Snel internet via glasvezel blijft voor veel Diksmuidelingen buiten bereik

20 november 2025
Tussenkomst in gemeenteraad van 17 november 2025
Op maandag 17 november 2025, tijdens de gemeenteraad in Diksmuide, legde raadslid Thierry Hardy (Actie!/Vooruit) opnieuw het glasvezeldossier op tafel. Hij verwees naar zijn eerdere vraag in september over de toegang tot snel internet via glasvezel in enkele deelgemeenten, waar vandaag enkel klanten van Orange gebruik kunnen maken van het netwerk, hoewel dat wordt beheerd door een gezamenlijke structuur van Telenet en Fluvius. Volgens Hardy blijft die situatie moeilijk uit te leggen aan inwoners die glasvezelkabels in hun straat zien liggen, maar toch niet vrij kunnen kiezen bij welke operator zij terechtkunnen.
Bij de vorige gemeenteraad kreeg hij van Mieke Vanrobaeys, die Diksmuide vertegenwoordigt bij Fluvius, te horen dat eerst het onderzoek van de Belgische Mededingingsautoriteit moest worden afgewacht. Intussen is dat onderzoek publiek gemaakt en heeft Hardy zich verdiept in de beschikbare documenten. Die oefening heeft hem er niet gerust op gemaakt. In zijn tussenkomst stelde hij dat het dossier niet alleen draait rond de verhouding tussen Orange, Telenet en het glasvezelnet in enkele dorpen langs de IJzer, maar dat het, in zijn ogen, een groter vraagstuk is voor de toekomst van Diksmuide en de volledige Westhoek.
Onderzoek door Belgische mededingingsautoriteit
De Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) publiceerde op donderdag 16 oktober 2025 een oproep in het kader van een openbaar onderzoek. Dat onderzoek loopt nog tot vrijdag 21 november 2025. Hardy gaf tijdens de gemeenteraad aan dat hij dit agendapunt eigenlijk al in oktober had willen indienen, maar dat de korte periode tussen de publicatie van het onderzoek en de zitting, de beperkte informatie waarover hij toen beschikte en de moeilijke materie hem ertoe brachten het punt pas nu grondig uit te werken.
In de documenten van de BMA staan drie grote zorgpunten centraal. Er zijn vragen over het mogelijk wegvallen van concurrentie tussen de betrokken bedrijven, over de toegangsmogelijkheden voor eventuele bijkomende operatoren en over de voorwaarden die gelden onder het zogeheten FRAND-principe: Fair, Reasonable and Non-Discriminatory. De twee eerste elementen zijn vooral een zaak voor de toezichthouder en de betrokken bedrijven, maar bij het derde punt ziet Hardy rechtstreekse gevolgen voor steden en gemeenten, en dus voor hun inwoners.
Hoe de telecomdeal in elkaar zit
In zijn tussenkomst schetste Hardy hoe de grote telecomoperatoren Telenet, Proximus en Orange een gezamenlijke aanpak hebben uitgewerkt voor de aanleg van netwerken. Via hun zusterbedrijven Wyre (samenwerking tussen Telenet en Fluvius), Fiberklaar (Proximus) en Orange, vooral actief in Wallonië, willen zij de uitrol van nieuwe infrastructuur versnellen.
Op papier lijkt dat een logische stap. De gemiddelde dekkingsgraad van glasvezel in Europa bedraagt 69,2 procent, terwijl België blijft steken op 30 procent. Nieuwe netwerken aanleggen vraagt grote investeringen, en samenwerking kan de uitrol versnellen en tegelijk de kosten drukken. Juist daarom kijken toezichthouders als het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) en de BMA scherp naar de manier waarop die samenwerking concreet wordt ingevuld.
A-, B- en C-zones in en rond Diksmuide
Hardy wees erop dat de operatoren in hun afspraken het Belgische grondgebied opdelen in drie zones. In A-zones rolt elke operator zijn eigen netwerk verder uit, vooral in grote steden. In B-zones bouwen de bedrijven samen een glasvezelnet uit dat zij gezamenlijk openstellen voor hun klanten. In C-zones komt geen volwaardig glasvezelnet; daar wordt gewerkt met een HFC-netwerk (Hybrid Fiber Coaxial), dat minder mogelijkheden heeft dan een volledig glasvezelnet.
Die indeling gebeurt op basis van de bevolkingsdichtheid. Voor een landelijke stad als Diksmuide heeft dat belangrijke gevolgen. Hardy verwees naar kaarten en tabellen waaruit blijkt dat Diksmuide slechts gedeeltelijk in een B-zone ligt. Limburg en West-Vlaanderen, en in het bijzonder de Westhoek, komen er volgens hem opvallend bekaaid vanaf.
In de tabellen die hij bij zijn tussenkomst voegde, wordt zichtbaar dat in Diksmuide enkel bepaalde delen als B-zone zijn ingekleurd. Daar tegenover staan uitgestrekte C-zones, waar geen volwaardig glasvezelnet wordt voorzien.
Gevolgen voor dorpen en industriezone
In totaal zal volgens de cijfers waar Hardy naar verwijst slechts 43,6 procent van de Diksmuidelingen in de toekomst toegang hebben tot snel internet via de nieuwe netwerken. Dat betekent dat 56,4 procent van de inwoners daar geen toegang toe krijgt. Zonder het vroegere proefproject met glasvezel zouden ook Nieuwkapelle, Oudekapelle, Sint-Jacobskapelle, Oostkerke, Lampernisse, Pervijze, Schoorbakke, Rousdamme en Stuivekenskerke buiten de boot vallen. Dat gaat om nog eens 11,8 procent van de bevolking.
Daarnaast vallen grote woonkernen als Esen, Woumen, Keiem, Leke, Beerst en zelfs delen van het centrum van Diksmuide in de C-zones, net zoals Heernisse. Dat laatste vindt Hardy bijzonder opmerkelijk, omdat het om een industriezone gaat. Voor bedrijven die afhankelijk zijn van stabiel en snel dataverkeer kan het ontbreken van een volwaardige glasvezelaansluiting een beslissende factor zijn bij de keuze waar zij zich vestigen of uitbreiden.
Voor inwoners van die dorpen is het verhaal even concreet. Steeds meer huishoudens gebruiken streamingdiensten, werken geregeld van thuis uit of hebben kinderen die op school digitaal moeten inloggen. In zo’n context is het verschil tussen een glasvezelaansluiting en een oudere technologie geen detail, maar een dagelijkse realiteit.
Toekomst van snel internet in de Westhoek
Hardy verbond de lokale kaarten en cijfers met een bredere zorg voor de Westhoek. Volgens hem dreigt er een tweedeling te ontstaan tussen regio’s waar de nieuwe netwerken voluit worden uitgerold en gebieden waar dat niet gebeurt. Voor steden en gemeenten in een landelijke regio kan dat gevolgen hebben voor de leefkwaliteit van inwoners én voor de economische ontwikkeling.
Hij stelde dat de investeringen die vandaag in netwerken worden gedaan, mee zullen bepalen hoe Diksmuide er binnen enkele decennia uitziet. Wie dan geen toegang heeft tot snel internet, kan achterop geraken bij digitale dienstverlening, onderwijs, zorg en economische activiteit. Daarmee raakt een technisch dossier over infrastructuur onmiddellijke vragen aan over toekomstperspectief in een landelijke regio.
Drie vragen aan het stadsbestuur
Aan het einde van zijn tussenkomst formuleerde Hardy drie vragen aan het stadsbestuur. Ten eerste wilde hij weten of Diksmuide nog mogelijkheden ziet om erover te waken dat alle inwoners, ongeacht de zone waarin zij wonen, toegang krijgen tot snel internet. Vervolgens vroeg hij of het zinvol kan zijn om samen met andere steden en gemeenten een gezamenlijke actie op te zetten, zodat de belangen van landelijke gebieden sterker naar voren komen in het debat.
Tot slot peilde hij naar de vraag of de stad nog snel kan handelen om het lopende openbare onderzoek bij de Belgische Mededingingsautoriteit te stofferen, bijvoorbeeld door de situatie van Diksmuide en de Westhoek duidelijk te schetsen. Daarmee legt hij de bal bewust bij het stadsbestuur, dat nu moet afwegen welke stappen haalbaar en wenselijk zijn binnen het kader dat de toezichthouders uittekenen.
De komende weken en maanden zal moeten blijken welke richting het glasvezeldossier uitgaat. Voor Diksmuide blijft daarbij één vraag centraal staan: hoe zorgt de stad ervoor dat digitale infrastructuur geen breuklijn wordt tussen bewoners die wel toegang hebben tot snel internet en wie dat netjes op papier beloofd krijgt, maar in de praktijk niet ziet gebeuren?
Bronnen:
Tussenkomst Thierry Hardy in de gemeenteraad van Diksmuide over glasvezelnetwerk, 17 november 2025
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


