Twee cassatiearresten, twee juridische benaderingen: hoe zeker is de rechtsstaat nog van zijn eigen regels?

7 november 2026
Twee arresten van het Belgische Hof van Cassatie, uitgesproken op 28 mei 2025 en 2 juni 2026, hebben een juridisch meningsverschil over valsheid in geschriften opnieuw onder de aandacht gebracht. De Franstalige en Nederlandstalige afdelingen van de tweede kamer hanteren in deze uitspraken een verschillende benadering van het zogenaamde controlecriterium. Achter deze discussie over de bewijswaarde van documenten schuilt een vraag die iedere burger aangaat: hoe voorspelbaar is het recht wanneer het hoogste rechtscollege binnen een jaar verschillende juridische maatstaven gebruikt? Die kwestie raakt aan de rechtszekerheid, de verhouding tussen wetgever en rechter en het vertrouwen dat burgers in de Belgische justitie moeten kunnen stellen.
Een juridische discussie die iedere burger kan raken
Wanneer een burger een overeenkomst ondertekent, een factuur ontvangt, een rechtszaak voert of een beslissing van de overheid betwist, moet hij kunnen begrijpen welke rechtsregels van toepassing zijn. Het beginsel van rechtszekerheid veronderstelt dat wettelijke bepalingen voldoende voorspelbaar worden uitgelegd en toegepast. Het Hof van Cassatie vervult daarin een bijzondere taak. Het onderzoekt of de wet correct werd toegepast en of rechterlijke beslissingen juridisch verantwoord zijn. Het doet in de regel geen nieuw onderzoek naar de feiten. Zijn arresten geven richting aan de rechtspraak van andere rechtbanken en hoven. Een wijziging in de interpretatie van een wettelijke bepaling kan daarom gevolgen hebben die verder reiken dan het individuele proces waarin de uitspraak wordt gedaan. Dat geldt zeker voor strafrechtelijke bepalingen. Daar moeten burgers vooraf kunnen voorzien welk gedrag strafbaar is en onder welke voorwaarden een strafrechtelijke veroordeling mogelijk wordt.
Wat gebeurde er op 28 mei 2025?
Op 28 mei 2025 sprak de Franstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof van Cassatie zich in arrest P.25.0159.F uit over het misdrijf valsheid in geschriften. De zaak had betrekking op de juridische kwalificatie van vermeldingen in een ereloonfactuur. Tot dan toe speelde het controlecriterium een vaste rol in de cassatierechtspraak. Volgens die klassieke benadering kan een geschrift slechts onder de strafrechtelijke bescherming tegen valsheid vallen wanneer het in zekere mate als bewijs kan dienen en de bestemmeling op de waarachtigheid ervan mag vertrouwen. Wanneer een document pas bewijswaarde krijgt nadat de ontvanger de inhoud heeft gecontroleerd en aanvaard, kan dat een andere beoordeling rechtvaardigen. In het arrest van 28 mei 2025 nam het Hof afstand van de opvatting dat dit controlecriterium steeds als afzonderlijke voorwaarde moest worden gehanteerd. De motivering steunde op de vaststelling dat artikel 196 van het toenmalige Strafwetboek noch een andere wettelijke bepaling die voorwaarde uitdrukkelijk voorschreef. Daarmee veranderde de juridische benadering van een vraagstuk dat al tientallen jaren in de rechtspraak werd behandeld.
Waarom het arrest van 2 juni 2026 opnieuw vragen oproept
Op 2 juni 2026 volgde arrest P.26.0206.N van de Nederlandstalige afdeling van dezelfde kamer. In die zaak ging het om een kredietaanvraag waarbij een document met onjuiste gegevens over een tewerkstelling en inkomsten was gebruikt. Het Hof hernam de klassieke benadering waarbij de bewijswaarde van een geschrift mede wordt beoordeeld aan de hand van de mogelijkheid voor de bestemmeling om de vermeldingen te controleren. Het stelde dat een document dat pas na aanvaarding bewijswaarde verkrijgt, zich in de regel niet aan het openbaar vertrouwen opdringt. Dat betekent echter niet dat onjuiste gegevens nooit strafbare valsheid kunnen opleveren wanneer de ontvanger een controle behoort uit te voeren. De omstandigheden van de zaak blijven bepalend. Wanneer een bestemmeling bepaalde gegevens redelijkerwijze niet kan verifiëren, kan een document toch onder de strafrechtelijke bescherming vallen. In deze tweede zaak werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak bevestigde dus opnieuw de klassieke omschrijving van het controlecriterium, maar paste die toe op de concrete omstandigheden van de kredietaanvraag.
Wat is het controlecriterium eigenlijk?
Het controlecriterium gaat over de vraag wanneer een document voldoende bewijswaarde heeft om door het strafrecht tegen valsheid in geschriften te worden beschermd. Niet iedere onjuiste mededeling levert automatisch een strafbaar vals document op. Een factuur kan bijvoorbeeld een bedrag of een prestatie vermelden waarmee de ontvanger niet akkoord gaat. De ontvanger kan die gegevens controleren en betwisten. Dat betekent niet dat iedere onjuiste factuur buiten het strafrecht valt. De wijze waarop een document wordt gebruikt, de mogelijkheid om de inhoud te controleren en het vertrouwen dat de bestemmeling redelijkerwijze in de gegevens mag stellen, kunnen de juridische beoordeling veranderen. Ook de andere bestanddelen van het misdrijf moeten aanwezig zijn. Het gaat onder andere om een onwaarheid of vervalsing, bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden en de mogelijkheid van nadeel. De discussie tussen de beide arresten betreft dus geen vrijgeleide om onjuiste facturen op te stellen. Ze gaat over de wettelijke afbakening van het misdrijf en de voorwaarden waaronder strafrechtelijke aansprakelijkheid kan ontstaan.
Wanneer een rechterlijke interpretatie verandert
Rechtspraak is geen onveranderlijk geheel. Rechters moeten wetten toepassen op uiteenlopende situaties en kunnen tot een nieuwe interpretatie komen wanneer juridische argumenten daarvoor aanleiding geven. Het feit dat een rechtscollege afstand neemt van vroegere rechtspraak bewijst op zichzelf geen onrechtmatigheid, partijdigheid of machtsmisbruik. Toch verdient een koerswijziging bij het hoogste rechtscollege bijzondere aandacht. Burgers en advocaten bouwen hun juridische verwachtingen immers mede op eerder uitgesproken arresten. Wanneer de ene afdeling een traditioneel criterium verlaat en een andere afdeling dat criterium later opnieuw toepast, ontstaat onzekerheid over de precieze draagwijdte van de strafrechtelijke norm. Dat kan aanleiding geven tot vragen over de motivering van beslissingen, de samenhang van de rechtspraak en de wijze waarop juridische verschillen binnen hetzelfde rechtscollege worden opgelost. Het verdient daarom aanbeveling de draagwijdte van beide arresten zorgvuldig te onderscheiden. Het tweede arrest maakt het eerste niet automatisch juridisch ongeldig, net zoals het eerste arrest niet zonder verdere analyse als een bewezen schending van de wet kan worden beschouwd.
Wat de wetgever over valsheid in geschriften heeft bepaald
De discussie krijgt een bijkomende dimensie door de hervorming van het Belgische Strafwetboek. Artikel 451 van het nieuwe Strafwetboek omschrijft valsheid in geschriften mede aan de hand van een document of andere duurzame drager die in samenhang met een rechtens feit tot bewijs kan dienen. De parlementaire voorbereiding verwijst naar de klassieke rechtspraak over documenten die zich aan het openbaar vertrouwen opdringen. Die wettelijke formulering biedt aanknopingspunten voor de interpretatie van het begrip strafbare valsheid. Voor de beoordeling van concrete feiten moet uiteraard steeds worden nagegaan welke strafwet op het betrokken ogenblik van toepassing is. De totstandkoming van nieuwe wetgeving en de rechtspraak over oudere bepalingen moeten juridisch van elkaar worden onderscheiden. Wel maakt deze ontwikkeling duidelijk waarom de verhouding tussen de bedoeling van de wetgever en de interpretatie door de rechter voortdurende aandacht verdient.
De waarschuwing van Alexis de Tocqueville
De Franse politieke denker Alexis de Tocqueville (1805–1859) onderzocht in De la démocratie en Amérique, verschenen tussen 1835 en 1840, hoe democratische samenlevingen hun vrijheid kunnen behouden. Zijn bekendste waarschuwing had betrekking op de tirannie van de meerderheid: het gevaar dat een democratisch gelegitimeerde macht onvoldoende tegenstand ontmoet en de rechten van individuen onder druk zet.
Tocqueville kende de rechterlijke macht een bijzondere plaats toe bij de bescherming van vrijheid en rechtsorde. Een rechter moest onafhankelijk kunnen oordelen, zonder politieke bevelen te moeten volgen. Die onafhankelijkheid betekende echter geen onbeperkte bevoegdheid. In zijn analyse van het Amerikaanse rechtssysteem beschreef hij hoe rechterlijke controle binnen concrete geschillen plaatsvindt en hoe institutionele grenzen moeten voorkomen dat één macht de volledige politieke besluitvorming gaat beheersen. Zijn denken biedt daardoor een kader om de Belgische discussie te onderzoeken. Wanneer de rechterlijke macht onafhankelijk moet zijn om burgers tegen willekeur te beschermen, welke middelen bestaan er dan om fouten in haar eigen rechtsuitoefening te corrigeren? Die vraag is een hedendaagse toepassing van zijn politieke filosofie, geen letterlijke uitspraak van Tocqueville over de Belgische cassatierechtspraak.
De scheiding der machten geldt ook voor de rechterlijke macht
Het beginsel van de scheiding der machten wordt doorgaans verbonden met Montesquieu. De wetgevende macht stelt algemene regels vast, de uitvoerende macht staat in voor de uitvoering ervan en de rechterlijke macht beslecht geschillen op basis van het toepasselijke recht. In de praktijk zijn deze machten niet volledig van elkaar afgesneden. Hun bevoegdheden worden door grondwettelijke en wettelijke regels afgebakend, terwijl uiteenlopende controlemechanismen een evenwicht moeten creëren. De onafhankelijkheid van de rechter beschermt tegen ongeoorloofde politieke inmenging. Ze ontslaat de rechter echter niet van de verplichting om beslissingen te motiveren en het geldende recht toe te passen. Omgekeerd mag de vaststelling dat een rechterlijke uitspraak juridisch betwistbaar is, niet worden gebruikt als rechtvaardiging voor politieke druk op individuele rechters. Een democratische rechtsstaat moet beide beginselen respecteren: onafhankelijkheid bij het oordelen en juridische verantwoording voor de genomen beslissingen.
Kan de hoogste rechterlijke instantie zichzelf corrigeren?
In België is het Hof van Cassatie het hoogste rechtscollege binnen de gewone rechterlijke orde. Een arrest van het Hof kan niet via een gewoon hoger beroep door een nog hoger nationaal rechtscollege worden herzien. Dat betekent niet dat iedere juridische interpretatie voor altijd vastligt. Het Hof kan zijn rechtspraak wijzigen, de wetgever kan binnen de grondwettelijke grenzen wetgeving aanpassen en er bestaan bijzondere procedures voor welbepaalde situaties. Ook Europese rechtsregels en mensenrechtenverdragen kunnen bij de beoordeling van nationale rechtspraak een rol spelen. De discussie over tegenstrijdige cassatiearresten maakt duidelijk dat interne rechtseenheid geen louter theoretisch onderwerp is. Wanneer juridische benaderingen tussen afdelingen uiteenlopen, rijst de vraag of een uitspraak van verenigde kamers of een andere passende vorm van rechtsontwikkeling voor verduidelijking moet zorgen. Het bestaan van dergelijke mogelijkheden neemt de behoefte aan een begrijpelijke motivering van rechterlijke beslissingen niet weg.
Onafhankelijkheid mag geen gesloten beroepscultuur worden
In de politieke filosofie van Tocqueville neemt het gedrag van groepen en instellingen een bijzondere plaats in. Hij onderzocht hoe groepsdruk, conformisme en machtsconcentratie de vrijheid van individuen kunnen aantasten. Zijn beschouwingen over de tirannie van de meerderheid kunnen worden gebruikt om na te denken over beroepsgroepen die weinig externe kritiek toelaten. Voor de magistratuur ontstaat een risico wanneer professionele solidariteit zou omslaan in een cultuur waarin gerechtvaardigde kritiek onvoldoende wordt onderzocht of fouten moeilijk bespreekbaar zijn. Een dergelijke situatie mag echter niet zonder bewijs aan de Belgische magistratuur als geheel worden toegeschreven. Rechterlijke onafhankelijkheid en professionele integriteit zijn verenigbaar met openheid over juridische meningsverschillen. Een rechtscollege kan zijn gezag juist behouden door zorgvuldig uit te leggen waarom het een eerdere interpretatie bevestigt of verlaat. Het verschil tussen een juridische vergissing, een betwistbare interpretatie en opzettelijk wangedrag moet daarbij strikt worden bewaakt.
Het vertrouwen van burgers in justitie staat centraal
Voor burgers is de kwaliteit van de rechtsstaat niet uitsluitend een kwestie van juridische techniek. Ze hangt samen met de ervaring dat procedures eerlijk verlopen, rechterlijke beslissingen begrijpelijk worden gemotiveerd en dezelfde regels op vergelijkbare gevallen worden toegepast. Wanneer uitspraken elkaar op onderdelen lijken tegen te spreken, kan dat onzekerheid veroorzaken. Het vertrouwen in justitie komt echter niet uitsluitend voort uit het ontbreken van fouten. Het wordt ook bepaald door de bereidheid van instellingen om juridische vragen te onderzoeken en correcties mogelijk te maken. Een transparante rechtspleging vraagt dat beslissingen controleerbaar zijn en dat kritiek op juridische argumenten inhoudelijk wordt beantwoord. De onafhankelijkheid van het gerecht is geen persoonlijk voorrecht van degenen die er werkzaam zijn. Ze bestaat om de burger te beschermen en een eerlijke toepassing van het recht mogelijk te maken.
Waarom ook artificiële intelligentie nieuwe vragen stelt
De discussie over rechterlijke onafhankelijkheid krijgt een nieuwe dimensie door het gebruik van artificiële intelligentie. Digitale hulpmiddelen kunnen juridische informatie ordenen, relevante rechtspraak opzoeken en omvangrijke dossiers toegankelijker maken. Ze kunnen ook fouten produceren, onjuiste verbanden leggen of bestaande vooroordelen overnemen uit de gegevens waarop ze steunen. Wanneer een rechter zich onvoldoende rekenschap geeft van die beperkingen, ontstaat het risico dat een technologisch hulpmiddel een te grote invloed op de beoordeling krijgt. De verantwoordelijkheid voor de juridische beslissing blijft bij de bevoegde rechter. Dat vereist voldoende tijd, vakkennis en de mogelijkheid om de juistheid van aangeleverde informatie zelfstandig te toetsen. Dezelfde voorzichtigheid is nodig wanneer burgers, advocaten of journalisten AI gebruiken om rechterlijke uitspraken te beoordelen. Een overtuigend geformuleerde analyse is geen vervanging voor het lezen van de authentieke uitspraak en de toepasselijke wetsbepalingen.
Juridische kritiek vraagt controleerbare feiten
Een debat over rechtszekerheid verliest zijn geloofwaardigheid wanneer juridische meningsverschillen zonder bewijs worden voorgesteld als corruptie of opzettelijke wetschendingen. Dat twee kamers verschillende interpretaties hanteren, kan aanleiding geven tot kritiek op de rechtsontwikkeling. Het bewijst niet dat procespartijen een ongeoorloofd voordeel hebben gekregen of dat een rechter bewust tegen de wet heeft gehandeld. Dergelijke beschuldigingen vereisen afzonderlijke, concrete feiten. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van gewelddadige incidenten of maatschappelijke onrust. Onvrede over justitie kan een onderwerp van onderzoek zijn, maar mag geen vergoelijking van geweld worden. Een rechtsstaat moet burgers mogelijkheden bieden om beslissingen te betwisten, klachten te laten onderzoeken en hun rechten via wettelijke procedures te verdedigen. Juist daarin schuilt het verschil tussen de bescherming door het recht en het recht in eigen handen nemen.
Een rechtsstaat moet zijn eigen regels kunnen uitleggen
De arresten van 28 mei 2025 en 2 juni 2026 laten zien dat zelfs binnen het hoogste Belgische rechtscollege discussie mogelijk is over de afbakening van een strafrechtelijke bepaling. Het gaat om de vraag welke documenten als bewijs worden beschermd en welke betekenis de mogelijkheid tot controle daarbij heeft. Voor juristen is dat een discussie over de bestanddelen van valsheid in geschriften. Voor burgers raakt ze aan iets dat directer voelbaar is: de verwachting dat de wet op een begrijpelijke en voorspelbare manier wordt toegepast. De politieke filosofie van Tocqueville herinnert eraan dat democratische vrijheid niet uitsluitend afhankelijk is van de verdeling van bevoegdheden, maar ook van de wijze waarop instellingen met hun gezag omgaan. Een rechterlijke macht die beslissingen zorgvuldig motiveert, verschillen in rechtspraak bespreekbaar maakt en wettelijke grenzen respecteert, geeft burgers redenen om vertrouwen te behouden.
Bronnen:
Hof van Cassatie, arrest van 28 mei 2025, P.25.0159.F.
Hof van Cassatie, arrest van 2 juni 2026, P.26.0206.N.
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en de overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen.
Wil je onze redactie financieel steunen? Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten.
Je kunt ons ondersteunen via:
☕ Ko-fi
☕ Buy Me a Coffee
https://buymeacoffee.com/andyvermaut
Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


