Terwijl Anaïs in Diksmuide wordt geweigerd, blijven kinderen met diabetes in Wevelgem welkom

13 juli 2026

Een kind van acht jaar met diabetes type 1 mag na twee speeldagen niet meer terugkeren naar speelpleinwerking Zonnestraal in Diksmuide. Enkele tientallen kilometers verder vangt speelpleinwerking Katjeduk in Wevelgem dagelijks ruim 250 kinderen op, onder wie kinderen met diabetes en andere medische of bijkomende zorgnoden. De omstandigheden zijn niet identiek. Toch maakt de vergelijking duidelijk dat ondersteuning, voorbereiding, opleiding en bestuurlijke keuzes mee bepalen of een kind kan deelnemen of thuis moet blijven.

Katjeduk ontvangt dagelijks ruim 250 kinderen

Speelpleinwerking Katjeduk vangt tijdens de maand juli dagelijks ruim 250 kinderen op. De werking staat onder begeleiding van monitoren en hoofdmonitoren, met ondersteuning van de Jeugddienst van Wevelgem. Ward Schoutteten van de Jeugddienst schat dat ongeveer tien procent van de kinderen een medische achtergrond heeft of bijkomende ondersteuning kan gebruiken. Dat percentage omvat uiteenlopende situaties. Sommige kinderen hebben een autismespectrumstoornis, anderen hebben tijdelijke fysieke beperkingen. Zo neemt ook een jongen met een gebroken been in een rolstoel deel aan de activiteiten.

Die verscheidenheid betekent dat de monitoren niet voor ieder kind dezelfde aanpak kunnen gebruiken. Wat voor de ene deelnemer voldoende is, werkt niet noodzakelijk voor een ander kind. Katjeduk probeert daarom vooraf na te gaan welke hulp nodig is, wat een kind zelfstandig kan en waar begeleiding vereist blijft. De ouders spelen daarbij een belangrijke rol. Zij kennen de dagelijkse noden van hun kind en kunnen uitleggen welke signalen aandacht vragen.

Kinderen met diabetes worden niet vooraf uitgesloten

Kinderen met diabetes zijn bij Katjeduk geen uitzondering. Vooraf bespreken de begeleiders met de ouders wat het kind nodig heeft en waarop de monitoren moeten letten. Sommige kinderen hebben een eigen glucosemeter bij zich. Anderen brengen een geschikt tussendoortje mee. Wanneer dat nodig is, wordt bekeken welke koek of andere voeding passend is.

Die werkwijze betekent niet dat jonge monitoren zonder voorbereiding medische verantwoordelijkheid moeten dragen. De hoofdleiding volgt kinderen op die medicatie nodig hebben en controleert of de juiste medicatie op het afgesproken tijdstip wordt genomen. De precieze afspraken kunnen verschillen per kind. Het uitgangspunt blijft dat deelname eerst wordt onderzocht en dat uitsluiting niet de automatische reactie is zodra er een medische zorgnood bestaat.

Katjeduk presenteert die aanpak niet als iets wat vanzelf loopt. Het vraagt overleg, kennis, bereikbare ondersteuning en duidelijke grenzen. Er moet bekend zijn wie welke taak opneemt. Er moet ook een manier bestaan om snel advies te vragen wanneer de monitoren twijfelen of wanneer de toestand van een kind verandert.

Wekelijkse steun van een inclusiecoach

De monitoren van Katjeduk kunnen rekenen op vzw De Stroom, een vrijetijdsdienst voor mensen met een beperking of een vermoeden daarvan. Dankzij die samenwerking komt wekelijks een inclusiecoach naar de speelpleinwerking. Wanneer er tussendoor een concrete vraag ontstaat, kunnen de monitoren de coach telefonisch bereiken.

De Stroom verzorgt eveneens opleidingen. Daardoor worden jonge begeleiders niet alleen gelaten met zorgvragen waarvoor zij geen voorbereiding kregen. Schepen van Jeugd Bas Surmont van CD&V ziet die ondersteuning als een belangrijk onderdeel van de werking. De ambitie om kinderen te laten deelnemen wordt er gekoppeld aan begeleiding voor de mensen die dagelijks op het terrein staan.

Dat onderscheid is wezenlijk. Inclusie vraagt niet dat een monitor alles moet kunnen. Ze vraagt dat een werking tijdig vaststelt wat nodig is en nagaat wie daarbij kan helpen. Een monitor die weet bij wie hij terechtkan, staat sterker dan een jongere die plots alleen moet beslissen over een medische situatie.

Ook Wevelgem botst op grenzen

Wevelgem beweert niet dat ieder kind onder alle omstandigheden iedere dag kan deelnemen. Hoofdmonitor Jonathan verwijst naar een kind met een autismespectrumstoornis dat moeilijk bij spelactiviteiten kan worden betrokken. De speelpleinwerking ging daarover met de ouders in gesprek. Uiteindelijk werd afgesproken dat het kind op een beperkt aantal dagen kon komen.

Die regeling is geen onbeperkte toelating, maar evenmin een definitieve weigering. Katjeduk zocht binnen de beschikbare mogelijkheden naar een afspraak waardoor het kind toch kon deelnemen. Het voorbeeld toont dat een inclusieve werking ook grenzen kan stellen, zolang die grenzen individueel worden onderzocht en met de ouders worden besproken.

Ward Schoutteten toont daarom begrip voor kleinere speelpleinwerkingen die minder personeel en financiële ruimte hebben. Niet elke werking beschikt over een inclusiecoach, voldoende monitoren of middelen voor individuele begeleiding. Sommige speelpleinen worden door een kleine vzw georganiseerd. Zij kunnen moeilijker bijkomende krachten inzetten wanneer één kind gedurende de hele dag persoonlijke begeleiding nodig heeft.

Anaïs mocht in Diksmuide na twee dagen niet terugkeren

In Diksmuide begon de schoolvakantie voor de achtjarige Anaïs aanvankelijk zoals voor haar leeftijdsgenoten. Ze nam twee dagen deel aan speelpleinwerking Zonnestraal en kon er spelen met haar vriendinnen. Daarna kreeg haar moeder Sarah Feys te horen dat Anaïs niet langer welkom was. Het meisje heeft diabetes type 1 en draagt sinds enkele maanden een sensor en een insulinepomp.

Anaïs ging al sinds haar kleutertijd naar de speelpleinwerking. Door haar diagnose veranderde haar medische situatie, maar niet haar behoefte om met andere kinderen te spelen. Haar moeder reageerde diep teleurgesteld en ervoer de beslissing als discriminatie. Voor het gezin kwam de boodschap hard aan omdat deelname aan de speelpleinwerking voor Anaïs deel uitmaakte van een vertrouwde vakantieomgeving.

De kern van het conflict ligt niet bij de vraag of Anaïs graag wil deelnemen. Daarover bestaat geen discussie. Het meningsverschil gaat over de vraag of de speelpleinwerking haar medische veiligheid gedurende de hele dag kan waarborgen en welke inspanningen van een lokaal bestuur mogen worden verwacht om dat mogelijk te maken.

Diksmuide wijst op jonge en wisselende monitoren

Burgemeester Koen Coupillie van Actie! stelde dat de beslissing niet werd genomen omdat Anaïs diabetes heeft, maar omdat de huidige organisatie geen permanente en veilige medische opvolging kon garanderen. De monitoren zijn niet medisch geschoold. Sommigen werken tijdens de hele vakantieperiode slechts vijf dagen, waardoor de samenstelling van de ploeg vaak verandert.

Het stadsbestuur vroeg advies aan de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk en besloot op basis van de eigen analyse dat de vereiste zekerheid op dat moment ontbrak. Daarbij werd ook gewezen op de verantwoordelijkheid tegenover de monitoren. Het bestuur wil jonge begeleiders niet belasten met taken waarvoor zij onvoldoende kennis of ondersteuning hebben.

Die uitleg verandert voor Anaïs echter niets aan het onmiddellijke gevolg. Zij mocht niet terugkeren. De boodschap van het stadsbestuur is dat het niet tegen het kind of haar aandoening koos, maar tegen een risico dat het niet voldoende beheersbaar achtte. Voor de ouders blijft het resultaat dat hun dochter wegens de zorg rond haar diabetes buiten de werking viel.

Coupillie kondigde overleg aan met het kinderdiabetesteam van AZ Sint-Jan om na te gaan welke mogelijkheden er in het concrete dossier nog bestaan. De stad liet daarmee ruimte voor een herziening, maar kon bij de eerste communicatie geen oplossing aanbieden waardoor Anaïs onmiddellijk opnieuw kon deelnemen.

Het statuut van bekwame helper kent beperkingen

Een belangrijk onderdeel van de discussie is het statuut van de bekwame helper. Dat systeem maakt het mogelijk dat iemand die geen professionele zorgverlener is bepaalde verpleegkundige handelingen uitvoert. Daarvoor zijn toestemming, instructies en in bepaalde gevallen een opleiding door een arts of verpleegkundige nodig. De toelating is gekoppeld aan de concrete persoon met de zorgnood en aan duidelijk omschreven handelingen.

Een bekwame helper kan actief zijn binnen een professionele of vrijwillige activiteit buiten een zorginstelling. Voorbeelden zijn opvoeders, kinderbegeleiders, scoutsleiders en begeleiders van personen met een beperking. Niemand kan echter worden verplicht om die rol op te nemen. De kandidaat moet vrijwillig instemmen en over de nodige kennis en vaardigheden beschikken.

Voor Diksmuide vormt de personeelsstructuur een extra moeilijkheid. De hoofdmonitoren zijn 18-plussers die als jobstudent werken. In de federale toelichting bij het statuut worden jobstudenten uitgesloten van de regeling voor bekwame helpers. Studenten worden daarin niet beschouwd als personen die binnen hun beroep optreden, omdat studeren hun hoofdactiviteit is en het studentenwerk als bijkomend geldt.

De burgemeester wees dus op een reële juridische beperking. Dat betekent evenwel niet dat iedere vorm van ondersteuning uitgesloten is. Vrijwilligers of gewone werknemers kunnen onder voorwaarden wel als bekwame helper optreden. Ook kunnen bepaalde kinderen onderdelen van hun zorg zelfstandig uitvoeren, terwijl een begeleider toezicht houdt, afspraken opvolgt of bij problemen contact opneemt met de ouders of een zorgverlener. Welke aanpak veilig en wettelijk mogelijk is, moet per kind worden vastgesteld. (Volksgezondheid)

Wevelgem en Diksmuide werken vanuit een ander model

De vergelijking tussen Wevelgem en Diksmuide is daarom niet zo eenvoudig als de stelling dat de ene gemeente wel om kinderen geeft en de andere niet. De werkingen verschillen in omvang, personeelsmodel en beschikbare ondersteuning. Wevelgem vangt dagelijks ruim 250 kinderen op en heeft via De Stroom toegang tot een inclusiecoach, opleidingen en telefonisch advies. De begeleiding is ingebouwd in de organisatie.

Diksmuide werkt met een ploeg waarin jonge monitoren soms slechts enkele dagen aanwezig zijn. De hoofdmonitoren zijn jobstudenten en kunnen daardoor niet zonder meer binnen het statuut van bekwame helper worden ingezet. Het stadsbestuur stelt dat het onder die voorwaarden onvoldoende zekerheid kon geven.

Toch maakt Wevelgem zichtbaar dat de mogelijkheden van een speelpleinwerking niet alleen door het aantal monitoren worden bepaald. De gemeente koos voor een structurele samenwerking met een gespecialiseerde organisatie. Ze voorziet advies en opleiding voordat een probleem uitmondt in uitsluiting. Dat model kost middelen en vraagt voorbereiding, maar zorgt ervoor dat kinderen met diabetes niet bij voorbaat buiten de werking vallen.

De vraag voor Diksmuide is daardoor ruimer dan de situatie van één monitor of één vakantiedag. De kwestie is of de stad haar speelpleinwerking op termijn anders kan organiseren, zodat medische of bijkomende zorgnoden niet telkens tot dezelfde impasse leiden. Dat kan gaan over opleiding, vaste verantwoordelijken, samenwerking met een gespecialiseerde partner, aangepaste verzekeringen, afspraken met ouders en medische teams of een personeelsmodel waarin minstens enkele begeleiders wettelijk een grotere zorgrol kunnen opnemen.

Veiligheid en inclusie hoeven geen tegenpolen te zijn

In het debat worden veiligheid en inclusie soms voorgesteld alsof een bestuur tussen beide moet kiezen. De praktijk in Wevelgem laat een andere benadering zien. Veiligheid wordt er nagestreefd door vooraf afspraken te maken, verantwoordelijkheden toe te wijzen en gespecialiseerde hulp bereikbaar te houden. Inclusie betekent er niet dat iedere vraag zonder voorwaarden wordt aanvaard.

Omgekeerd is een weigering ook niet automatisch de enige veilige keuze. Tussen onbeperkte toelating en definitieve uitsluiting liggen verschillende mogelijkheden. Een kind kan op bepaalde dagen deelnemen, voor een beperkt aantal uren komen, eigen voeding meenemen, zelfstandig een meter gebruiken of ondersteund worden door een vaste verantwoordelijke. Welke regeling geschikt is, hangt af van de zorgnood en de draagkracht van de werking.

Bij Katjeduk wordt die afweging samen met de ouders gemaakt. Wanneer een kind niet elke dag kan komen, wordt gezocht naar dagen waarop deelname wel haalbaar is. Dat overleg vermindert de teleurstelling niet altijd, maar het voorkomt dat de medische achtergrond van een kind automatisch tot een gesloten deur leidt.

Jonge monitoren mogen niet alleen achterblijven

Zowel in Wevelgem als in Diksmuide klinkt bezorgdheid over de positie van jonge monitoren. Dat is terecht. Een zestienjarige begeleider kan niet geacht worden zelfstandig medische beslissingen te nemen waarvoor zelfs volwassenen opleiding en instructies nodig hebben. De verantwoordelijkheid hoort bij de organisatie en het bestuur dat de werking inricht.

Een inclusiecoach, vaste hoofdleiding en duidelijke procedures beschermen daardoor niet alleen het kind. Ze beschermen ook de monitor. Een jongere hoeft dan niet te improviseren wanneer een glucosewaarde afwijkt, een kind zich anders gedraagt of medicatie moet worden opgevolgd. Er is vooraf bepaald wie handelt, wie wordt gebeld en wanneer de ouders of medische diensten worden ingeschakeld.

Ward Schoutteten begrijpt dat kleinere werkingen die structuur niet altijd kunnen aanbieden. Zijn reactie is daarom geen eenvoudige veroordeling van Diksmuide. Hij wijst op verschillen in middelen en personeelsbezetting. Tegelijk vormt Katjeduk een concreet voorbeeld van wat mogelijk wordt wanneer een gemeente externe deskundigheid inzet en monitoren niet alleen laat.

De beslissing treft in de eerste plaats een kind

Besturen spreken over aansprakelijkheid, personeelsstatuten, risicoanalyses en medische opvolging. Voor Anaïs gaat het over iets directers. Haar vriendinnen mogen naar het speelplein en zij kreeg na twee dagen te horen dat ze niet meer kon komen. Een organisatorische beperking krijgt daardoor een persoonlijk gezicht.

Kinderen beoordelen een beslissing niet aan de hand van juridische categorieën. Zij merken wie mee mag spelen en wie thuisblijft. Dat maakt de manier waarop een bestuur communiceert en naar alternatieven zoekt minstens zo belangrijk als de oorspronkelijke risicoanalyse.

De moeder van Anaïs vraagt dat haar dochter niet wordt herleid tot haar diabetes. In Wevelgem beginnen de begeleiders vanuit een vergelijkbare gedachte: eerst bekijken welke ondersteuning nodig is en pas daarna bepalen wat haalbaar is. Dat leidt niet altijd tot deelname op iedere gewenste dag, maar het gesprek begint er niet met een weigering.

Een politieke keuze over middelen en organisatie

De situatie legt ook een bestuurlijke vraag bloot. Een lokaal bestuur kan zich beperken tot de vaststelling dat de huidige werking bepaalde zorg niet aankan. Het kan eveneens besluiten dat de organisatie moet worden aangepast omdat kinderen met medische noden deel uitmaken van het doelpubliek.

Dat vraagt geld, personeel en tijd. Een samenwerking zoals die tussen Wevelgem en De Stroom ontstaat niet op één dag. Monitoren moeten worden opgeleid, afspraken moeten juridisch worden nagekeken en zorgverleners moeten bereid zijn instructies te geven. Toch is dat precies het werk dat vooraf nodig is om te vermijden dat een kind tijdens de vakantieperiode plots wordt geweigerd.

De vergelijking met Wevelgem bewijst niet dat iedere oplossing uit Katjeduk zonder wijziging naar Diksmuide kan worden overgebracht. Ze toont wel dat een speelpleinwerking met honderden kinderen en uiteenlopende zorgvragen ondersteuning kan organiseren. Wevelgem erkent daarbij zijn grenzen, maar probeert binnen die grenzen deelname mogelijk te maken.

Diksmuide staat voor een nieuwe beslissing

Het aangekondigde overleg met het kinderdiabetesteam biedt Diksmuide de kans om het individuele dossier van Anaïs opnieuw te bekijken. De uitkomst daarvan zal tonen of de eerste beslissing een definitieve uitsluiting blijft of het begin wordt van een aangepaste regeling.

Daarnaast blijft de structurele vraag bestaan. Ook wanneer voor Anaïs een tijdelijke oplossing wordt gevonden, kunnen later andere kinderen met diabetes, epilepsie, allergieën, een fysieke beperking of bijkomende ondersteuningsnoden worden aangemeld. Een werking die pas reageert wanneer een kind aan de poort staat, dreigt telkens opnieuw onder tijdsdruk te moeten beslissen.

Wevelgem heeft met de inclusiecoach en De Stroom een systeem uitgebouwd dat de monitoren vooraf ondersteunt. Diksmuide zal moeten bepalen of het een vergelijkbare vorm van expertise wil organiseren. Het antwoord daarop bepaalt mee of toekomstige zorgvragen worden gezien als een reden om kinderen thuis te laten of als een opdracht waarvoor het bestuur een veilige regeling zoekt.

In Wevelgem nemen dagelijks ruim 250 kinderen deel en heeft ongeveer één op de tien een medische achtergrond of nood aan bijkomende ondersteuning. In Diksmuide bleef één meisje van acht na twee dagen thuis. Dat verschil verdient een grondig debat, niet om jonge monitoren met medische taken op te zadelen, maar om te voorkomen dat kinderen de prijs betalen voor ondersteuning die vooraf niet werd geregeld.

Bronnen:
VRT NWS, Na heisa in speelpleinwerking Diksmuide: kinderen met diabetes welkom in Wevelgem, maar begrijpelijk dat het niet overal kan
Focus en WTV, Speelpleinwerking Diksmuide weigert Anaïs met diabetes
Publieke verklaring van burgemeester Koen Coupillie over speelpleinwerking Zonnestraal
Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, FAQ over de wetgeving inzake de bekwame helper
Vlaamse Dienst Speelpleinwerk, informatie over de bekwame helper – Komaf, voorwaarden voor de bekwame helper

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)