Claude Vindevogel wil Diksmuide wakker maken voor 2030

1 juli 2026

Claude Vindevogel spreekt over 2026 als een jaar waarin ondernemen, muziek, voetbal, wonen, mobiliteit, toerisme en politiek samen meer dan ooit een rol van betekenis spelen. Poetsland groeit na tien jaar opbouw naar een ruimer dienstenmodel, KV Diksmuide-Oostende krijgt een eigen supporterslied, residentie Parkzicht in Diksmuide moet tonen hoe wonen dichter bij het centrum kan werken en richting 2030 wil hij met Diksmuide Voorop blijven wegen op het beleid. Zijn rode draad is duidelijk: niet wachten tot dossiers verloren zijn, maar vroeger denken, vroeger handelen en vroeger verantwoordelijkheid nemen. “Ik heb geleerd dat je met weinig mensen rondom je veel zaken kunt betekenen. Je moet kunnen doorduwen. Je moet realiseren.”

Een jaar dat uit tegenslag groeide

Vindevogel ziet dit jaar niet als toeval, maar als het resultaat van jaren werken, botsen, opnieuw beginnen en blijven doorgaan. De ontgoocheling van 2024 heeft hem niet stilgelegd. Ze heeft hem vooral scherper gemaakt. “Ik heb geleerd dat je ontgoocheling niet alleen als iets negatiefs moet beschouwen. Je kunt er veel positieve zaken uit halen, op voorwaarde dat je blijft doorzetten in de dingen waarvan je overtuigd bent dat je de juiste weg hebt gekozen.” Hij spreekt niet als iemand die alleen wil terugkijken, maar als iemand die uit tegenslag richting haalt. “Je moet leren beseffen dat je voor veel zaken de waardering niet krijgt die je misschien verwacht. Dat betekent niet dat je niets hebt betekend. Soms zien mensen het niet, of beseffen ze het pas later.” Die gedachte loopt doorheen het hele gesprek. Bij Poetsland gaat het over vertrouwen na een breuk. Bij KVDO over voetbal dat ruimer moet denken dan één stad. Bij Parkzicht over wonen dicht bij voorzieningen. Bij mobiliteit over een stad die haar ligging beter moet gebruiken. Bij De Rhille over politiek die volgens hem te laat wakker werd.

Poetsland begon met vertrouwen

De zakelijke kern van zijn verhaal ligt bij Poetsland. Vindevogel keert terug naar 2014, toen hij na een overname afscheid moest nemen van Kärcher Center in Diksmuide. Hij had er zeven jaar gewerkt alsof het zijn eigen zaak was. Wat daarna gebeurde, gaf hem de duw om zelfstandig verder te gaan. Klanten bleven volgens hem niet alleen hangen aan een merk, maar vooral aan zijn advies en service. “Mensen zeiden mij: wij kopen geen Kärcher, wij kopen een product bij Claude Vindevogel, omdat wij weten dat wij bij jou het juiste advies en de correcte service krijgen.” Dat was voor hem een kantelpunt. “Dat was een eyeopener. Ik moest daarin verdergaan.” De start was hard. “Ik ga eerlijk zijn: dat waren tien keimoeilijke jaren. Je begint van nul. Je hebt niets en je bouwt iets op.” Hij spreekt over financiële druk, personeelsproblemen en het dagelijkse gevecht dat veel ondernemers kennen. Goede mensen vinden blijft volgens hem een van de moeilijkste zaken. Toch bleef het geloof van klanten en een kleine kring zakelijke medestanders hem overeind houden.

Poetsland wordt één aanspreekpunt

Poetsland staat nu voor een nieuwe fase. De service rond reinigingsmachines wordt uitgebreid met hygiëneproducten, papierwaren, dispensers, vloerzepen, persoonlijke beschermingsmiddelen en andere producten voor professionele klanten. “Het assortiment wordt tien keer groter”, zegt hij. Het gaat hem niet alleen om meer producten, maar om een andere manier van werken. Veel KMO’s werken vandaag met aparte leveranciers voor machines, toiletpapier, handpapier, zeep, dispensers, beschermingsmateriaal en onderhoudsproducten. Vindevogel wil dat samenbrengen in één centraal punt. Hij noemt dat “een one stop shop voor de professionele klant”. De inzet is praktisch: bedrijven helpen zien wat ze nodig hebben, waar ze te veel uitgeven en hoe ze kunnen besparen zonder kwaliteit te verliezen. “De vraag is telkens: wat heb ik nodig, wat geef ik uit en hoe kan ik besparen door de juiste producten op de juiste plaats te gebruiken?” In een moeilijke economische context ziet hij daar veel waarde in. “Het doet mij plezier wanneer je mensen en bedrijven in moeilijke omstandigheden kunt laten besparen op zaken waarvan ze nooit beseften dat er besparing mogelijk was.”

Advies in plaats van louter verkoop

De schaalvergroting verandert ook zijn eigen rol. Vindevogel wil sterker werken vanuit advies, analyse en begeleiding. “Voor mij is dat een belangrijke fase. Ik kan het nu uitvoeren vanuit een managementfunctie, met een mooi team rond mij.” Hij ziet Poetsland niet alleen als leverancier, maar als partner die klanten helpt hun werking beter te organiseren. Waar wordt te veel verbruikt? Welke producten passen bij welke werkplek? Hoe kan een KMO eenvoudiger aankopen? Hoe vermijd je dat een bedrijf met tien leveranciers werkt voor zaken die beter centraal kunnen worden bekeken? “Voor mij is dat een nieuwe fase in mijn zakelijke carrière: werken vanuit advies.” Daarbij speelt ook de overdracht aan jongere mensen mee. Hij wil ervaring delen met een team dat mee groeit. De kern blijft dezelfde als in 2014: vertrouwen winnen door correcte service, juiste informatie en nabijheid bij de klant.

KVDO krijgt een lied met de IJzer en de zee

Ook muziek kreeg dit jaar een duidelijke plaats. Vindevogel schreef het supporterslied voor KV Diksmuide-Oostende. “Ik heb dat geschreven”, zegt hij zonder omweg. Hij is dankbaar dat Sebastien Dewaele van Preuteleute mee in het project stapte. “Ik ben hem bijzonder dankbaar dat hij dat samen met mij wilde zingen.” Het lied moet de identiteit van KVDO helpen dragen. “Diksmuide en Oostende, dat is de IJzer en de zee. Dat is vandaag de symboliek van onze club.” Er bestonden eerder liedjes rond het Oostendse voetbalverhaal, maar dit nummer moet volgens hem duidelijk bij KVDO horen. “Dit is een lied voor KVDO.” Bij de start van het nieuwe seizoen komt er een campagne met kleurrijke sokken en kousen, gekoppeld aan een cd. Die cd is geen detail. “Supporters houden ervan iets in de hand te hebben. Iets dat ze op de kast kunnen zetten.” Voor Vindevogel is dat supporterscultuur: een lied moet niet alleen online bestaan, maar ook tastbaar worden.

Een club die groter denkt dan één kerktoren

Vindevogel spreekt bij KVDO niet alleen als componist. Hij omschrijft zijn rol als coördinator van het algemeen beleid en het financiële beleid. Hij is dagelijks met de club bezig, maar legt sterk de klemtoon op ploegwerk. “We doen dat met een hele ploeg. Dat is juist het mooie: mensen die kunnen samenwerken zonder afgunst.” Zijn voetbalvisie is uitgesproken regionaal. Het oude model van een eerste ploeg onder elke kerktoren is volgens hem financieel niet langer houdbaar. “De bakker, de beenhouwer en de groenteboer verdwijnen uit het dorp. Dat waren vroeger de sponsors van de clubs.” Daarom moet voetbal anders worden georganiseerd: sterke jeugdwerkingen lokaal, maar een eerste ploeg met een bredere uitstraling. “We willen met KVDO veel breder gaan: Veurne, Nieuwpoort, Koksijde, De Panne, de Westkust, de binnenkust, het hinterland, de Westhoek. Dat is KVDO.” Sponsoring, jeugdopleiding, talentbegeleiding, businesswerking en uitstraling moeten volgens hem samen worden bekeken. KVDO is voor hem niet alleen Diksmuide plus Oostende, maar een poging om voetbal in een hele regio leefbaar te houden.

Gaston Berghmans opnieuw hoorbaar maken

Ook buiten KVDO kreeg Vindevogel een opvallende muzikale opdracht. Vanuit Antwerpen kwam de vraag om een lied te maken voor het herdenkingsjaar rond Gaston Berghmans. Dat verraste hem. “Als West-Vlaming zo’n vraag krijgen vanuit Antwerpen, dat had ik niet verwacht. Men had daar blijkbaar niet meteen een componist gevonden die ermee overweg kon.” Hij verdiepte zich in Gaston Berghmans, Merksem en de figuur Joske Vermeulen. Het resultaat werd een lied in twee versies: een Antwerpse versie en een versie in het Algemeen Nederlands. Roy Miner brengt de Antwerpse versie, Vindevogel zingt de Nederlandstalige versie. Het nummer kreeg in Merksem al zichtbaarheid. “Tijdens Erfgoeddag hoorde ik van mensen dat mijn lied over Gaston over heel Merksem te horen was. Dan voel je dat zo’n nummer begint te leven.” Voor hem is dat de bedoeling. “Men wil daar een soort erfgoednummer van maken. Dat vind ik mooi, want soms maakt de tijd een nummer tijdloos.”

Ook Leo Martin zit in het lied

Het lied rond Joske Vermeulen gaat voor Vindevogel niet alleen over Gaston Berghmans. Ook Leo Martin kreeg bewust een plaats. “Ik heb er een klarinetsolo in geschreven om Leo als muzikant te eren.” Hij vindt dat Gaston en Leo niet mogen verdwijnen uit het Vlaamse geheugen. “Dat zijn mensen die miljoenen kijkers prachtige televisieavonden hebben bezorgd. Vandaag dreigen ze bij een nieuwe generatie stilaan vergeten te worden.” Toch ziet hij dat jongeren nog altijd reageren wanneer ze ermee in contact komen. “Als jongeren de clip zien, reageren ze daar heel hartelijk op. Ze vinden die situatie nog altijd grappig. Maar als je het niet meer toont of brengt, verdwijnt het in de vergeethoek. Dat moeten we vermijden.” Daarom wil hij het project niet beperken tot één kalenderjaar. Er leven ideeën om Joske Vermeulen in verschillende Vlaamse dialecten te laten terugkeren. “Joske, dat is eigenlijk iedereen. Iedereen is een beetje Joske Vermeulen.” Ooit ziet hij verschillende Joskes samen zingen, mogelijk op de Markt van Antwerpen. Dit jaar lukt dat niet, maar het idee blijft.

Theater blijft een persoonlijk doel

De muzikale projecten sluiten aan bij een groter plan: theater. Vindevogel bracht eerder een album met dertien nummers uit en ziet daarin een basis voor een latere voorstelling. “Theater is voor mij een droom die ik al jaren koester.” Hij schrijft teksten, liedjes en gedichten, maar zoekt tijd tussen ondernemen, voetbal, projecten en politiek. De band met Maurice Hermans, de zoon van Toon Hermans, blijft voor hem belangrijk. Er waren ooit plannen om in Vlaanderen te touren met nummers van Toon Hermans en nummers van Vindevogel. Door het overlijden van Maurice Hermans kwam dat er niet van, maar de aanmoediging bleef. “Maurice zei mij dat mijn muziek niet de muziek is waarmee je commercieel moet scoren. Theater is een andere beleving, met een ander publiek.” Eén gedachte van Maurice Hermans bleef sterk hangen: Toon Hermans schreef niet om bekend te worden, maar omdat de woorden in zijn hoofd zaten en eruit moesten. Vindevogel herkent zich daarin. “Ik schrijf liedjes, teksten en gedichten niet omdat ik móét schrijven. Ik schrijf wanneer het komt: tijdens het joggen, tijdens het wandelen, in de auto.”

Parkzicht als visie op wonen

Naast ondernemen, voetbal en muziek schuift Vindevogel residentie Parkzicht naar voren als voorbeeld van hoe hij naar wonen in Diksmuide kijkt. Het project aan het park telt elf appartementen, drie bouwlagen en twee penthouses. Hij beschrijft het als een kleinschalig woonproject op een plaats waar vroeger één woning stond, met een tuin en zitgelegenheid aan het water. Voor hem gaat het niet alleen om een gebouw. Het gaat om een andere kijk op wonen bij het centrum. “Als je kwalitatieve projecten maakt door twee of drie kavels samen te brengen, kun je mensen in hun eigen omgeving houden.” Hij kijkt naar woningen uit de jaren zestig en zeventig, gebouwd voor gezinnen met kinderen en grote tuinen. Wanneer kinderen het huis uit zijn, wordt zo’n woning vaak te zwaar in onderhoud. Compact wonen dicht bij voorzieningen kan volgens hem een oplossing zijn. “Dicht bij het station, dicht bij openbaar vervoer, dicht bij de markt, dicht bij de winkels. Zo ga je spaarzaam en duurzaam om met schaarse grond en kun je meer inzetten op inbreiding in plaats van uitbreiding.” Parkzicht past volgens hem ook in een ecologische visie, met aandacht voor water, zon en warmtepompen.

Diksmuide moet beter nadenken over zijn kern

Vindevogel kijkt verder dan Parkzicht alleen. De stationsomgeving, het mediacentrum, de scholen, winkels en het centrum vormen volgens hem samen een zone waar Diksmuide veel sterker over moet nadenken. “Je verduurzaamt en je geeft mensen tegelijk de mogelijkheid om dicht bij het centrum te wonen.” Hij ziet de demografie veranderen: kleinere gezinnen, alleenstaanden, oudere bewoners die kleiner willen wonen, jonge mensen die nabij voorzieningen willen blijven. Volgens hem kan Diksmuide dat niet oplossen door telkens verder uit te breiden. De stad moet durven kijken waar inbreiding kwaliteit kan brengen. Hij wijst erop dat Diksmuide een kleine kern heeft en een groot grondgebied met veel wijken en dorpen. Net daarom moet de kern volgens hem sterker worden gemaakt. “De echte vraag is: hoe maken we Diksmuide toekomstgericht leefbaar?” Daarbij stoort hij zich aan inspraakmomenten die volgens hem te klein denken. “Men organiseert dan avonden waar je mag zeggen waar een boom of een bankje moet komen. Dat is niet de essentie. De essentie is: hoe ziet Diksmuide er binnen twintig jaar uit?”

Zeven jaar centrummanager als basis

Zijn kijk op stadsontwikkeling komt uit zijn periode als centrummanager in Diksmuide. Zeven jaar werkte hij rond evenementen, handel en ruimtelijke ontwikkeling. “Het begon met nieuwe evenementen en met de koppeling tussen handel en beleving.” Hij verwijst naar de eerste kerstmarkt, het Mercuriusproject en de ontwikkeling langs de IJzer bij de samenvloeiing met de Handzamevaart. “Ik heb dat project voor de Vlaamse regering gecoördineerd samen met Immo Desimpel. Daaruit is de wijk Hof ter Bloemmolens gegroeid.” Die periode leerde hem dat stadsontwikkeling niet alleen over stenen gaat. Handel, wonen, water, bereikbaarheid, evenementen en publieke ruimte moeten samen worden bekeken. Vandaag mist hij die brede blik. Hij vindt dat Diksmuide te veel functioneert vanuit afzonderlijke dossiers en te weinig vanuit een totaalbeeld van de stad. Vooral rond de stationsbuurt ziet hij kansen om wonen, mobiliteit, scholen, diensten en handel dichter bij elkaar te brengen.

Vier jaar vechten voor een vergunning

Parkzicht kwam er na een lange procedure. Vindevogel zegt dat hij vier jaar heeft moeten vechten om het project te realiseren. Hij schakelde naar eigen zeggen geen advocaat in, omdat hij overtuigd was dat het dossier correct binnen de plannen en ruimtelijke regels paste. “Als je weet dat je volgens de plannen correct werkt, moet je je niet laten intimideren.” Hij erkent dat burgers bezwaren kunnen hebben tegen bouwprojecten, maar maakt een onderscheid tussen legitieme opmerkingen en verzet uit persoonlijk belang. “Mensen zijn soms bang voor minder zon, extra wagens of parkeerplaatsen die verdwijnen. Dat kan ik begrijpen, maar je moet ook het algemene belang bekijken.” Volgens hem kan een project als Parkzicht een straat net sterker maken. Hij wil dat de stad durft nadenken over buurten waar sommige oude woningen op termijn plaatsmaken voor kwalitatieve projecten. Niet willekeurig, maar planmatig. “Als je die oefening goed maakt, kun je mensen dicht bij scholen, winkels en openbaar vervoer houden.”

Procedures remmen volgens hem ook aannemers af

De lange vergunningsweg ziet Vindevogel als deel van een ruimer probleem in de bouwsector. Hij zegt dat aannemers klaarstaan, maar dat projecten blijven hangen in procedures. “Met dit project alleen al kon ik met vijf aannemers onmiddellijk beginnen. Die mensen staan klaar voor werk.” Hij meent dat in Diksmuide tal van woonprojecten sneller zouden kunnen starten als beroepen minder lang aanslepen. Hij pleit niet tegen inspraak, maar wil dat beroep voeren inhoudelijk ernstig blijft. “Je mag in beroep gaan, maar je moet daar een fundamentele reden voor hebben.” Wie een wettelijk correct project alleen blijft vertragen, moet volgens hem ook de gevolgen voelen. In zijn visie heeft de bouwsector zuurstof nodig, terwijl de stad tegelijk moet sturen op kwaliteit, nabijheid en duurzaamheid. Hij wil vermijden dat angst voor procedures investeerders, aannemers en bewoners gijzelt.

Mobiliteit als sleutel voor Diksmuide

Over mobiliteit is Vindevogel bijzonder uitgesproken. Hij vindt dat Diksmuide ondanks de kwartring te weinig voordeel haalt uit zijn ligging tussen Kortrijk, Ieper, Veurne, Middelkerke, de kust en het hinterland. “Diksmuide speelt, ondanks de kwartring, veel te weinig troeven uit.” Hij kijkt daarbij nadrukkelijk naar de manier waarop andere besturen hun ontsluiting verdedigen. “Als je ziet hoe Jean-Marie Dedecker erop staat dat Middelkerke op een goede manier ontsloten wordt, dan moeten wij met zo iemand onmiddellijk in alliantie gaan om een breder project tot stand te brengen.” Voor hem draait het niet om een lokale straat of één verkeersmaatregel, maar om een strategische verbinding tussen Kortrijk en de middenkust. “We moeten durven denken aan een snelle verbinding tussen Kortrijk en de middenkust.” Hij schetst daarbij een traject waarin wie vanuit Kortrijk richting Ieper rijdt, via de snelweg vandaag de keuze heeft om door te trekken naar Veurne, maar waarin Diksmuide volgens hem veel sterker in beeld kan komen wanneer de ontsluiting anders wordt bekeken.

De A19, Boezinge en de kwartring

Vindevogel plaatst de doortrekking van de A19 centraal in zijn redenering. Wanneer de A19 tot aan de weg van Boezinge zou worden doorgetrokken, ziet hij volgens eigen woorden een logische kans om Diksmuide opnieuw sterker te verbinden. “Als die doortrekking van de A19 tot op de weg van Boezinge er komt, kun je met de kwartring rond Diksmuide onmiddellijk overgaan tot een ontsluiting met een halve ring.” Daarna moet volgens hem verder worden gekeken richting Sint-Pieters-Kapelle. “Vervolgens kun je rond Sint-Pieters-Kapelle een bypass maken die aansluiting geeft richting E40 en Middelkerke.” Hij verwijst daarbij naar plannen en denkrichtingen die vroeger al in het Westplan zaten. Voor Vindevogel is dat belangrijk omdat Diksmuide anders te veel aan de rand van verkeersstromen blijft liggen. De stad heeft volgens hem een ligging die toeristisch, economisch en ruimtelijk veel sterker kan worden benut, maar dan moet de ontsluiting niet defensief maar offensief worden bekeken.

Een primaire weg richting Middelkerke

Een belangrijk deel van zijn mobiliteitsvisie gaat over de verbinding richting Middelkerke. Vindevogel vindt dat die weg opnieuw een zwaardere rol moet krijgen in de regionale ontsluiting. “Je moet ervoor zorgen dat die weg opnieuw een primaire weg wordt richting Middelkerke.” Hij koppelt dat ook aan de discussie over snelheid en doorstroming. De belofte om opnieuw 90 kilometer per uur mogelijk te maken, werd volgens hem luid naar voren gebracht in verkiezingsfolders, maar hij ziet daar te weinig uitvoering van. “Als we nu niet doorzetten en niet met de vuisten op tafel kloppen bij de Vlaamse regering om die ontsluiting volledig te maken rond Diksmuide, dan moet je verder denken. Dan moet je ervoor zorgen dat die weg opnieuw een primaire weg wordt richting Middelkerke.” Voor hem is dat geen nostalgie naar vroegere verkeerssituaties, maar een vraag naar bereikbaarheid, economische slagkracht en regionale positie. Een centrumstad die toerisme, handel, wonen en dienstverlening wil versterken, moet volgens hem ook vlot bereikbaar zijn.

Toerisme begint bij bereikbaarheid

Vindevogel ziet mobiliteit niet los van toerisme. Een betere ontsluiting kan volgens hem toeristisch verkeer aantrekken dat vandaag te vaak langs Diksmuide heen gaat. “Ik ben ervan overtuigd dat je veel toeristisch verkeer naar onze regio kunt aantrekken. Dan kan Diksmuide een veel prominentere plaats krijgen op de toeristische kaart.” Hij wijst op de IJzertoren en andere herkenbare bezienswaardigheden die langs zo’n route liggen. “Zo’n weg komt langs de IJzertoren. Die bezienswaardigheden trekken mensen aan. Dat nodigt mensen uit om Diksmuide te beleven.” In zijn visie gaat het dus niet alleen over sneller rijden, maar over het zichtbaar maken van de stad. Wie Diksmuide beter ontsluit, geeft bezoekers volgens hem ook een reden om te stoppen, de stad binnen te rijden, handel en horeca te gebruiken en de streek te leren kennen. Mobiliteit wordt zo een instrument voor toerisme, economie en stadsontwikkeling tegelijk.

Openbaar vervoer en bereikbaarheid

De afbouw van openbaar vervoer maakt het dossier voor Vindevogel nog dringender. Hij ziet dat Diksmuide en de omliggende dorpen niet alleen afhankelijk kunnen blijven van bestaande lijnen en minimale verbindingen. “We zien wat er gebeurt met het openbaar vervoer en de afbouw op dat vlak.” Voor hem betekent dat dat de stad harder moet wegen op alle vormen van bereikbaarheid. Wegeninfrastructuur, openbaar vervoer, toeristische stromen en verbindingen naar de kust horen volgens hem samen in één strategie. Als Diksmuide bereikbaar wil blijven voor bewoners, scholieren, werknemers, ondernemers en bezoekers, moet de stad volgens hem niet wachten tot Vlaanderen of andere gemeenten de kaart tekenen. Ze moet zelf allianties bouwen, zelf voorstellen doen en zelf druk zetten. “We moeten met de vuisten op tafel kloppen bij de Vlaamse regering.” Dat is voor Vindevogel de kern van mobiliteitsbeleid: niet achteraf reageren, maar vooraf het dossier bepalen.

Mobiliteit als politiek bewijsstuk

De mobiliteitsdiscussie raakt ook aan zijn kritiek op Actie!. Volgens Vindevogel werden in de verkiezingsperiode duidelijke beloften gedaan, maar blijft de zichtbare uitvoering uit. Toen hem werd gevraagd wie de 90 kilometer per uur naar voren bracht, wees hij naar Actie!. “Ik denk dat dat een punt was dat Actie vanuit haar filosofie naar voren bracht, zoals vele andere punten waarbij ik na twee jaar nog altijd wacht op actie.” Hij formuleert het scherp: “Als je een partij Actie! noemt, dan wacht je toch geen twee jaar vooraleer mensen iets in het straatbeeld zien dat op actie lijkt.” Mobiliteit wordt daardoor voor hem meer dan een technisch dossier. Het is een toetssteen voor bestuurskracht. Wie bereikbaarheid belooft, moet volgens hem ook dossiers openen, partners zoeken, Vlaanderen aanspreken en concrete resultaten tonen. Anders blijft een verkiezingsbelofte volgens hem hangen in papier.

Actie! krijgt harde kritiek

Zijn kritiek op Actie! gaat breder dan mobiliteit. Vindevogel vindt dat de partij de eigen naam te weinig waarmaakt. Volgens hem werd de kiezer te veel beloofd en te weinig getoond. Hij zegt dat Actie! vooral naar de verkiezingen trok om Team 8600 of CD&V te verzwakken, maar dat dit niet leidde tot het bestuur dat Diksmuide nodig heeft. De coalitie van vroegere tegenstrevers overtuigt hem niet. Hij noemt de bestuursdynamiek te weinig ambitieus. Project 8600 en vandaag Diksmuide Voorop waren volgens hem wél gebouwd rond een plan om in beweging te komen. Zelf wil hij richting 2030 opnieuw politiek wegen. “Als ik morgen burgemeester word, dan zal Diksmuide in één legislatuur acties zien die de stad opnieuw op de kaart zetten.” Hij wil het ondernemersklimaat versterken, evenementen vernieuwen en traditie niet gebruiken als reden om stil te blijven staan.

Geen geld is geen beleid

Het argument dat er geen geld is, vindt Vindevogel te gemakkelijk. Hij bekijkt dat vanuit zijn eigen ondernemerservaring. “Ik heb als ondernemer ook bijna nooit geld gehad. Ik heb altijd geïnvesteerd en vooruitgekeken.” Voor hem begint politiek juist wanneer middelen beperkt zijn. “Je kunt je altijd verschuilen achter: er is geen geld, dus we kunnen niets doen. Dan denk ik dat je beter niet in de politiek stapt.” Een stadsbestuur moet volgens hem extra middelen zoeken, partners aanspreken, ondernemerschap ondersteunen en inkomsten creëren zonder de burger nodeloos te belasten. Zijn oordeel is hard: “Je wegsteken achter ‘we hebben geen geld’, dat vind ik politiek bedrog.” Diksmuide Voorop moet voor hem daarom geen bord of slogan zijn, maar een bestuurslijn. Vroeger luisteren. Vroeger plannen. Vroeger onderhandelen. Vroeger handelen.

De Rhille als pijnlijke waarschuwing

Het dossier Sport Vlaanderen Woumen, in de streek bekend als De Rhille, is voor Vindevogel een voorbeeld van te laat reageren. Volgens hem had het centrum veel vroeger in een ruimer toeristisch en recreatief kader moeten worden verdedigd. Sport Vlaanderen alleen met de vinger wijzen vindt hij te eenvoudig, omdat er al jaren noden waren rond infrastructuur en brandveiligheid. “Het probleem in Diksmuide is dat men wakker schiet wanneer het te laat is.” Hij verwijst naar 2001, toen hij Zappen op het Platteland organiseerde, samen met de Vlaamse overheid. De Rhille was toen een ankerpunt in een fiets- en belevingstraject. “Ik stond dicht bij de directeur van het ruitersportcentrum. Ik had regelmatig overleg. Ik had voelsprieten. Ik luisterde naar wat daar leefde en kon snel reageren op wat nodig was.” Die nabijheid mist hij vandaag. “Je moet niet op straat komen wanneer het te laat is. Politiek moet proactief reageren.”

Een toeristische troef die te weinig werd uitgespeeld

Vindevogel vindt dat De Rhille sterker in het toeristische verhaal van Diksmuide had moeten zitten. “Hoe komt het dat je van niets weet? Omdat je niet dicht genoeg staat bij de wereld waarin je leeft.” Hij vraagt zich af hoe vaak het ruitersportcentrum de voorbije jaren echt werd meegenomen als toeristische partner. Zelf gebruikte hij De Rhille destijds wel als troef. “Met Zappen op het Platteland hebben we De Rhille uitgespeeld als een troef voor Diksmuide.” Hij verwijst ook naar Indianenkampen die hij daar organiseerde. “Kinderen kwamen uit heel Vlaanderen naar Woumen voor die kampen. Dat deden we om het toeristische product te promoten.” Volgens hem was De Rhille deel van het DNA van Diksmuide, maar werd dat te weinig getoond. “Als een plek voor de stad zelf niet onmisbaar lijkt, wordt ze kwetsbaar wanneer hogere overheden beslissen.” Hij vindt dat bestuurders veel vroeger hadden moeten aantonen dat De Rhille belangrijk was voor recreatie, sport, toerisme en streekidentiteit.

Diensten verdwijnen waar ambitie ontbreekt

Van De Rhille trekt Vindevogel de lijn door naar andere voorzieningen. Hij noemt de afbouw van postdiensten, financiële dienstverlening, het station, gerechtelijke functies en zorg. Hij stelt de vraag waarom bepaalde diensten wel in Veurne aanwezig zijn en niet in Diksmuide, terwijl Diksmuide een groot grondgebied bedient. “Dat is puur politiek. De vraag is: hoe ambitieus ben je?” Voor hem moet een mandaat zwaarder wegen dan dagelijks beheer. “Als je een mandaat hebt, moet je dat opnemen vanuit het idee: mijn stad is mijn leven, mijn stad is mijn levenswerk.” Een bestuurder moet volgens hem vechten om diensten dicht bij de burger te houden. “Je moet ervoor zorgen dat je burger zo dicht mogelijk betrokken blijft bij alles wat de overheid kan aanbieden.” In zijn ogen heeft Diksmuide zich te vaak laten doen door kleinere gemeenten of andere steden. Dat patroon wil hij breken.

Medisch Centrum Diksmuide als bewijs

Het Medisch Centrum Diksmuide ziet Vindevogel als bewijs dat vooruitdenken loont. Hij zegt dat hij jaren geleden al pleitte voor een ziekenhuisantenne of medisch centrum in Diksmuide. “Men heeft mij toen uitgelachen.” Hij verwijst naar gesprekken met Jan Yperman en naar discussies waarin het idee werd weggewuifd. “Waarom zou Diksmuide geen ziekenhuisantenne of minstens een medisch centrum kunnen hebben?” Vindevogel stelde op een bepaald moment ook site Vandezande als mogelijke site voor. Vandaag ziet hij dat veel mensen het medisch centrum toejuichen. “Nu staat iedereen in de rij om proficiat te zeggen. Laat het maar uitbreiden.” Voor hem zit daar de kern van bestuur in: ideeën niet afschieten omdat ze vandaag lastig lijken, maar bekijken of ze morgen noodzakelijk worden. Hetzelfde geldt volgens hem voor toerisme, mobiliteit, wonen en sportinfrastructuur.

Oostende, Diksmuide en de bredere streek

Ook Oostende speelt in zijn verhaal een duidelijke rol. Via KVDO groeide de band met de kuststad en met mensen rond de club. Vindevogel spreekt over vrienden en over plannen die verder gaan dan één voetbalproject. De verbinding Diksmuide-Oostende is voor hem sportief, economisch en symbolisch. Het lied over KVDO vat dat samen in de IJzer en de zee, maar de gedachte gaat ruimer. De Westhoek, de binnenkust en de kust kunnen elkaar versterken wanneer mobiliteit, sport, toerisme en ondernemerschap beter worden verbonden. Dat is ook waarom hij de route richting Middelkerke en de ontsluiting naar de middenkust zo belangrijk vindt. Diksmuide mag volgens hem niet aan de rand van dossiers blijven staan. De stad moet haar ligging gebruiken, niet ondergaan.

Wakker voordat het te laat is

Alle dossiers keren terug naar dezelfde gedachte. Poetsland gaat over bouwen na tegenslag. KVDO gaat over regionale schaal in voetbal. Het supporterslied gaat over identiteit. Het Gastonproject gaat over erfgoed dat moet blijven klinken. Parkzicht gaat over wonen dicht bij voorzieningen. Mobiliteit gaat over bereikbaarheid, toerisme en economische slagkracht. De Rhille gaat over proactief beleid. Het Medisch Centrum Diksmuide gaat over diensten die dicht bij inwoners moeten blijven. Vindevogel vat die lijn zelf het sterkst samen: “Als het te laat is, wordt men in Diksmuide wakker. Ik ben wakker voordat het te laat is.”

Richting 2030

Richting 2030 wil Vindevogel blijven wegen op de toekomst van Diksmuide. Hij ziet een stad met water, erfgoed, onderwijs, sport, ondernemers, open ruimte, toerisme en een ligging tussen kust en binnenland. Tegelijk vindt hij dat die troeven te vaak los van elkaar worden bekeken. Diksmuide moet volgens hem sneller keuzes maken rond wonen, mobiliteit, zorg, lokale economie, toerisme en dienstverlening. Hij wil dat de stad zelf dossiers trekt, in plaats van te wachten tot hogere overheden of andere steden de richting bepalen. Diksmuide Voorop moet in die visie geen slogan zijn, maar een manier van besturen: vroeger luisteren, vroeger plannen, vroeger onderhandelen en vroeger handelen.

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)