Van Koreaans erfgoed tot religieuze dialoog: IPYG laat jongeren vrede in de praktijk bestuderen

1 september 2026

Op dinsdag 1 september 2026 stond tijdens een online ontmoeting tussen België en Zuid-Korea een fundamentele vraag centraal: wat gebeurt er wanneer jongeren religieus en cultureel erfgoed niet uitsluitend bekijken als iets uit het verleden, maar als kennis die hun gedrag tegenover andere mensen vandaag kan beïnvloeden? Andy Vermaut doorliep samen met Ami Kim de drie sessies van ‘Perspective on Heritage’, een onderdeel van de Youth Empowerment Peace Class van de International Peace Youth Group, beter bekend als IPYG. De lessen bewegen bewust tussen Koreaans erfgoed, religieuze kleding, heilige geschriften, gebedshuizen, religieuze feesten, de geschiedenis van Mindanao en verschillende visies op de oorsprong van de mens. Het uitgangspunt blijft daarbij hetzelfde: eerst kennis verwerven, dan luisteren naar de overtuiging van de ander en pas daarna een oordeel vormen. De cursus eindigt bovendien niet bij theorie. Jongeren die ‘Perspective on Heritage’ afronden, krijgen binnen het programma de mogelijkheid om op 18 september 2026 in Zuid-Korea deel te nemen aan het World Youth Peace Program.

Erfgoed begint niet in een museum

Ricarda Hase, verbonden aan de Frankfurtse afdeling van Heavenly Culture, World Peace, Restoration of Light, leidde de eerste sessie in. Zij plaatste meteen vraagtekens bij de gedachte dat erfgoed uitsluitend bestaat uit monumenten, oude voorwerpen en historische gebouwen. Ook taal, omgangsvormen, rituelen, religieuze praktijken, kleding, muziek en kennis kunnen van generatie op generatie worden doorgegeven. De lessen maken daarom een onderscheid tussen tastbaar erfgoed, zoals gebouwen en kledij, en immaterieel erfgoed, zoals taal, ideeën, rituelen, muziek en levensbeschouwelijke praktijken. Religie krijgt binnen die benadering een belangrijke plaats omdat religieuze overtuigingen eeuwenlang invloed hebben gehad op de manier waarop mensen zichzelf, anderen, goed en kwaad, verantwoordelijkheid en hun plaats in de wereld begrijpen. De deelnemers kregen daarbij drie uitgangspunten mee: luisteren en respect tonen voordat een oordeel wordt gevormd, religieuze tradities zoveel mogelijk vanuit hun eigen geschriften proberen te begrijpen en opgedane kennis vertalen naar gedrag. Daarmee presenteert de Youth Empowerment Peace Class jongeren niet alleen als ontvangers van erfgoed, maar ook als mensen die zelf bepalen welke waarden zij later doorgeven.

Kleding vertelt iets over geloof en identiteit

Religieuze kleding vormde een van de eerste concrete voorbeelden. Bij het Koreaanse boeddhisme kwam de seungbok aan bod, de algemene Koreaanse benaming voor monnikskledij. Daarbij zijn onder meer de gasa en jangsam van belang. De gasa is de boeddhistische mantel die over andere kleding wordt gedragen, terwijl de jangsam een lange onderliggende monnikspij is die zich in Oost-Azië mede ontwikkelde door verschillen in klimaat en kledingtradities. De vorm van de Koreaanse monnikskledij illustreert daardoor hoe een religieuze praktijk vanuit India via andere delen van Azië in Korea een eigen uiterlijke vorm kon krijgen zonder haar religieuze functie te verliezen. Ook de Sikhtraditie werd besproken. Daar speelt kesh, het niet knippen van het haar, een belangrijke rol. De tulband beschermt het haar en is tegelijk een zichtbare uitdrukking van religieuze identiteit, waardigheid, gelijkheid en verantwoordelijkheid. De les wilde daarmee aantonen dat kleding die voor een buitenstaander ongewoon kan lijken, voor de drager een religieuze en persoonlijke betekenis kan hebben. Wie alleen naar het uiterlijke beeld kijkt, mist daarom een belangrijk deel van het verhaal.

De Tripitaka Koreana als tastbaar bewijs van kennisoverdracht

Een van de meest indrukwekkende Koreaanse voorbeelden was de Tripitaka Koreana in de Haeinsa-tempel. Deze verzameling boeddhistische teksten werd in de dertiende eeuw tijdens de Goryeo-dynastie op 81.258 houten drukblokken gegraveerd. De huidige reeks ontstond in de periode van de Mongoolse invasies en werd tussen 1237 en 1248 vervaardigd. De blokken worden tot vandaag in Haeinsa bewaard en staan sinds 2007 in het Memory of the World-register. Hun belang ligt niet uitsluitend in hun ouderdom. De gravures staan bekend om hun uitzonderlijke nauwkeurigheid en vormden gedurende eeuwen een instrument waarmee boeddhistische teksten konden worden gereproduceerd en bestudeerd. Juist daardoor paste de Tripitaka Koreana in het centrale thema van de lessen: kennis overleeft alleen wanneer mensen bereid zijn ze zorgvuldig te bewaren, te bestuderen en door te geven. Wat in de dertiende eeuw met hout, karakters en menselijk vakmanschap gebeurde, krijgt binnen de cursus een hedendaagse betekenis. Ook de huidige generatie beslist welke kennis zij bewaart en welke waarden zij aan anderen doorgeeft.

Bijbel, Koran en Guru Granth Sahib als religieus erfgoed

De eerste sessie plaatste de Tripitaka Koreana naast andere religieuze geschriften. De Bijbel werd besproken als een verzameling teksten waarin onder meer geschiedenis, geloofsleer, morele richtlijnen en profetische teksten voorkomen. Bij de islam ging aandacht naar oude handgeschreven Korans, waarbij religieuze inhoud samengaat met een lange traditie van kalligrafie en studie. Binnen het sikhisme kreeg de Guru Granth Sahib bijzondere aandacht. Sikhs behandelen dit geschrift niet louter als een boek, maar erkennen het als hun eeuwige Guru. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop het wordt bewaard, gelezen en geëerd. De bredere boodschap was dat een heilig geschrift voor gelovigen niet uitsluitend informatie bevat. Het kan ook richting geven aan gedrag, ethiek, rituelen en de wijze waarop iemand naar het leven kijkt. Religieuze geletterdheid betekent dan ook dat niet alleen wordt gekeken naar wat mensen doen, maar tevens naar de bronnen waaruit zij betekenis putten.

Een tempelpoort kan een levensbeschouwing uitdrukken

Ook architectuur werd gebruikt om religieuze ideeën tastbaar te maken. Bij Koreaanse boeddhistische tempels kreeg de Iljumun aandacht, de zogenoemde One Pillar Gate. De pilaren staan op één lijn, waardoor ze vanuit een bepaalde hoek als één steunstructuur kunnen worden waargenomen. De poort staat aan het begin van de toegang tot het tempelterrein en verwijst symbolisch naar het achterlaten van wereldse verstrooiing en het richten van de geest. Verderop kan de Burimun staan, de Gate of Non-Duality. Het begrip verwijst naar het boeddhistische idee dat de tegenstellingen waarmee mensen de werkelijkheid ordenen niet de uiteindelijke waarheid hoeven te vormen. De overgang door verschillende tempelpoorten wordt zo ook een symbolische tocht. Die uitleg maakte tijdens de ontmoeting indruk op Vermaut, die specifiek belangstelling toonde voor de betekenis van Burimun en het idee van waarheid voorbij onderscheid en discriminatie.

International Day of Friendship concept: Family at sunrise background

Ook moskee en Gouden Tempel dragen waarden in hun bouw

Bij islamitische architectuur werd uitgelegd hoe de qibla de gebedsrichting naar Mekka bepaalt en hoe de mihrab die richting in een moskee zichtbaar aangeeft. Daardoor kunnen gelovigen zich tijdens het gebed in dezelfde richting opstellen. Geometrische patronen, plantaardige motieven en kalligrafie behoren eveneens tot de herkenbare kenmerken van talrijke islamitische gebedshuizen. Bij het sikhisme ging de aandacht naar Sri Harmandir Sahib in Amritsar, internationaal vaak de Golden Temple genoemd. Daar speelt langar een centrale rol: bezoekers kunnen samen eten, ongeacht religieuze achtergrond of sociale positie. In de les werd dat gebruikt als praktisch voorbeeld van de sikhwaarden gelijkwaardigheid, dienstbaarheid en delen. De gebouwen werden daardoor niet alleen als architectuur bekeken. De vraag was steeds welke handelingen, regels en waarden binnen die ruimtes worden beoefend.

Waarom onbekendheid snel tot vooroordelen kan leiden

Doorheen de eerste sessie liep een duidelijke redenering. Mensen komen dagelijks in aanraking met uiterlijke tekenen van religie, maar kennen de achterliggende betekenis vaak niet. Een tulband, monnikspij, tempelpoort, moskee of geschrift kan daardoor vanuit afstand worden bekeken zonder te begrijpen waarom gelovigen er waarde aan hechten. De cursus probeert precies daar tussen te komen. Onbekendheid hoeft niet automatisch afwijzing te worden wanneer mensen bereid zijn vragen te stellen en uitleg te beluisteren. Voor jongeren is dat volgens de opzet extra relevant. Zij groeien op in samenlevingen waarin uiteenlopende religies, nationaliteiten en culturele achtergronden naast elkaar aanwezig zijn. De vaardigheid om een verschil waar te nemen zonder er onmiddellijk een negatief oordeel aan te koppelen, wordt binnen YEPC daarom als een praktische vredesvaardigheid behandeld.

Arian Nolasco brengt religieuze feesten naar de dagelijkse praktijk

In de tweede sessie verschoof de aandacht van kleding, geschriften en architectuur naar religieuze feesten. Arian Nolasco begeleidde die module. Het uitgangspunt was dat feesten vaak veel ouder zijn dan de hedendaagse vorm waarin mensen ze kennen. Achter kleuren, maaltijden, licht, vasten of samenkomsten kunnen religieuze verhalen en ethische waarden schuilgaan. De cursus behandelde onder andere Holi en Diwali binnen het hindoeïsme, Vesak binnen het boeddhisme, Thanksgiving in relatie tot christelijke en Bijbelse tradities en Ramadan en Eid al-Fitr binnen de islam. Hanukkah en Vaisakhi werden eveneens genoemd, maar konden binnen de beschikbare lestijd niet uitvoerig worden behandeld.

Holi en het verhaal van Radha en Krishna

Holi werd gebruikt om te tonen hoe een religieus verhaal kan uitgroeien tot een culturele praktijk die ook buiten haar oorspronkelijke omgeving bekend raakt. In de Garga Samhita worden Radha en Krishna in verband gebracht met het spelen met kleuren. De traditie rond Krishna, Radha en gekleurd poeder behoort tot de verhalen waarmee het huidige kleurenfeest wordt verklaard. Tijdens Holi vervagen door het gekleurde poeder tijdelijk zichtbare sociale verschillen tussen mensen. Binnen de les werd dat gekoppeld aan ideeën rond gelijkwaardigheid, menselijke nabijheid en het verminderen van sociale afstand. De cursus behandelde het feest daarbij niet als één verhaal met overal exact dezelfde betekenis. Religieuze feesten kunnen per regio, traditie en familie een andere invulling krijgen.

Diwali en het licht bij de terugkeer van Rama

Ook Diwali werd vanuit religieuze verhalen benaderd. In een invloedrijke Noord-Indiase traditie wordt het lichtfeest gekoppeld aan de terugkeer van Rama naar Ayodhya na zijn ballingschap en de overwinning op Ravana. Het ontsteken van diya’s, kleine olielampen, staat daarbij centraal. Diwali kent in India en daarbuiten echter verschillende religieuze en regionale betekenissen. Dat verschil is belangrijk, want een wereldwijd bekend feest laat zich niet altijd tot één oorsprongsverhaal herleiden. Binnen de cursus lag de aandacht vooral op de symbolische tegenstelling tussen licht en duisternis en op het doorgeven van hoop, kennis en ethisch handelen.

Vesak brengt het leven van de Boeddha in herinnering

Bij het boeddhisme stond Vesak centraal. Het feest herdenkt binnen verschillende boeddhistische tradities belangrijke gebeurtenissen uit het leven van de Boeddha, waaronder zijn geboorte, verlichting en overlijden. In 1999 erkende de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties internationaal de betekenis van Vesak. In de les werd daarnaast de Dhammapada aangehaald, een bekende verzameling verzen binnen het Theravada-boeddhisme. Daardoor kwam opnieuw hetzelfde didactische principe naar voren: een religieus feest wordt beter begrijpelijk wanneer ook de leer en teksten worden bekeken die eraan betekenis geven. Gedrag, ritueel en geschrift staan niet los van elkaar.

Ramadan gaat niet uitsluitend over niet eten

Bij de islam werd Ramadan behandeld als de negende maand van de islamitische maankalender en als een periode die religieus verbonden is met de openbaring van de Koran. Tijdens de vastenperiode onthouden vastende moslims zich tussen dageraad en zonsondergang onder andere van eten en drinken. De maand draait echter eveneens om gebed, liefdadigheid, zelfdiscipline en aandacht voor geloof en gedrag. Na Ramadan volgt Eid al-Fitr, waarbij het gezamenlijke gebed, familiebezoek, maaltijden en hulp aan mensen die steun nodig hebben een belangrijke plaats kunnen innemen. De cursus gebruikte dit voorbeeld om een veel voorkomende vereenvoudiging te corrigeren: Ramadan is niet gelijk aan vierentwintig uur per dag niets eten of drinken. Het vasten vindt plaats tussen dageraad en zonsondergang en maakt deel uit van een bredere religieuze praktijk.

Thanksgiving vraagt historische nuance

De tweede sessie maakte ook een vergelijking tussen Thanksgiving en oudere religieuze oogst- en danktradities. De bekende Amerikaanse geschiedenis rond de maaltijd van 1621 kwam aan bod, naast Bijbelse verwijzingen naar oogstfeesten. Daarbij is enige historische precisie nodig. De huidige Amerikaanse Thanksgiving is niet simpelweg hetzelfde feest als een oud Bijbels oogstfeest. De vergelijking is vooral bruikbaar om te laten zien dat dankbaarheid voor voedsel en oogst in verschillende perioden en religieuze tradities voorkomt. Daarmee blijft het onderliggende educatieve punt overeind zonder verschillende historische gebeurtenissen met elkaar gelijk te stellen.

People of different ages and nationalities having fun together

Mindanao als voorbeeld van burgerlijke vredesopbouw

Een belangrijk deel van de tweede sessie verplaatste de aandacht naar Mindanao in de Filipijnen, een regio met een lange geschiedenis van gewapend conflict. Op 24 januari 2014 vond in General Santos City een door HWPL gefaciliteerd civiel vredesinitiatief plaats waarbij toenmalig gouverneur Esmael G. Mangudadatu en emeritus-aartsbisschop Fernando Capalla een verklaring ondertekenden. Het initiatief bracht islamitische en niet-islamitische vertegenwoordigers samen en kreeg later een plaats in lokale vredesactiviteiten en herdenkingen. Daarbij is het belangrijk dit burgerlijke initiatief te onderscheiden van het formele vredesproces tussen de regering van de Filipijnen en het Moro Islamic Liberation Front. Het Comprehensive Agreement on the Bangsamoro tussen die twee partijen werd op 27 maart 2014 ondertekend. De cursus gebruikt het civiele initiatief vooral om te tonen hoe religieuze leiders, lokale bestuurders, jongeren en burgers naast officiële politieke processen een rol kunnen spelen in het verminderen van vijandbeelden.

Geen vrede door één ondertekening alleen

De behandeling van Mindanao maakt ook duidelijk waarom vredeswerk niet kan worden herleid tot één ceremonie of één handtekening. Gewapende conflicten worden gevormd door politieke, historische, territoriale, sociaaleconomische en religieuze factoren. Een burgerlijke verklaring kan bijdragen aan vertrouwen en contact, maar vervangt geen onderhandelingen tussen regeringen en gewapende partijen. Juist daarom is het relevant dat in Mindanao naast formele akkoorden ook onderwijs, lokale vredeswandelingen, interreligieuze gesprekken en herdenkingen werden ontwikkeld. De cursus probeert jongeren daarmee te laten nadenken over een praktische vraag: welke gewoonten en instellingen zijn nodig om vrede na een akkoord in het dagelijkse leven te ondersteunen?

Andy Vermaut legt link met ervaringen in België

Tijdens de bespreking bracht Andy Vermaut zijn eigen ervaringen met interreligieuze initiatieven in België ter sprake. Hij verwees onder andere naar activiteiten in Oostende waarbij joodse, islamitische, christelijke en boeddhistische deelnemers met elkaar in gesprek kwamen en naar wandelingen waarbij verschillende gebedsplaatsen werden bezocht. Hij stelde voor om dergelijke bestaande lokale initiatieven in de toekomst ook in contact te brengen met vredesprogramma’s van HWPL en IPYG. Een belangrijk punt in zijn tussenkomst was dat religieuze intolerantie vaak groeit waar mensen weinig rechtstreeks contact hebben met personen met een andere overtuiging. Vooroordelen krijgen makkelijker ruimte wanneer kennis ontbreekt. De logica van de cursus sloot daarom nauw aan bij wat hij zelf als belangrijk element in interreligieus werk ziet: eerst leren wie de ander werkelijk is.

Ook het bahá’í-geloof voorgesteld voor toekomstige lessen

Vermaut bracht daarnaast het bahá’í-geloof ter sprake en stelde voor dat een toekomstige les ook vanuit dat religieuze perspectief naar thema’s zoals mensbeeld, oorsprong, religieuze eenheid en vrede zou kunnen kijken. Het huidige programma kon vanzelfsprekend niet iedere religieuze traditie behandelen. Dat werd ook tijdens de lessen zelf erkend. Het voorstel past echter bij de bredere methode: niet over een religie spreken zonder vertegenwoordigers of bronnen van die religie aan bod te laten komen. Een uitbreiding met jodendom, bahá’í-geloof en andere levensbeschouwingen zou de vergelijkende aanpak verder kunnen verruimen.

Pansori toont hoe mensen zelf erfgoed dragen

Kim Thomas begeleidde de derde sessie, die begon met Pansori. Deze Koreaanse vorm van muzikaal vertellen wordt uitgevoerd door een zanger of zangeres en een drummer. De vocalist, een sorikkun, gebruikt zang, gesproken passages, ritme en gebaren om langere verhalen te brengen. Pansori werd in 2008 opgenomen op de Representatieve Lijst van het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid, nadat de traditie in 2003 al internationaal was erkend binnen het toenmalige systeem voor meesterwerken van oraal en immaterieel erfgoed. De kunstvorm vraagt langdurige training. Daardoor bood Pansori een geschikt voorbeeld voor het idee van ‘levend erfgoed’: de traditie bestaat niet alleen dankzij teksten of opnames, maar doordat mensen technieken leren, oefenen en opnieuw uitvoeren. Zonder dragers kan immaterieel erfgoed verdwijnen.

Van Pansori naar de vraag waar de mens vandaan komt

Vanuit dat idee maakte de derde sessie een opmerkelijke overgang. Als mensen zelf dragers van erfgoed zijn, welke verhalen hebben religies dan doorgegeven over de mens zelf? De cursus koos daarvoor de vraag naar het begin van de mensheid. In plaats van één antwoord te geven, werden vertegenwoordigers uit verschillende religieuze achtergronden aan het woord gelaten. Dat leverde duidelijk uiteenlopende visies op. Juist die verschillen vormden een deel van de oefening. De bedoeling was niet om deelnemers te laten beslissen welke religie gelijk heeft, maar hen rechtstreeks te laten horen hoe religieuze tradities hun mensbeeld vanuit eigen teksten en begrippen uitleggen.

I Putu Lingga Dharma Nanda Siana spreekt vanuit hindoeïstische traditie

De Indonesische bijdrage kwam van I Putu Lingga Dharma Nanda Siana, actief binnen Kesatuan Mahasiswa Hindu Dharma Indonesia, de Indonesische vereniging van hindoeïstische studenten. Hij sprak vanuit Jakarta en behandelde Manu als een belangrijke figuur in hindoeïstische verhalen over de vroege mensheid. De naam van de spreker verdient aandacht omdat fonetische weergaven gemakkelijk tot fouten kunnen leiden: zijn naam is I Putu Lingga Dharma Nanda Siana. In zijn uiteenzetting kwamen onder andere de Shatapatha Brahmana en het verhaal van Manu en Matsya aan bod. De verdere vloedvertelling is bekend uit de Matsya Purana, waarin Matsya, de visvorm van Vishnu, Manu waarschuwt voor een grote overstroming en hem helpt leven en kennis te bewaren. De sessie koppelde dit vervolgens aan dharma, het begrip dat onder andere plicht, ethische orde en juist handelen kan omvatten.

Vasudhaiva Kutumbakam: de wereld als één familie

Een tweede centraal begrip in de hindoeïstische bijdrage was Vasudhaiva Kutumbakam, vaak vertaald als ‘de wereld is één familie’. Binnen de les werd dat gebruikt om jongeren te laten nadenken over de betekenis van religieus erfgoed voor gedrag tegenover mensen met een andere afkomst of overtuiging. Erfgoed wordt dan niet uitsluitend een verzameling oude verhalen, maar een normatieve vraag: wat doet iemand vandaag met de waarden die hij of zij heeft ontvangen? Respect, zelfbeheersing, verantwoordelijkheid en zorg voor anderen kregen in die bijdrage een centrale plaats. Voor jongeren betekent erfgoed bewaren vanuit die benadering dus ook dat waarden zichtbaar worden in gedrag.

Markum geeft een specifieke Shincheonji-uitleg van Adam

Vanuit Zuid-Korea sprak Markum, theologiedocent verbonden aan Shincheonji Church of Jesus. Hij behandelde het Bijbelse verhaal van Adam vanuit een specifieke interpretatie binnen die religieuze context. Zijn redenering vertrok onder andere van Genesis 1, Genesis 2, het verhaal van Kaïn in Genesis 4 en Johannes 1. Hij stelde daarbij de vraag hoe Kaïn na de dood van Abel andere mensen kon vrezen en een vrouw kon hebben wanneer Adam letterlijk de eerste biologische mens zou zijn geweest. Vanuit zijn uitleg werd Adam daarom niet noodzakelijk als de eerste biologische Homo sapiens behandeld, maar als de eerste mens die in geestelijke zin het ‘leven’ of het woord van God ontving. Die uitleg moet als een religieuze interpretatie worden gelezen en niet als een algemeen aanvaarde christelijke of wetenschappelijke conclusie. Juist dat onderscheid is belangrijk in een cursus waarin meerdere religieuze visies naast elkaar worden geplaatst.

Mukit Musa bespreekt Adam vanuit de Koran

Mukit Musa bracht vanuit Nalaikh in Ulaanbaatar een soennitisch-islamitische benadering. In zijn bijdrage kwamen onder andere soera Al-Hijr, Al-Baqarah, Al-Mu’minun en At-Tin aan bod. Adam werd besproken als de eerste mens die door Allah uit klei werd geschapen en kennis ontving. Musa koppelde het scheppingsverhaal aan de verantwoordelijkheid van de mens en aan aanbidding van God. Ook de profeten Adam, Noach, Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed kwamen ter sprake binnen de islamitische opvatting dat zij mensen opriepen zich aan de ene God toe te vertrouwen. De bijdrage verschilde daardoor duidelijk van zowel de hindoeïstische visie van I Putu Lingga Dharma Nanda Siana als de christelijke interpretatie die Markum naar voren bracht. Dat verschil werd niet weggewerkt. Het werd juist onderdeel van de les.

Ajahn Ice Pabhākaro kiest een fundamenteel ander vertrekpunt

De boeddhistische bijdrage kwam van Ajahn Ice Pabhākaro, een Thaise monnik die sinds december 2019 verblijft in het boeddhistische klooster Santacittārāma in Italië. Zijn benadering week fundamenteel af van de scheppingsverhalen uit de voorgaande bijdragen. Binnen het Theravada-boeddhisme hoeft het begin van de mens niet te worden verklaard vanuit één scheppingsmoment door een schepper. Ajahn Ice verwees naar paṭicca-samuppāda, doorgaans vertaald als afhankelijke oorsprong of dependent origination. Verschijnselen ontstaan door oorzaken en voorwaarden; wanneer die voorwaarden veranderen of verdwijnen, veranderen ook de verschijnselen die ervan afhankelijk zijn. Hij legde vervolgens de nadruk op onwetendheid, verlangen, gehechtheid en lijden, maar ook op opmerkzaamheid, inzicht, verantwoordelijkheid, mededogen en vriendelijkheid.

Geboorte, ouder worden, ziekte en dood als gedeelde ervaring

Ajahn Ice bracht de discussie daarmee weg van de vraag welke eerste mens historisch aan het begin stond en naar de ervaring die mensen delen. Mensen worden geboren, worden ouder, kunnen ziek worden en sterven uiteindelijk. Vanuit die vaststelling kan volgens zijn boeddhistische benadering mededogen ontstaan. Vrede begint in die visie niet uitsluitend bij wetten, verdragen of instellingen. Ook de manier waarop een individu omgaat met verlangen, boosheid, gehechtheid en andere mensen speelt een rol. Voor de cursus was dat een belangrijk contrast. Vier sprekers konden over dezelfde vraag spreken en toch vanuit totaal verschillende begrippen, geschriften en religieuze aannames redeneren. De leeropdracht bestond erin die verschillen eerst correct te begrijpen.

Religieuze dialoog betekent niet dat verschillen verdwijnen

Een belangrijk resultaat van de derde sessie is precies dat religieuze dialoog niet vereist dat alle overtuigingen uiteindelijk hetzelfde blijken te zijn. De hindoeïstische uitleg rond Manu, de islamitische uitleg rond Adam, de Shincheonji-interpretatie van het Bijbelse Adamverhaal en de boeddhistische leer van afhankelijke oorsprong zijn inhoudelijk niet identiek. Een degelijke dialoog verdoezelt zulke verschillen niet. Ze probeert wel te voorkomen dat een verschil automatisch wordt omgezet in vijandigheid. De lessen oefenen deelnemers daarom in een vorm van religieuze geletterdheid waarbij eerst wordt gevraagd wat iemand werkelijk gelooft, welke tekst of traditie daarbij wordt gebruikt en welke betekenis gelovigen er zelf aan geven.

WARP Offices en IRPA bouwen verder op hetzelfde principe

De benadering sluit aan bij andere programma’s van HWPL. Via de World Alliance of Religions’ Peace Offices komen religieuze vertegenwoordigers samen voor vergelijkende gesprekken over geschriften. Sinds 2023 bestaat daarnaast de International Religious Peace Academy, waar religieuze leiders en deskundigen vanuit verschillende tradities uitleg geven over hun heilige teksten en leerstellingen. De Youth Empowerment Peace Class vertaalt een deel van die methode naar jongeren. De doelgroep hoeft daarbij geen religiewetenschappelijke opleiding te hebben. Het gaat om het oefenen van basisvaardigheden: luisteren, bronnen leren herkennen, onderscheid maken tussen een geloofsuitspraak en een controleerbaar historisch feit en leren omgaan met overtuigingen die niet de eigen overtuiging zijn.

Ami Kim begeleidt gesprek tussen België en Zuid-Korea

Ami Kim begeleidde de online bespreking waarin de drie lessen samen werden bekeken en besproken. Haar rol ging daarbij verder dan het technisch tonen van het cursusmateriaal. Tijdens het gesprek konden begrippen worden verduidelijkt en kon Vermaut vragen stellen over Koreaanse religieuze tradities, tempels en gebruiken. De uitwisseling liet ook zien waarom namen en religieuze termen nauwkeurig moeten worden weergegeven. Eén verkeerd verstaan woord kan bij Koreaanse, Indonesische, Mongoolse of Pali-namen snel tot een totaal andere schrijfwijze leiden. Juist bij een artikel dat respect voor religies en culturen centraal stelt, hoort daarom ook respect voor de correcte naam van een spreker.

De stap naar Zuid-Korea volgt op 18 september

Voor deelnemers blijft het niet bij online lessen. Het YEPC-programma van 2026 koppelt de cursus ‘Perspective on Heritage’ aan een World Youth Peace Program in Zuid-Korea op 18 september 2026. Daar moeten jongeren de stap zetten van luisteren naar handelen. IPYG werkt met jongeren rond vrijwilligerswerk, educatie, lokale vredesactiviteiten en projecten die deelnemers zelf kunnen ontwikkelen. Het idee van ‘living heritage’ krijgt daarmee een praktische vertaling. Jongeren erven niet alleen gebouwen, geschriften, muziek en verhalen. Ook de manier waarop een generatie met verschil, geweld, discriminatie en vrede omgaat, kan worden doorgegeven.

Vermaut ziet vooral waarde in het rechtstreeks leren kennen van de ander

Na de drie sessies gaf Andy Vermaut aan dat vooral de boeddhistische onderdelen hem nieuwe informatie hadden gebracht. Tegelijk herkende hij veel van het uitgangspunt in interreligieuze activiteiten waaraan hij eerder in België deelnam. Voor hem ligt de kern bij rechtstreeks contact. Wie uitsluitend vanop afstand naar een andere religie kijkt, kan gemakkelijk aannames ontwikkelen. Een gesprek, een bezoek aan een gebedsplaats of het beluisteren van de eigen uitleg van gelovigen kan zo’n beeld corrigeren. Hij stelde daarom voor bestaande Belgische initiatieven rond religieuze ontmoeting waar mogelijk dichter bij internationale jongerenprogramma’s te brengen.

Erfgoed wordt uiteindelijk een keuze van mensen

De drie sessies bewegen over een bijzonder breed terrein: van Koreaanse monnikskledij naar Sikh-tulbanden, van 81.258 houten drukblokken naar de Koran en Guru Granth Sahib, van Holi naar Ramadan, van Mindanao naar Pansori en van Manu en Adam naar paṭicca-samuppāda. Toch keert één gedachte telkens terug. Erfgoed blijft alleen bestaan wanneer mensen het dragen, gebruiken, onderwijzen of opnieuw betekenis geven. Hetzelfde geldt voor vrede. Een vredesverklaring op papier heeft slechts beperkt effect wanneer mensen daarna opnieuw kiezen voor uitsluiting en vijandigheid. Kennis van de ander biedt geen automatische oplossing voor alle conflicten, maar ze kan wel één belangrijke voedingsbodem van vooroordelen verminderen: onwetendheid.

Bronnen:
Aangeleverd cursusmateriaal van de drie sessies ‘Perspective on Heritage’ binnen de Youth Empowerment Peace Class, met de inhoud rond erfgoed, religieuze feesten, Mindanao, Pansori en de religieuze sprekers.
Aangeleverd cursusmateriaal met de derde sessie, de verschillende religieuze perspectieven en de nabespreking met Andy Vermaut.
Aangeleverd materiaal over Mukit Musa en Ajahn Ice Pabhākaro.
Aangeleverd materiaal over I Putu Lingga Dharma Nanda Siana en Markum.
UNESCO – Pansori epic chant, inschrijving op de Representatieve Lijst in 2008.
UNESCO Memory of the World – Tripitaka Koreana, 81.258 houten drukblokken en registratie in 2007.
UNESCO World Heritage Centre – gravering van de Tripitaka Koreana tussen 1237 en 1248 en bewaring in Haeinsa.
Korea.net – bevestiging van de 81.258 houtblokken en de historische context van de Mongoolse invasies.
Jogye Order of Korean Buddhism – correcte benamingen Iljumun en Burimun en hun boeddhistische betekenis.
Korea.net en Koreaanse erfgoedbronnen – seungbok, gasa en jangsam als Koreaanse boeddhistische monnikskledij.
Kesatuan Mahasiswa Hindu Dharma Indonesia – I Putu Lingga Dharma Nanda als lid van de nationale organisatiestructuur; aanvullende documenten bevestigen de naam I Putu Lingga Dharma Nanda Siana.
Santacittārāma – officiële kloosterinformatie over Ajahn Ice Pabhākaro uit Kanchanaburi, Thailand, verblijvend in Italië sinds december 2019.
Shincheonji Church of Jesus – officiële schrijfwijze van de kerknaam.
Bangsamoro Parliament – civiel vredesinitiatief van 24 januari 2014 met Esmael G. Mangudadatu en Fernando Capalla.
Office of the Presidential Adviser on Peace, Reconciliation and Unity – Comprehensive Agreement on the Bangsamoro tussen de Filipijnse regering en MILF op 27 maart 2014.
HWPL – actuele informatie over WARP Offices en International Religious Peace Academy.
HWPL/IPYG – Youth Empowerment Peace Class 2026 en deelname aan het World Youth Peace Program in Korea op 18 september 2026.

EU Review