Europa onder hoogspanning: strijd om miljarden, Russische afhankelijkheid, mensenrechten, migratie, internationale veiligheid en sociale rechtvaardigheid beheerst historische oktoberweek in Straatsburg

Straatsburg, 21 oktober 2026 – Terwijl de Europese Unie zich probeert te wapenen tegen toenemende geopolitieke spanningen, economische afhankelijkheid, oorlog, internationale concurrentie en bedreigingen voor de democratische rechtsstaat, worden in het Europees Parlement beslissingen voorbereid die de komende jaren rechtstreekse gevolgen kunnen hebben voor honderden miljoenen Europeanen. Tussen 15 en 21 oktober kwamen bijzonder uiteenlopende dossiers samen: scherpe meningsverschillen over de Europese meerjarenbegroting, voorstellen voor miljardeninvesteringen in kritieke grondstoffen, versterkte rechten voor miljoenen reizigers, plannen voor een Europees hogesnelheidsnetwerk, nieuwe garanties voor biologische landbouw, de maatschappelijke onderwaardering van beroepsonderwijs, bescherming tegen vervalsing van de euro, de toekomst van Erasmus+, internationale handelsconflicten met China en de strijd tegen straffeloosheid voor aanvallen op journalisten. Ook het Internationaal Strafhof, de Russische oorlog tegen Oekraïne, de spanningen in het Midden-Oosten en de Europese migratiepolitiek stonden prominent op de agenda. De week kende bovendien een bijzonder moment voor de onderzoeksjournalistiek: op 21 oktober werd in Straatsburg de Daphne Caruana Galizia-prijs 2026 uitgereikt, waarvoor de Belgische journalist Andy Vermaut van indegazette.be tot de tien finalisten behoorde. Achter de opeenvolgende parlementaire debatten, stemmingen en diplomatieke ontmoetingen tekent zich één fundamentele vraag af: kan Europa zijn internationale ambities, economische belangen, sociale verplichtingen en democratische beginselen blijven verenigen wanneer de beschikbare middelen, de politieke overeenstemming en de praktische uitvoering steeds sterker onder druk komen te staan?
Roberta Metsola waarschuwt Europese regeringsleiders: ambities zonder financiële middelen brengen Europa nergens
Tijdens de Europese Raad van 15 en 16 oktober legde Roberta Metsola, voorzitter van het Europees Parlement, een fundamenteel probleem op tafel dat de onderhandelingen over de toekomstige Europese begroting dreigt te beheersen. De Europese Unie stelt steeds uitgebreidere doelstellingen vast voor defensie, veiligheid, concurrentievermogen, energievoorziening, steun aan Oekraïne, landbouw, regionale ontwikkeling en internationale samenwerking, maar tegelijkertijd willen verschillende lidstaten de financiële ruimte beperken die nodig is om die doelstellingen daadwerkelijk te verwezenlijken. Metsola waarschuwde dat Europa niet eindeloos kan vergaderen over nieuwe ambities om vervolgens de middelen te verminderen waarmee die ambities moeten worden uitgevoerd. Ze reageerde daarmee op het aangepaste onderhandelingsvoorstel van het Ierse voorzitterschap voor het meerjarig financieel kader van 2028 tot 2034. Volgens haar dreigt dat voorstel het evenwicht te verstoren tussen bestaande Europese beleidsdomeinen en nieuwe prioriteiten. Haar kritiek raakt aan een structureel spanningsveld: de Unie moet steeds meer collectieve uitdagingen aanpakken, terwijl de financiering grotendeels afhankelijk blijft van afspraken tussen nationale regeringen met uiteenlopende begrotingsbelangen.
Acht procent minder voor de Europese begroting, terwijl de internationale uitdagingen toenemen
De discussie werd concreet toen de belangrijkste begrotingsrapporteurs van het Europees Parlement de voorstellen van het Ierse voorzitterschap analyseerden. Siegfried Mureșan, lid van de Europese Volkspartij uit Roemenië, en Carla Tavares, lid van de sociaaldemocratische fractie uit Portugal, wezen erop dat het onderhandelingsvoorstel een vermindering van ongeveer acht procent zou betekenen ten opzichte van het voorstel van de Europese Commissie. Volgens Mureșan zou daarmee het vermogen van de Europese Unie worden aangetast om haar burgers te beschermen, internationaal economisch te concurreren en voldoende te investeren in landbouw en regionale ontwikkeling. Hij herinnerde eraan dat nationale begrotingen de afgelopen jaren zijn gegroeid, terwijl de Europese begroting volgens zijn analyse onvoldoende is meegeëvolueerd met de verantwoordelijkheden die aan de Unie worden toegewezen. Carla Tavares wees op de gevolgen voor afzonderlijke beleidsdomeinen. Volgens haar zou het aangepaste voorstel onder meer een vermindering van 12,8 procent voor concurrentievermogen en 17,4 procent voor extern optreden kunnen veroorzaken. Zulke bedragen zijn volgens haar niet louter boekhoudkundige gegevens, omdat ze bepalen hoeveel Europa kan investeren in innovatie, economische ontwikkeling, internationale partnerschappen en de verdediging van zijn strategische belangen.
Europese eigen inkomsten worden inzet van een groeiend institutioneel conflict
De discussie over de begrotingsomvang hangt rechtstreeks samen met de vraag waar de Europese Unie haar inkomsten vandaan moet halen. Roberta Metsola ziet bijkomende eigen middelen als een mogelijke manier om de verschillende standpunten dichter bij elkaar te brengen. Daarmee zouden Europese programma’s kunnen worden gefinancierd zonder dat alle bijkomende uitgaven rechtstreeks op de nationale begrotingen terechtkomen. Danuše Nerudová, Europarlementslid uit Tsjechië, en Sandra Gómez López, Europarlementslid uit Spanje, uitten scherpe kritiek op het gebrek aan vooruitgang in de voorstellen voor nieuwe inkomstenbronnen. Volgens Nerudová had het Ierse voorzitterschap onvoldoende rekening gehouden met de ideeën die het Parlement eerder naar voren had gebracht. Gómez López stelde dat een geloofwaardige overeenkomst over de volgende meerjarenbegroting niet mogelijk is zonder wezenlijke vooruitgang inzake eigen middelen. Het Parlement had eerder bijkomende inkomsten voorgesteld via onder meer een heffing op digitale diensten, onlinekansspelen en vermogenswinsten op cryptoactiva. Die voorstellen zouden volgens de parlementaire berekeningen ongeveer dertig miljard euro extra kunnen opleveren, bovenop de 57,4 miljard euro die de Commissie eerder voor nieuwe inkomstenbronnen had voorzien. Ze maken deel uit van de onderhandelingen en mogen niet worden beschouwd als reeds definitief ingevoerde belastingen.
De toekomst van Europese landbouw en regionale ontwikkeling staat mee op het spel
De begrotingsdiscussie heeft bijzondere gevolgen voor de landbouwsector en voor Europese regio’s die afhankelijk zijn van cohesiemiddelen. Landbouwsubsidies, regionale investeringsprogramma’s en steun voor minder ontwikkelde gebieden nemen traditioneel een belangrijke plaats in binnen de Europese begroting. De opkomst van nieuwe uitgavenprioriteiten, onder meer voor defensie, technologische autonomie en internationale veiligheid, roept de vraag op hoe die bestaande beleidsdomeinen kunnen worden beschermd. Siegfried Mureșan waarschuwde dat een vermindering van de voorgestelde begroting gevolgen kan hebben voor landbouwers en regio’s. De financiële keuzes voor 2028 tot 2034 zullen bepalen hoeveel Europese middelen beschikbaar zijn voor plattelandsontwikkeling, landbouwtransitie, lokale infrastructuur, opleiding en economische aanpassing. Voor landen als België is dat een bijzonder relevant debat omdat Europese programma’s niet uitsluitend betrekking hebben op nationale overheden, maar ook op provincies, gemeenten, onderzoeksinstellingen, ondernemingen en maatschappelijke organisaties. De formele vaststelling van het meerjarig financieel kader vereist uiteindelijk unanimiteit onder de lidstaten en de instemming van het Europees Parlement.
Europa wil tegen eind 2027 één sterkere interne markt realiseren
Naast de begrotingsonderhandelingen presenteerden de Europese instellingen een tweede evaluatie van de routekaart One Europe, One Market. Die gezamenlijke agenda moet belemmeringen binnen de interne markt verminderen, investeringen stimuleren en de economische samenwerking tussen lidstaten versterken. Zes maanden na de ondertekening van de routekaart bevestigden Roberta Metsola, de Ierse regeringsleider Micheál Martin en Commissievoorzitter Ursula von der Leyen hun engagement om de belangrijkste initiatieven tijdig uit te voeren. Metsola wees op het verminderen van onnodige administratieve verplichtingen en het wegnemen van obstakels die bedrijven verhinderen om over de grenzen heen actief te worden. Micheál Martin benadrukte dat Europa zijn concurrentievermogen en productiviteit moet versterken. Ursula von der Leyen herinnerde eraan dat de interne markt ongeveer 450 miljoen consumenten omvat, maar volgens haar nog niet alle mogelijkheden benut. De Commissie wil tegen eind 2027 een ingrijpende modernisering realiseren waardoor energie, kapitaal, innovatie en ondernemingsactiviteiten gemakkelijker over nationale grenzen kunnen circuleren. Tegelijk blijft de vraag hoe economische vereenvoudiging verenigbaar kan worden gemaakt met sociale bescherming, consumentenrechten en milieunormen.
Energieprijzen en gebrekkige grensverbindingen blijven bedreiging voor Europese concurrentiekracht
Het energiebeleid nam een centrale plaats in tijdens de toelichting van Roberta Metsola aan de Europese regeringsleiders. Volgens haar leveren de Europese maatregelen voor energiezekerheid resultaten op, maar blijft snellere vooruitgang noodzakelijk bij grensoverschrijdende energieverbindingen. Ze verwees naar de onderhandelingen over het Europese elektriciteitsnetwerkenpakket, waarvoor nog vóór het einde van 2026 een overeenkomst wordt nagestreefd. Betere interconnecties moeten het mogelijk maken om energie efficiënter te verplaatsen tussen regio’s en landen, de leveringszekerheid te vergroten en knelpunten in de infrastructuur te verminderen. Het Europees Parlement wil daarbij ook rekening houden met prijsstabiliteit, de ontwikkeling van klimaatneutrale technologie en de bescherming van kritieke infrastructuur. Die ambities hebben een duidelijke economische betekenis. Bedrijven hebben nood aan betrouwbare energie tegen voorspelbare prijzen, terwijl huishoudens betaalbare elektriciteit en verwarming verwachten. Het debat raakt bovendien aan de afhankelijkheid van geïmporteerde brandstoffen, de noodzaak van investeringen in nieuwe productiecapaciteit en de vraag hoe Europa zijn strategische autonomie kan versterken zonder bestaande economische kwetsbaarheden te verplaatsen naar andere sectoren.
Kritieke grondstoffen worden het nieuwe strijdterrein van geopolitieke macht
Op 20 oktober nam het Europees Parlement een standpunt aan over veranderingen aan de Critical Raw Materials Act. Daarmee wil het de bevoorrading van kritieke grondstoffen beter beschermen en de strategische autonomie van de Europese Unie versterken. Zulke grondstoffen zijn essentieel voor onder meer elektrische batterijen, waterstoftechnologie, vliegtuigen, drones, satellieten, geavanceerde chips, defensietoepassingen en de energietransitie. De parlementaire voorstellen hebben betrekking op de volledige productieketen: van mijnbouw en verwerking tot raffinage, recyclage en de vervanging van moeilijk beschikbare materialen. Het doel is de afhankelijkheid van kwetsbare internationale toeleveringsketens te verminderen en de Europese industriële capaciteit te versterken. De bezorgdheid is dat economische concurrenten niet alleen grondstoffen kunnen leveren, maar door hun dominante positie ook invloed kunnen uitoefenen op Europese industrieën. Wanneer essentiële onderdelen of materialen onvoldoende beschikbaar zijn, kunnen de gevolgen zich uitbreiden naar productiebedrijven, infrastructuurprojecten, technologische innovatie en veiligheidsvoorzieningen.
Een nieuw Europees grondstoffencentrum en twee miljard euro aan financiering
Een van de belangrijkste voorstellen is de oprichting van een zelfstandig Europees centrum voor kritieke grondstoffen. Dit centrum zou beschikken over een eigen bestuursstructuur en specifieke financiële middelen. Het moet informatie over de grondstoffenmarkt verzamelen, strategische voorraden helpen organiseren, gezamenlijke aankopen ondersteunen en de kwetsbaarheid van Europese toeleveringsketens analyseren. Ook zou het overleg tussen bedrijven, overheden en andere betrokken partijen coördineren. De Europarlementsleden verwijzen naar een mogelijk fonds van twee miljard euro binnen de toekomstige Europese meerjarenbegroting. Dat geld zou moeten bijdragen aan de ontwikkeling van strategische projecten en aan een betere Europese voorbereiding op mogelijke bevoorradingsproblemen. Verder willen de parlementsleden dat de Commissie minstens twee keer per jaar oproepen organiseert voor nieuwe strategische projecten. Zo moeten ondernemingen meer duidelijkheid krijgen over de termijnen waarbinnen ze steun kunnen aanvragen en hun investeringen kunnen voorbereiden. Het voorstel maakt duidelijk dat de grondstoffenvoorziening steeds nadrukkelijker wordt beschouwd als een collectieve Europese verantwoordelijkheid.
Europa overweegt uitvoerbeperkingen om waardevolle materialen binnen de Unie te houden
De Europarlementsleden willen ook een voorwaardelijk mechanisme voor exportcontrole invoeren. Dat zou de Europese Commissie onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid geven om de uitvoer van afval en schroot van permanente magneten te beperken. De achterliggende gedachte is dat bepaalde afgedankte producten nog waardevolle grondstoffen bevatten die opnieuw kunnen worden gebruikt. Wanneer die materialen Europa verlaten, gaat mogelijk ook een deel van de toekomstige recyclagecapaciteit verloren. De voorgestelde maatregel moet daarom helpen om recycleerbare grondstoffen binnen de Europese economie beschikbaar te houden. Tegelijk is er aandacht voor de economische gevolgen van zulke beperkingen en voor de verenigbaarheid met internationale handelsregels. Daarnaast zouden grote ondernemingen in strategische sectoren verplicht kunnen worden hun toeleveringsketens grondiger in kaart te brengen en maatregelen te nemen tegen mogelijke onderbrekingen. Volgens de voorstellen moet de Europese Commissie bepalen welke ondernemingen onder die verplichtingen vallen, om een samenhangende toepassing in de Unie mogelijk te maken.
De prijs van grondstoffen wordt een veiligheidsprobleem voor de Europese industrie
De voorstellen beperken zich niet tot productie, recyclage en voorraden. Het Europees Parlement wil ook mechanismen voor prijsstabilisatie onderzoeken, waaronder contracten ter verrekening van prijsverschillen. Zulke contracten kunnen investeerders meer zekerheid geven over toekomstige inkomsten uit projecten voor winning, verwerking of recyclage. Zonder voldoende financiële voorspelbaarheid bestaat het risico dat nieuwe Europese projecten moeilijk van de grond komen, zeker wanneer internationale concurrenten tegen lagere kosten produceren of over omvangrijke overheidsondersteuning beschikken. De parlementsleden willen bovendien dat gezamenlijke Europese aankoopmechanismen worden uitgebreid en dat de ontwikkeling van kritieke grondstoffen een plaats krijgt binnen de toekomstige financiering van de Europese defensie-industrie. De verbinding tussen economische zekerheid en defensie wordt daarmee steeds explicieter. Een gebrek aan toegang tot grondstoffen kan niet alleen consumentenproducten duurder maken, maar ook de productie van essentiële technologie voor veiligheid en defensie bemoeilijken.
Hogesnelheidstreinen moeten Europa verbinden, maar dure tickets en ontbrekende spoorverbindingen vormen obstakels
Het Europees Parlement heeft op 20 oktober met 558 stemmen voor, 23 tegen en 73 onthoudingen aanbevelingen aangenomen om het Europese hogesnelheidsspoor uit te bouwen. De parlementsleden willen een werkelijk samenhangend netwerk dat niet alleen nationale hoofdsteden verbindt, maar ook belangrijke stedelijke gebieden, perifere regio’s en grensoverschrijdende economische centra. Volgens hen kan een beter spoorwegnet bijdragen aan klimaatdoelstellingen, economische integratie en een verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Tegelijk willen ze dat ook regio’s zonder rechtstreekse hogesnelheidsverbinding toegang krijgen tot het netwerk via goed georganiseerde aansluitingen. Het gaat daarbij niet uitsluitend om het bouwen van nieuwe spoorlijnen. De parlementsleden vragen ook aandacht voor ontbrekende schakels, grensovergangen, onvoldoende gebruikte trajecten en verbindingen die in het verleden werden stopgezet. Het trans-Europese vervoersnetwerk TEN-T moet hiervoor verder worden ontwikkeld. De financiering zal voor een belangrijk deel afhangen van de volgende Europese begroting en van instrumenten zoals de Connecting Europe Facility.
Betaalbaarheid en transparante treintickets worden cruciaal voor duurzame mobiliteit
Vicent Marzà Ibáñez, rapporteur voor het spoorwegdossier, benadrukte dat hogesnelheidstreinen een belangrijk alternatief kunnen worden voor het luchtverkeer tussen grote Europese steden. Maar daarvoor moeten spoorverbindingen niet alleen beschikbaar zijn: reizigers moeten ook eenvoudig kunnen boeken en de prijzen moeten betaalbaar blijven. Het Parlement wijst op het risico van vervoersarmoede, waarbij mensen door hoge kosten of slechte verbindingen onvoldoende toegang hebben tot mobiliteit. De aanbevelingen omvatten transparantere ticketprijzen, beter vergelijkbare aanbiedingen, mogelijke abonnementsformules en aangepaste tarieven. Ook moeten internationale treinreizen gemakkelijker worden georganiseerd wanneer meerdere spoorwegmaatschappijen betrokken zijn. De Europese spoorwegsector telt volgens het Parlement meer dan 1,3 miljoen werknemers in productie, aanleg, onderhoud en exploitatie. Investeringen in het spoor worden daardoor niet alleen beschouwd als klimaatbeleid, maar ook als economisch en sociaal beleid dat werkgelegenheid en regionale ontwikkeling kan ondersteunen.
Reizigers krijgen uitzicht op sterkere bescherming bij annuleringen en terugbetalingen
Een tweede belangrijk vervoersdossier kreeg op 20 oktober bijzonder brede parlementaire steun. Met 652 stemmen voor, twee tegen en acht onthoudingen gaf het Europees Parlement zijn definitieve goedkeuring aan zijn kant van nieuwe regels om passagiersrechten beter te handhaven. De maatregelen hebben betrekking op luchtvaart, spoorvervoer, busreizen en scheepvaart. Ze moeten duidelijker maken welke rechten reizigers hebben wanneer hun reis wordt verstoord en hoe zij een vergoeding of terugbetaling kunnen verkrijgen. Een belangrijk onderdeel betreft vliegtickets die via reisbureaus of onlineplatforms worden gekocht. Bij annuleringen moet volgens de nieuwe regeling het volledige bedrag kunnen worden terugbetaald, inclusief bepaalde bemiddelingskosten. Daarvoor geldt een termijn van veertien dagen, waarbij de luchtvaartmaatschappij maximaal zeven dagen krijgt om het bedrag aan de tussenpersoon over te maken en die tussenpersoon vervolgens maximaal zeven dagen heeft om de reiziger te betalen. De regels moeten nog formeel door de Raad worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd en toegepast.
Een Europees klachtenformulier moet een einde maken aan onnodige administratieve hindernissen
De nieuwe passagiersregels voorzien eveneens in gestandaardiseerde Europese formulieren voor terugbetalings- en schadevergoedingsverzoeken. Deze moeten beschikbaar worden gesteld via de website van de Europese Commissie, in alle officiële talen en voor verschillende vervoersvormen. Reizigers mogen daarnaast gebruik blijven maken van gelijkwaardige formulieren van vervoersondernemingen. Het doel is te voorkomen dat mensen door ingewikkelde administratieve procedures afhaken wanneer zij gebruik willen maken van bestaande rechten. Nationale toezichthouders krijgen bovendien meer bevoegdheden om mogelijke overtredingen te onderzoeken. Ze zullen niet uitsluitend afhankelijk zijn van individuele klachten, maar ook uit eigen beweging controles, inspecties en gesprekken met vervoerders kunnen organiseren. Matteo Ricci, de Italiaanse rapporteur, verdedigde deze aanpak als een manier om ervoor te zorgen dat vervoersondernemingen hun verantwoordelijkheden nakomen zonder dat reizigers telkens naar de rechtbank moeten stappen. Volgens de aangekondigde planning moeten de regels vanaf 23 oktober 2027 van toepassing worden.
Personen met een beperking krijgen bijkomende bescherming bij vliegreizen
Voor personen met een beperking of verminderde mobiliteit bevat de hervorming een bijzonder belangrijke bepaling. Wanneer een begeleider noodzakelijk is om een vlucht te kunnen maken, moet die persoon kosteloos kunnen meereizen. Het Parlement wil daarmee de bescherming in de luchtvaart beter afstemmen op bestaande regelingen voor andere vervoersvormen. De maatregel raakt aan een structureel probleem: mensen met een beperking worden in de praktijk regelmatig geconfronteerd met bijkomende kosten en organisatorische hindernissen wanneer zij dezelfde verplaatsingen willen maken als andere reizigers. Een noodzakelijke begeleider kan een voorwaarde zijn om veilig te reizen, maar het betalen van een tweede ticket vormt voor sommige personen een grote financiële drempel. De nieuwe regels moeten die ongelijkheid verminderen. De praktische toepassing zal afhangen van de voorwaarden waaronder de noodzaak van begeleiding wordt vastgesteld en de manier waarop luchtvaartmaatschappijen hun verplichtingen organiseren.
Europese afvalregels worden versoepeld voor kleine ondernemingen, maar milieubescherming blijft verplicht
Op 20 oktober behandelde het Europees Parlement voorstellen om bepaalde administratieve verplichtingen binnen de afvalwetgeving tijdelijk te verminderen. Producenten die producten op de Europese markt brengen, moeten op grond van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bijdragen aan de kosten van inzameling, sortering en recyclage wanneer die producten afval worden. Momenteel bestaan ook verplichtingen om vertegenwoordigers aan te wijzen in andere lidstaten waar producten worden verkocht. Vooral voor kleinere ondernemingen kan dat leiden tot aanzienlijke administratieve kosten. Het Parlement wil daarom een gerichte vrijstelling invoeren voor in de Europese Unie gevestigde micro- en kleine ondernemingen met minder dan vijftig werknemers en een jaaromzet of balanstotaal van minder dan tien miljoen euro. De vrijstelling zou betrekking hebben op onder meer verpakkingen, batterijen, textiel, schoeisel, elektronische apparatuur en bepaalde wegwerpproducten van kunststof. Ze zou kunnen gelden tot 2035 of tot een bredere Europese wetgeving over de circulaire economie van kracht wordt.
Ingeborg ter Laak wil bureaucratie verminderen zonder de verantwoordelijkheid voor afval af te schaffen
De Nederlandse Europarlementariër Ingeborg ter Laak verdedigde de voorgestelde aanpassing vanuit de overtuiging dat ondernemingen gemakkelijker binnen de Europese interne markt moeten kunnen groeien. Volgens haar mogen onnodige administratieve verplichtingen geen belemmering vormen voor kleine bedrijven die hun producten in meerdere lidstaten willen verkopen. Tegelijk benadrukte ze dat producenten verantwoordelijk moeten blijven voor de afvalstromen die hun producten veroorzaken. De voorgestelde vrijstelling heeft daarom geen betrekking op alle verplichtingen binnen het systeem van producentenverantwoordelijkheid. Regels over afvalpreventie, inzameling en recyclage blijven belangrijk. Het Parlement wil daarnaast dat de lidstaten beter informatie uitwisselen, digitale administratieve systemen op elkaar afstemmen en gemeenschappelijke rapportagevoorwaarden ontwikkelen. De voorstellen werden in twee stemmingen goedgekeurd, met respectievelijk 616 stemmen voor, negen tegen en 39 onthoudingen, en 612 stemmen voor, acht tegen en 39 onthoudingen. De uiteindelijke regels moeten nog met de Raad worden onderhandeld.
Biologische landbouw krijgt nieuwe regels tegen misleidende etikettering
Ook de biologische landbouw stond op 20 oktober centraal. Onderhandelaars van het Europees Parlement en het Ierse voorzitterschap van de Raad bereikten een voorlopig akkoord over wijzigingen aan de Europese regels voor biologische productie en etikettering. Het akkoord moet het vertrouwen van consumenten in het Europese biologolabel versterken en zorgen voor eerlijkere concurrentie tussen producenten binnen en buiten de Europese Unie. Producten uit derde landen zouden het Europese biologologo slechts mogen gebruiken wanneer zij aan de toepasselijke gelijkwaardige normen en bijkomende productie- en controlevoorwaarden voldoen. Daarmee willen de onderhandelaars vermijden dat producten onder een herkenbaar Europees kwaliteitslabel worden verkocht zonder voldoende garanties over de manier waarop zij zijn geproduceerd. Ook wordt aandacht besteed aan het voorkomen van verontreiniging tussen biologische en conventionele productie. De Europese Commissie zal informatie moeten publiceren over goede praktijken om zulke kruisbesmetting tegen te gaan.
Kleine biologische producenten krijgen meer ruimte dankzij hogere vrijstellingsdrempels
Een belangrijk onderdeel van het akkoord betreft kleine ondernemingen die onverpakte biologische producten rechtstreeks aan consumenten verkopen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen zij worden vrijgesteld van specifieke certificeringsprocedures. De onderhandelaars kwamen overeen om de maximale jaaromzet voor de vrijstelling te verhogen van 20.000 naar 40.000 euro. De grens voor het jaarlijkse verkoopvolume zou stijgen van 5.000 naar 10.000 kilogram. Daarmee krijgen meer kleine verkopers de mogelijkheid om onder vereenvoudigde voorwaarden actief te blijven. Camilla Laureti, de Italiaanse rapporteur, benadrukte dat de sector behoefte heeft aan een stabiel, coherent en voorspelbaar regelgevend kader. Voortdurende herzieningen van wetgeving kunnen volgens haar onzekerheid veroorzaken en de ontwikkeling van ondernemingen bemoeilijken. Tegelijk moet een hoog beschermingsniveau voor consumenten behouden blijven. Het akkoord is voorlopig en moet nog formeel door het Parlement en de Raad worden bevestigd.
Beroepsonderwijs krijgt politieke erkenning: Europa wil af van de tegenstelling tussen hoger en lager onderwijs
Op 21 oktober nam het Europees Parlement met 504 stemmen voor, 63 tegen en 99 onthoudingen een resolutie aan over beroepsonderwijs en beroepsopleiding. De parlementsleden willen de negatieve beeldvorming rond praktijkgerichte opleidingen aanpakken en vragen dat Europa afstapt van terminologie die onderwijsniveaus tegenover elkaar plaatst als hoger of lager. Volgens hen draagt die hiërarchie bij aan de maatschappelijke onderwaardering van mensen met een beroepsgerichte opleiding, terwijl hun vaardigheden essentieel zijn voor de economie. De resolutie pleit voor een respectvollere terminologie die aansluit bij het Europees Kwalificatiekader. Daarnaast wijzen de parlementsleden erop dat afgestudeerden uit het beroepsonderwijs ondervertegenwoordigd zijn in politieke en bestuurlijke besluitvorming. Daardoor dreigen hun ervaringen en perspectieven onvoldoende te worden meegenomen wanneer onderwijsbeleid, arbeidsmarktmaatregelen en economische strategieën worden ontwikkeld. Het Parlement vraagt daarom om een betere betrokkenheid van deze groep op alle beleidsniveaus.
Zestig procent van de toekomstige vacatures vereist mogelijk hoogstens middelbare kwalificaties
De discussie over beroepsonderwijs wordt versterkt door prognoses van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, Cedefop. Volgens de in het parlementaire dossier aangehaalde verwachtingen zal tegen 2035 ongeveer zestig procent van alle vacatures kwalificaties op maximaal middelbaar niveau vereisen. Het gaat om opleidingsniveaus die vaak via beroepsgerichte trajecten worden bereikt. Brigitte van den Berg, de Nederlandse rapporteur, benadrukte dat het Europese concurrentievermogen afhankelijk is van voldoende mensen met praktische vaardigheden. Volgens haar wordt beroepsonderwijs nog te vaak behandeld als een tweede keuze, terwijl ondernemingen juist behoefte hebben aan technisch en praktijkgericht geschoolde werknemers. De parlementsleden vragen daarom betere financiering, kwaliteitsvolle leerwerktrajecten, eerlijk betaalde stages, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en voldoende doorgroeimogelijkheden. Ook willen ze dat kwalificaties en leerresultaten gemakkelijker automatisch worden erkend wanneer mensen in andere lidstaten studeren, stage lopen of werken.
Erasmus+ moet toegankelijker worden voor jongeren die vandaag buiten de boot vallen
Tijdens de parlementaire werkzaamheden van 21 oktober stond ook de toekomst van Erasmus+ centraal. De Europese Unie bereidt de volgende programmaperiode van 2028 tot 2034 voor. Europarlementsleden willen dat Erasmus+ over voldoende financiële middelen beschikt en toegankelijker wordt voor jongeren uit verschillende economische, sociale, culturele en geografische achtergronden. De discussie werd gevoerd met Roxana Mînzatu, uitvoerend vicevoorzitter van de Europese Commissie. Naast het formele debat waren ook persmomenten voorzien met de parlementaire rapporteur. De centrale uitdaging is dat internationale mobiliteitsprogramma’s weliswaar belangrijke onderwijs- en ontwikkelingskansen bieden, maar dat deelname voor sommige jongeren moeilijk blijft door financiële kosten, administratieve hindernissen of onvoldoende ondersteuning. Het Parlement wil daarom niet uitsluitend de omvang van het programma bewaken, maar ook onderzoeken hoe meer jongeren daadwerkelijk toegang krijgen tot internationale studie-, opleidings- en uitwisselingsmogelijkheden. De stemming over de parlementaire prioriteiten was voorzien voor donderdag 22 oktober.
Europa verhoogt de voorgestelde middelen om de euro tegen vervalsing te beschermen
Op 21 oktober nam het Europees Parlement met 629 stemmen voor, zeven tegen en 31 onthoudingen zijn standpunt aan over Pericles V, het toekomstige Europese programma ter bestrijding van vervalsing van de euro. Het programma moet in de periode 2028 tot 2034 financiële steun bieden voor opleidingen, technische samenwerking, kennisuitwisseling en gespecialiseerde onderzoeken. Het Parlement stelt een indicatief budget van 7,811 miljoen euro voor, tegenover zeven miljoen euro in het voorstel van de Europese Commissie. De parlementsleden willen dat de maatregelen rekening houden met nieuwe vormen van fraude, waaronder vervalsing met behulp van artificiële intelligentie en mogelijke bedreigingen voor een toekomstige digitale euro. Ook onderzoeken naar methoden om detectiesystemen te ontwijken en de inzet van artificiële intelligentie voor forensisch onderzoek krijgen aandacht. Michael McNamara, de Ierse rapporteur, benadrukte dat vertrouwen in de euro een essentiële voorwaarde is voor het functioneren van de munt. Volgens hem moeten opsporingsdiensten en financiële autoriteiten voorbereid zijn op steeds geavanceerdere vervalsingstechnieken.
Europol, Eurojust en de Europese Centrale Bank moeten nauwer samenwerken
Het Parlement wil dat het Pericles V-programma wordt uitgevoerd in overleg met de lidstaten en betrokken Europese instanties, waaronder de Europese Centrale Bank, Europol en Eurojust. De Commissie zou jaarlijks verslag moeten uitbrengen over de gefinancierde activiteiten, gebruikte middelen en deelnemende organisaties. Daarmee wordt de nadruk gelegd op zowel operationele samenwerking als democratische controle. Het programma moet niet alleen technische apparatuur ondersteunen, maar ook de uitwisseling van gespecialiseerde kennis tussen nationale autoriteiten mogelijk maken. De internationale aard van muntvervalsing maakt dergelijke samenwerking noodzakelijk, omdat criminele netwerken niet gebonden zijn aan de grenzen van één lidstaat. Het voorstel bevindt zich nog in de wetgevende procedure. Onderhandelingen met de regeringen kunnen volgen wanneer de Raad een standpunt heeft ingenomen, waarbij ook overeenstemming over de toekomstige Europese begroting noodzakelijk zal zijn.
De Europese justitiebegroting kan oplopen tot meer dan 890 miljoen euro
Op 19 oktober namen de parlementaire commissies voor Juridische Zaken en voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken een standpunt aan over het toekomstige Justitieprogramma van de Europese Unie. De commissies stemden met 61 stemmen voor en zestien tegen in met een voorstel dat voorziet in 890.417.000 euro voor de periode 2028 tot 2034, berekend in lopende prijzen. Dat bedrag ligt aanzienlijk hoger dan de beschikbare middelen in de voorgaande programmaperiode. Het programma moet bijdragen aan betere grensoverschrijdende gerechtelijke samenwerking, opleiding van juridische professionals, digitalisering van justitie en toegankelijkheid van gerechtelijke procedures. De parlementsleden willen dat tussen 25 en 40 procent van de middelen wordt besteed aan gerechtelijke samenwerking, tussen 30 en 45 procent aan opleiding en eveneens tussen 30 en 45 procent aan toegang tot justitie. Het programma moet daarnaast bijdragen aan slachtofferbescherming, kindvriendelijke rechtspraak, gendergelijkheid, non-discriminatie en de bescherming van procedurele rechten.
Slachtoffers en journalisten moeten beter worden beschermd tegen misbruik van gerechtelijke procedures
Een belangrijk onderdeel van het voorgestelde Justitieprogramma betreft de bescherming tegen rechtszaken die worden gebruikt om maatschappelijke participatie of kritiek te ontmoedigen. Dergelijke procedures kunnen journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers financieel onder druk zetten. De parlementaire commissies willen dat Europese middelen bijdragen aan betere toegang tot justitie, ondersteuning van slachtoffers en versterking van de rechtsstaat. Ook moeten rechterlijke beslissingen in burgerlijke en strafrechtelijke zaken gemakkelijker over de grenzen heen worden erkend en uitgevoerd. Het programma moet kennisuitwisseling tussen justitiële instellingen bevorderen en digitale hulpmiddelen ondersteunen. De commissies vragen bovendien om duidelijke rapportage en democratische controle op de besteding van middelen. Het onderhandelingsmandaat zou op 12 november aan de plenaire vergadering worden voorgelegd. Pas daarna kunnen verdere onderhandelingen met de lidstaten plaatsvinden, afhankelijk van de voortgang van de Europese begrotingsbesprekingen.
Michael McGrath presenteert de toestand van de Europese rechtsstaat
De commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken had op 19 oktober ook een bijzondere bijeenkomst gepland in Straatsburg. Michael McGrath, Europees commissaris voor Democratie, Justitie, de Rechtsstaat en Consumentenbescherming, zou er het rechtsstaatverslag 2026 van de Commissie presenteren. Dat jaarlijkse rapport vormt een belangrijk instrument om ontwikkelingen binnen de lidstaten te beoordelen op het gebied van justitiële onafhankelijkheid, corruptiebestrijding, mediavrijheid en institutionele controlemechanismen. De bespreking vond plaats in dezelfde week waarin het Europees Parlement aandacht besteedde aan de rechtsstaat in Malta, negen jaar na de moord op Daphne Caruana Galizia. Die samenloop onderstreept het belang van onafhankelijke justitie en controle op overheidsmacht. Europese regels bieden slechts daadwerkelijke bescherming wanneer nationale instellingen voldoende onafhankelijk functioneren en burgers over doeltreffende rechtsmiddelen beschikken.
Het Internationaal Strafhof staat centraal in een principiële Europese discussie
De plenaire agenda van 19 tot 22 oktober bevatte eveneens een debat over Europese steun aan het Internationaal Strafhof. Daarbij stonden onder meer de Amerikaanse sancties tegen het hof en de bredere gevolgen voor internationale gerechtigheid centraal. Het Internationaal Strafhof vervult een rol bij de vervolging van personen die worden verdacht van de zwaarste internationale misdrijven, waaronder genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, binnen de grenzen van zijn rechtsmacht. De Europese discussie gaat daardoor verder dan een institutioneel meningsverschil tussen Brussel en Washington. Ze raakt aan de vraag hoe internationale gerechtelijke instellingen onafhankelijk kunnen blijven functioneren wanneer machtige staten politieke, economische of persoonlijke druk uitoefenen. Voor de Europese Unie is de verdediging van internationaal recht een terugkerend onderdeel van haar buitenlandse beleid. De parlementaire agenda maakt duidelijk dat die positie ook moeilijke diplomatieke keuzes met zich kan meebrengen.
De Sacharovprijs 2026 brengt drie uiteenlopende vormen van mensenrechtenstrijd samen
Op 19 oktober selecteerden de commissies voor Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking drie finalisten voor de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken 2026. De eerste kandidaat is het Internationaal Strafhof, samen met zijn functionarissen. De tweede is Tundu Lissu, een Tanzaniaanse advocaat, politiek leider en mensenrechtenverdediger die volgens de parlementaire bekendmaking wordt vervolgd om politieke redenen. De derde kandidatuur betreft Taraneh en Romina Rahimi, namens mensen die worden vervolgd door het Iraanse regime. De uiteindelijke laureaat zou op donderdag 22 oktober worden gekozen door de Conferentie van voorzitters van het Europees Parlement, waarna Roberta Metsola de beslissing bekend zou maken. De officiële prijsuitreiking is voorzien op 16 december in Straatsburg. De drie kandidaturen brengen verschillende onderdelen van de mensenrechtenproblematiek samen: bescherming van internationale rechtspraak, politieke vrijheid en de verdediging van fundamentele rechten tegenover staatsrepressie.
David McAllister, Barry Andrews en Mounir Satouri benadrukken dat erkenning praktische gevolgen moet hebben
David McAllister, voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken, wees op het belang van internationale steun voor personen die onder moeilijke omstandigheden opkomen voor vrijheid. Barry Andrews, voorzitter van de commissie Ontwikkelingssamenwerking, benadrukte dat de Sacharovprijs de Europese betrokkenheid bij mensenrechten, democratie, gerechtigheid en de rechtsstaat zichtbaar maakt. Mounir Satouri, voorzitter van de subcommissie Mensenrechten, legde de nadruk op een bijkomende verantwoordelijkheid: solidariteit mag volgens hem niet ophouden bij een officiële erkenning. Mensenrechtenverdedigers worden in verschillende landen geconfronteerd met vervolging, bedreigingen en beperkingen omdat zij misstanden openbaar maken of fundamentele rechten verdedigen. Europese steun moet daarom volgens Satouri ook tot concrete bescherming leiden. Die boodschap sluit aan bij de discussies over journalistieke veiligheid en internationale rechtsbescherming die dezelfde week in Straatsburg plaatsvonden.
Europa en de Golfstaten zoeken toenadering te midden van regionale veiligheidsproblemen
Op 16 oktober ontving Roberta Metsola vertegenwoordigers van parlementaire instellingen uit de landen van de Samenwerkingsraad van de Golf in het Europees Parlement in Brussel. De bijeenkomst bracht vertegenwoordigers samen van Bahrein, Saudi-Arabië, Oman, Qatar en andere Golfstaten. Tot de deelnemers behoorden Ahmed bin Salman Al Musallam, voorzitter van de Raad van Vertegenwoordigers van Bahrein, en Jasem Mohamed Albudaiwi, secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf. Metsola sprak haar veroordeling uit over de aanvallen op de luchthaven van Riyad en benadrukte de noodzaak van parlementaire diplomatie in een periode van toenemende regionale spanningen. De gesprekken gingen onder meer over de veiligheid van de scheepvaart in de Straat van Hormuz en de Rode Zee, energievoorziening, economische samenwerking en de internationale gevolgen van de Russische oorlog tegen Oekraïne. De bijeenkomst eindigde met een gezamenlijke verklaring over de versterking van de strategische relaties en parlementaire samenwerking.
De Straat van Hormuz en de Rode Zee tonen hoe kwetsbaar internationale handelsroutes zijn
De aandacht voor de Straat van Hormuz en de Rode Zee heeft een directe economische en geopolitieke betekenis. Beide zeegebieden zijn belangrijke doorgangen voor internationale handel en energievervoer. Problemen met de scheepvaart kunnen gevolgen hebben voor transportkosten, leveringszekerheid en internationale markten. De Europese Unie heeft daarom belang bij vrije en veilige maritieme verbindingen, terwijl verschillende Golfstaten hun economische ontwikkeling nauw verbinden met internationale handel, investeringen en energie-uitvoer. Tijdens de parlementaire bijeenkomst werd gewezen op de mogelijkheid om via diplomatieke contacten wederzijds begrip en samenwerking te versterken. De gezamenlijke verklaring onderstreepte dat beide regio’s hun contacten willen verdiepen, ondanks grote politieke en maatschappelijke verschillen. Tegelijk blijft het voor de Europese Unie belangrijk om de samenwerking met veiligheidspartners te verbinden aan haar bredere standpunten over internationale rechtsorde en mensenrechten.
China wordt geconfronteerd met Europese vragen over subsidies, overcapaciteit en markttoegang
Op 20 oktober kondigde het Europees Parlement een persbriefing aan over de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en China. Bernd Lange, voorzitter van de commissie Internationale Handel, en Pascal Canfin, permanent rapporteur voor China binnen die commissie, zouden op 21 oktober toelichting geven bij een geplande parlementaire missie. Van 27 tot 29 oktober reizen leden van de commissie naar Beijing en Shanghai voor gesprekken met Chinese vertegenwoordigers en overheidsfunctionarissen. De missie vindt plaats tegen de achtergrond van groeiende Europese bezorgdheid over het Chinese handelsoverschot, industriële overcapaciteit, staatssteun en belemmeringen voor Europese ondernemingen. Ook de afhankelijkheid van China voor kritieke grondstoffen en geavanceerde technologie staat centraal. De parlementsleden willen de Chinese beleidskeuzes rechtstreeks bespreken, Europese bezorgdheden overbrengen en mogelijkheden voor samenwerking onderzoeken. De delegatie volgt op gesprekken die Europees commissaris Maroš Šefčovič op 8 en 9 oktober in Beijing voerde.
Europese ondernemingen eisen eerlijke concurrentie, terwijl Brussel afhankelijkheden wil verminderen
De Europese handelsstrategie tegenover China wordt gekenmerkt door een moeilijke evenwichtsoefening. China is een belangrijke economische partner, maar Europese ondernemingen wijzen op problemen met markttoegang, concurrentievoorwaarden en staatssteun aan Chinese producenten. Het Europees Parlement wil tijdens zijn missie aandacht besteden aan eerlijke concurrentie, transparante handelsregels, veilige toeleveringsketens en de toegang tot essentiële grondstoffen. Roberta Metsola had tijdens haar tussenkomst op de Europese Raad al gewaarschuwd dat de Europese industrie niet onbeperkt oneerlijke handelspraktijken kan opvangen. Volgens haar moet de Unie bereid zijn bestaande handelsinstrumenten te gebruiken en waar nodig nieuwe maatregelen te ontwikkelen. Tegelijk wil Europa de diplomatieke contacten behouden. De missie vormt de vierde delegatiereis van het Europees Parlement naar China in 2026; de vorige missie van de commissie Internationale Handel vond volgens de parlementaire aankondiging in 2018 plaats.
Oekraïne blijft een centrale Europese prioriteit nu een nieuwe oorlogswinter nadert
De Russische oorlog tegen Oekraïne bleef eveneens een prominent onderwerp tijdens de Europese Raad en de parlementaire besprekingen. Roberta Metsola bevestigde de steun van het Europees Parlement voor Oekraïne, dat opnieuw een winter tegemoetgaat onder oorlogsomstandigheden en geconfronteerd wordt met een verslechterende humanitaire situatie. De discussie heeft betrekking op militaire veiligheid, economische stabiliteit, wederopbouw en Europese integratie. Metsola verwelkomde ook de voortgang in de toetredingsonderhandelingen met Oekraïne en Moldavië, waarbij voor beide landen nieuwe onderhandelingsclusters werden geopend. Daarnaast werd vooruitgang gemeld bij de onderhandelingen met Montenegro en Albanië. De uitbreiding van de Europese Unie wordt daardoor steeds nadrukkelijker verbonden met veiligheid en geopolitieke stabiliteit. Tegelijk benadrukken de Europese instellingen dat kandidaat-lidstaten aan de noodzakelijke hervormingsvoorwaarden moeten blijven voldoen.
De toekomst van de betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk en Canada krijgt bijkomende aandacht
Het Europees Parlement bereidde in oktober ook zijn standpunten voor over de relaties met twee belangrijke internationale partners. Op 20 oktober stond de toekomstige samenwerking met het Verenigd Koninkrijk op de agenda, in de aanloop naar een topbijeenkomst die voor 20 november is voorzien. Daarnaast werd voor woensdag 21 oktober een debat aangekondigd over de verwachtingen voor de top tussen de Europese Unie en Canada, gepland op 29 en 30 oktober in Montréal. Roberta Metsola benadrukte eerder dat beide partnerschappen mogelijkheden bieden om de samenwerking op het gebied van veiligheid, energie, technologie en handel te verdiepen. In een periode van internationale onzekerheid probeert de Unie haar economische en strategische relaties te diversifiëren. Die diplomatieke agenda hangt nauw samen met andere parlementaire prioriteiten, zoals energiezekerheid, kritieke grondstoffen, concurrentievermogen en defensie.
Klimaattop COP31 zet Europa onder druk om zijn klimaatbeloften concreet te maken
Op 21 oktober stond een parlementair debat gepland over de Europese prioriteiten voor COP31, de internationale klimaattop in Antalya in Turkije. De parlementsleden zouden zich onder meer uitspreken over de uitfasering van fossiele brandstoffen, internationale klimaatfinanciering en bijkomende ondersteuning voor kwetsbare landen. Het debat was voorzien met Europees commissaris Wopke Hoekstra en Timmy Dooley namens het Ierse voorzitterschap van de Raad. Voor Europa is de klimaatagenda nauw verweven met zijn economische en industriële strategie. Investeringen in energie-infrastructuur, kritieke grondstoffen, spoorvervoer en technologische innovatie bepalen mee hoe snel de Europese economie haar uitstoot kan verminderen. Tegelijk vragen ontwikkelingslanden voldoende financiële ondersteuning om zich aan te passen aan klimaatverandering en hun economische ontwikkeling minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen. De Europese positie voor COP31 moet daardoor verschillende doelstellingen samenbrengen die niet altijd gemakkelijk met elkaar te verenigen zijn.
De circulaire economie wordt een antwoord op grondstoffenschaarste en economische afhankelijkheid
De Europese plannen voor een nieuwe wetgeving over de circulaire economie kwamen op 21 oktober eveneens aan bod. Het debat moest de voorbereiding ondersteunen van een wetgevend kader dat grondstoffen efficiënter gebruikt, afval beperkt en materialen zo lang mogelijk binnen de economie houdt. Het onderwerp raakt rechtstreeks aan de voorstellen over kritieke grondstoffen en producentenverantwoordelijkheid. Wanneer Europa materialen beter hergebruikt, herstelt en recycleert, kan het zijn afhankelijkheid van ingevoerde grondstoffen mogelijk verminderen. Tegelijk moeten de kosten voor ondernemingen en consumenten beheersbaar blijven. De uitdaging ligt in de ontwikkeling van regels die economische activiteiten ondersteunen zonder milieuverplichtingen betekenisloos te maken. De Commissie bereidt een uitgebreider wetgevingsvoorstel voor dat later in 2026 wordt verwacht. Het Parlement probeert ondertussen via afzonderlijke dossiers duidelijkheid te scheppen over de richting die de toekomstige wetgeving moet uitgaan.
De Europese begroting voor 2027 en steun aan getroffen lidstaten staan op de stemagenda
Tijdens de plenaire vergadering van 21 oktober stonden ook stemmingen gepland over de Europese begroting voor 2027, financiële steun aan bepaalde lidstaten en maatregelen voor werkgelegenheidsbeleid. Het Parlement zou onder meer posities innemen over solidariteitsmiddelen voor Malta, Italië, Portugal en Spanje en over ondersteuning vanuit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering voor Finland. Dergelijke Europese instrumenten moeten lidstaten en werknemers helpen wanneer zij met grote economische veranderingen of uitzonderlijke gebeurtenissen worden geconfronteerd. Het fonds voor aanpassing aan de globalisering heeft bijvoorbeeld tot doel mensen te ondersteunen die hun baan verliezen door ingrijpende veranderingen in economische activiteiten. De solidariteitsmechanismen vervullen een andere functie en kunnen middelen mobiliseren na ernstige gebeurtenissen waarvoor aanvullende Europese steun noodzakelijk wordt geacht. Het gaat telkens om afzonderlijke procedures met eigen voorwaarden, begrotingsregels en parlementaire besluitvorming.
De moord op Daphne Caruana Galizia blijft negen jaar later een Europese politieke kwestie
De rechtsstaat in Malta kreeg op 21 oktober opnieuw aandacht in het Europees Parlement. Negen jaar na de moord op de Maltese onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia blijven vragen bestaan over de volledige gerechtelijke verantwoordelijkheid achter de aanslag. Daphne werd op 16 oktober 2017 met een autobom vermoord nadat ze jarenlang onderzoek had verricht naar corruptie, witwaspraktijken, georganiseerde misdaad, de verkoop van staatsburgerschap en politieke verbindingen met de Panama Papers. De reacties op haar dood en de kritiek op de behandeling van het moordonderzoek droegen bij aan de politieke crisis die uiteindelijk leidde tot het ontslag van premier Joseph Muscat. Het Europees Parlement riep in december 2019 op tot Europees optreden en uitte in 2023 opnieuw kritiek op de beperkte vooruitgang bij het ter verantwoording roepen van alle betrokkenen. Volgens de recente parlementaire bekendmaking hebben inmiddels vijf personen een gevangenisstraf gekregen wegens hun rol bij de moord, maar is de opdrachtgever nog niet definitief veroordeeld.
De Daphne Caruana Galizia-prijs 2026 trekt 344 inzendingen uit heel Europa
De uitreiking van de Daphne Caruana Galizia-prijs vormde op 21 oktober een van de belangrijkste journalistieke gebeurtenissen in het Europees Parlement. Tussen 4 mei en 31 juli 2026 werden 344 inzendingen geregistreerd. Een onafhankelijke internationale jury selecteerde daaruit tien finalisten. De prijs staat open voor beroepsjournalisten van elke nationaliteit, op voorwaarde dat hun werk is gepubliceerd of uitgezonden door een nieuwsorganisatie die in een van de 27 lidstaten van de Europese Unie is gevestigd. De jaarlijkse onderscheiding wil journalistiek erkennen die de fundamentele Europese beginselen verdedigt, waaronder menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, mensenrechten en de rechtsstaat. De prijs omvat een bedrag van 20.000 euro. De plechtigheid vond plaats in de Daphne Caruana Galizia-perszaal van het Europees Parlement in Straatsburg, in aanwezigheid van Roberta Metsola en Pina Picierno.
Belgische finalist Andy Vermaut brengt Russische lng-stromen via Zeebrugge onder internationale aandacht
Onder de tien finalisten bevond zich Andy Vermaut, hoofdredacteur van indegazette.be, met zijn onderzoek naar de aanhoudende aankomst van Russisch vloeibaar aardgas in de haven van Zeebrugge. Zijn werk onderzoekt de tegenstelling tussen Europese verklaringen over het verminderen van de afhankelijkheid van Russische energie en de feitelijke handelsstromen die via Europese havens blijven verlopen. Tijdens het seminar in Straatsburg lichtte Vermaut zijn bevindingen toe aan internationale journalisten en andere finalisten. In de onderzochte periode arriveerden volgens de door hem gepresenteerde cijfers 136 ladingen lng uit het Russische Jamal-project in havens van de Europese Unie, waarvan 37 in Zeebrugge. De geschatte waarde van de Europese aankopen van Russisch lng bedroeg volgens zijn analyse bijna zes miljard euro over zes maanden. Het aantal leveringen was volgens dezelfde onderzoeksgegevens met zestien procent gestegen ten opzichte van de overeenkomstige periode een jaar eerder. Deze gegevens vormen de basis voor vragen over energiebeleid, internationale handelsbelangen en de geloofwaardigheid van Europese politieke doelstellingen.
Onderzoek naar Italiaanse migratiecentra in Albanië wint de Europese journalistieke hoofdprijs
De Daphne Caruana Galizia-prijs 2026 werd uiteindelijk toegekend aan de Italiaanse journalist Giacomo Zandonini en de Nederlandse journaliste Maite Vermeulen van De Correspondent. Hun onderzoek richtte zich op de migratieovereenkomst tussen Italië en Albanië en de inrichting van een detentiecentrum en een centrum voor de behandeling van asielaanvragen op Albanees grondgebied. De journalisten besteedden achttien maanden aan het onderzoek. Zij wilden achterhalen hoe de overeenkomst tot stand was gekomen, welke financiële en bestuurlijke afspraken eraan verbonden waren en waarom verschillende Europese landen het systeem beschouwen als een mogelijk model voor toekomstig migratiebeleid. Volgens de parlementaire toelichting dienden de onderzoekers meer dan dertig verzoeken om toegang tot overheidsinformatie in bij zes Europese landen, de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europese grensbewakingsagentschap Frontex. Daarnaast onderzochten zij financiële gegevens en spraken zij met medewerkers van de betrokken centra, vastgehouden migranten, advocaten, parlementsleden, regeringsvertegenwoordigers en inwoners van Albanië.
Geen toegang tot de detentiecentra en onduidelijke uitgaven: de obstakels achter het winnende onderzoek
De onderzoeksjournalisten wezen op verschillende hindernissen die de controle op de Italiaans-Albanese migratieovereenkomst bemoeilijkten. Zij kregen geen toegang tot de centra die onder Italiaans beheer staan. Ook essentiële informatie, waaronder het aantal personen dat er werd vastgehouden, was volgens hun bevindingen niet voldoende openbaar beschikbaar. Bepaalde uitgaven werden gefinancierd via noodprocedures, waardoor normale openbare aanbestedingsprocessen werden omzeild. Bovendien moesten medewerkers geheimhoudingsovereenkomsten ondertekenen. Die omstandigheden bemoeilijken volgens de onderzoekers de maatschappelijke controle op de uitvoering van het migratiebeleid. In samenwerking met fotoredacteur Bebe Blanco Agterberg, informatiedesigner Sharon Coone en fotograaf Francesco Bellina onderzochten Maite Vermeulen en Giacomo Zandonini de mensenrechtelijke gevolgen en de betekenis van het project voor de Europese rechtsstaat. De bekroning plaatst daarmee de transparantie van migratiebeleid en de behandeling van kwetsbare personen centraal in het Europese journalistieke debat.
Roberta Metsola benadrukt dat journalistieke bescherming een dagelijkse verplichting blijft
Bij de prijsuitreiking verklaarde Roberta Metsola dat de Europese instellingen hun inzet voor gerechtigheid en persvrijheid moeten blijven voortzetten. Ze wees erop dat de moord op Daphne Caruana Galizia negen jaar later nog steeds diepe gevolgen heeft voor haar familie en voor Malta. Volgens Metsola zijn degenen die Daphne het zwijgen wilden opleggen er niet in geslaagd haar werk uit het publieke geheugen te wissen. Haar onderzoeken bereikten na haar dood een nog groter publiek en haar moed blijft journalisten inspireren. De parlementsvoorzitter benadrukte dat de prijs geen louter symbolische onderscheiding is, maar ook een bevestiging van de Europese steun voor onderzoeksjournalisten die machtige belangen blootleggen. Die erkenning krijgt bijzondere betekenis wanneer zij wordt geplaatst naast de parlementaire discussies over anti-SLAPP-maatregelen, justitiële samenwerking en de bescherming van de rechtsstaat. De vraag blijft hoe de Europese Unie ervoor zorgt dat haar uitgesproken steun ook leidt tot voldoende bescherming in de dagelijkse praktijk.
Vijf opeenvolgende winnaars tonen hoe uiteenlopend de strijd voor onafhankelijke journalistiek is
De Daphne Caruana Galizia-prijs bestaat sinds 2021 en heeft inmiddels verschillende journalistieke thema’s onder de internationale aandacht gebracht. De eerste editie werd gewonnen door het Pegasusproject, gecoördineerd door Forbidden Stories, dat het gebruik van geavanceerde spionagesoftware tegen journalisten en andere doelwitten onderzocht. In 2022 ging de prijs naar Clément Di Roma en Carol Valade voor een documentaire over Russische invloed in de Centraal-Afrikaanse Republiek. De editie van 2023 bekroonde een gezamenlijk onderzoek naar de schipbreuk bij Pylos, waaraan onder meer Solomon, Forensis, StrgF/ARD en The Guardian meewerkten. In 2024 werd Lost in Europe onderscheiden voor onderzoek naar verdwenen niet-begeleide minderjarige migranten. De prijs van 2025 ging naar een onderzoek, gecoördineerd door Follow the Money, naar de verborgen financiële netwerken die de Russische oliehandel en de omzeiling van sancties mogelijk maken. De bekroning van De Correspondent in 2026 voegt daar opnieuw een onderzoek naar migratiebeleid en fundamentele rechten aan toe.
Van Russische energie tot Europese migratiepolitiek: de macht moet controleerbaar blijven
De uiteenlopende dossiers van de oktoberweek tonen hoe nauw economische, politieke, sociale en juridische vraagstukken met elkaar verweven zijn. De Europese Unie wil minder afhankelijk worden van buitenlandse grondstoffen en energie, maar moet daarvoor nieuwe investeringen financieren. Ze wil haar concurrentievermogen versterken, maar tegelijkertijd de rechten van werknemers, consumenten en reizigers beschermen. Ze wil klimaatdoelstellingen realiseren en haar defensiecapaciteit vergroten, terwijl haar financiële middelen onderwerp blijven van moeilijke onderhandelingen. Ze wil internationale gerechtigheid verdedigen en journalisten beschermen, maar wordt geconfronteerd met situaties waarin vervolging en rechtsbescherming jarenlang aanslepen. Ze wil handelsrelaties onderhouden met China en de Golfstaten, maar tegelijkertijd haar strategische onafhankelijkheid en internationale beginselen bewaken. Al deze dossiers maken duidelijk dat Europese besluitvorming niet uitsluitend bestaat uit afzonderlijke wetten of begrotingsposten. Iedere politieke keuze brengt gevolgen mee voor andere doelstellingen en voor mensen die niet rechtstreeks aan de besluitvorming deelnemen.
Het Europees Parlement beslist over de richting, maar veel maatregelen zijn nog geen definitieve wetgeving
Bij de parlementaire ontwikkelingen van 15 tot 21 oktober is een belangrijk juridisch onderscheid noodzakelijk. Sommige standpunten werden door de plenaire vergadering aangenomen, andere bevinden zich nog in de fase van onderhandelingen met de Raad, terwijl bepaalde onderwerpen uitsluitend in debatten of toekomstige agenda’s aan bod kwamen. De voorstellen over kritieke grondstoffen, beroepsonderwijs en hogesnelheidstreinen vertegenwoordigen politieke posities of aanbevelingen, maar betekenen niet dat alle voorgestelde maatregelen onmiddellijk van kracht worden. Ook het Justitieprogramma en Pericles V hangen samen met de toekomstige Europese begroting. De aanpassingen aan de biologische landbouwregels vereisen nog formele goedkeuring. De nieuwe passagiersregels moeten nog door de Raad worden bevestigd en zijn bedoeld om vanaf oktober 2027 te worden toegepast. Dit onderscheid bepaalt wat burgers en ondernemingen nu al van Europese instellingen kunnen verwachten en welke beslissingen nog in de komende maanden of jaren moeten worden genomen.
De Europese oktoberweek laat zien dat democratische geloofwaardigheid afhangt van uitvoering
De gebeurtenissen in Brussel en Straatsburg tussen 15 en 21 oktober 2026 leggen een fundamentele uitdaging voor de Europese Unie bloot. Het ontbreekt niet aan ambities, beleidsstrategieën of aangekondigde hervormingen. De instellingen willen investeren in infrastructuur, grondstoffen, onderwijs, mobiliteit, defensie, justitie, klimaatbeleid, mensenrechten en internationale samenwerking. De moeilijkheid ligt in de financiering, de onderlinge afstemming en de bereidheid om politieke keuzes daadwerkelijk om te zetten in uitvoerbaar beleid. De waarschuwing van Roberta Metsola over begrotingsmiddelen vormt daarom een centrale gedachte in deze parlementaire week. Wie Europese ambities formuleert, moet ook bepalen welke financiële en institutionele verantwoordelijkheid daarvoor wordt opgenomen. De discussies over journalistieke vrijheid voegen daar nog een wezenlijke dimensie aan toe: machthebbers moeten niet alleen beslissingen kunnen nemen, maar ook bereid zijn hun handelen te verantwoorden wanneer journalisten, burgers of maatschappelijke organisaties kritische vragen stellen.
Een beslissende periode voor Europa begint pas na de parlementaire toespraken
Met de geplande bekendmaking van de Sacharovprijs op 22 oktober, de verdere besprekingen over Erasmus+, toekomstige onderhandelingen over de Europese begroting, de handelsmissie naar China van 27 tot 29 oktober en de voorbereidingen op internationale topbijeenkomsten blijft de Europese agenda bijzonder omvangrijk. De besluiten die de komende maanden worden genomen, kunnen bepalend worden voor de financiering van Europese programma’s tot 2034 en voor de manier waarop Europa zijn economische, sociale en democratische verantwoordelijkheden invult. Voor burgers betekent dit dat ogenschijnlijk technische parlementaire dossiers uiteindelijk gevolgen kunnen hebben voor de prijs van energie, de bereikbaarheid van steden, de bescherming van reizigers, de financiering van opleidingen, de toekomst van landbouwbedrijven, de beschikbaarheid van kritieke technologie en de toegankelijkheid van justitie. De oktoberweek van 2026 maakt vooral duidelijk dat de Europese Unie zich op meerdere terreinen tegelijk moet aanpassen aan een veranderende internationale werkelijkheid. Het succes daarvan zal niet worden bepaald door de omvang van de aankondigingen, maar door de concrete resultaten voor de mensen die van deze beslissingen afhankelijk zijn.
Steun indegazette.be – onafhankelijke journalistiek heeft jouw hulp nodig!
Wie controleert de macht? Wie stelt de moeilijke vragen wanneer anderen zwijgen? Wie onderzoekt wat er achter politieke verklaringen, economische belangen en internationale beslissingen schuilgaat?
Bij indegazette.be blijven we dat doen. Onafhankelijk, kritisch en zonder de waarheid achter een betaalmuur te verbergen.
Maar grondige journalistiek kost geld. Onderzoek, verplaatsingen, internationale verslaggeving, documentenonderzoek en het opvolgen van ingewikkelde dossiers vragen enorm veel tijd en middelen.
Daarom doe ik een persoonlijke oproep: help indegazette.be om dit werk voort te zetten.
Ook met een bijdrage van 5, 10, 20 of 50 euro maak je een verschil. Wie meer kan missen, helpt ons om nog ambitieuzere onderzoeken mogelijk te maken. Iedere bijdrage is vrijwillig en welkom.
☕ Steun ons rechtstreeks via Ko-fi:
❤️ Of lever een bijdrage via Buy Me a Coffee:
https://buymeacoffee.com/andyvermaut
Je kunt ook kiezen voor terugkerende steun. Daarmee help je om onafhankelijke berichtgeving op langere termijn mogelijk te maken.
Ik vraag je niet alleen om onze artikels te lezen en te delen, maar ook om onze journalistiek financieel te ondersteunen wanneer je daartoe de mogelijkheid hebt.
Doneer vandaag. Help ons de vragen te blijven stellen die gesteld moeten worden.
Dank je wel voor je vertrouwen en je steun.
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be
.


