorschrift de plaats inneemt van hulp die tijd en middelen vraagt. Dat is niet noodzakelijk de fout van een individuele huisarts. Artsen werken onder tijdsdruk. Psychologen hebben wachtlijsten. Gespecialiseerde zorg is niet in iedere regio even bereikbaar. Patiënten vragen soms zelf om een snelle oplossing omdat hun lijden op dat moment ondraaglijk is. Juist daarom is dit een politieke verantwoordelijkheid. De overheid kan niet oproepen tot minder afhankelijkheid van medicatie zonder voldoende betaalbare alternatieven te organiseren.

De tentoonstelling richtte de aandacht terecht op kinderen

Het psychiatrisch medicatiegebruik bij kinderen behoorde tot de centrale thema’s in Antwerpen. Dat onderwerp verdient bijzondere waakzaamheid, omdat kinderen hun behandeling niet altijd zelfstandig kunnen beoordelen en sterk afhankelijk zijn van ouders, scholen, artsen en instellingen. Volgens een analyse van CM gebruikte in 2022 naar schatting 2,4 procent van de Belgische jongeren tussen 6 en 17 jaar een geneesmiddel op basis van methylfenidaat. Het gebruik steeg tussen 2013 en 2022 met 20 procent. Bij meisjes bedroeg de stijging 42 procent en bij jongens 13 procent. De regionale verschillen waren aanzienlijk. In Vlaanderen gebruikte 2,9 procent van de jongeren binnen die leeftijdsgroep methylfenidaat, tegenover 1,1 procent in Wallonië en 0,6 procent in Brussel. Zulke verschillen vragen onderzoek. Ze kunnen niet uitsluitend door medische kenmerken van kinderen worden verklaard zonder ook naar diagnostische gewoonten, schoolcontext, verwachtingen en het beschikbare zorgaanbod te kijken. CM stelde ook vast dat een kind op vier dat op zesjarige leeftijd met medicatie begon, die nog op zeventienjarige leeftijd gebruikte. Kinderen die op zes jaar startten, namen de medicatie gemiddeld ongeveer zeven jaar. In 2022 had volgens de studie 43 procent van de jonge medicatiegebruikers contact met een psychiater en 15 procent met een psycholoog. Dat betekent niet dat methylfenidaat nooit mag worden voorgeschreven. Sommige kinderen met ADHD functioneren aantoonbaar beter met medicatie. Hun concentratie kan verbeteren, impulsiviteit kan afnemen en schoolse of sociale problemen kunnen beheersbaarder worden.De kernvraag is of medicatie deel uitmaakt van een ruim zorgplan of het zorgplan zelf wordt.Werd het kind uitgebreid onderzocht? Zijn slaap, leerproblemen, spanningen thuis, trauma, gehoor- of zichtproblemen en andere mogelijke verklaringen bekeken? Krijgen ouders begeleiding? Past de school haar aanpak aan? Wordt het effect regelmatig gemeten? Worden bijwerkingen besproken? Wordt de noodzaak van verdere behandeling opnieuw beoordeeld? De Antwerpse tentoonstelling maakte die vragen zichtbaar. De samenleving had ze daarna niet opnieuw mogen opbergen.

Wanneer schoolgedrag een medisch dossier wordt

Een opvallende vaststelling uit de CM-analyse is dat jongens die tussen oktober en december zijn geboren vaker ADHD-medicatie gebruiken dan jongens die vroeger in het jaar zijn geboren. Zij zijn vaak de jongsten in hun klas. Daardoor bestaat het risico dat leeftijdsgebonden onrijpheid wordt verward met een aandachtsstoornis. Dat is geen bewijs dat al deze kinderen verkeerd zijn gediagnosticeerd. Het is wel een signaal dat schoolse verwachtingen invloed kunnen hebben op de weg naar een diagnose.

Een jong kind dat moeite heeft om lang stil te zitten, is niet automatisch ziek. Een leerling die afhaakt, kan een leerstoornis, stress, slaapproblemen of spanningen thuis hebben. Tegelijk mogen kinderen met echte ADHD niet zonder hulp blijven omdat volwassenen bang zijn voor medicatie. De uitdaging bestaat uit zorgvuldig onderscheiden. Dat vraagt tijd, meerdere observaties en overleg met het kind zelf. Niet alleen gedrag dat volwassenen hindert, maar ook het welzijn en functioneren van het kind moeten centraal staan.In Antwerpen werd dit onderwerp niet als statistiek gepresenteerd, maar als mensenrechtenvraag. Wie beslist wat normaal gedrag is? Welke stem krijgt het kind? Welke informatie ontvangen ouders? En hoe wordt voorkomen dat organisatorisch gemak zwaarder weegt dan het belang van de jonge patiënt?

Vijftien verhalen mogen niet als voetnoot verdwijnen

Tijdens de tentoonstelling werden vijftien ervaringen of meldingen over mogelijk misbruik gedeeld. Een 26-jarige vrouw vertelde volgens het verslag dat zij op dertienjarige leeftijd Ritalin kreeg. Daarna kreeg zij ook antidepressiva en antipsychotica. Na een familietrauma zou zij in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geïsoleerd, aan een bed zijn vastgemaakt en onder medicatie zijn geplaatst. Een andere bezoeker sprak over fixatie en het toedienen van antipsychotica. Een vrouw die na een gewelddadige relatie met gedwongen behandeling te maken kreeg, beschreef psychiatrie vanuit haar ervaring als een middel waarmee mensen konden worden gecontroleerd en opgesloten. Een leraar verklaarde dat veel leerlingen Rilatine gebruikten. Deze uitspraken zijn zwaar. Ze moeten met journalistieke en medische voorzichtigheid worden behandeld. Zonder dossiers en wederhoor kan niet worden vastgesteld wat precies is gebeurd, waarom zorgverleners bepaalde beslissingen namen en of er sprake was van een acute noodsituatie. Maar voorzichtigheid is iets anders dan onverschilligheid. Vijftien meldingen tijdens drie tentoonstellingsdagen zijn geen bewijs voor een algemeen systeemfalen. Ze zijn wel vijftien redenen om te vragen of mensen weten waar zij met klachten terechtkunnen, of klachten onafhankelijk worden onderzocht en of patiënten na een ingrijpende ervaring voldoende uitleg ontvangen. Een rechtsstaat beschermt niet alleen mensen tegen willekeur buiten de zorg. Ook binnen ziekenhuizen en instellingen moeten lichamelijke integriteit, menselijke waardigheid en rechtsbescherming gelden.

Dwangzorg vraagt streng toezicht

Afzondering, fixatie, gedwongen opname en medicatie zonder instemming behoren tot de ingrijpendste maatregelen binnen de geestelijke gezondheidszorg. In een acute situatie kunnen hulpverleners worden geconfronteerd met onmiddellijk gevaar voor de patiënt of anderen. Dan kan tijdelijk ingrijpen noodzakelijk zijn.Juist vanwege die uitzonderlijke omstandigheden moet de controle streng zijn. Was de maatregel werkelijk noodzakelijk? Waren minder ingrijpende mogelijkheden uitgeput? Hoe lang duurde hij? Wie nam de beslissing? Werd alles geregistreerd? Kreeg de patiënt achteraf een begrijpelijke uitleg? Kon een vertrouwenspersoon worden bereikt? Was er toegang tot een onafhankelijke klachtenprocedure? Een maatregel kan formeel volgens een protocol zijn uitgevoerd en toch diepe schade veroorzaken. Het doel mag daarom niet alleen zijn om een instelling juridisch in te dekken. Het doel moet zijn om dwang zo veel mogelijk te voorkomen en de menselijke gevolgen ernstig te nemen.De Antwerpse tentoonstelling gaf patiënten en bezoekers ruimte om die gevolgen te benoemen. Dat is belangrijk, omdat dwangzorg vaak wordt besproken vanuit het standpunt van instellingen, veiligheid en personeel. De ervaring van de patiënt hoort even zwaar te wegen.

Luisteren is geen beleefd extraatje

Een terugkerend element in de getuigenissen was het gebrek aan luisteren. Dat klinkt minder technisch dan doseringen, diagnoses en protocollen, maar het raakt de basis van goede zorg. Luisteren betekent niet dat een arts iedere eigen verklaring van een patiënt moet overnemen. Het betekent dat klachten niet vooraf worden weggewuifd, dat twijfel bespreekbaar is en dat nieuwe informatie tot een nieuwe beoordeling kan leiden.Een patiënt moet kunnen zeggen dat een middel niet helpt. Hij moet bijwerkingen kunnen melden zonder te horen dat die uitsluitend door zijn aandoening komen. Hij moet om een tweede opinie kunnen vragen. Hij moet uitleg krijgen over alternatieven en behandelingsduur. Hij moet weten wat te doen wanneer hij wil afbouwen. Geïnformeerde toestemming is niet bereikt doordat iemand een voorschrift heeft aangenomen. Werkelijke toestemming vraagt begrijpelijke informatie over het doel, de verwachte werking, bekende risico’s, mogelijke alternatieven en het plan voor opvolging.Dat geldt zeker bij kinderen, kwetsbare ouderen, mensen met een verstandelijke beperking en patiënten in een psychische crisis. Hun kwetsbaarheid maakt hun rechten niet minder belangrijk. Zij maakt zorgvuldige bescherming juist noodzakelijker.

De stilte na Antwerpen zegt veel

De tentoonstelling trok 740 bezoekers. Zij verzamelde vijftien meldingen en getuigenissen. Zij bracht opvoeders, verpleegkundigen, psychotherapeuten, lokale bewoners en kritische psychiaters samen. Toch dreigt zij enkele weken later alweer uit het publieke geheugen te verdwijnen.Dat is geen reden om nogmaals een evenementverslag te schrijven. Het is de reden om de tentoonstelling als ankerpunt te gebruiken voor een debat dat nog altijd niet breed genoeg wordt gevoerd.Er wordt gesproken over wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg. Er wordt gesproken over personeelstekorten, stijgende zorgkosten en psychisch welzijn. Veel minder vaak wordt publiek besproken wat er gebeurt nadat iemand een psychiatrisch geneesmiddel krijgt.Wie volgt die persoon op? Wie bewaakt de duur? Wie bekijkt de wisselwerking met andere middelen? Wie helpt bij een moeilijke afbouw? Wie onderzoekt lichamelijke klachten opnieuw? Wie grijpt in wanneer een kind jarenlang medicatie gebruikt zonder psychologische begeleiding? De tentoonstelling legde geen volledig beleidsplan voor. Dat hoefde ook niet. Zij deed iets anders: zij maakte zichtbaar wat doorgaans verspreid blijft over afzonderlijke dossiers, keukentafels, consultaties en ziekenhuisgangen.

Van tentoonstelling naar concrete verantwoordelijkheid

Het zou te gemakkelijk zijn om na Antwerpen alleen verontwaardiging over te houden. Er zijn concrete stappen mogelijk. Iedere langdurige behandeling met psychofarmaca hoort op vaste momenten inhoudelijk te worden geëvalueerd. Niet alleen de dosis, maar ook de oorspronkelijke diagnose, de huidige noodzaak, de bijwerkingen en het functioneren van de patiënt moeten worden besproken. Bij de start moet al worden uitgelegd wanneer een eerste evaluatie plaatsvindt en onder welke voorwaarden afbouw later kan worden overwogen. Bij middelen met een risico op afhankelijkheid moet de voorziene behandelingsduur duidelijk worden vastgelegd. Huisartsen hebben voldoende tijd nodig voor psychische klachten. Apothekers kunnen een belangrijke rol spelen bij medicatienazicht, interacties en signalen van langdurig gebruik. Psychologen en psychiaters moeten sneller bereikbaar zijn. Scholen hebben ondersteuning nodig zodat medicatie niet de enige haalbare reactie wordt op gedrags- en concentratieproblemen.Patiënten moeten gemakkelijk een tweede opinie kunnen vragen. Klachtenprocedures moeten onafhankelijk, begrijpelijk en toegankelijk zijn. Gegevens over gedwongen maatregelen moeten transparant worden geregistreerd, zodat beleid niet alleen op incidenten en indrukken steunt.Ook moet er aandacht zijn voor de menselijke kant van afbouw. Stoppen kan zwaar zijn en vraagt bij sommige middelen een traag, individueel traject. Een patiënt die wil verminderen, mag niet tussen zorgverleners verloren raken.

Geen strijd tussen voor- en tegenstanders

Het debat over psychiatrische medicatie verzandt snel in twee kampen. Het ene kamp vreest dat kritiek patiënten afschrikt van noodzakelijke zorg. Het andere kamp ziet medicatie vooral als een middel van controle.Die tegenstelling helpt weinig.Het is mogelijk om te erkennen dat psychofarmaca mensen kunnen helpen en tegelijk streng te zijn voor onzorgvuldig gebruik. Het is mogelijk om waardering te hebben voor artsen en verpleegkundigen en toch te luisteren naar patiënten die schade melden. Het is mogelijk om psychiatrische zorg noodzakelijk te vinden en dwang, verkeerde diagnoses of gebrekkige opvolging te bekritiseren.Een volwassen zorgdebat vraagt geen onvoorwaardelijke verdediging van een sector en evenmin een algemene veroordeling. Het vraagt controleerbare gegevens, onafhankelijke klachtenbehandeling, ruimte voor patiënten en de bereidheid om fouten te erkennen.Dat is precies waarom de Antwerpse tentoonstelling vandaag nog relevant is. Zij vroeg niet om enkele dagen aandacht. Zij vroeg om blijvende waakzaamheid.

Waarom deze tentoonstelling mij persoonlijk bijblijft

Ik wil deze tentoonstelling niet reduceren tot iets wat eind mei in Antwerpen plaatsvond en daarna voorbij was. Voor mij ligt haar betekenis juist in wat er na de sluiting dreigt te gebeuren: opnieuw stilte, terwijl de cijfers en getuigenissen blijven bestaan.Ik verzet mij niet tegen noodzakelijke medicatie en ik wil niemand aanmoedigen om zonder medische begeleiding met een behandeling te stoppen. Ik vraag wel dat patiënten werkelijk worden gehoord, dat kinderen extra worden beschermd en dat langdurige voorschriften nooit automatische routines worden.

De 740 bezoekers en de vijftien gedeelde ervaringen mogen niet verdwijnen in een archief. De panelen zijn weggehaald, maar de verantwoordelijkheid blijft. België moet niet wachten op een volgende tentoonstelling om opnieuw te kijken naar wat nu al zichtbaar is.

Bronnen:
Burgercommissie voor Mensenrechten, verslag over de tentoonstelling “Een industrie des doods” in Antwerpen, 29 tot en met 31 mei 2026.
The Brussels Times, “Sedatives and antipsychotics: ‘Worrying’ number of people on psychopharmaceuticals”, 19 september 2023.
Federaal informatieplatform Gebruik van psychofarmaca, gegevens en aanbevelingen over bewust gebruik, opvolging en afbouw.
CM Gezondheidsfonds, studie over het gebruik van methylfenidaat bij kinderen en jongeren, 9 januari 2024.

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)