(Opinie) Antonio Lo Cascio: Expertise is geen titel, maar een levenslange verantwoordelijkheid

Wie ik ben, kan niet in één titel worden samengevat

Wanneer men mij vraagt waarin mijn expertise precies bestaat, merk ik telkens opnieuw hoe moeilijk het is om daarop met één beroepstitel te antwoorden. Ben ik bioloog? Voedingswetenschapper? Onderzoeker? Specialist in klinische biologie? Ervaringsdeskundige uit het universitaire laboratorium? Europees evaluator? Docent? Krijgskunstenaar? Journalist en fotoreporter? Het eerlijke antwoord is dat geen van die omschrijvingen afzonderlijk voldoende is. Mijn naam is Antonio Lo Cascio. Ik werd op 27 juli 1947 geboren in Palermo, op Sicilië, en mijn levensloop heeft mij door de wetenschap, de laboratoriumgeneeskunde, het onderwijs, de voedingswetenschappen, de Europese onderzoekswereld, internationale organisaties en traditionele krijgskunsten gevoerd. Mijn vorming begon met een klassieke opleiding en werd daarna verdiept in de biologische en voedingswetenschappen aan de Universiteit van Palermo. In mijn professionele curriculum staan opleidingen en activiteiten vermeld die zich over meer dan een halve eeuw uitstrekken. Dat maakt mij niet onfeilbaar. Integendeel. Hoe langer iemand werkelijk met wetenschap bezig is, hoe duidelijker hij begrijpt dat deskundigheid nooit een eindpunt is. Een titel kan men behalen. Een diploma kan men inlijsten. Een functie kan men bekleden. Expertise daarentegen moet iedere dag opnieuw worden waargemaakt.

Mijn wetenschappelijke fundament werd in Palermo gelegd

Mijn wetenschappelijke vorming begon in een omgeving waarin grondigheid, analytisch denken en klassieke intellectuele discipline centraal stonden. Na mijn studies aan het Liceo-Ginnasio Statale Vittorio Emanuele II in Palermo studeerde ik biologische wetenschappen en voedingswetenschappen aan de Università degli Studi di Palermo. Tijdens mijn academische periode was ik eveneens betrokken bij praktische werkzaamheden in analytische chemie. Onder leiding van professor A. Arcoleo werkte ik mee aan laboratoriumonderwijs en aan werkzaamheden rond de synthese van mogelijke isomeren van resveratrol. Daarna volgde verdere vorming in de natuurwetenschappen. Die combinatie van klassieke humaniora, biologische wetenschappen, scheikunde en voedingswetenschappen heeft mijn manier van denken blijvend bepaald. Ik heb daardoor nooit geloofd dat een mens de werkelijkheid uitsluitend vanuit één discipline kan begrijpen. Een chemicus ziet bepaalde mechanismen. Een bioloog ziet andere verbanden. Een arts kijkt naar ziekte en behandeling. Een voedingswetenschapper kijkt naar stofwisseling en metabolisme. Een microbioloog kijkt naar micro-organismen en interacties. Maar de patiënt die voor ons staat, bestaat niet uit afzonderlijke vakgebieden. Hij is één biologisch geheel. Juist daarom heb ik altijd geprobeerd grenzen tussen disciplines niet als muren te zien, maar als raakvlakken.

Wetenschap begint waar zekerheid eindigt

Een van de belangrijkste misverstanden over wetenschap is dat wetenschappers voortdurend zekerheden produceren. Werkelijke wetenschap functioneert precies andersom. Zij begint bij onzekerheid. Een onderzoeker observeert iets wat niet volledig wordt begrepen, formuleert een hypothese, probeert die hypothese te testen en moet vervolgens bereid zijn zijn eigen ideeën te verwerpen wanneer de feiten hem tegenspreken. Wetenschap is daarom niet het verzamelen van gelijk. Zij is het organiseren van twijfel. De wetenschapper die uitsluitend bevestiging zoekt voor wat hij al gelooft, bedrijft geen wetenschap maar zelfbevestiging. Dat onderscheid is vandaag van uitzonderlijk belang omdat maatschappelijke debatten steeds vaker functioneren alsof iedere wetenschappelijke kwestie onmiddellijk in een kamp moet worden ondergebracht. Voor of tegen. Juist of fout. Progressief of conservatief. Optimistisch of pessimistisch. Maar biologische werkelijkheid trekt zich niets aan van politieke kampen. Een bacterie stemt niet. Een enzym heeft geen ideologie. Een chromosoom leest geen verkiezingsprogramma. Een bloedanalyse verandert niet omdat een regering dat wenselijk vindt. De verantwoordelijkheid van een wetenschapper bestaat erin de werkelijkheid te beschrijven zoals zij zich aandient, ook wanneer de uitkomst onaangenaam, onverwacht of politiek ongewenst is.

Mijn jaren in de universitaire laboratoria

Na mijn komst naar België kreeg mijn professionele loopbaan een sterk klinisch en universitair karakter. Ik werkte vanaf de jaren zeventig achtereenvolgens als onderzoeker in het Laboratorium voor Medische Biochemie, het Laboratorium voor Ultramicrodoseringen, het Laboratorium voor Geneesmiddelenanalyse, het Laboratorium voor Microbiologie en het Laboratorium voor Auto-immuunserologie binnen universitaire structuren verbonden aan de UCL. Die opeenvolgende functies betekenden dat ik verschillende domeinen van de biomedische wetenschap niet uitsluitend theoretisch leerde kennen, maar dagelijks ervoer in hun technische realiteit. Ik werkte met analyses, reagentia, toestellen, biologische monsters, kalibraties, chromatografie, biochemische reacties en klinische interpretaties. Daardoor leerde ik dat achter iedere wetenschappelijke publicatie een wereld schuilgaat die buitenstaanders zelden zien. Wetenschappelijk onderzoek bestaat voor een groot deel uit nauwkeurigheid, herhaling, fouten zoeken, methoden controleren, resultaten opnieuw analyseren en de intellectuele discipline om een mooie hypothese te laten vallen wanneer de experimentele werkelijkheid haar niet bevestigt.

Achter ieder laboratoriumresultaat staat een mens

Wie een carrière in klinische en biomedische laboratoria heeft doorgebracht, begrijpt dat een analyseresultaat nooit zomaar een cijfer is. Een concentratie natrium is geen abstract getal. Een kaliumwaarde is geen administratieve aanduiding. Een microbiologisch resultaat is geen louter technisch product. Achter iedere waarde staat een patiënt. Soms bevindt die patiënt zich op een verpleegafdeling. Soms ligt hij op intensieve zorg. Soms staat een chirurgische ingreep gepland. Soms probeert een arts te begrijpen waarom een behandeling niet aanslaat. Die menselijke context mag nooit uit het laboratoriumdenken verdwijnen. De moderne geneeskunde vertrouwt sterk op meetwaarden, maar een meetwaarde heeft uitsluitend betekenis wanneer zij technisch correct werd bepaald, biologisch correct wordt geïnterpreteerd en klinisch binnen de juiste context wordt geplaatst. Mijn ervaring heeft mij geleerd dat een kleine fout aan het begin van een analytisch proces later zeer grote gevolgen kan hebben. Daarom beschouw ik nauwkeurigheid niet als perfectionisme. In de geneeskunde is nauwkeurigheid een vorm van ethiek.

Mijn werkzaamheden rond porfyrieën

Een belangrijk onderdeel van mijn wetenschappelijke werkzaamheden betrof porfyrieën. Dat zijn complexe aandoeningen van de heembiosynthese waarbij verstoringen optreden in biochemische routes die essentieel zijn voor het menselijke organisme. In mijn professionele curriculum beschrijf ik onder meer mijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van een zeer gevoelige bepaling van ALA-synthetase en bij methoden waarmee totale urinaire porfyrinen veel sneller konden worden bepaald dan voorheen mogelijk was. Die werkzaamheden vonden plaats in een tijd waarin analytische technologie veel minder geautomatiseerd was dan vandaag. Veel hing af van de kennis, techniek en precisie van de onderzoeker zelf. Wat vandaag soms door een instrument in enkele minuten wordt geproduceerd, vereiste toen vaak complexe analytische stappen. Juist daarom moest men de chemie achter de methode werkelijk begrijpen. Men kon zich niet verschuilen achter een digitaal scherm.

Waarom snelheid in laboratoriumdiagnostiek soms levensbelangrijk is

Wanneer ik vertel dat wij een analyse konden versnellen van enkele uren naar ongeveer twintig minuten, kan dat voor iemand buiten de geneeskunde klinken als een technische optimalisatie. Maar in een klinische context kan tijd cruciaal zijn. Bij bepaalde vormen van porfyrie kan een acute crisis ernstige neurologische en systemische complicaties veroorzaken. Wanneer een patiënt geopereerd moet worden, kunnen bepaalde anesthetica of geneesmiddelen ernstige problemen uitlokken. Een snelle en betrouwbare analytische methode kan daarom rechtstreeks invloed hebben op klinische besluitvorming. Dit is precies waarom ik altijd heb benadrukt dat laboratoriumwetenschap niet los mag worden gezien van de patiëntenzorg. Een betere methode is niet alleen een mooier protocol. Een betere methode kan betekenen dat een arts eerder over informatie beschikt. Een betere methode kan betekenen dat een risico sneller wordt herkend. Een betere methode kan betekenen dat een patiënt een andere behandeling krijgt. Daarin ligt de werkelijke betekenis van toegepast wetenschappelijk onderzoek.

Hematine en mijn klinisch-wetenschappelijke ervaring

In mijn curriculum beschrijf ik ook mijn betrokkenheid bij de introductie en toepassing van menselijke hematine bij patiënten met verschillende vormen van porfyrie binnen de Universitaire Klinieken Saint-Luc. Ik vermeld daarbij ernstige klinische situaties waarin deze behandeling werd gebruikt, waaronder patiënten met acute crises en neurologische complicaties. Eén van de beschreven gevallen betreft een patiënte die in een porfyrisch coma terechtkwam en na behandeling met hematine volgens mijn verslag snel herstelde. Een ander geval betreft een patiënte met een langdurige verlamming in het kader van acute intermitterende porfyrie die volgens het curriculum na behandeling opnieuw functioneel herstelde. Ik breng dergelijke voorbeelden niet naar voren om geneeskundige heroïek te creëren, maar omdat zij tonen hoe fundamenteel laboratoriumkennis, klinische observatie en therapeutisch inzicht met elkaar verbonden zijn. Het laboratorium mag nooit een geïsoleerde technische fabriek worden waarin waarden worden geproduceerd zonder begrip voor hun medische betekenis.

Een apparaat is nooit intelligenter dan zijn uitgangspunten

Een van de belangrijkste lessen uit mijn werkzaamheden in de klinische biologie heeft betrekking op kalibratie en meetbetrouwbaarheid. In mijn curriculum beschrijf ik een probleem rond de viscositeit van een interne standaard die werd gebruikt bij vlamfotometrische bepalingen van natrium en kalium. Het fundamentele punt was dat een standaardoplossing andere fysische eigenschappen kon hebben dan serum, waardoor verschillen in stroming en meetgedrag ontstonden. Volgens mijn verslag leidde mijn signalering via verantwoordelijke professoren tot een aanpassing van die standaard. Deze ervaring heeft mij een principe geleerd dat vandaag nog belangrijker is dan toen: technologie is niet automatisch waarheid. Een toestel kan uiterst nauwkeurig meten en toch een systematisch verkeerd resultaat produceren wanneer het verkeerd werd gekalibreerd. Een algoritme kan miljoenen berekeningen uitvoeren en toch vertrekken vanuit een foute aanname. Een artificieel-intelligentiesysteem kan indrukwekkende antwoorden produceren en toch gevoed zijn met onvolledige of vertekende gegevens. Wetenschappelijke vooruitgang vermindert daarom niet de noodzaak van kritisch denken. Zij vergroot die juist.

De laboratoriumspecialist moet begrijpen wat hij meet

Ik maak mij soms zorgen over de mate waarin moderne technologie ons verleidt om processen te gebruiken zonder ze werkelijk te begrijpen. Automatisering heeft enorme voordelen gebracht. Analyses zijn sneller, nauwkeuriger en reproduceerbaarder geworden. Maar automatisering kan ook een intellectueel risico creëren. Wanneer een jonge onderzoeker uitsluitend leert welke knop hij moet indrukken, maar niet begrijpt welk fysisch of chemisch proces achter die knop schuilgaat, wordt hij afhankelijk van het toestel. Een wetenschapper moet kunnen vragen waarom een waarde afwijkt. Hij moet kunnen onderscheiden of het probleem biologisch, analytisch of pre-analytisch is. Hij moet weten wat temperatuur, viscositeit, monsterkwaliteit, reagentia en kalibratie met een meting kunnen doen. Anders produceren wij technici die apparaten bedienen, maar geen deskundigen die resultaten interpreteren.

Microbiologie en de enorme wereld die wij niet zien

Mijn werkzaamheden binnen de microbiologie hebben mij eveneens diepgaand gevormd. In de jaren negentig hield ik mij bezig met de analyse van vluchtige en niet-vluchtige vetzuren van aerobe en anaerobe bacteriën via gaschromatografie en met chemotaxonomische karakterisering van pathogene bacteriën. Mijn curriculum beschrijft onder andere de ontwikkeling van temperatuurprogramma’s waarmee een veel uitgebreider chromatografisch patroon kon worden verkregen dan met de klassieke programma’s van die tijd. Microbiologie heeft iets bijzonder fascinerends. Wij leven voortdurend samen met organismen die wij niet met het blote oog kunnen waarnemen, maar die enorme invloed uitoefenen op gezondheid, ziekte, voedselproductie, milieu en ecosystemen. Een groot gedeelte van de menselijke geschiedenis werd zelfs mee bepaald door micro-organismen. Epidemieën veranderden samenlevingen. Infecties bepaalden oorlogen. Antibiotica veranderden de levensverwachting. Vandaag worden we geconfronteerd met antibioticaresistentie, nieuwe pathogenen en de complexe relatie tussen microbiota en gezondheid. Wie microbiologie reduceert tot de simpele gedachte dat alle microben slecht zijn, begrijpt de discipline niet.

Bacteriën zijn geen virussen en wetenschap vereist correcte taal

Het lijkt misschien elementair, maar wetenschappelijke taal is belangrijk. Een bacterie is geen virus. Een schimmel is geen bacterie. Een parasiet is opnieuw iets anders. De microbiologie omvat verschillende deelgebieden, waaronder bacteriologie, mycologie, parasitologie en virologie. Het onderscheid is niet louter academisch. Het bepaalt welke diagnostische methoden worden gebruikt, welke geneesmiddelen werkzaam kunnen zijn en welke preventieve strategieën zinvol zijn. Tijdens maatschappelijke gezondheidscrises merk ik hoe snel terminologische onnauwkeurigheid tot verwarring leidt. Wanneer burgers geen onderscheid meer maken tussen antibioticabehandeling en antivirale therapie, ontstaat ruimte voor verkeerde verwachtingen. Daarom geloof ik sterk dat wetenschappers de verantwoordelijkheid hebben om moeilijke informatie begrijpelijk uit te leggen zonder haar inhoudelijk te verminken.

Mijn visie op hygiëne en desinfectie

In mijn curriculum beschrijf ik eveneens werkzaamheden op het gebied van hygiëne en desinfectie, waaronder mijn voorstel voor een alcohol-ethermengsel dat bedoeld was om een breder spectrum aan microbiële agentia te bestrijken dan alcohol alleen. Deze formulering werd volgens het curriculum besproken binnen een veiligheids- en hygiënecontext van de Universitaire Klinieken Saint-Luc. Ook hier zie ik een bredere les. Preventieve gezondheidszorg lijkt vaak eenvoudig omdat succesvolle preventie precies datgene voorkomt wat anders zichtbaar zou worden. Wanneer desinfectie werkt, ziet niemand de infectie die niet is ontstaan. Wanneer vaccinatie een ziekte voorkomt, ziet niemand het ziekenhuisbed dat leeg blijft. Wanneer voedselveiligheid werkt, ziet niemand de epidemie die nooit plaatsvindt. Preventie krijgt daardoor soms minder maatschappelijke waardering dan curatieve geneeskunde, terwijl zij vaak een van de krachtigste instrumenten van volksgezondheid is.

Voeding is wetenschap en geen verzameling slogans

Mijn oorspronkelijke universitaire vorming omvatte zowel biologische wetenschappen als voedingswetenschappen. Daardoor kijk ik met bijzondere belangstelling, maar soms ook met bezorgdheid, naar de huidige voedingscultuur. Voeding is uitgegroeid tot een gigantische markt. Iedere maand verschijnt er wel een nieuwe theorie die beweert de definitieve oplossing voor gezondheid en gewichtscontrole te hebben gevonden. Koolhydraten zouden het probleem zijn. Daarna zijn vetten het probleem. Vervolgens suiker. Dan gluten. Daarna ultrabewerkte voeding. Vervolgens verschijnen wondermiddelen, supplementen, detoxkuren en superfoods. De werkelijkheid is veel ingewikkelder. Menselijke voeding raakt aan biochemie, metabolisme, endocrinologie, genetica, microbiologie, psychologie, socio-economische factoren en cultuur. Daarom is voedingswetenschap niet geschikt voor slogans.

Er bestaat geen menselijk lichaam dat losstaat van biochemie

Iedere maaltijd activeert een enorm netwerk van processen. Koolhydraten worden afgebroken en beïnvloeden glucoseregulatie. Vetten worden verwerkt via complexe metabole routes. Aminozuren worden gebruikt voor eiwitsynthese en andere functies. Vitaminen en mineralen functioneren als cofactoren of structurele componenten. Hormonen beïnvloeden honger, verzadiging en energiebalans. De darmmicrobiota interageert met voedingscomponenten. Genetische verschillen kunnen metabole reacties beïnvloeden. Daarom vind ik het intellectueel gevaarlijk wanneer voeding wordt herleid tot morele categorieën zoals goed en slecht voedsel. Wetenschap werkt niet met morele veroordelingen van moleculen. Zij onderzoekt hoeveelheden, frequenties, contexten, interacties en individuele verschillen.

Mijn betrokkenheid bij voedings- en laboratoriumorganisaties

Ook op latere leeftijd ben ik actief gebleven binnen professionele en wetenschappelijke netwerken. Mijn meest recente curriculum vermeldt onder meer lidmaatschappen of betrokkenheid bij de Società Italiana di Scienze dell’Alimentazione, de Società Italiana di Nutrizione Umana, het Coordinamento Nazionale Biologi Nutrizionisti, de Belgian Nutrition Society, de Società Italiana di Biochimica Clinica, de European Federation of Clinical Chemistry and Laboratory Medicine en de International Federation of Clinical Chemistry and Laboratory Medicine. Het curriculum vermeldt daarnaast mijn betrokkenheid bij de Società Italiana di Genetica Umana en andere beroepsorganisaties. Ik noem die verbanden niet om een reeks namen te etaleren. Ik vermeld ze omdat zij tonen dat mijn interesse nooit is gestopt bij wat ik veertig of vijftig jaar geleden heb geleerd. Een deskundige die ophoudt met leren, houdt op deskundige te zijn.

Genetica heeft onze definitie van gezondheid veranderd

De moderne genetica heeft de biologische wetenschappen fundamenteel veranderd. In mijn eerste universitaire jaren bestond de genetische kennis van vandaag eenvoudigweg nog niet. Inmiddels begrijpen wij veel beter hoe genetische variatie invloed kan hebben op ziekterisico’s, metabolisme, geneesmiddelenrespons en erfelijke aandoeningen. Tegelijk moeten we voorzichtig blijven met genetisch determinisme. Een gen is meestal geen absoluut lot. Biologische kenmerken ontstaan uit interacties tussen genen, eiwitten, celprocessen, voeding, levensstijl, milieu en toeval. Epigenetische mechanismen maken het verhaal nog complexer. Daarom moeten wij vermijden dat genetica wordt gebruikt als een nieuwe vorm van simplificatie. Het menselijke organisme blijft een dynamisch systeem waarin oorzaken zelden volledig geïsoleerd functioneren.

Het gevaar van populaire pseudo-expertise

Onze tijd kent een merkwaardig fenomeen. Nog nooit hadden zoveel mensen toegang tot wetenschappelijke informatie, en toch is betrouwbare deskundigheid misschien nog nooit zo moeilijk herkenbaar geweest. Sociale media geven iedereen een podium. Een persoon kan na het bekijken van enkele video’s spreken alsof hij microbioloog, voedingswetenschapper of epidemioloog is. Een overtuigende presentatie wordt vervolgens gemakkelijk verward met inhoudelijke deskundigheid. Maar kennis wordt niet bepaald door het aantal volgers. Expertise wordt niet gemeten in likes. Wetenschappelijke geloofwaardigheid ontstaat uit opleiding, methodologische kennis, ervaring, kritische toetsing en het vermogen om onzekerheid correct te communiceren. Juist daarom moeten echte experts leren communiceren. Wanneer wetenschappers zich uit het publieke debat terugtrekken omdat populaire media te oppervlakkig zijn, laten zij het veld over aan mensen die veel minder weten maar veel luider spreken.

Wetenschap communiceren is een vak op zichzelf

Tijdens mijn loopbaan was ik betrokken bij de organisatie van talrijke medische en wetenschappelijke conferenties. Ik was onder meer oprichter en organisator van Les Midis de la Médecine en Les Spots de la Médecine aan de UCL en betrokken bij conferenties over kankerscreening. Daarnaast werkte ik mee aan praktische opleidingen voor artsen en apothekers die zich specialiseerden in klinische biologie. Deze ervaring leerde mij dat iets weten en iets kunnen uitleggen twee verschillende vaardigheden zijn. Sommige briljante onderzoekers spreken uitsluitend in termen die hun eigen vakgenoten begrijpen. Dat is legitiem binnen gespecialiseerde wetenschap, maar problematisch wanneer men burgers wil bereiken. Wetenschapscommunicatie moet twee fouten vermijden: overmatige complexiteit en overmatige vereenvoudiging. De eerste maakt kennis ontoegankelijk. De tweede maakt haar onjuist.

Mijn contacten met medische en wetenschappelijke debatten

Mijn professionele curriculum vermeldt verschillende momenten waarop ik deelnam aan publieke of academische debatten over gezondheid, onder meer over aids, tabagisme, kanker en milieu-gerelateerde gezondheidsvraagstukken. Zo gaf ik in 1987 binnen de Rencontres de Mensa een conferentie over de toenmalige toestand en toekomst van aids, nam ik deel aan activiteiten rond tabagisme en kanker en was ik betrokken bij grotere medische conferenties. Wanneer ik daarop terugkijk, zie ik hoe sterk medische kennis evolueert. Wat in de jaren tachtig nog omgeven was door enorme onzekerheid kan vandaag veel nauwkeuriger worden beschreven. Die evolutie toont waarom intellectuele bescheidenheid zo belangrijk is. De stellige uitspraak van vandaag kan binnen twintig jaar onvolledig blijken.

Europese wetenschap vraagt onafhankelijke evaluatie

Mijn professionele loopbaan omvat eveneens ervaring op Europees niveau. Mijn curriculum vermeldt mijn werk als onafhankelijk expert voor de evaluatie van voorstellen en het monitoren en beoordelen van projecten binnen Europese onderzoeksprogramma’s, waaronder het Zevende Kaderprogramma en Horizon 2020. Daarnaast was ik gedurende een periode referent van de Italiaanse beroepsorde van biologen bij het Europees Parlement. De Europese Unie investeert miljarden in onderzoek en innovatie. Dat is noodzakelijk, maar publieke middelen brengen ook verantwoordelijkheid mee. Een onderzoeksvoorstel moet niet worden beoordeeld op prestige, nationaliteit, politieke aantrekkelijkheid of de bekendheid van de aanvrager. Het moet worden beoordeeld op wetenschappelijke kwaliteit, methodologische degelijkheid, haalbaarheid, innovatiepotentieel en maatschappelijke relevantie.

Wetenschappelijke onafhankelijkheid is niet onderhandelbaar

Een expert die afhankelijk wordt van het gewenste antwoord verliest zijn waarde. Wanneer een overheid een wetenschapper raadpleegt, moet zij bereid zijn een antwoord te horen dat haar niet bevalt. Wanneer een bedrijf onderzoek financiert, mag financiering geen garantie op een gewenste conclusie worden. Wanneer een maatschappelijke beweging wetenschappelijke argumenten gebruikt, moeten ook ongunstige gegevens worden erkend. Onafhankelijkheid betekent niet dat een expert zonder overtuigingen leeft. Iedereen heeft ervaringen, voorkeuren en wereldbeelden. Wetenschappelijke onafhankelijkheid betekent dat men zijn conclusies niet laat bepalen door die voorkeuren wanneer de gegevens in een andere richting wijzen.

Europese samenwerking is noodzakelijker dan ooit

Veel wetenschappelijke uitdagingen houden niet op aan de landsgrenzen. Infectieziekten hebben geen paspoort. Klimaateffecten stoppen niet aan een grenspost. Voedselveiligheid is afhankelijk van internationale productieketens. Genetisch onderzoek vereist grote databanken. Zeldzame ziekten kunnen alleen voldoende worden onderzocht wanneer patiëntenpopulaties internationaal worden samengebracht. Daarom geloof ik sterk in Europese en internationale wetenschappelijke samenwerking. Mijn eigen leven tussen Italië en België heeft mij geleerd dat intellectuele rijkdom ontstaat wanneer verschillende academische culturen elkaar ontmoeten. Geen enkel land bezit een monopolie op kennis.

Onderwijs moet mensen leren denken en niet alleen reproduceren

Mijn loopbaan bevat eveneens onderwijservaring. Ik gaf onder andere wiskunde, fysica, biologie en chemie. Voor mij is goed onderwijs geen systeem waarin leerlingen informatie opslaan om die tijdens een examen opnieuw te reproduceren. Onderwijs moet een denkdiscipline ontwikkelen. Waarom is dit zo? Hoe werd dit bewezen? Welke aannames liggen eraan ten grondslag? Wat is de foutenmarge? Welke alternatieve verklaring bestaat er? Kan het resultaat worden gereproduceerd? Onder welke omstandigheden geldt de conclusie niet meer? Een leerling die zulke vragen leert stellen, heeft iets veel belangrijkers geleerd dan de inhoud van één hoofdstuk.

De leraar blijft zelf leerling

Onderwijs is tweerichtingsverkeer. Wie lesgeeft, wordt gedwongen zijn eigen kennis opnieuw te onderzoeken. Een onverwachte vraag van een leerling kan duidelijk maken dat iets wat men al jaren gebruikt nooit volledig werd doordacht. Daarom heb ik altijd respect gehad voor mensen die vragen durven stellen die ogenschijnlijk eenvoudig lijken. In wetenschap bestaan geen domme vragen wanneer zij uit echte nieuwsgierigheid voortkomen. Veel grote ontdekkingen begonnen met een eenvoudige vraag die anderen niet meer stelden omdat ze dachten dat het antwoord vanzelfsprekend was.

Mijn klassieke opleiding heeft mij als wetenschapper geholpen

Mijn kennisachtergrond beperkt zich niet tot natuurwetenschappen. Mijn curriculum vermeldt een sterke klassieke vorming met Latijn en Oudgrieks en daarnaast talenkennis in onder andere Italiaans, Frans en Engels, met passieve kennis van Nederlands en Spaans. Ook kennis van oude schriftvormen wordt vermeld. Voor mij zijn klassieke cultuur en moderne wetenschap geen tegengestelden. Wetenschap heeft geschiedenis. Veel wetenschappelijke begrippen hebben wortels in Griekse en Latijnse terminologie. Filosofie heeft mee bepaald hoe wij bewijs, waarheid en redenering begrijpen. Wie uitsluitend technische kennis bezit zonder historisch en cultureel perspectief, loopt het risico wetenschap als een machine te behandelen in plaats van als een menselijke zoektocht naar begrip.

Mijn militaire ervaring leerde mij discipline

Na mijn universitaire opleiding volgde ik in Italië een militaire officiersopleiding en diende ik als cavalerieofficier bij Nizza Cavalleria in Pinerolo. Die ervaring behoort tot een ander gedeelte van mijn leven, maar de lessen ervan zijn ook wetenschappelijk relevant. Discipline betekent niet slaafs bevelen volgen. Ware discipline betekent voorbereid zijn, verantwoordelijkheden begrijpen en ook onder druk zorgvuldig blijven handelen. In een laboratorium geldt hetzelfde. Een noodsituatie is geen excuus voor slordigheid. Juist wanneer de druk stijgt, wordt professionele vorming zichtbaar.

Budo werd een tweede intellectuele school

Naast wetenschap loopt door mijn levensverhaal een tweede lange lijn: de traditionele krijgskunsten. Mijn martiale curriculum vermeldt dat ik mij in september 1977 aansloot bij het Budo Collège belge van meester Julien Naessens. Later behaalde ik binnen het aikido de graad van Sandan en de titel Renshi binnen de traditie van de Dai Nippon Butoku Kai en richtte ik de Raionkan Mushin Aïkido Ryu op. Wanneer mensen hierover horen, zien zij wetenschap en krijgskunst soms als twee totaal verschillende werelden. Voor mij zijn de overeenkomsten opmerkelijk. Zowel de onderzoeker als de budoka moet leren observeren. Beiden moeten hun ego ondergeschikt maken aan de werkelijkheid. Beiden ontdekken dat een theorie die niet werkt moet worden aangepast. Beiden weten dat echte beheersing duizenden herhalingen vereist.

Mijn ervaring omvat verschillende krijgskunsten

Mijn martiale achtergrond bleef niet beperkt tot aikido. Mijn curriculum vermeldt ervaring of beoefening in disciplines zoals judo, jodo, iaido, karatedo, kendo, tai chi chuan en andere vormen van budo en zelfverdediging. Mijn professionele curriculum uit 2026 vermeldt mij als professor in aikido, judo, karate, tai chi chuan en zelfverdediging en als erkend sportkader. Ook hier geldt hetzelfde principe als in wetenschap: breedte heeft alleen waarde wanneer zij gepaard gaat met diepgang. Een mens wordt geen meester omdat hij de namen van veel technieken kent. Hij wordt gevormd door jarenlange oefening, correctie, ervaring en zelfbeheersing.

Wat de titel Renshi voor mij betekent

De titel Renshi wordt in mijn curriculum vermeld als een erkenning binnen de Dai Nippon Butoku Kai. Voor mij is de belangrijkste betekenis daarvan niet prestige. Een titel die alleen dient om boven anderen te staan, verliest zijn waarde. Binnen budo moet een hogere graad leiden tot meer verantwoordelijkheid. Hoe meer iemand weet, hoe groter zijn plicht om beginners correct te begeleiden. Hetzelfde geldt voor wetenschap. Een professor zou niet verder van studenten moeten komen te staan naarmate zijn status stijgt. Hij zou juist beter moeten begrijpen hoeveel verantwoordelijkheid kennis met zich meebrengt.

De tatami ontmaskert het ego

In een laboratorium kan een onderzoeker zichzelf soms wijsmaken dat een theorie juist is. Op de tatami kan een beoefenaar zichzelf wijsmaken dat een techniek uitstekend is. Maar uiteindelijk reageert de werkelijkheid. Een experiment mislukt. Een beweging werkt niet. Een balans wordt verloren. Het grote voordeel van beide omgevingen is dat zij het ego confronteren met iets dat zich niet laat overtuigen door woorden. Daarom beschouw ik nederigheid niet als een mooi moreel begrip, maar als een praktische voorwaarde om beter te worden.

Mijn internationale budo-ervaring

Mijn martiale curriculum vermeldt een lange reeks stages en ontmoetingen met leraren uit verschillende krijgskunsttradities, waaronder Europese, Japanse, Amerikaanse en Israëlische vertegenwoordigers. Daarnaast nam ik deel aan internationale bijeenkomsten en Butoku Sai-evenementen in onder meer Brussel, Manchester, Kyoto, Magdeburg, Norfolk, Crema, Sintra en verschillende Franse steden. Internationale ervaring heeft mij één ding zeer duidelijk gemaakt: zodra iemand denkt dat zijn eigen school, land of traditie alle antwoorden bezit, begint intellectuele verstarring.

De betekenis van discipline in een tijd van onmiddellijke resultaten

Onze samenleving is gewend geraakt aan snelheid. Mensen willen onmiddellijk informatie, onmiddellijke prestaties en onmiddellijke erkenning. Budo leert precies het tegenovergestelde. Sommige bewegingen moeten duizenden keren worden herhaald voordat zij werkelijk natuurlijk worden. Wetenschappelijke vorming werkt eveneens zo. Er bestaat geen sneltraject naar expertise. Een student kan informatie sneller vinden dan ooit, maar hij kan de tientallen jaren ervaring van een onderzoeker niet downloaden. Technologie versnelt toegang tot kennis. Zij versnelt niet noodzakelijk de ontwikkeling van oordeel.

Artificiële intelligentie is een machtig instrument, maar geen vervanging voor deskundigheid

Artificiële intelligentie zal naar mijn overtuiging een steeds belangrijkere rol spelen in wetenschap en geneeskunde. Grote datasets kunnen sneller worden geanalyseerd. Patronen kunnen worden ontdekt die voor een individuele onderzoeker nauwelijks zichtbaar zijn. Medische beelden kunnen worden ondersteund door algoritmische analyse. Literatuuronderzoek kan sneller worden uitgevoerd. Maar AI verandert één fundamenteel principe niet: kwaliteit van output is afhankelijk van kwaliteit van input, methodologie en interpretatie. Een systeem kan correlaties ontdekken zonder biologische betekenis te begrijpen. Een algoritme kan statistisch gelijk hebben en klinisch toch irrelevant zijn. Daarom moet AI deskundigen ondersteunen, niet intellectueel uitschakelen.

Technologie mag ons niet lui maken

Het grootste gevaar van geavanceerde technologie is misschien niet dat machines slimmer worden, maar dat mensen stoppen met zelf nadenken. Wanneer iedere berekening door software gebeurt, moet iemand nog steeds begrijpen welke berekening werd uitgevoerd. Wanneer een AI-systeem een diagnose suggereert, moet een arts nog steeds begrijpen waarom die diagnose plausibel of onwaarschijnlijk is. Wanneer statistische software een significant resultaat geeft, moet een onderzoeker nog steeds weten of het onderzoeksdesign degelijk was. Technologie hoort menselijk oordeel te versterken. Zodra technologie oordeel vervangt, creëren wij afhankelijkheid.

Wetenschap en journalistiek delen een verantwoordelijkheid tegenover de waarheid

Mijn meest recente professionele curriculum vermeldt eveneens mijn lidmaatschap van de European Press Federation als journalist en fotoreporter. Ook daarin zie ik een nauwe verwantschap met wetenschappelijk werk. Zowel de wetenschapper als de journalist heeft de plicht bronnen te controleren, informatie te verifiëren en onderscheid te maken tussen feit en interpretatie. In beide beroepen kan een aantrekkelijke conclusie verleidelijk zijn. In beide beroepen bestaat druk om snel te publiceren. En in beide beroepen kan slordigheid grote schade veroorzaken. Goede journalistiek en goede wetenschap delen daarom een fundamentele eigenschap: zij behoren bereid te zijn hun eigen verhaal te corrigeren wanneer nieuwe feiten dat noodzakelijk maken.

Fotografie heeft mij anders leren kijken

Fotografie, die eveneens in mijn curriculum wordt vermeld als een van mijn artistieke activiteiten, heeft op het eerste gezicht weinig met laboratoriumonderzoek te maken. Toch gaat fotografie over waarneming. Twee mensen kunnen naar dezelfde scène kijken en totaal verschillende details zien. Hetzelfde gebeurt in een laboratorium. Een ervaren onderzoeker ziet soms een afwijking die een ander negeert. Dat is geen magie. Het is getrainde observatie. Expertise betekent vaak dat men heeft geleerd welke details betekenisvol kunnen zijn.

Kunst en wetenschap zijn geen vijanden

Mijn interesses omvatten naast fotografie ook piano, poëzie, schrijven, architectuur, tekenen, schilderkunst, beeldhouwkunst en mozaïek. Ik heb nooit begrepen waarom mensen kunst en wetenschap zo scherp van elkaar scheiden. Beide beginnen met nieuwsgierigheid. De wetenschapper vraagt hoe iets werkt. De kunstenaar vraagt hoe iets wordt ervaren. De ene zoekt wetmatigheid, de andere betekenis. Maar beide vragen aandacht, discipline en creativiteit. Grote wetenschappelijke doorbraken vereisen vaak verbeeldingskracht. Eerst moet iemand zich kunnen voorstellen dat een andere verklaring mogelijk is.

Wetenschappelijke kennis zonder ethiek is gevaarlijk

Geen enkele discussie over expertise is volledig zonder ethiek. De twintigste en eenentwintigste eeuw hebben aangetoond dat technologische mogelijkheden zich sneller kunnen ontwikkelen dan onze maatschappelijke reflectie. Genetische technologie, artificiële intelligentie, biotechnologie en grootschalige gegevensverwerking bieden enorme kansen, maar roepen ook vragen op. Kunnen wij iets doen? Dat is een technische vraag. Moeten wij het doen? Dat is een ethische vraag. Wie beslist? Wie draagt het risico? Wie profiteert? Wie wordt uitgesloten? Een wetenschapper kan zich niet altijd beperken tot het eerste gedeelte.

Geneeskunde moet de patiënt blijven zien

Hoe geavanceerder medische technologie wordt, hoe belangrijker het is dat we de patiënt niet reduceren tot gegevens. Een mens is geen verzameling laboratoriumwaarden. Hij is geen radiologisch beeld. Hij is geen genetisch profiel. Hij is geen diagnosecode. Al die gegevens zijn hulpmiddelen om hem beter te begrijpen. Wanneer de geneeskunde ooit vergeet dat achter iedere dataset een individu staat met angst, hoop, familie en waardigheid, heeft technologische vooruitgang ons menselijk armer gemaakt.

Expertise vereist het vermogen om ‘ik weet het niet’ te zeggen

Misschien is dit een van de moeilijkste zinnen voor een zogenaamde expert: ik weet het niet. Toch is het een van de belangrijkste. Sommige vragen hebben geen duidelijk antwoord. Sommige studies spreken elkaar tegen. Soms ontbreken gegevens. Soms is een verschil statistisch interessant maar klinisch onbelangrijk. Soms is een effect biologisch plausibel maar onvoldoende bewezen. Dan moet men dat zeggen. Een deskundige die altijd een antwoord heeft, verdient mijn wantrouwen. Wetenschap kent geen alwetendheid.

Een wetenschappelijke fout toegeven is een teken van kracht

Mensen vrezen soms dat zij gezag verliezen wanneer zij een fout erkennen. In de wetenschap zou het tegenovergestelde moeten gelden. Een onderzoeker die nieuwe gegevens ziet en zijn eerdere conclusie corrigeert, toont dat hij wetenschap ernstiger neemt dan zijn reputatie. De geschiedenis staat vol theorieën die later moesten worden aangepast. Dat maakt wetenschap niet zwak. Het maakt wetenschap sterk. Dogma’s kunnen niet leren. Wetenschap kan dat wel.

De moderne samenleving heeft meer en tegelijk minder expertise

Wij beschikken vandaag over een ongekende hoeveelheid gespecialiseerde kennis. Tegelijk lijkt maatschappelijk vertrouwen in deskundigheid kwetsbaar. Dat is gedeeltelijk de verantwoordelijkheid van experts zelf. Wanneer wetenschappers vanuit een ivoren toren spreken, wanneer onzekerheden worden verzwegen of wanneer institutionele belangen belangrijker lijken dan openheid, ontstaat wantrouwen. De oplossing is niet minder wetenschap. De oplossing is betere wetenschap, betere communicatie en meer transparantie.

Volksgezondheid vereist interdisciplinair denken

De grote gezondheidsvraagstukken van onze eeuw kunnen niet vanuit één discipline worden opgelost. Obesitas raakt aan voeding, psychologie, economie, endocrinologie, stedelijke planning en sociaal beleid. Antibioticaresistentie raakt aan menselijke geneeskunde, diergeneeskunde, landbouw en internationale handel. Vergrijzing raakt aan neurologie, zorgorganisatie, sociologie en economie. Infectieziekten raken aan virologie, epidemiologie, gedrag, communicatie en politiek. Daarom pleit ik voor wetenschappers die diep gespecialiseerd zijn, maar tegelijkertijd voldoende breed denken om hun discipline binnen het grotere geheel te plaatsen.

Voeding en preventie verdienen meer wetenschappelijke ernst

Gezondheidszorgsystemen besteden begrijpelijkerwijs veel aandacht aan behandeling. Toch zal de toekomst van volksgezondheid steeds sterker afhangen van preventie. Goede voeding, beweging, vaccinatie, vroegtijdige detectie en gezondheidseducatie kunnen enorme effecten hebben. Maar preventie moet wetenschappelijk worden onderbouwd. Mensen hebben geen behoefte aan moraliserende boodschappen. Zij hebben behoefte aan betrouwbare informatie waarmee zij realistische keuzes kunnen maken.

Wetenschap moet toegankelijk zijn zonder populistisch te worden

Ik geloof sterk in democratisering van kennis, maar democratisering betekent niet dat iedere mening even wetenschappelijk geldig is. Iedereen heeft het recht vragen te stellen. Iedereen heeft het recht onderzoeksresultaten kritisch te bekijken. Maar een mening zonder kennis wordt niet automatisch gelijkwaardig aan tientallen jaren gespecialiseerd onderzoek. Democratie betekent gelijkwaardigheid van personen, niet gelijkwaardigheid van argumenten. Een argument moet nog steeds worden beoordeeld op bewijs.

Mijn loopbaan toont voor mij de waarde van brede vorming

Wanneer ik mijn professionele en martiale curricula bekijk, zie ik een traject dat zich uitstrekt over biologie, voedingswetenschappen, biochemie, microbiologie, laboratoriumanalyse, onderwijs, Europese expertise, krijgskunst, internationale relaties, journalistiek, fotografie en kunst. Voor sommigen lijkt dat misschien te breed. Voor mij vormen die domeinen juist één geheel. Zij hebben mij ieder op een andere manier geleerd te observeren, te analyseren en kritisch te denken.

Waarom leeftijd voor mij geen eindpunt is

Ik ben geboren in 1947. Dat betekent dat ik wetenschappelijke omwentelingen heb meegemaakt die een jonge onderzoeker vandaag alleen uit geschiedenisboeken kent. Ik heb laboratoriumtechnieken zien veranderen. Ik heb informatica het onderzoek zien transformeren. Ik heb moleculaire biologie en genetica zien groeien. Ik heb het internet zien ontstaan. Ik zie nu artificiële intelligentie een nieuwe revolutie veroorzaken. Wie zoveel veranderingen heeft meegemaakt, leert één belangrijke les: wie ophoudt met leren, wordt ingehaald.

Ervaring is waardevol maar kan ook gevaarlijk worden

Oudere deskundigen beroepen zich soms te gemakkelijk op ervaring. Ervaring is buitengewoon waardevol, maar zij is geen garantie dat men gelijk heeft. Ervaring kan ook gewoonten creëren. Daarom moet zelfs iemand die vijftig jaar in een vakgebied heeft gewerkt bereid blijven nieuwe evidentie te aanvaarden. De ideale relatie tussen generaties is volgens mij daarom geen hiërarchie waarbij ouderen spreken en jongeren luisteren. Oudere onderzoekers brengen historische ervaring en patroonherkenning. Jongere onderzoekers brengen nieuwe technieken, nieuwe vragen en nieuwe perspectieven. Wanneer die twee samenwerken, ontstaat vooruitgang.

Mijn definitie van een expert

Voor mij bestaat expertise uit minstens vijf elementen: kennis, ervaring, methode, verantwoordelijkheid en twijfel. Kennis zonder ervaring blijft soms theoretisch. Ervaring zonder kennis kan verworden tot routine. Methode zonder verantwoordelijkheid kan technisch correct maar menselijk blind worden. Verantwoordelijkheid zonder kennis is onvoldoende. En zonder twijfel ontstaat dogmatisme. De ware expert bezit daarom niet alleen antwoorden. Hij begrijpt de kwaliteit van zijn antwoorden.

Titels zijn geen vervanging voor inhoud

Tijdens mijn leven heb ik academische, professionele, militaire en martiale titels en erkenningen ontvangen. Mijn curriculum vermeldt onder andere de titel Renshi, de Italiaanse onderscheiding Cavaliere dell’Ordine della Stella d’Italia en andere onderscheidingen. Ik waardeer erkenning, maar een titel mag nooit worden gebruikt als argument op zichzelf. Niemand heeft gelijk omdat hij professor is. Niemand heeft gelijk omdat hij ridder is. Niemand heeft gelijk omdat hij een zwarte gordel draagt. Men heeft gelijk wanneer feiten en redenering een conclusie ondersteunen.

Wat ik jonge onderzoekers zou willen meegeven

Aan jonge onderzoekers zou ik in de eerste plaats willen zeggen: haast u niet om expert genoemd te worden. Word eerst werkelijk goed. Leer de fundamenten. Begrijp statistiek. Begrijp methodologie. Lees originele publicaties. Kijk niet alleen naar samenvattingen. Vraag wie het onderzoek financierde. Bekijk hoeveel deelnemers een studie had. Vraag of er een controlegroep was. Kijk of resultaten werden gerepliceerd. Leer hoe instrumenten werken. Leer fouten herkennen. Leer schrijven. Leer spreken. Leer luisteren. En behoud uw nieuwsgierigheid.

Stel altijd de vraag: hoe weten we dit?

Wanneer iemand een wetenschappelijke bewering doet, stel dan de eenvoudigste en krachtigste vraag die bestaat: hoe weten we dit? Soms volgt een sterk antwoord. Er zijn meerdere studies, onafhankelijke replicaties, een plausibel mechanisme en consistente resultaten. Soms blijkt het bewijs veel zwakker. Eén kleine studie. Een indirect verband. Een hypothese die later door de media als zekerheid werd voorgesteld. De vraag “hoe weten we dit?” beschermt tegen zowel naïviteit als cynisme.

Laat autoriteit nooit de plaats van bewijs innemen

Een beroemde onderzoeker kan zich vergissen. Een prestigieuze universiteit kan zich vergissen. Een overheid kan zich vergissen. Een internationale organisatie kan zich vergissen. Ik kan mij vergissen. Dat is precies waarom wetenschap methoden heeft ontwikkeld die boven individuele autoriteit moeten staan. Reproduceerbaarheid, controle, transparantie en kritiek bestaan omdat mensen feilbaar zijn.

We moeten jonge mensen leren twijfelen zonder cynisch te worden

Er bestaat een groot verschil tussen kritisch denken en alles wantrouwen. De cynicus zegt dat niets betrouwbaar is. De wetenschapper vraagt welk bewijs het meest betrouwbaar is. Dat onderscheid moet jonge mensen worden aangeleerd. Wanneer alles wordt betwijfeld zonder methode, ontstaat complotdenken. Wanneer niets wordt betwijfeld, ontstaat dogmatisme. Wetenschappelijk denken bevindt zich tussen beide.

Expertise betekent verantwoordelijkheid tegenover de samenleving

Wie meer weet, draagt meer verantwoordelijkheid. Een wetenschapper die een foutieve bewering doet vanuit onwetendheid maakt een fout. Een expert die bewust onjuiste informatie verspreidt terwijl hij beter weet, schendt zijn verantwoordelijkheid. Expertise geeft invloed. Daarom moet zij gepaard gaan met integriteit.

Het menselijke lichaam blijft veel complexer dan onze modellen

Wetenschap heeft enorme vooruitgang geboekt, maar het zou arrogant zijn te denken dat wij het menselijke organisme volledig begrijpen. Iedere nieuwe ontdekking opent vaak meerdere nieuwe vragen. De ontdekking van nieuwe moleculaire mechanismen toont hoeveel interacties bestaan waarvan vorige generaties geen vermoeden hadden. Dat is geen reden tot pessimisme. Het is juist wat wetenschap fascinerend maakt.

Gezondheid is geen product dat men kan kopen

Onze samenleving commercialiseert gezondheid steeds sterker. Supplementen, apps, tests, diëten, programma’s en apparaten beloven optimalisatie. Sommige daarvan kunnen nuttig zijn. Andere bestaan vooral dankzij goede marketing. Gezondheid kan echter niet volledig worden gekocht. Zij ontstaat uit een complex samenspel van genetica, omgeving, voeding, levensstijl, socio-economische omstandigheden, medische zorg en toeval. Wetenschap moet burgers helpen dat onderscheid te begrijpen.

Mijn ervaring met wetenschap heeft mij nederiger gemaakt

Wanneer ik terugkijk op meer dan vijftig jaar betrokkenheid bij wetenschappelijke en medische onderwerpen, ben ik niet stelliger geworden in de overtuiging dat de mens alles kan begrijpen. Ik ben vooral meer onder de indruk geraakt van de complexiteit van de werkelijkheid. Dat is misschien een van de grootste geschenken die wetenschap kan geven: nederigheid gebaseerd op kennis in plaats van onwetendheid.

Mijn ervaring met budo heeft dezelfde les gegeven

Ook na tientallen jaren krijgskunst ontdek je steeds opnieuw dat een ogenschijnlijk eenvoudige beweging verfijnd kan worden. De beginner denkt na enkele maanden dat hij veel begrijpt. De gevorderde beoefenaar begint te zien hoeveel subtiele aspecten hij nog niet beheerst. De meester keert terug naar de basis. Dat patroon lijkt sterk op wetenschap.

Mijn expertise is uiteindelijk geen verzameling vakgebieden

Als men mij vandaag opnieuw vraagt wat mijn expertise is, zou ik daarom zeggen dat zij niet uitsluitend bestaat uit biologie, voeding, klinische chemie, microbiologie, Europese onderzoeksbeoordeling of krijgskunst. Mijn werkelijke expertise ligt misschien in het verbinden van die werelden. In begrijpen dat laboratoriumwaarden gevolgen hebben voor mensen. Dat voeding biochemie is maar ook cultuur. Dat genetica belangrijk is maar geen noodlot. Dat technologie krachtig is maar kritisch moet worden gecontroleerd. Dat discipline zonder nieuwsgierigheid verstarring wordt. Dat ervaring zonder twijfel gevaarlijk kan zijn.

Wetenschap is uiteindelijk een menselijke activiteit

Wetenschap wordt uitgevoerd door mensen. Dat betekent dat zij briljant kan zijn, maar ook vatbaar is voor ego, ambitie, concurrentie en fouten. Daarom hebben wij structuren nodig die kennis controleren. Collegiale toetsing. Replicatie. Transparantie. Open debat. Methodologische standaarden. Geen enkel individueel genie kan die vervangen.

De expert van de toekomst moet breder kunnen denken

De komende decennia zullen experts steeds gespecialiseerder moeten zijn en tegelijkertijd beter interdisciplinair moeten kunnen samenwerken. Dat lijkt tegenstrijdig maar is noodzakelijk. Niemand kan alles weten. Daarom moet de moderne deskundige zeer goed weten waar zijn eigen kennis eindigt en waar hij andere disciplines nodig heeft.

Ik geloof in samenwerking tussen generaties

Mijn generatie heeft de overgang meegemaakt van grotendeels analoge wetenschap naar digitale wetenschap. De huidige generatie groeit op met artificiële intelligentie, genetische databanken en automatisering. Geen van beide generaties heeft alles. Oudere wetenschappers moeten niet doen alsof nieuwe technologie irrelevant is. Jongere wetenschappers moeten niet denken dat nieuwe technologie de lessen van oudere methodologie overbodig maakt. Vooruitgang ontstaat wanneer ervaring en innovatie elkaar ontmoeten.

De samenleving heeft behoefte aan rustige deskundigheid

In publieke debatten lijkt degene die het hardst spreekt vaak de meeste aandacht te krijgen. Wetenschap werkt anders. Goede deskundigheid hoeft niet te schreeuwen. Zij toont gegevens. Zij legt methoden uit. Zij erkent grenzen. Zij corrigeert zichzelf. In een tijd van polarisatie vind ik dat belangrijker dan ooit.

Ik ben nog altijd leerling

Misschien is dat de belangrijkste zin die ik over mezelf kan schrijven. Ondanks mijn opleidingen, mijn jaren in laboratoria, mijn Europese ervaring, mijn onderwijsactiviteiten, mijn martiale loopbaan en mijn internationale contacten beschouw ik mezelf nog steeds als leerling. Niet uit valse bescheidenheid, maar omdat iedere nieuwe ontwikkeling mij eraan herinnert hoeveel kennis nog bestaat buiten mijn eigen bereik.

De echte meester blijft leren

In de krijgskunst bestaat een paradox die ik bijzonder waardevol vind. Hoe hoger men komt, hoe meer men terugkeert naar de basis. Hetzelfde geldt voor wetenschappelijke expertise. Na tientallen jaren komt men opnieuw uit bij de eenvoudigste vragen: wat zie ik werkelijk? Hoe weet ik dit? Kan ik het reproduceren? Welke andere verklaring is mogelijk? Wat zou aantonen dat ik mij vergis?

Dat is voor mij de essentie van expertise

Expertise is niet de kunst om altijd het laatste woord te hebben. Het is de discipline om het meest verantwoorde woord te spreken. Het is weten wanneer gegevens sterk zijn en wanneer zij zwak zijn. Het is kunnen uitleggen wat bekend is zonder te verbergen wat onzeker blijft. Het is bereid zijn van mening te veranderen wanneer bewijs verandert. Het is kennis gebruiken om anderen te helpen in plaats van hen te imponeren.

Mijn boodschap aan wetenschappers, beleidsmakers en burgers

Aan wetenschappers zou ik zeggen: blijf onafhankelijk en blijf twijfelen. Aan beleidsmakers: gebruik wetenschap, maar dwing haar niet tot gewenste conclusies. Aan journalisten: maak wetenschap begrijpelijk zonder haar te vervormen. Aan burgers: stel vragen, maar eis bewijs. Aan jongeren: wees nieuwsgierig. Aan experts: vergeet nooit dat uw titel u geen gelijk geeft. Aan iedereen: respecteer het verschil tussen mening en kennis.

Een leven lang zoeken naar beter begrip

Wanneer ik mijn leven terugbreng tot één rode draad, is dat uiteindelijk geen verzameling functies, instellingen, laboratoria, conferenties of titels. Het is nieuwsgierigheid. De behoefte om te begrijpen waarom een analyse afwijkt. Waarom een patiënt anders reageert. Waarom een techniek werkt. Waarom een voedingsstof een bepaald metabolisch effect heeft. Waarom een beweging op de tatami efficiënt is of mislukt. Waarom een hypothese standhoudt of instort. Dat zoeken heeft mij gevormd.

Expertise is geen eindbestemming

Niemand wordt op een bepaald moment definitief expert om daarna nooit meer te hoeven veranderen. Expertise is onderhoud. Zoals een wetenschappelijk instrument moet worden gekalibreerd, moet kennis voortdurend worden bijgewerkt. Zoals een krijgskunsttechniek voortdurend moet worden geoefend, moet intellectuele scherpte voortdurend worden gebruikt. Wie daarin stopt, begint achteruit te gaan.

Mijn uiteindelijke overtuiging

Na tientallen jaren wetenschap, laboratoriumwerk, onderwijs, internationale samenwerking, krijgskunst en voortdurende studie ben ik tot één fundamentele overtuiging gekomen: de echte deskundige is niet degene die pretendeert alle antwoorden te bezitten. De echte deskundige is degene die voldoende kennis heeft opgebouwd om te begrijpen welke antwoorden betrouwbaar zijn, welke voorlopig blijven en welke eenvoudigweg nog niet bestaan. Hij kent niet alleen zijn kracht, maar ook zijn grenzen. Hij verdedigt wetenschap zonder haar tot dogma te maken. Hij respecteert traditie zonder innovatie af te wijzen. Hij gebruikt technologie zonder er slaaf van te worden. Hij deelt kennis zonder zichzelf boven anderen te plaatsen. Hij blijft onderzoeken, oefenen, luisteren en leren. Dat is voor mij de ware betekenis van expertise. Niet de titel vóór of achter een naam. Niet het aantal diploma’s. Niet de functie op een visitekaartje. Maar een levenslange verbintenis met kennis, nauwkeurigheid, onafhankelijkheid, verantwoordelijkheid en waarheid.

Antonio Lo Cascio