Na de Shoah blijft de haat tegen Joden Europa achtervolgen

10 november 2025

Herinnering en veiligheid in Brussel

In de vertegenwoordiging van de deelstaat Hessen bij de Europese Unie in Brussel kwamen op maandag 10 november 2025, in de vroege avond, politici, veiligheidsdiensten, academici en overlevenden van de Shoah samen voor een gesprek met een ongemakkelijke titel: “After the Shoah: Is There No End to the Hatred of Jews?”. De organisator aan Joodse zijde was EJA-lid de zeer geachte heer Lawrence de Donges-Amiss-Amiss, die het initiatief nam samen met de regering van Hessen en de European Jewish Association.

In de zaal zaten vertegenwoordigers van de Hessische regering, onder wie de minister voor Federale en Europese Zaken Manfred Pentz, veiligheidsverantwoordelijken uit Hessen, de Duitse en Belgische diplomatie en een zichtbaar aandachtig publiek uit Brussel en daarbuiten. Het uitgangspunt was eenvoudig, maar niet geruststellend: tachtig jaar na de bevrijding voelen veel Joden in Europa zich opnieuw bedreigd, op straat, online en op universiteitscampussen.

De Hessische minister voor Binnenlandse Zaken schetste hoe zijn deelstaat de voorbije jaren extra middelen en bevoegdheden gaf aan de politie om Joodse burgers en instellingen te beschermen. Zo werd het politiewetboek aangepast zodat bewakingscamera’s bij religieuze gebouwen, en in het bijzonder bij synagogen, beter kunnen worden ingezet. Voor de Westend-synagoge in Frankfurt draait inmiddels een permanente video-installatie. Het is volgens hem pijnlijk dat dit nodig is, maar tegelijk een concrete stap om het risico op aanvallen te verkleinen.

Politieke antwoorden op oude en nieuwe leuzen

Sinds de aanslagen van zaterdag 7 oktober 2023 in Israël, waarbij naar schatting ruim 1.200 mensen omkwamen, heeft de discussie over antisemitische uitingen in Europa een nieuwe intensiteit gekregen. De Hessische bewindsman legde uit dat hij sindsdien pleit voor een expliciete strafrechtelijke bescherming van het bestaansrecht van Israël. Dat zou volgens hem de juridische basis versterken om in te grijpen tegen leuzen zoals “From the river to the sea”, die hij omschreef als leuzen die Israël dat bestaansrecht ontzeggen en dus antisemitisch zijn.

Waarom dit debat in Brussel? Omdat antisemitisme niet bij landsgrenzen stopt, klonk het. De minister verwees naar een bezoek aan de Joodse gemeente in Kassel, waar een jong lid dat momenteel in Maastricht studeert, getuigde over antisemitische incidenten op de universiteit. Voor de sprekers is de Europese Unie juist de plek waar waarden als menselijke waardigheid, vrijheid en gelijkheid centraal horen te staan. Antisemitisme past daar niet in, luidde de boodschap, en moet daarom ook Europees worden bestreden.

Hessen kijkt naar de straat, de klas en het web

Bernd Neumann, president van het Landesamt für Verfassungsschutz in Hessen, maakte duidelijk dat zijn dienst antisemitisme niet als een afgesloten hoofdstuk ziet, maar als een blijvend veiligheidsrisico. Hij beschreef hoe haat tegen Joden vandaag zichtbaar wordt op straat, in voetbalstadions, op speelplaatsen en in commentaren op sociale media. De gebeurtenissen van 7 oktober noemde hij een pijnlijke breuklijn die nog altijd nazindert, ook in zijn deelstaat.

Volgens Neumann is antisemitisme agressiever en openlijker geworden, vooral waar het zich richt tegen de staat Israël. Zijn dienst ziet hoe narratieven uit de tijd van het nationaalsocialisme, en zelfs uit eeuwen daarvoor, worden aangepast en opnieuw worden gebruikt door uiteenlopende milieus. Hij wees op het gevaar dat uitersten die elkaar normaal wantrouwen – zeer rechtse groepen, bepaalde uiterst linkse netwerken en islamistische structuren – elkaar vinden in vijandigheid tegenover Joden en Israël.

Hessen probeert daarop te reageren met zowel analyse als preventie. Het Landesamt lanceerde de campagne “Kein Raum für Antisemitismus”, een doorlopende oproep om Jodenhaat niet te laten normaliseren, niet in slogans, niet in grapjes en niet in subtiele opmerkingen. Die campagne heeft bewust geen einddatum, omdat de strijd tegen antisemitisme volgens Neumann niet in een afgelijnde periode kan worden ondergebracht.

Getuigenis van dr. Simon Gronowski: sprong van de trein, sprong in het leven

De abstracte analyses kregen een ander gewicht toen de Belgische jurist en historicus dr. Simon Gronowski het woord kreeg. Hij was elf toen Duitsland België bezette en groeide op in Brussel, met jeugdbeweging en school zoals veel kinderen. Tot de anti-Joodse maatregelen zijn leven stap voor stap vernauwden: registratie, uitsluiting, de verplichte gele ster en uiteindelijk arrestatie.

Op woensdag 17 maart 1943 werden zijn moeder, zijn zus en hijzelf opgepakt. Zijn vader lag toen met hartproblemen in het ziekenhuis en ontsnapte daardoor aan de razzia. Na een maand opsluiting in de Brusselse kelders van de Geheime Staatspolizei werden zij samen met honderden andere Joden naar de kazerne in Mechelen overgebracht, het vertrekpunt van wat later bekend zou worden als de twintigste trein naar Auschwitz.

Op maandag 19 april 1943 stapten zij in een goederenwagon, met vijftig mensen op een bed van stro, zonder zitplaatsen en zonder licht. De deuren vielen toe met een metaalachtige klap. De jongen begreep nauwelijks wat er gebeurde. Pas later drong tot hem door dat hij op weg was naar een plaats die zijn dood moest worden.

Onderweg naar Duitsland slaagde een kleine groep Belgische verzetslieden erin de trein tijdelijk tot stilstand te brengen. Zij openden enkele wagons en lieten een zeventiental mensen ontsnappen, het enige gedocumenteerde geval in Europa waarbij een deportatietrein naar Auschwitz collectief werd aangevallen en opengebroken. De trein reed daarna weer verder.

Gronowski vertelde hoe zijn moeder hem, aangemoedigd door het rumoer buiten, naar de deuropening leidde. Zij liet hem voorzichtig langs de wagonrand zakken tot zijn voeten de tree raakten. Toen hij zich vastklampte aan het metaal en even later de sprong waagde, waren het haar handen die hem loslieten. Hij kwam terecht langs de spoorlijn in Vlaams-Brabant, terwijl de trein opnieuw versnelde. Zijn moeder kon niet meer volgen en werd later vermoord.

Een Belgische rijkswachter vond de jongen, stelde hem gerust dat hij hem niet zou verraden en zorgde ervoor dat hij veilig in Brussel geraakt. Na de oorlog, wees geworden op jonge leeftijd, bouwde Gronowski stap voor stap een leven op. Hij studeerde rechten, werd advocaat en vond in de jazzpiano een manier om verdriet en gemis te dragen. Hij zei in Brussel dat hij ondanks alles nooit haat heeft gekoesterd, en dat de liefde die hij als kind ontving de basis was voor zijn veerkracht.

Barones Regina Suchowolski-Sluszny over kind zijn in verstopte kamers

Ook barones Regina Suchowolski-Sluszny, jarenlang voorzitster van het Forum der Joodse Organisaties in België, keerde in haar getuigenis terug naar de oorlogsjaren. Haar ouders, Joden uit Polen, vestigden zich in Antwerpen nog voor 1940. Toen de Duitse bezetting begon, was zij een peuter. De familie dook onder bij een Antwerpse caféhoudster met kamers op de bovenverdieping.

Omdat zij blond was en er “niet herkenbaar Joods” uitzag, mocht zij als enige kind af en toe in de achterkoer spelen. Haar broers, met donker haar, bleven boven. Via een gat in de muur maakte ze kennis met de buurvrouw, Anna, die katten hield. Toen het meisje eens eten uit de kattenbak nam om zelf op te eten, begreep Anna dat dit geen spel was, maar honger.

Die intuïtie redde een leven. Anna en haar man namen het kind in huis toen de ouders opnieuw moesten vluchten. Regina groeide bij hen op als pleegdochter, terwijl haar ouders op verschillende adressen in het verzet en bij hulpnetwerken verbleven. In België werden tijdens de oorlog ongeveer vijfduizend Joodse kinderen gedeporteerd; een veel kleinere groep werd via een onderduikadres gered.

Na de bevrijding kwamen haar ouders terug. Ze hadden de kampen overleefd en dit vooral door een tocht door vijftien verschillende schuilplaatsen. De hereniging was verre van eenvoudig. Het meisje sprak enkel Vlaams, terwijl haar ouders vooral Jiddisch spraken. Uiteindelijk spraken haar moeder en pleegvader af dat Regina het schooljaar bij haar ouders zou doorbrengen en de weekends bij Anna, zodat de band met beide families kon blijven bestaan.

Regina Suchowolski-Sluszny vertelde hoe zij later actief werd in organisaties van voormalige ondergedoken kinderen en vervolgens de stap zette naar het bredere herinneringswerk. Al decennia bezoekt zij scholen in België en daarbuiten om te vertellen over antisemitisme, fascisme en racisme, met bijzondere aandacht voor jongeren. Radicaal-rechtse stromingen ziet zij als een blijvende voedingsbodem voor haat, en precies daarom, zo zei ze, moet men jongeren blijven uitleggen waar dat pad toe heeft geleid.

Tegelijk beschreef zij hoe de sfeer voor Joden ook in België de laatste jaren voelbaar is veranderd. Waar zij zich vroeger op school als enige Joodse leerling zonder problemen geaccepteerd voelde, ervaart zij nu dat incidenten rond Israël en het Midden-Oosten snel overslaan op Joodse mensen in Europa. Het recente annuleren van een concert door een Duits orkest omdat de dirigent Israëli was, noemde zij een teken van die verschuiving.

Onderwijs, digitale haat en Europese regels

Een Amerikaanse educatieve gastspreker, dochter en kleindochter van overlevenden van Auschwitz en andere kampen, sloot bij de getuigenissen aan met een blik op vandaag. Zij vertelde hoe haar grootmoeder in Auschwitz bessen fijnkneep tot een soort rouge en daarmee elke ochtend de oude en zieke vrouwen in de barak wat kleur op de wangen gaf, zodat zij tijdens de telling iets minder ziek leken. Menselijkheid tonen in de donkerste omstandigheden, zei ze, was voor haar familie een leidraad om na de oorlog opnieuw een bestaan op te bouwen.

Die familiale geschiedenis leidde haar ertoe een educatief project op te zetten dat jongeren aanzet tot sociaal engagement. In de Verenigde Staten begeleidt zij middelbare scholieren en studenten die zelf initiatieven voor rechtvaardigheid uitwerken. Een longitudinale studie aan Temple University toont dat een aanzienlijk deel van deze jongeren ook op latere leeftijd maatschappelijk actief blijft.

In Brussel wees zij erop dat antisemitische slogans op universiteitscampussen wereldwijd, ook na 7 oktober, vaak worden geroepen door studenten die de historische lading ervan nauwelijks kennen. Een gesprek over wat bijvoorbeeld “From the river to the sea” in de praktijk betekent, blijkt dan geen theoretische oefening maar een confronterende realitycheck. Volgens haar is het daarom cruciaal om gestructureerde dialogen te organiseren tussen Joodse studenten en studenten uit andere achtergronden, begeleid door mensen die getraind zijn in het omgaan met spanningen en vooroordelen.

Vanuit Europese hoek klonk de oproep om de bestaande strategieën tegen antisemitisme en voor Joods leven binnen de lidstaten serieus uit te voeren. De Europese Commissie heeft de voorbije jaren lidstaten aangespoord nationale plannen op te stellen en samen te werken met Joodse organisaties, politie, onderwijs en onderzoekers. Daarnaast verplicht de Digital Services Act grote onlineplatformen om illegale haatspraak sneller op te sporen, transparanter te rapporteren en samen te werken met autoriteiten. Het juridische instrumentarium is volgens de spreker aanwezig, maar de doorslag zal afhangen van de uitvoering op het terrein.

Hessische Joodse stem waarschuwt voor normalisering

Namens het georganiseerde Joodse leven in Hessen schetste de voorzitter van de Joodse gemeente, actief binnen de European Jewish Association, hoe de situatie in zijn deelstaat wordt beleefd. Hij prees de inzet van de Hessische autoriteiten voor fysieke beveiliging: investeringen in infrastructuur rond synagogen, de aanwezigheid van professioneel opgeleid veiligheidspersoneel en nauwe samenwerking met de politie maken religieuze diensten en culturele activiteiten praktisch uitvoerbaar.

Tegelijk uitte hij zorg over een andere laag van antisemitisme, de laag die hij “antisemitisme van het midden” noemde. Daarmee doelde hij op subtiele vormen van uitsluiting, het bagatelliseren van antisemitische incidenten en het relativeren van Joodse zorgen als “overgevoeligheid”. Die houding, zo stelde hij, is niet zichtbaar in straatprotest, maar wel in redactielokalen, academische kringen en bestuurskamers.

De panelleden waren het erover eens dat haat tegen Joden niet alleen uit één politieke hoek komt. Rechts-extremistische groepen, bepaalde linkse splinterorganisaties en islamistische structuren grijpen soms terug naar dezelfde clichés en samenzweringsbeelden. Een onderzoekster uit Hessen legde uit hoe sommige van deze groepen de terreuraanval van 7 oktober omschrijven als “verzet”, en zo geweld tegen burgers taalkundig proberen te verzachten. Door die herformulering krijgen jonge sympathisanten de indruk dat grof geweld een legitiem instrument is in een politiek conflict.

Een toekomst in Duitsland en Europa?

In het slotgesprek kwam een vraag aan bod die lange tijd impliciet bleef: zien Joden in Hessen, in Duitsland en in Europa nog een toekomst voor zichzelf? Een vertegenwoordiger van de Joodse koepel in Hessen verwees naar de herdenking van 9 november, de datum waarop in 1938 synagogen in brand vlogen en Joden in het hele land werden aangevallen. Hij herinnerde eraan dat de toenmalige Duitse bevolking nauwelijks protesteerde, wat voor de nazileiding een signaal was om door te gaan op het pad van vervolging en uiteindelijk massamoord.

Vandaag, stelde hij, gaat het om een nieuw soort test. Hoe reageert de wereld op het grootste bloedbad onder Joden sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog? Politiek leiderschap in Duitsland en elders heeft volgens hem vaak duidelijk stelling genomen, maar de brede burgermaatschappij bleef vaker stil of nam deel aan manifestaties waarin antisemitische leuzen werden getolereerd.

Hij verwees naar een rabbijn die onlangs zei dat “het raam voor Joods leven in Europa begint te sluiten” en gaf toe dat veel Joodse ouders zich afvragen of hun kinderen hier nog een veilige toekomst hebben. Toch wilde hij de avond niet eindigen in wanhoop. Met een citaat van de Israëlische auteur David Grossman – “Hoop is een anker dat men uitwerpt in een toekomst die nog niet bestaat” – riep hij op om dat anker gezamenlijk uit te werpen: via wetgeving, via onderwijs, via beveiliging en via eerlijke discussies die haat niet wegwuiven.

De bijeenkomst in Brussel maakte één ding duidelijk: na de Shoah is de haat tegen Joden niet verdwenen, maar degenen die haar meemaken en analyseren staan bereid om er rechtstreeks tegen in te gaan. De vraag is hoeveel medestanders zij in de rest van de samenleving vinden.

Bronnen:

Bijeenkomst “After the Shoah: Is There No End to the Hatred of Jews? – Eyewitnesses, the Federal Office for the Protection of the Constitution, and Academia in Dialogue” in de Vertretung des Landes Hessen bij de EU in Brussel – Lawrence de Donges-Amiss-Amiss
Publieke informatie van de deelstaat Hessen over het veiligheidsbeleid en de campagne “Kein Raum für Antisemitismus”
Biografische gegevens over dr. Simon Gronowski en barones Regina Suchowolski-Sluszny
Publieke informatie over de Europese strategie tegen antisemitisme en de Digital Services Act

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)