Ik aanvaard niet dat proper water een Europese belofte blijft die niemand waarmaakt

Door Andy Vermaut
Als inwoner van West-Vlaanderen zie ik hoe water in onze provincie tegelijk een bron van leven, een economische noodzaak en een groeiend beleidsprobleem is. In natte perioden moeten overheden proberen wateroverlast te beheersen, terwijl landbouwers, bedrijven, natuurgebieden en gezinnen tijdens droge perioden juist geconfronteerd worden met dalende waterpeilen en een tekort aan bruikbaar zoetwater. Tegelijk blijft de kwaliteit van tal van beken, kanalen, rivieren en grondwaterlagen onvoldoende. Die combinatie van vervuiling, droogte, verzilting, wateronttrekking en gebrekkige ecologische kwaliteit was voor mij een belangrijke aanleiding om verzoekschrift 2616/2025 in te dienen bij het Europees Parlement. Ik deed dat als Andy (Postversa Carmenta) Vermaut, namens de Wereldraad voor Publieke Diplomatie en Gemeenschapsdialoog. Mijn verzoekschrift gaat niet uitsluitend over West-Vlaanderen, maar vraagt maatregelen voor alle lidstaten van de Europese Unie. De West-Vlaamse situatie toont echter zeer duidelijk waarom Europese regels alleen niet volstaan wanneer de uitvoering, controle en handhaving achterblijven.
West-Vlaanderen heeft geen enkelvoudig waterprobleem
Wanneer over waterkwaliteit wordt gesproken, wordt soms de indruk gewekt dat één meting of één norm volstaat om te bepalen of het water goed of slecht is. De werkelijkheid is anders. Er bestaat niet één algemene “West-Vlaamse waternorm” waarmee alle waterlopen kunnen worden beoordeeld. De kwaliteit hangt af van het type waterlichaam, de biologische toestand, de chemische samenstelling, de hoeveelheid nutriënten, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de structuur van oevers en bedding, de stroming, de mogelijkheden voor vismigratie en de beschikbare hoeveelheid water.Een van de grootste knelpunten in West-Vlaanderen is de belasting door nutriënten, vooral stikstof en fosfor. Die stoffen zijn op zichzelf noodzakelijk voor plantengroei, maar veroorzaken bij te hoge concentraties ernstige ecologische schade. Ze kunnen overmatige algengroei stimuleren, het zuurstofgehalte doen dalen en het leven van vissen, waterplanten en ongewervelde dieren aantasten.De Vlaamse Milieumaatschappij meldde voor het winterjaar van juli 2024 tot juni 2025 dat 11,5 procent van de meetpunten in het landbouwmeetnet de drempelwaarde van 50 milligram nitraat per liter overschreed. Dat was een verbetering ten opzichte van eerdere jaren, maar de doelstellingen werden nog niet overal gehaald. Ongeveer 40 procent van het Vlaamse landbouwareaal lag nog niet in een afstroomzone die voldeed aan de doelstelling van gemiddeld maximaal 18 milligram nitraat per liter. Centraal-West-Vlaanderen, delen van het IJzerbekken en het westelijke deel van het Leiebekken bleven daarbij uitdrukkelijk als aandachtspunten vermeld. Die cijfers moeten correct worden begrepen. De grens van 50 milligram nitraat per liter is een specifieke drempel die in het mestbeleid en het bijbehorende meetnet wordt gebruikt. De doelstelling van 18 milligram per liter wordt toegepast op afstroomzones in landbouwgebied. Geen van beide cijfers vormt op zichzelf de volledige Europese beoordeling van een waterlichaam. Een waterloop kan onder een nitraatdrempel blijven en toch niet aan de Europese vereisten voldoen wegens fosfor, pesticiden, zware metalen, een slechte biologische toestand, te weinig zuurstof, een aangetaste bedding of een gebrek aan natuurlijke stroming.Dat zien we duidelijk in West-Vlaanderen. In het IJzerbekken blijft de belasting door stikstof en fosfor hoog. Volgens de officiële stroomgebiedbeheerplannen komen de hogere fosforoverschrijdingen vooral in de polderwaterlopen voor, terwijl nitraatproblemen sterker aanwezig zijn in de zandleemstreek. Landbouw is een belangrijke bron, maar bij fosfor spelen ook huishoudelijke lozingen en effluenten van rioolwaterzuiveringsinstallaties een rol. Het zou daarom fout zijn om alle verantwoordelijkheid bij één sector te leggen. In de waterlopen rond De Blankaart is de biologische kwaliteit voor verschillende parameters al matig, maar blijven fosfor- en nitraatgehalten in de toevoerende waterlopen te hoog. De toestand van het fytoplankton wordt er als ontoereikend beoordeeld, wat samenhangt met eutrofiëring in onder andere de Stenensluisvaart en de Noordkantvaart. Ook binnen één provincie kunnen de knelpunten sterk verschillen. In de Heulebeek zijn stikstof en nitraat volgens de gebiedsanalyse verbeterd, maar blijven fosfor en geleidbaarheid belangrijke problemen. De biologische kwaliteit en de algemene fysisch-chemische toestand zijn er nog onvoldoende om volledig ecologisch herstel mogelijk te maken. Deze voorbeelden tonen precies waarom ik vraag om duidelijke, geharmoniseerde en begrijpelijke Europese informatie. Burgers mogen niet zelf tientallen technische documenten, meetnetten en kaarten moeten combineren om te weten hoe hun waterloop ervoor staat.
Droogte maakt vervuiling en verzilting erger
De West-Vlaamse waterproblematiek gaat niet alleen over vervuilende stoffen. Ook de beschikbare hoeveelheid water is van belang. Het IJzerbekken is relatief klein en hydrologisch vrij geïsoleerd. Daardoor is het extra kwetsbaar voor droogte en waterschaarste. Het bekken van de Brugse Polders is eveneens sterk afhankelijk van lokale neerslag en van water dat via kanalen uit hoger gelegen stroomgebieden kan worden aangevoerd. Wanneer daar onvoldoende water beschikbaar is, daalt ook de toevoer naar de kuststreek en het IJzerbekken. De actuele situatie onderstreepte in 2026 opnieuw dat dit geen theoretisch risico is. Na een droog najaar in 2025 en een uitzonderlijk droge april 2026 daalden grondwaterstanden, rivierdebieten en waterpeilen. Midden juni 2026 gold in Vlaanderen code geel, waarbij sommige onbevaarbare waterlopen al onder ecologische drempelwaarden waren gezakt. Bij lage waterstanden is er minder verdunning. De concentratie van vervuilende stoffen kan daardoor toenemen en het water warmt sneller op, wat bijkomende druk legt op het zuurstofgehalte en het waterleven. In kust- en poldergebieden komt daar het risico op verzilting bij. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt vast dat warme en droge perioden, waaronder 2025, door lagere afvoerdebieten tot minder verdunning en een hogere verzilting kunnen leiden. Ook de lagere tegendruk van zoetwater tegenover zout grondwater en de indringing van zeewater kunnen een rol spelen. Waterkwaliteit en waterkwantiteit kunnen daarom niet van elkaar worden gescheiden. Een beek kan chemisch onder druk staan omdat er te veel stoffen worden geloosd, maar ook omdat er te weinig water stroomt om het ecosysteem in stand te houden. Een grondwaterlaag kan chemisch bruikbaar lijken, maar tegelijk kwantitatief achteruitgaan door een te sterke onttrekking. Een degelijk waterbeleid moet beide aspecten samen beoordelen.
Wat Europa tegen 2027 verlangt
De Europese Kaderrichtlijn Water, officieel Richtlijn 2000/60/EG, vormt sinds 2000 de basis van het Europese waterbeleid. De richtlijn verplicht de lidstaten achteruitgang te voorkomen en hun oppervlakte- en grondwaterlichamen in een goede toestand te brengen. De oorspronkelijke einddatum was 2015, maar onder voorwaarden konden termijnen worden verlengd. Voor veel waterlichamen geldt 2027 als de uiterste termijn, behoudens strikt gemotiveerde uitzonderingen. Voor oppervlaktewater betekent een goede toestand dat zowel de ecologische als de chemische toestand goed moet zijn. Bij grondwater gaat het om een goede chemische en een goede kwantitatieve toestand. De ecologische beoordeling van oppervlaktewater houdt onder andere rekening met vissen, waterplanten, algen, ongewervelde dieren, zuurstof, nutriënten, stroming en de fysieke structuur van de waterloop. Voor de chemische toestand gelden milieukwaliteitsnormen voor prioritaire verontreinigende stoffen. Daarbij wordt het beginsel “one out, all out” toegepast. Dat betekent dat het slechtst scorende relevante kwaliteitselement de totale ecologische beoordeling bepaalt. Een waterlichaam kan dus pas als goed worden beschouwd wanneer alle noodzakelijke biologische en ondersteunende elementen minstens goed scoren. Dat systeem is streng, maar terecht. Een rivier is niet gezond omdat één chemische stof onder een grenswaarde blijft. Wanneer vissen verdwijnen, oevers volledig zijn rechtgetrokken, waterplanten ontbreken of één schadelijke stof de norm overschrijdt, kan men niet beweren dat het watersysteem in orde is.De officiële brief die ik op 24 juni 2026 van het Europees Parlement ontving, bevestigt dat de Kaderrichtlijn Water een gemeenschappelijk Europees classificatiesysteem gebruikt met de categorieën zeer goed, goed, redelijk, onvoldoende en slecht. Lidstaten mogen aangepaste wetenschappelijke methoden gebruiken voor hun eigen stroomgebieden, maar moeten de resultaten afstemmen op gemeenschappelijke Europese referenties, zodat beoordelingen tussen landen vergelijkbaar blijven.
Waarom ik een Europees waterkwaliteitsdashboard vroeg
Mijn verzoekschrift vertrok vanuit een eenvoudige vaststelling: Europa beschikt over uitgebreide wetgeving, maar voor burgers is het bijzonder moeilijk om snel te zien welke lidstaten, regio’s en stroomgebieden vooruitgang boeken en waar de doelstellingen structureel worden gemist.Daarom vroeg ik in de eerste plaats om een duidelijk EU-dashboard voor waterkwaliteit. Dat dashboard moet niet alleen grote hoeveelheden meetgegevens tonen, maar ook in begrijpelijke taal weergeven welke waterlichamen goed, matig, onvoldoende of slecht scoren, welke stoffen of ecologische factoren de slechte beoordeling veroorzaken, welke maatregelen werden beloofd, hoeveel geld eraan werd besteed en of de toestand werkelijk verbetert.Het Europees Parlement wees er in zijn antwoord op dat het Waterinformatiesysteem voor Europa, WISE, al geharmoniseerde en publiek toegankelijke gegevens bevat. Dat is juist en WISE is een waardevol instrument. Toch blijft er volgens mij een verschil tussen een gegevensportaal en een publiek verantwoordingsinstrument. Een goed dashboard moet niet alleen data beschikbaar stellen, maar ook onmiddellijk duidelijk maken wie verantwoordelijk is, welke termijnen gelden en welke gevolgen verbonden zijn aan aanhoudende niet-naleving. Mijn tweede vraag betrof minimale Europese kwaliteitsvereisten voor milieueffectrapportages bij projecten die een aanzienlijke impact op water kunnen hebben. Bij grote infrastructuurwerken, industriële projecten, intensieve wateronttrekking of ingrepen in overstromingsgebieden mag de waterimpact niet worden herleid tot een beperkte technische bijlage. De effecten op waterkwaliteit, grondwaterstanden, natuur, cumulatieve belasting en droogterisico’s moeten volledig, onafhankelijk en controleerbaar worden onderzocht.Het Europees Parlement antwoordde dat de Europese MER-richtlijn al vereist dat de gevolgen van grote projecten, met inbegrip van de gevolgen voor waterlichamen en cumulatieve effecten, vóór de vergunningverlening worden beoordeeld en openbaar gemaakt. De concrete methodologie en kwaliteitscontrole blijven echter hoofdzakelijk bij de lidstaten. Precies daar bevindt zich volgens mij een belangrijk probleem. Wanneer de kwaliteit van onderzoeken sterk verschilt, leidt een Europese verplichting niet automatisch tot een gelijk beschermingsniveau. Mijn derde voorstel was een strengere controle op de verplichting om alternatieven te onderzoeken. Voor een waterintensief project moet niet alleen worden nagegaan hoe de schade kan worden beperkt. Er moet ook ernstig worden onderzocht of een andere locatie, productiemethode, schaal, waterbron of technische oplossing mogelijk is. Een alternatievenonderzoek mag geen administratieve formaliteit zijn waarvan de uitkomst vooraf vaststaat.Mijn vierde vraag ging over inspraak. Burgers, landbouwers, natuurverenigingen, lokale besturen en andere betrokkenen moeten tijdig toegang krijgen tot begrijpelijke informatie. Inspraak is weinig waard wanneer de documenten zo technisch of omvangrijk zijn dat alleen gespecialiseerde juristen en studiebureaus ze kunnen beoordelen, of wanneer de belangrijkste beslissingen feitelijk al genomen zijn voordat het openbaar onderzoek begint. Mijn vijfde voorstel was om Europese financiering sterker te koppelen aan meetbare verbeteringen. Europese middelen mogen niet alleen worden beoordeeld op basis van het aantal uitgevoerde projecten, aangelegde infrastructuurwerken of bestede euro’s. De doorslaggevende vraag moet zijn of de ecologische, chemische en kwantitatieve toestand van het betrokken waterlichaam aantoonbaar is verbeterd. Wie Europese middelen ontvangt voor waterzuivering, natuurherstel, landbouwmaatregelen, klimaatadaptatie of rivierherstel moet vooraf duidelijke resultaten vastleggen en achteraf aantonen dat die resultaten werden bereikt. Zonder zulke resultaatsverbintenissen bestaat het risico dat overheden jarenlang plannen, studies en projecten financieren terwijl de officiële toestand nauwelijks verandert.
Het Europees Parlement verklaarde mijn verzoekschrift ontvankelijk
Het is belangrijk om de beslissing van het Europees Parlement correct weer te geven. Mijn verzoekschrift werd niet onontvankelijk verklaard. De Commissie verzoekschriften erkende dat het onderwerp binnen de werkterreinen van de Europese Unie valt en verklaarde het verzoekschrift ontvankelijk. Vanwege het milieukarakter werd het ook doorgestuurd naar de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid, de ENVI-commissie van het Europees Parlement.In de formele brief lichtte voorzitter Bogdan Rzońca toe dat de bestaande Kaderrichtlijn Water al geharmoniseerde milieudoelstellingen, gemeenschappelijke definities, Europese normen voor prioritaire stoffen, monitoringverplichtingen en zesjaarlijkse stroomgebiedbeheerplannen bevat. Het antwoord verwees ook naar WISE, de milieueffectrapportagerichtlijn, de Europese natuurherstelverordening, de biodiversiteitsstrategie en het LIFE-programma.De Commissie verzoekschriften besloot het dossier daarna niet verder te behandelen en sloot het verzoekschrift af. Die afsluiting betekent dat het Parlement van oordeel is dat het bestaande Europese kader al een aanzienlijk deel van de gevraagde instrumenten bevat en dat veel praktische verantwoordelijkheden bij de lidstaten liggen.
Bestaande wetgeving is nog geen garantie op schoon water
Ik neem kennis van dat antwoord, maar de kern van mijn bezorgdheid blijft bestaan. Het probleem is niet uitsluitend het ontbreken van wetgeving. Het probleem is dat burgers na ruim een kwarteeuw Kaderrichtlijn Water nog steeds worden geconfronteerd met waterlichamen die de goede toestand niet bereiken. Een digitaal portaal is nuttig, maar maakt vervuild water niet schoon. Een stroomgebiedbeheerplan is noodzakelijk, maar herstelt op zichzelf geen beek. Een milieueffectrapport kan uitvoerig zijn, maar heeft weinig waarde wanneer alternatieven onvoldoende worden onderzocht of wanneer de bevoegde overheid de conclusies niet streng toepast. Europese financiering kan belangrijke veranderingen mogelijk maken, maar alleen wanneer de resultaten controleerbaar zijn. Juist daarom vroeg ik niet om de Kaderrichtlijn Water te vervangen. Ik vroeg om haar uitvoering sterker, transparanter en beter afdwingbaar te maken. West-Vlaanderen kan daarbij als een duidelijke Europese praktijktest worden beschouwd. Hier komen intensieve landbouw, voedingsindustrie, verspreide bebouwing, polderwaterlopen, kustgebieden, kwetsbare natuur, waterwinning, droogte, verzilting en grensoverschrijdende stroomgebieden samen. Wat hier gebeurt, toont hoe waterbeleid in de dagelijkse praktijk werkt en waar het vastloopt.
Waterbeleid moet worden beoordeeld op resultaten
Ik wil geen tegenstelling creëren tussen landbouw en natuur, tussen economie en milieu of tussen lokale en Europese overheden. Alle sectoren hebben betrouwbaar en schoon water nodig. Landbouwers hebben voldoende irrigatiewater nodig. Bedrijven hebben rechtszekerheid en een betrouwbare watervoorziening nodig. Burgers hebben recht op veilig drinkwater en bescherming tegen overstromingen. Natuurgebieden kunnen niet functioneren zonder geschikte waterstanden en een goede waterkwaliteit.Juist omdat de belangen zo groot zijn, moeten de regels helder en eerlijk worden toegepast. Wie vervuilt, moet zijn impact beperken. Wie water onttrekt, moet rekening houden met de beschikbare voorraad en de ecologische draagkracht. Wie een vergunning verleent, moet aantonen waarom alternatieven niet mogelijk zijn. Wie Europees geld ontvangt, moet aantoonbare resultaten leveren. Wie als burger vragen stelt, moet toegang krijgen tot begrijpelijke en vergelijkbare informatie.Ik beschouw de afsluiting van verzoekschrift 2616/2025 daarom niet als het einde van het debat. Het Europees Parlement heeft bevestigd dat mijn verzoekschrift ontvankelijk was en dat waterkwaliteit onmiskenbaar een Europese bevoegdheid is. Het heeft ook bevestigd dat er nog uitdagingen bestaan bij de uitvoering en dat de vooruitgang richting de doelstellingen ongelijk verloopt.Mijn boodschap blijft dan ook dezelfde: we mogen de kwaliteit van het Europese waterbeleid niet beoordelen aan het aantal richtlijnen, plannen, databanken of subsidieprogramma’s. We moeten kijken naar de werkelijke toestand van onze rivieren, beken, kanalen, meren en grondwaterlagen.De norm moet niet alleen op papier worden gehaald. Ze moet meetbaar worden gehaald in het water zelf.
Andy Vermaut
Indiener van verzoekschrift 2616/2025
Namens de Wereldraad voor Publieke Diplomatie en Gemeenschapsdialoog



