Staakt-het-vuren stort in terwijl Iran de Straat van Hormuz opeist

15 juli 2026
De strijd tussen Iran en de Verenigde Staten is in de voorbije week opnieuw overgegaan van een wankel bestand naar regelmatige militaire confrontaties in en rond de Perzische Golf. De recentste Iran-analyse die op woensdag 15 juli 2026 in de ISW-mails beschikbaar was, draagt de datum dinsdag 14 juli 2026. De zes dagelijkse analyses sinds woensdag 9 juli tonen telkens dezelfde kern: Teheran beschouwt zeggenschap over de Straat van Hormuz als een strategisch doel dat zwaarder weegt dan het vermijden van nieuwe Amerikaanse aanvallen. De Verenigde Staten proberen met luchtaanvallen, maritieme druk en een hernieuwde blokkade de Iraanse capaciteit om koopvaardijschepen aan te vallen terug te dringen. Toch bleef Iran schepen treffen, Amerikaanse bases in de Golfstaten bestoken en de zuidelijke vaarroute langs Oman bestrijden. Diplomaten bleven praten, maar over de vaarweg, het Iraanse kernprogramma en Hezbollah bleven de posities ver uit elkaar liggen. Tegen maandag 13 juli werd het staakt-het-vuren feitelijk als beëindigd beschouwd.
De Straat van Hormuz wordt het centrale front
De Straat van Hormuz is niet langer een bijkomend strijdtoneel binnen de oorlog. Voor Iran vormt de vaarweg de voornaamste hefboom waarmee het de Verenigde Staten, Oman, de Verenigde Arabische Emiraten en andere kuststaten onder druk kan zetten. Teheran wil bepalen welke schepen de zeestraat gebruiken, welke route zij volgen en onder welke voorwaarden zij doorvaren. De Iraanse machthebbers zien dat niet als een tijdelijke militaire maatregel, maar als een blijvende wijziging van het bestuur van de vaarweg. De Amerikaanse en Iraanse onderhandelaars sloten op donderdag 18 juni 2026 een memorandum waarin Iran zich tijdelijk tot veilige en kosteloze doorgang verbond. De vijfde clausule schreef gesprekken voor met Oman en andere kuststaten over het toekomstige beheer en de maritieme dienstverlening in de zeestraat, met inachtneming van het toepasselijke internationale recht. De Amerikaanse regering ging er kennelijk van uit dat de Golfstaten de Iraanse eisen tijdens die gesprekken zouden afzwakken. Die verwachting hield onvoldoende rekening met de mogelijkheid dat Iran na een diplomatieke weigering geweld zou gebruiken om zijn regeling toch af te dwingen. Plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken Kazem Gharibabadi had op maandag 29 juni al aangekondigd dat Iran zijn nieuwe beleid in de zeestraat zou uitvoeren, ook wanneer Oman daarmee niet instemde.
De Iraanse redenering gaat verder dan inkomsten, havendiensten of verkeersbegeleiding. Hoge functionarissen behandelen de zeestraat als een bron van afschrikking, vergelijkbaar met een strategisch wapensysteem. Twee hoge Iraanse bronnen omschreven het loslaten van die zeggenschap als een vorm van overgave. Voormalig commandant van de Islamitische Revolutionaire Garde Mohsen Rezaei stelde op zondag 12 juli dat de zeestraat voor Iran belangrijker is dan tientallen kernwapens. Daarmee wordt duidelijk waarom Teheran ook na zware Amerikaanse aanvallen bleef handelen. Iran kan economische schade oplopen, militaire infrastructuur verliezen en nieuwe sancties riskeren, maar ziet een terugkeer naar het verkeersregime van vóór de oorlog als een grotere nederlaag. De strijd draait daardoor niet enkel om de fysieke doorgang van schepen. Hij gaat over de vraag of Iran een internationale zeeroute eenzijdig kan onderwerpen aan Iraanse toestemming.
Aanvallen op koopvaardijschepen lokken Amerikaanse vergelding uit
De huidige confrontatie begon niet met een massale aanval op een stad of een groot militair hoofdkwartier, maar met gerichte aanvallen op enkele koopvaardijschepen. Op maandag 6 en dinsdag 7 juli vielen Iraanse eenheden drie commerciële vaartuigen aan die gebruikmaakten van de zuidelijke route door Omaanse territoriale wateren. Die route was opgezet om schepen buiten de door Iran opgelegde verkeersregeling te laten varen. Voor Iran vormde elke geslaagde doorvaart langs Oman een aantasting van zijn aanspraak op zeggenschap. De aanvallen hadden daarom een duidelijk dwingend karakter: rederijen en kapiteins moesten begrijpen dat ook een route buiten de Iraanse wateren niet zonder gevaar was. De Verenigde Staten reageerden op maandag 7 en woensdag 8 juli met aanvallen op Iraanse militaire doelen langs de zuidkust.
Op woensdag 8 juli meldden de Verenigde Staten aanvallen op negentig doelen in Iran. Daarbij ging het om luchtverdedigingssystemen, radars en andere middelen voor kustbewaking, opslagplaatsen voor raketten en drones, maritieme capaciteiten en militaire logistiek. Beelden die aan een locatie konden worden gekoppeld, wezen op schade aan een toren voor de begeleiding van scheepvaart in de haven van Chabahar, dicht bij de grens met Pakistan. Ook een kazerne van de marine van de Islamitische Revolutionaire Garde in Shiraz werd getroffen. De gekozen doelwitten tonen de Amerikaanse werkwijze. Washington wilde niet alleen de lanceerinstallaties raken, maar ook de sensoren, communicatie, bevoorrading en commandostructuren die Iran nodig heeft om schepen op te sporen en aan te vallen. De aanval van woensdag 8 juli was echter geen beslissende slag. Iran had voor het verstoren van de scheepvaart maar een beperkt aantal inzetbare raketten, drones of snelle boten nodig.
Dat verschil tussen Amerikaanse vuurkracht en de lage Iraanse drempel om hinder te veroorzaken bepaalde de rest van de week. De Verenigde Staten konden tientallen locaties tegelijk treffen, maar Iran hoefde geen grote vloot uit te sturen om rederijen af te schrikken. Eén raketinslag, één droneaanval of zelfs een geloofwaardige waarschuwing kon een kapitein doen omkeren. De militaire uitkomst van een aanval is daardoor niet gelijk aan de economische uitkomst. Een gedeeltelijk beschadigd schip kan worden hersteld, maar de aanval kan tientallen andere vaartuigen overtuigen om te wachten. Iran kon de zeestraat dus ontregelen zonder ieder schip tegen te houden en zonder ieder Amerikaans aanvalsmiddel te overleven. Die asymmetrie verklaart waarom opeenvolgende Amerikaanse bombardementen niet meteen leidden tot een veilige en voorspelbare vaarweg.
Onderhandelingen hervatten zonder toenadering
Op vrijdag 10 juli kondigde president Donald Trump aan dat de Verenigde Staten op Iraans verzoek opnieuw zouden onderhandelen. Tegelijk verklaarde hij dat Washington het staakt-het-vuren als beëindigd beschouwde. Die twee boodschappen lijken tegenstrijdig, maar passen in de manier waarop beide partijen militaire druk en diplomatie naast elkaar gebruiken. Iran wilde gesprekken behouden om een langdurige blokkade en verdere aanvallen te vermijden. De Verenigde Staten wilden onderhandelingen gebruiken om vrije scheepvaart af te dwingen. Geen van beide partijen wijzigde echter zijn centrale doelstellingen. Iran bleef eisen dat zijn zeggenschap over de Straat van Hormuz werd erkend, wilde zijn kernprogramma behouden en koppelde de regionale regeling aan de bescherming van Hezbollah in Libanon.
De Amerikaanse voorwaarden lagen daar lijnrecht tegenover. Washington wilde een openbare Iraanse erkenning dat de zeestraat voor alle commerciële vaart toegankelijk is. Iran moest de aanvallen op schepen beëindigen en het vaarregime van vóór de oorlog herstellen. Bij de gesprekken over het kernprogramma verlangden Amerikaanse functionarissen dat Iran afstand zou doen van zijn reeds verrijkte nucleaire materiaal. Iraanse functionarissen gaven geen aanwijzing dat zij bereid waren dat materiaal af te staan. Zij maakten de bespreking van het kernprogramma zelfs afhankelijk van Amerikaanse erkenning van Iraans bestuur over de zeestraat. Het resultaat was een onderhandeling zonder gedeeld vertrekpunt. De Verenigde Staten wilden de vaarweg losmaken van de andere oorlogsdossiers. Iran wilde de vaarweg juist gebruiken om toegevingen over het kernprogramma en Hezbollah te verkrijgen.
De mogelijkheid van een tijdelijk akkoord bleef bestaan. Iran zou de aanvallen kunnen onderbreken en schepen laten doorvaren, terwijl het tegelijk bleef eisen dat zij een door Teheran aangewezen route gebruikten. Iran zou vervolgens kunnen beweren dat het zich aan de tijdelijke doorgangsverplichting hield, zonder zijn aanspraak op het toekomstige bestuur op te geven. Voor de Verenigde Staten en Oman zou dat onvoldoende zijn, omdat toestemming van Iran dan de basisvoorwaarde bleef. Het geschil gaat dus niet alleen over de vraag of een tanker vandaag kan passeren. Het gaat over de vraag wie morgen het recht heeft om die passage toe te staan, te weigeren of aan procedures te onderwerpen.
Oman stelt twee routes voor maar Teheran weigert
Op zaterdag 11 juli kwamen Iraanse en Omaanse functionarissen bijeen in Muscat. Oman probeerde een praktische regeling te bereiken die de koopvaardij uit de directe confrontatie moest houden. Het voorstel voorzag in twee operationele corridors. De zuidelijke corridor zou door Omaanse territoriale wateren lopen. Daar zouden schepen onder de voorwaarden van vóór de oorlog en zonder voorafgaande Iraanse toestemming kunnen varen. De noordelijke corridor zou door Iraanse wateren lopen. Voor die route zou voorafgaande toestemming van Iran nodig zijn, maar er zouden geen doorgangskosten worden geheven. Het voorstel erkende dus dat Iran binnen zijn eigen wateren een rol had, maar het gaf Teheran geen bevoegdheid over de zuidelijke route.
Precies dat laatste was voor Iran onaanvaardbaar. Een bruikbare zuidelijke corridor zou rederijen in staat stellen de Iraanse procedures te ontwijken. Hoe veiliger die route werd, hoe minder invloed Iran over het scheepvaartverkeer kon uitoefenen. Iraanse media waarschuwden dat een parallelle route of buitenlandse begeleiding door de zuidelijke corridor de Iraanse veiligheidsregeling zou ondermijnen. Minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi slaagde er tijdens het overleg niet in toestemming voor het Omaanse voorstel te verkrijgen. Op zondag 12 juli wees Iran de regeling af en bracht Araghchi het voorstel terug naar Teheran voor intern overleg. De weigering maakte duidelijk dat technische afspraken over lijnen op een zeekaart het politieke geschil niet konden oplossen. Oman bood veilige doorgang aan. Iran verlangde erkenning van gezag.
Oman bevond zich daardoor in een bijzonder moeilijke positie. Het trad op als bemiddelaar tussen Washington en Teheran, maar zijn territoriale wateren werden tegelijk de route die Iran met geweld probeerde te ontmoedigen. Een akkoord moest voor Oman vrije scheepvaart garanderen zonder het Iraanse bestuur over de internationale vaarweg te erkennen. Voor Iran moest hetzelfde akkoord aantonen dat schepen niet buiten de Iraanse regeling konden varen. De diplomatieke ruimte werd daardoor steeds kleiner. Iedere succesvolle doorvaart langs Oman verzwakte de Iraanse aanspraak. Iedere Iraanse aanval in of nabij die route ondermijnde het vertrouwen dat nodig was om de gesprekken voort te zetten.
Een machtsstrijd in Teheran of een bruikbare verklaring
Op zaterdag 11 juli kwam ook de interne verdeeldheid binnen het Iraanse bestuur centraal te staan. Amerikaanse functionarissen kregen van Iraanse gesprekspartners te horen dat een radicale factie buiten de gewenste politieke lijn verantwoordelijk zou zijn voor de aanvallen op commerciële schepen. Die voorstelling maakte het voor de Iraanse onderhandelaars mogelijk om de gesprekken te redden zonder openlijk verantwoordelijkheid voor de aanvallen te nemen. Zij konden stellen dat diplomatieke organen het bestand wilden behouden, maar dat een afzonderlijke groep de uitvoering saboteerde. De Iraanse Engelstalige staatszender Press TV ontkende echter dat los opererende eenheden actief waren en betwistte ook dat Iran zelf om nieuwe onderhandelingen had gevraagd.
Binnen de politieke leiding bestond aantoonbaar steun voor overleg. Minister Abbas Araghchi leidde de onderhandelingen. President Masoud Pezeshkian en parlementsvoorzitter Mohammad Bagher Ghalibaf steunden eveneens gesprekken met de Verenigde Staten. Daartegenover stond de marine van de Islamitische Revolutionaire Garde, die verantwoordelijk was voor de aanvallen in de zeestraat en nauw verbonden is met de hoogste militaire leiding. De aanvallen van maandag 6 en dinsdag 7 juli kwamen nadat Iran zag hoe snel schepen via de zuidelijke route aan zijn greep ontsnapten. Dat tijdstip wijst eerder op een strategische beslissing binnen de bevelslijn dan op een geïsoleerde actie van enkele ongehoorzame officieren. Het verhaal over een radicale buitenstaandersgroep kan daarom zowel een werkelijk intern conflict weerspiegelen als een onderhandelingstechniek zijn.
President Pezeshkian speelde eerder al een belangrijke rol bij het tot stand komen van het memorandum van donderdag 18 juni. Hij vreesde de gevolgen van de Amerikaanse blokkade en de verslechterende economische toestand en drong er bij opperste leider Mojtaba Khamenei op aan het akkoord te aanvaarden. Mojtaba Khamenei stemde daarmee in op voorwaarde dat de onderhandelaars zijn rode lijnen niet overschreden en dat Pezeshkian politieke verantwoordelijkheid zou dragen wanneer de regeling mislukte. Dat legde een zware last bij de president. Wanneer hij toegevingen deed, riskeerde hij een conflict met de Garde en de opperste leider. Wanneer hij geen resultaat boekte, kon hij verantwoordelijk worden gesteld voor een nieuwe blokkade en Amerikaanse aanvallen. De gevechten van juli tonen hoe beperkt zijn speelruimte was.
De Golfstaten worden rechtstreeks in de strijd getrokken
Iran probeerde niet alleen de Verenigde Staten en de koopvaardij te beïnvloeden. Het wilde ook de Golfstaten afschrikken die de zuidelijke vaarroute steunden, Amerikaanse eenheden huisvestten of militaire medewerking verleenden. Op donderdag 9 juli werden doelen in Chabahar, Bandar Abbas, op het eiland Qeshm en in Ahvaz aangevallen. Openbronwaarnemers schreven die acties toe aan een of meerdere Golfstaten, maar op basis van de beschikbare gegevens kon niet worden vastgesteld welk land verantwoordelijk was. Iraanse functionarissen richtten hun beschuldigingen vooral op de Verenigde Arabische Emiraten. Parlementslid Esmail Kowsari dreigde op vrijdag 10 juli de maritieme, spoorweg- en luchtvaartinfrastructuur van de Emiraten aan te vallen. Regimegezinde commentatoren wilden de Emiraten toevoegen aan de Iraanse lijst van doelwitten.
Die dreiging paste in een bredere Iraanse poging om militaire samenwerking met de Verenigde Staten politiek en economisch te bestraffen. De Emiraten beschikken over nauwe defensiebanden met Washington en Israël en hebben er groot belang bij dat schepen de zeestraat zonder Iraanse toestemming kunnen gebruiken. Voor Teheran vormden de Emiraten daardoor een belangrijke tegenstander, ook wanneer niet vaststond dat Emiratische eenheden zelf aanvallen hadden uitgevoerd. Door infrastructuur als havens, luchthavens en spoorlijnen te noemen, maakte Iran duidelijk dat het niet alleen Amerikaanse bases kon aanvallen, maar ook de handelsfunctie waarop de Emiratische economie steunt.
Iran voerde in deze periode tevens aanvallen uit op doelen in Koeweit, Bahrein, Qatar en Jordanië. Het verklaarde dat Amerikaanse militaire infrastructuur het doel was. De politieke boodschap was gericht aan de regeringen die Amerikaanse eenheden op hun grondgebied toelieten: wanneer de Verenigde Staten vanuit hun landen Iran aanvielen, zouden die landen zelf risico lopen. Dat stelde de Golfstaten voor een lastig dilemma. Zij hadden Amerikaanse luchtverdediging en militaire steun nodig tegen Iraanse raketten en drones, maar hun samenwerking met Washington kon hen tegelijk tot doelwit maken. Sommige regeringen wilden streng optreden tegen Iran. Andere bleven bemiddelen, uit vrees dat uitbreiding van de oorlog hun havens, energievoorziening en luchtvaart zou treffen.
Iran blijft schepen raken na honderden Amerikaanse aanvallen
Op zaterdag 11 juli trof de marine van de Islamitische Revolutionaire Garde de onder Cypriotische vlag varende GFS Galaxy met een antischeepskruisraket. Een dag later claimde Iran een tweede aanval op een niet nader genoemd vaartuig. De Verenigde Staten reageerden op zaterdag 11 juli met aanvallen op ongeveer 140 Iraanse militaire doelen. Daaronder bevonden zich raket- en dronesites, maritieme middelen, radars voor lucht- en oppervlaktebewaking en lanceerders voor luchtdoelraketten. Amerikaanse functionarissen meldden daarnaast aanvallen op snelle vaartuigen van de Garde en op systemen rond de zeestraat. Een deel van de aanvallen reikte tot gebieden in centraal Iran.
De genoemde Amerikaanse aantallen moeten chronologisch worden gelezen en mogen niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld. De negentig doelen van woensdag 8 juli vormden een afzonderlijke aanvalsgolf. Op zaterdag 11 juli werden ongeveer 140 doelen gemeld. Tegen zondag 12 juli sprak het Amerikaanse commando over ruim driehonderd getroffen doelen verspreid over drie nachten. De analyse van maandag 13 juli gebruikte opnieuw het cijfer van ruim driehonderd Amerikaanse aanvallen sinds vrijdag 10 juli. Die aantallen overlappen elkaar. Zij tonen de omvang van de campagne, maar vormen geen eenvoudige optelsom van afzonderlijke doelwitten.
Ondanks die Amerikaanse operatie bleef Iran op maandag 13 juli in staat om ten minste drie commerciële schepen aan te vallen. Onder de getroffen vaartuigen waren twee tankers uit de Verenigde Arabische Emiraten die de zuidelijke route langs Oman probeerden te gebruiken. Eén bemanningslid kwam om het leven en acht anderen raakten gewond. De aanvallen waren militair beperkt in vergelijking met de honderden Amerikaanse doelwitten, maar hun betekenis was groot. Zij bewezen dat Iran nog steeds een schip kon lokaliseren, een wapen kon lanceren en slachtoffers kon maken op de route die juist als alternatief voor de Iraanse regeling was bedoeld.
Op dinsdag 14 juli antwoordde Iran op de Amerikaanse aanvallen met nieuwe acties tegen Amerikaanse militaire bases in Koeweit, Bahrein en Jordanië. Er verscheen ook een melding dat Iran voor het eerst een clustermunitiekop tegen een doel in Bahrein had gebruikt. Die melding kon niet worden bevestigd. Indien ze juist is, zou ze een wijziging in de Iraanse tactiek betekenen, omdat dergelijke koppen eerder vooral tegen Israël waren ingezet. Een clustermunitiekop verspreidt kleinere ladingen over een ruim gebied en verhoogt daardoor het gevaar voor personeel en infrastructuur rond het beoogde doel. De onbevestigde aard van de melding blijft echter essentieel: ze mag niet als vastgesteld feit worden voorgesteld.
De blokkade keert terug en het bestand eindigt feitelijk
Op zaterdag 11 juli kondigde de Iraanse Garde aan dat zij de Straat van Hormuz opnieuw had gesloten. In de dagen daarna namen de aanvallen op schepen en militaire bases toe. De Verenigde Staten maakten bekend dat de blokkade van Iraanse havens op dinsdag 14 juli opnieuw van kracht zou worden. Die Amerikaanse maatregel richtte zich op verkeer naar en vanuit Iraanse havens, olieterminals en kustgebieden. Schepen die zonder toestemming een geblokkeerde Iraanse zone binnenvoeren of verlieten, konden worden onderschept, omgeleid of in beslag genomen. De Verenigde Staten maakten tegelijk een onderscheid tussen verkeer met Iran en neutrale doorvaart door de zeestraat naar andere landen. Schepen met een bestemming buiten Iran mochten volgens de Amerikaanse regeling blijven varen.
Daarmee ontstonden feitelijk twee tegenovergestelde maritieme dwangsystemen. Iran probeerde alle relevante doorvaart aan Iraanse toestemming te onderwerpen. De Verenigde Staten probeerden Iraanse havens economisch af te sluiten terwijl zij de doorgang naar andere Golfstaten beschermden. Beide partijen gebruikten zeemacht om politieke voorwaarden af te dwingen. Voor koopvaardijschepen maakte dat de situatie nauwelijks eenvoudiger. Een schip kon buiten de Amerikaanse blokkade vallen en toch door Iran worden aangevallen. Een vaartuig kon de Iraanse verkeersregeling volgen en vervolgens Amerikaanse controle ondervinden wanneer het naar een Iraanse haven voer. De juridische en militaire regels liepen door elkaar, terwijl kapiteins onder tijdsdruk beslissingen moesten nemen.
De eerdere Amerikaanse blokkade had in de eerste maanden van 2026 een merkbaar effect gehad op de bereidheid van Iran om verder te vechten. De economische druk speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het akkoord van donderdag 18 juni. De herinvoering op dinsdag 14 juli betekende daarom veel meer dan een technische marinemaatregel. Washington herstelde het instrument dat de Iraanse regering eerder naar de onderhandelingstafel had geduwd. Voor Teheran vormde dat tegelijk een reden om de druk op de zeestraat op te voeren. Iran wilde aantonen dat een blokkade van zijn havens niet kon worden uitgevoerd zonder kosten voor de energie-export en de veiligheid van Amerikaanse partners in de regio.
De gevechten blijven kleiner dan in maart en april
De nieuwe confrontatie had een kleinere geografische omvang dan de zware gevechten in maart en april 2026. De meeste Amerikaanse aanvallen waren gericht op militaire doelen in het zuiden van Iran, al werden ook locaties dieper in het land getroffen. De driehonderd Amerikaanse aanvallen in drie dagen vormden naar schatting ongeveer een derde van het aantal Amerikaanse aanvallen tijdens de drukste fase van de campagne in maart en april. Iran breidde het gebied van zijn vergeldingsacties wel uit naar een groot deel van de Golfstaten, maar richtte in deze week geen nieuwe grootschalige aanval op Israël en zette geen brede campagne tegen burgerinfrastructuur in de Golfstaten in.
Dat wijst op een poging van beide partijen om druk uit te oefenen zonder onmiddellijk terug te keren naar de zwaarste fase van de oorlog. De Verenigde Staten kozen vooral militaire locaties die met scheepvaartaanvallen samenhingen. Iran viel koopvaardijschepen en Amerikaanse militaire installaties aan, maar vermeed tot dan toe een omvangrijke aanval op Israëlische steden of de centrale economische infrastructuur van alle Golfstaten tegelijk. Deze begrenzing mag echter niet worden verward met stabiliteit. De dood van één zeeman, de verwonding van bemanningsleden en de aanvallen op bases tonen hoe snel een gerichte actie politieke gevolgen kan krijgen. Een verkeerd geïnterpreteerde raketlancering, een aanval met veel slachtoffers of een inslag in een dichtbevolkt gebied kan de bestaande terughoudendheid doorbreken.
Het kernprogramma blijft aan de zeestraat gekoppeld
De strijd om Hormuz kan niet los worden gezien van het Iraanse kernprogramma. Iran gebruikte de vaarweg als onderhandelingsmiddel om Amerikaanse erkenning en ruimte voor het nucleaire dossier te verkrijgen. De Iraanse positie kwam erop neer dat geen inhoudelijke bespreking over verrijkt materiaal mogelijk was zolang Washington de Iraanse zeggenschap over de zeestraat niet erkende. De Verenigde Staten stelden juist dat vrije doorvaart eerst moest worden hersteld en dat een nucleair akkoord afhankelijk was van het afstaan van verrijkt materiaal.
Daardoor ontstond een gesloten onderhandelingscirkel. Washington wilde eerst vrije scheepvaart en nucleaire toegevingen. Teheran wilde eerst erkenning van zijn maritieme positie voordat het over nucleaire toegevingen sprak. Geen van beide partijen wilde de eerste stap zetten, omdat die binnen de eigen politieke leiding als zwakte kon worden uitgelegd. Voor de Iraanse Garde zou het loslaten van Hormuz de belangrijkste afschrikkingshefboom aantasten. Voor de Amerikaanse regering zou erkenning van Iraans bestuur over de vaarweg betekenen dat geweld tegen schepen werd beloond. Zolang die tegenstelling bleef bestaan, konden gesprekken incidenten tijdelijk beperken, maar geen duurzaam akkoord dragen.
Hezbollah en Libanon blijven deel van de Iraanse voorwaarden
Iran koppelde het openen van de zeestraat en gesprekken over het kernprogramma eerder ook aan een einde van Israëlische operaties tegen Hezbollah in Libanon. Daarmee maakte Teheran van Hormuz een middel om een afzonderlijk regionaal front te beïnvloeden. Hezbollah probeerde ondertussen de ontwapening door de Libanese regering uit te stellen. De organisatie wilde de regering ervan overtuigen dat zij zou samenwerken met de Libanese strijdkrachten, maar dat eerst een algehele Israëlische terugtrekking uit Libanon moest worden bereikt. Die volgorde zou Hezbollah tijd geven om zijn wapens, commandostructuren en politieke invloed te behouden.
De koppeling met Hezbollah maakte een Amerikaans-Iraans akkoord nog moeilijker. Een regeling over scheepvaart moest dan niet alleen Iran en Oman tevredenstellen, maar ook rekening houden met Israëlische operaties en het Libanese ontwapeningsdossier. De Verenigde Staten wilden voorkomen dat Iran vrije doorvaart gebruikte om bescherming voor Hezbollah af te dwingen. Iran wilde vermijden dat een akkoord in Hormuz zijn regionale bondgenoot zonder tegenprestatie verzwakte. De oorlog in de zeestraat bleef daardoor verbonden met de machtsstrijd in Libanon, ook wanneer daar in deze week geen nieuw groot front werd geopend.
Ook Jemen raakt opnieuw bij de regionale strijd betrokken
Op maandag 13 juli voerde Saudi-Arabië aanvallen uit op de door de Houthi’s beheerste internationale luchthaven van Sanaa. Twee Amerikaanse functionarissen verklaarden een dag later dat Washington die aanvallen steunde. De Houthi’s waarschuwden commerciële luchtvaartmaatschappijen op dinsdag 14 juli om het Saoedische luchtruim niet te gebruiken. Dat bracht een tweede strategische zeestraat opnieuw in beeld. De Houthi’s beschikken vanuit Jemen over middelen om verkeer richting de Rode Zee en Bab el-Mandeb te bedreigen. Iran kan daardoor druk laten ontstaan aan beide zijden van het Arabische Schiereiland: rechtstreeks in Hormuz en via een bevriende gewapende organisatie bij Bab el-Mandeb.
Een gelijktijdige dreiging voor beide vaarwegen zou veel grotere gevolgen hebben voor handel, energie en militaire bevoorrading. De ontwikkelingen van deze week bewijzen nog niet dat Iran en de Houthi’s een gezamenlijke sluitingscampagne voorbereidden. De waarschuwing aan luchtvaartmaatschappijen en de Amerikaanse steun aan de Saoedische aanvallen tonen wel dat de oorlog opnieuw invloed kreeg op Jemen. De kans bestaat dat een conflict dat begon rond de Iraanse kust zich via bondgenoten en tegenstanders naar andere transportroutes uitbreidt.
Eén inzetbaar wapen kan tientallen schepen tegenhouden
De Amerikaanse campagne wordt vaak beoordeeld aan de hand van aantallen getroffen doelen. Voor de veiligheid van de scheepvaart is een andere maatstaf belangrijker: kan Iran nog één schip raken? Zolang het antwoord daarop ja luidt, blijft het risico voor rederijen hoog. Kapiteins, reders, verzekeraars en ladingsbezitters nemen geen beslissingen op basis van het gemiddelde aantal geslaagde doorvaarten. Zij moeten rekening houden met de mogelijke dood van bemanningsleden, brand aan boord, verlies van lading, milieuschade en maandenlange juridische geschillen. Zelfs wanneer de kans op een aanval beperkt is, kunnen de gevolgen zo groot zijn dat uitstel de veiligste keuze wordt.
Iran gebruikt precies die risicoberekening. Het hoeft geen aaneengesloten versperring te bouwen en hoeft niet ieder schip te controleren. Het moet voldoende twijfel zaaien over de veiligheid van de route die buiten zijn regeling ligt. De aanvallen op de zuidelijke corridor langs Oman hadden daarom een groter doel dan de afzonderlijke tankers. Zij moesten aantonen dat geen alternatieve route geloofwaardig kon worden zonder Iraanse instemming. De Amerikaanse aanvallen probeerden de lanceermiddelen weg te nemen, maar zolang enkele drones, antischeepsraketten of snelle boten inzetbaar bleven, kon Iran de economische uitwerking van een aanval behouden. De aanvallen van maandag 13 juli bewezen dat dit vermogen nog niet was uitgeschakeld.
Militaire druk en diplomatie lopen tegelijk door
De Verenigde Staten verklaarden dat de campagne tegen Iraanse middelen rond de zeestraat verscheidene weken kon duren. Dat betekent dat Washington zelf geen onmiddellijke beëindiging van de Iraanse dreiging verwachtte. Iedere nieuwe aanval moest kustbewaking, luchtverdediging, raketopslag, drone-eenheden, snelle boten en logistiek verder aantasten. Iran kon ondertussen proberen zijn middelen te verspreiden, kleinere lanceerploegen te gebruiken en aanvallen te beperken tot momenten waarop de politieke opbrengst groot was. De strijd werd daarmee een wedstrijd tussen Amerikaanse afbraak en Iraanse overleving.
Diplomatie bleef tijdens die campagne mogelijk, maar de militaire acties waren geen losstaande achtergrond. Zij vormden een onderdeel van de onderhandeling. Iran viel schepen aan om zijn zeggenschap te bewijzen. De Verenigde Staten bombardeerden doelen en herstelden de blokkade om te tonen dat die zeggenschap economisch en militair onhoudbaar zou worden. Oman probeerde een route te vinden die beide partijen een deel van hun doel gaf, maar Iran verwierp het centrale element daarvan. De gesprekken gingen daardoor niet over het beëindigen van geweld voordat de politiek kon beginnen. Het geweld werd gebruikt om de voorwaarden van de politiek te bepalen.
Een oorlog zonder aanvaard gedeeld eindpunt
De ontwikkelingen van woensdag 9 tot en met dinsdag 14 juli tonen dat de partijen geen gezamenlijk beeld hebben van hoe de oorlog moet eindigen. Voor de Verenigde Staten betekent een aanvaardbare regeling vrije commerciële doorvaart, het einde van aanvallen op schepen, herstel van het vroegere verkeersregime en zware beperkingen op het Iraanse kernprogramma. Voor Iran betekent een aanvaardbaar einde erkenning van zijn zeggenschap in Hormuz, behoud van essentiële nucleaire capaciteiten en bescherming van Hezbollah. Oman en de andere Golfstaten willen veilige doorvaart zonder Iraanse overheersing, maar willen tegelijk vermijden dat hun grondgebied het permanente slagveld wordt tussen Washington en Teheran.
Het bestand kon standhouden zolang beide partijen tijd nodig hadden en de economische druk tijdelijk verminderde. Zodra schepen de Iraanse regeling via Oman begonnen te omzeilen, zag Teheran zijn belangrijkste winst verdwijnen. Iran gebruikte daarop geweld. De Verenigde Staten reageerden met honderden aanvallen en de terugkeer van de blokkade. Het tijdelijke akkoord bleek daardoor geen oplossing van het conflict, maar een pauze waarin de centrale geschillen bleven bestaan.
Bronnen:
Institute for the Study of War en Critical Threats Project, Iran Update Special Report, 9 juli 2026
Institute for the Study of War en Critical Threats Project, Iran Update Special Report, 10 juli 2026
Institute for the Study of War en Critical Threats Project, Iran Update Special Report, 11 juli 2026
Institute for the Study of War en Critical Threats Project, Iran Update Special Report, 12 juli 2026
Institute for the Study of War en Critical Threats Project, Iran Update Special Report, 13 juli 2026
Institute for the Study of War en Critical Threats Project, Iran Update Special Report, 14 juli 2026
Reuters, kruiscontrole van de aanvallen op schepen, de blokkade, de gesprekken in Oman en de maritieme gevolgen, 9 tot en met 15 juli 2026.
Associated Press, kruiscontrole van de herinvoering van de Amerikaanse blokkade en de regionale aanvallen, 13 en 14 juli 2026.
The Guardian en Financial Times, kruiscontrole van de recente gevechten en de pogingen van beide partijen om de omvang van de confrontatie te sturen.
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


