Recht boven macht zet mensenrechten centraal op 99ste IJzerbedevaart

6 september 2026

De 99ste IJzerbedevaart heeft op zondag 6 september 2026, om 11 uur, aan de IJzertorensite in Diksmuide het begrip macht tegenover de rechtsstaat, mensenrechten, zelfbeschikking en democratische tegenspraak geplaatst. Ongeveer tweehonderd aanwezigen luisterden naar bijdragen van historicus en voormalig Vlaams diplomaat Axel Buyse, imam en moslimtheoloog Khalid Benhaddou, jurist en mensenrechtenadvocaat Paul Bekaert, UGent-onderzoekster Niko Vandebos, historicus en journalist Luckas Vander Taelen en Paul De Belder, voorzitter van vzw Aan de IJzer. De centrale titel was “Recht boven macht”. Die woorden kregen tijdens de bijeenkomst uiteenlopende invullingen: van de historische Pacificatie van Gent en het recht van volkeren op zelfbeschikking tot de positie van het middenveld, racisme, politieke polarisatie, de plaats van het Nederlands in Brussel en de vraag hoe mensen met verschillende achtergronden met elkaar kunnen leven. Het podium maakte de gekozen richting ook zichtbaar. Naast Vlaamse leeuwenvlaggen hingen de boodschappen “Vrede, vrijheid, verdraagzaamheid” en “Vlaanderen tegen racisme”. Na de toespraken trokken de aanwezigen naar de crypte van de eerste IJzertoren voor de traditionele bloemenhulde aan slachtoffers van oorlog, geweld en grafschennis.

Een bedevaart die naar haar honderdste editie kijkt

De editie van 2026 stond niet los van een bijzondere historische kalender. Op 22 augustus 1926 werden tijdens de zevende IJzerbedevaart symbolisch de eerste houten palen voor de eerste IJzertoren ingeheid. Exact honderd jaar later stond de 99ste bedevaart daardoor letterlijk op een plek waar een eeuw geleden aan het tastbare gedenkteken werd begonnen. De eigenlijke bouwwerken startten in 1928 en de eerste IJzertoren werd op 24 augustus 1930 ingehuldigd. De geschiedenis kreeg nadien een gewelddadige wending. Een eerste aanslag in juni 1945 mislukte, maar in de nacht van 15 op 16 maart 1946 werd de toren met dynamiet vernield. De crypte bleef grotendeels bewaard. Een nieuwe IJzertoren werd later gebouwd en op 22 augustus 1965 afgewerkt. De editie van 2026 viel dus samen met twee betekenisvolle verjaardagen: honderd jaar na het symbolisch inheien van de eerste palen en tachtig jaar na de dynamitering van de oorspronkelijke toren. Die historische laag gaf het thema “Recht boven macht” extra gewicht. De vraag was niet alleen wat macht in het verleden heeft aangericht, maar vooral welke grenzen vandaag aan politieke, bestuurlijke en maatschappelijke macht moeten worden gesteld.

Axel Buyse haalt een les uit de Pacificatie van Gent

Axel Buyse bracht de aanwezigen eerst naar 1576. Buyse, geboren in 1955, studeerde geschiedenis, werkte jarenlang op de buitenlandredactie van De Standaard en stapte in 2002 over naar de Vlaamse diplomatie. Hij was onder andere vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Den Haag en bij de Europese Unie. Op de IJzerbedevaart plaatste hij de komende 450ste verjaardag van de Pacificatie van Gent in het middelpunt van zijn bijdrage. Die overeenkomst werd op 8 november 1576 gesloten nadat muitende Spaanse troepen grote delen van de Nederlanden hadden geteisterd. Vertegenwoordigers van vrijwel alle gewesten kwamen in Gent tot afspraken om gezamenlijk tegen de Spaanse troepen op te treden, handelsbelemmeringen op te heffen en religieuze vervolging terug te dringen. Het akkoord kwam dicht bij het streven van Willem van Oranje naar samenwerking tussen de Nederlandse gewesten en religieuze vrede. Het hield uiteindelijk slechts enkele jaren stand. Religieuze en politieke tegenstellingen namen opnieuw toe, de Unie van Atrecht en de Unie van Utrecht ontstonden en de scheiding tussen noord en zuid kreeg steeds duidelijker vorm. Buyse gebruikte dat verleden niet als eenvoudige handleiding voor 2026. Zijn kern lag bij de bereidheid om ook argumenten van politieke tegenstanders ernstig te blijven nemen. De geschiedenis van de Pacificatie liet in zijn lezing zien hoe moeilijk politieke samenwerking wordt zodra kampen elkaar uitsluitend nog als vijanden behandelen. Voor de huidige politieke cultuur zag hij daarom een opdracht om de klassieke breuklijnen tussen links en rechts, progressief en conservatief, niet tot onoverbrugbare muren te maken. Geen politieke stroming kan aanspraak maken op een monopolie op waarheid, was de gedachte waarmee hij zijn historische bijdrage afrondde.

Khalid Benhaddou spreekt over een Vlaanderen waarin afkomst niet alles bepaalt

Daarna kreeg Khalid Benhaddou het woord. De in Gent geboren hoofdimam van de El Fath-moskee, moslimtheoloog en voorzitter van het Platform Vlaamse Imams bracht een uitgesproken persoonlijk verhaal naar de voet van de IJzertoren. Zijn vader werd geboren in het Rifgebergte in Marokko en kwam als gastarbeider naar België. Zijn zoon stond op 6 september in Diksmuide om over Vlaanderen, rechten en samenleven te spreken. Benhaddou gebruikte die familiegeschiedenis als vertrekpunt voor een veel bredere vraag: wat houdt een samenleving bijeen wanneer economische, technologische, culturele en demografische veranderingen elkaar snel opvolgen? Hij verwees naar artificiële intelligentie, migratie, culturele verschillen, geopolitieke spanningen en ecologische vraagstukken als ontwikkelingen die bij mensen onzekerheid kunnen veroorzaken. Voor Benhaddou is een rechtsstaat daarbij noodzakelijk, maar wetten kunnen op zichzelf geen vertrouwen tussen mensen produceren. Een grondwet kan burgers beschermen, een rechter kan een geschil beslechten en een parlement kan regels vastleggen, maar maatschappelijk vertrouwen ontstaat uiteindelijk in het dagelijkse contact tussen mensen.

Verschillen hoeven geen permanente confrontatie te worden

Benhaddou verdedigde daarom een model waarin verschillen niet worden ontkend, maar evenmin tot permanente vijandschap hoeven te leiden. Hij waarschuwde voor een politiek waarin gekwetstheid het enige criterium wordt om een debat te voeren. Racisme en discriminatie moeten ernstig worden genomen, stelde hij, maar een democratie heeft eveneens burgers nodig die meningsverschillen kunnen verdragen en elkaar kunnen tegenspreken zonder onmiddellijk ieder contact onmogelijk te maken. Scholen, jeugdverenigingen, buurten, universiteiten, levensbeschouwelijke organisaties en andere plaatsen waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten, spelen daarbij een belangrijke rol. Hij legde ook een persoonlijke band tussen zijn islamitische opvoeding en zijn leven in Vlaanderen. Nieuwe ideeën, boeken en ontmoetingen hadden hem geleerd dat iemand van mening kan veranderen zonder zijn identiteit kwijt te raken. Vanuit die ervaring verwierp hij het idee dat het Westen en het Oosten gedoemd zijn elkaar als tegenpolen te bekijken. Veel conflicten ontstaan doordat mensen vooral met een zelfgemaakt beeld van de ander in discussie gaan in plaats van met de persoon zelf, was zijn redenering.

Een toekomst voor Vlamingen met verschillende familiegeschiedenissen

De blik van Benhaddou ging nadrukkelijk naar de komende decennia. Hoe moet Vlaanderen er in 2050 uitzien? Welke maatschappelijke waarden moeten aan volgende generaties worden doorgegeven? En hoe kan vrijheid samengaan met verantwoordelijkheid? Daarover moeten uiteenlopende politieke, religieuze en levensbeschouwelijke stromingen volgens hem stevig kunnen discussiëren. In dat debat horen zowel Vlamingen met grootouders uit Diksmuide als Vlamingen met familiegeschiedenis in het Rifgebergte thuis. Voor hem hoeft iemand zijn Vlaamse geschiedenis en cultuur niet weg te duwen om open te staan voor mensen met een andere achtergrond. Omgekeerd brengt ergens een thuis opbouwen ook verantwoordelijkheden tegenover het land en de samenleving mee. Zijn bijdrage sloot daardoor rechtstreeks aan bij de twee grote spandoeken achter het spreekgestoelte: vrede, vrijheid en verdraagzaamheid aan de ene kant en Vlaanderen tegen racisme aan de andere.

Niko Vandebos verdedigt de ruimte voor democratische tegenspraak

Een andere invalshoek kwam van Niko Vandebos. Haar naam werd bij de voorbereiding van de bijeenkomst op sommige plaatsen anders weergegeven, maar de Universiteit Gent bevestigt de correcte schrijfwijze als Niko Vandebos. Zij is doctoraatsonderzoeker en onderwijsassistente aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van UGent. Haar onderzoek richt zich op de ruimte waarin het middenveld en sociale bewegingen kunnen handelen, politieke participatie en democratische achteruitgang. Daarmee sloot haar academische werk rechtstreeks aan bij het thema van de dag. Vandebos plaatste democratische rechten in een historische ontwikkeling waarin burgers zich organiseerden om stemrecht, vrije meningsuiting, protestrecht, stakingsrecht, sociale rechten en gelijke behandeling af te dwingen. Zulke rechten werden niet uitsluitend van bovenaf toegekend. Arbeidersbewegingen, vrouwenorganisaties, vredesbewegingen, antikoloniale bewegingen en andere georganiseerde burgers hebben er langdurig voor gestreden. Het middenveld is vanuit die geschiedenis niet alleen een leverancier van maatschappelijke diensten, maar ook een plaats waar beleid kan worden bekritiseerd.

Subsidies en politieke onafhankelijkheid worden een democratische kwestie

Vandebos plaatste vervolgens de financiering en autonomie van organisaties onder de bredere vraag hoeveel ruimte een democratie aan kritiek gunt. Wanneer subsidies, administratieve instrumenten of veiligheidsargumenten worden ingezet op een manier die kritische organisaties afhankelijker maakt van politieke bestuurders, kan dat de ruimte voor tegenspraak beperken. Zij wees op druk op het recht op protest, op de vrijheid van vereniging en op de mogelijkheid voor organisaties om tegen beslissingen van overheden in te gaan. Daarbij ging haar betoog niet over de stelling dat iedere organisatie automatisch recht heeft op overheidsgeld. De democratische kwestie zit in de criteria, rechtszekerheid en onafhankelijkheid waarmee beslissingen worden genomen. Een overheid mag beleid wijzigen en financiële keuzes maken, maar het wordt problematisch wanneer kritische standpunten zelf een reden worden om organisaties anders te behandelen. Precies daar kreeg “Recht boven macht” bij Vandebos een institutionele betekenis: macht moet gebonden blijven aan regels die ook gelden wanneer de uitvoerende macht kritiek onaangenaam vindt.

Paul Bekaert maakt zelfbeschikking tot juridische kernvraag

Mensenrechtenadvocaat Paul Bekaert bracht het debat vervolgens naar het internationaal recht en het zelfbeschikkingsrecht van volkeren. Bekaert, jurist en al jarenlang actief in mensenrechtendossiers, verdedigde de stelling dat zelfbeschikking niet als een politieke gunst van sterke staten aan kleinere volkeren mag worden bekeken. Hij plaatste het beginsel in de geschiedenis van het Handvest van de Verenigde Naties, de naoorlogse dekolonisatie en internationale rechtsontwikkeling. Zelfbeschikking hoeft daarbij niet noodzakelijk te eindigen in de stichting van een onafhankelijke staat. Ook verregaand zelfbestuur en territoriale autonomie kunnen er uitdrukking aan geven. Bekaert verwees naar ontwikkelingen in voormalige Sovjetrepublieken en Joegoslavië, maar ook naar autonomie in onder andere Spanje, Schotland, Wales en België. Zijn kritiek richtte zich vooral op wat hij als een verschil in politieke behandeling ziet. Zelfstandigheid van volkeren buiten de huidige Europese Unie werd in verschillende historische omstandigheden gesteund, terwijl bewegingen binnen EU-lidstaten op veel grotere terughoudendheid botsen.

Europa en de vraag wie rechtstreeks mee beslist

Daaruit trok Bekaert ook een conclusie over de Europese Unie. De klassieke natiestaat heeft bevoegdheden naar zowel het Europese niveau als naar deelstaten overgedragen. Daardoor ontstaat volgens hem een probleem wanneer volkeren en regio’s geen voldoende rechtstreekse politieke rol krijgen in de Europese besluitvorming. Hij bepleitte een Europa dat identiteit en zelfbestuur niet automatisch als vijanden van Europese samenwerking ziet. De keuze hoeft in zijn redenering niet tussen een gesloten nationalisme en een gecentraliseerd Europa te liggen. Een sterke eigen identiteit kan juist samengaan met Europese betrokkenheid. Daarmee kwam zijn tussenkomst uit bij een oude Vlaamse gedachte die Europese samenwerking en Vlaamse ontvoogding niet als elkaars tegengestelde beschouwt.

Palestina wordt toetssteen voor het debat over erkenning

Palestina liep als concrete casus door zowel de bijdrage van Bekaert als die van Paul De Belder. Daarbij is de Belgische positie juridisch preciezer dan een eenvoudige keuze tussen erkennen of niet erkennen. De federale regering besliste in september 2025 een politiek signaal van erkenning te geven en haar steun aan een soevereine Palestijnse staat naast Israël te bevestigen. De formele juridische erkenning werd gekoppeld aan voorwaarden, waaronder het verdwijnen van terroristische organisaties zoals Hamas uit het Palestijnse bestuur. In 2026 bleef die tweede juridische fase aan voorwaarden gebonden. Bekaert gebruikte Palestina om zijn bredere vraag te stellen wie uiteindelijk bepaalt wanneer een volk als politieke entiteit wordt erkend. De Belder ging later nog verder in zijn politieke kritiek en vond dat België te lang wacht met de formele erkenning en dat de ruimte voor een tweestatenoplossing steeds kleiner wordt.

Luckas Vander Taelen ziet Nederlands in Brussel sterker staan

Luckas Vander Taelen bracht een geheel andere dimensie van Vlaamse ontvoogding naar Diksmuide. De historicus, journalist, auteur en voormalig politicus woont al tientallen jaren in Brussel en is bekend om zijn uitgesproken analyses over de hoofdstad. Hij begon met een persoonlijke verwijzing naar zijn grootvader Achiel, die tijdens de Eerste Wereldoorlog aan de IJzer diende en de oorlog overleefde. Daarna verplaatste hij zijn aandacht naar Brussel en naar een ontwikkeling die hij in Vlaanderen onderschat vindt: de positie van het Nederlands. Vander Taelen herinnerde eraan dat Nederlandstalige scholen in Brussel ooit leerlingen verloren en dat Nederlands maatschappelijk geregeld als taal met minder kansen werd behandeld. De situatie is intussen grondig gewijzigd. Officiële Brusselse onderwijscijfers ondersteunen een belangrijk deel van die vaststelling. Het Nederlandstalig basis- en secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telde in het schooljaar 2024-2025 53.613 leerlingen. De Vlaamse Gemeenschapscommissie stelt dat ruim één op vijf Brusselse kinderen vandaag voor Nederlandstalig onderwijs kiest en dat het aandeel blijft groeien. Nederlands is daarbij voor veel leerlingen niet de taal die thuis hoofdzakelijk wordt gesproken.

Onderwijs geeft Nederlands een andere maatschappelijke positie

Vander Taelen gaf dat proces een menselijke invulling met ervaringen uit het dagelijkse Brusselse leven. Zijn kernpunt was dat gezinnen die zelf niet uit een traditioneel Nederlandstalige Brusselse omgeving komen steeds vaker bewust voor Nederlandstalig onderwijs kiezen. Dat verandert de positie van de taal. Nederlands wordt daardoor niet alleen de taal van een historische Vlaamse minderheid in Brussel, maar ook een onderwijs- en toekomsttaal voor kinderen met uiteenlopende familiale achtergronden. De VGC registreert al jaren stijgende leerlingenaantallen en meldt dat sinds 2000 ruim 21.000 bijkomende schoolplaatsen werden gecreëerd. Dat maakt de vraag naar leerkrachten tegelijk dringender. Vander Taelen koppelde zijn optimisme over de taal daarom aan kritiek op het onderwijsbeleid.

Vander Taelen vraagt een Brusselpremie voor leerkrachten

Hij richtte zich daarbij tot Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir. Eind augustus maakte Demir duidelijk dat zij geen Brusselpremie voor leerkrachten wil invoeren. Die premie wordt al jaren bepleit als financiële stimulans om lesgeven in de specifieke Brusselse onderwijscontext aantrekkelijker te maken. Vander Taelen verdedigde op de IJzerbedevaart de tegenovergestelde keuze. Voor hem rechtvaardigen het lerarentekort, de meertalige schoolomgeving en het strategische belang van Nederlandstalig onderwijs een specifieke ondersteuning voor leraren die in Brussel werken. Zijn boodschap was dus niet dat een bestaande premie werd afgeschaft, maar dat Vlaanderen volgens hem alsnog een dergelijke premie zou moeten invoeren. Dat onderscheid is belangrijk, want het debat gaat op dit moment over een maatregel die er niet is. De discussie is bijzonder actueel: bij het begin van het schooljaar 2026-2027 werden in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel nog ongeveer 140 leerkrachten gezocht.

Paul De Belder richt aanval op politiek machtsgebruik

In zijn slottoespraak bracht voorzitter Paul De Belder de afzonderlijke bijdragen opnieuw onder het thema “Recht boven macht”. Hij stelde dat politieke en maatschappelijke macht te vaak wordt uitgeoefend zonder voldoende respect voor regels, onafhankelijke procedures en democratische tegenstemmen. Daarbij sloot hij rechtstreeks aan bij de bijdrage van Vandebos. De Belder verzette zich tegen situaties waarin subsidies voor kritische middenveldorganisaties sterk worden verminderd of geschrapt ondanks gunstige beoordelingen binnen daarvoor voorziene procedures. Hij ziet daarin een risico wanneer financiële beslissingen niet langer louter op inhoudelijke of budgettaire criteria steunen, maar gebruikt zouden worden om ongewenste kritiek terug te dringen. Voor De Belder raakt dat aan de werking van de democratie zelf. Politieke meerderheden hebben het recht beleid te voeren, maar dat geeft hen in zijn visie geen vrijgeleide om onafhankelijke organisaties hun kritische functie te ontnemen.

Kritiek op wapenbeleid en pleidooi voor preventie

De Belder breidde zijn kritiek uit naar oorlog en buitenlands beleid. De woorden “Nooit meer oorlog”, historisch nauw met de IJzersite verbonden, moeten in zijn visie een politieke opdracht blijven. Hij vindt dat Vlaanderen te sterk inzet op wapenproductie en wapenhandel en zijn bevoegdheden op terreinen als diplomatie en ontwikkelingssamenwerking beter kan benutten om oorzaken van oorlog en geweld tegen te gaan. Daarmee plaatste hij het vredesideaal niet uitsluitend in het verleden. De graven, monumenten en oorlogsherinnering aan de IJzer moeten naar zijn oordeel leiden tot keuzes in het heden. Hetzelfde gold voor de mensen- en volkerenrechten die door verschillende sprekers ter sprake werden gebracht. De historische betekenis van de site kreeg zo een actuele politieke invulling.

Vlaamse emancipatie is voor Aan de IJzer geen afgesloten dossier

De Belder ging ook in op kritiek dat Aan de IJzer vandaag onvoldoende aandacht zou hebben voor Vlaamse emancipatie. Hij wees dat af. Voor hem bestaat Vlaamse ontvoogding in 2026 niet alleen uit een debat over een toekomstige staatshervorming. Ook de invulling van reeds verworven autonomie, sociale verantwoordelijkheid, onderwijs, taalrechten en de positie van Vlaanderen binnen België en Europa behoren ertoe. Een Vlaanderen waarin iedereen meetelt en waarin financieel sterkere groepen een groter deel van de lasten dragen, maakte deel uit van zijn omschrijving. Brussel kreeg daarbij opnieuw een bijzondere plaats. De Belder sloot aan bij Vander Taelens analyse en riep de Vlaamse beleidswereld op de positie van het Nederlands en de naleving van taalregels in Brussel niet uit het oog te verliezen.

Zelfbestuur, nooit meer oorlog en godsvrede krijgen hedendaagse vertaling

Zo kwamen de historische uitgangspunten van de Frontbeweging opnieuw in beeld: zelfbestuur, nooit meer oorlog en godsvrede. Aan de IJzer vertaalt die erfenis vandaag ook via de woorden vrede, vrijheid en verdraagzaamheid. Die drie begrippen stonden letterlijk achter de sprekers. Aan de andere kant van het podium stond “Vlaanderen tegen racisme”. De twee boodschappen maakten duidelijk welke richting de organiserende vzw aan haar huidige werking wil geven: Vlaamse ontvoogding koppelen aan vrede, democratische rechten en verzet tegen racisme. Dat verklaart ook waarom een imam als Khalid Benhaddou op hetzelfde podium stond als een Vlaams diplomaat, een mensenrechtenadvocaat, een onderzoekster naar civiele ruimte, een Brusselse historicus en de voorzitter van Aan de IJzer. De verschillende bijdragen waren niet identiek en hoefden dat ook niet te zijn. Juist het verschil in uitgangspunten maakte de centrale vraag concreet: hoe verhoudt politieke macht zich tot rechten die ook voor tegenstanders, minderheden en kritische organisaties moeten gelden?

Bloemenhulde tussen resten van de eerste IJzertoren

Na de toespraken verplaatste de plechtigheid zich naar de crypte van de eerste IJzertoren. De aanwezigen verzamelden tussen de resten van de oorspronkelijke toren en legden bloemen neer. De locatie draagt een bijzondere juridische en historische status. Sinds 20 september 2023 behoort de Crypte van de IJzertoren tot het UNESCO-werelderfgoed als onderdeel van de reeks begraafplaatsen en herdenkingssites van de Eerste Wereldoorlog langs het westelijk front. Voor Vlaanderen zijn 27 sites in die internationale erkenning opgenomen. De UNESCO-erkenning betreft specifiek de crypte, niet de huidige IJzertoren als geheel. Op de plaats waar de oorspronkelijke toren na de aanslag van maart 1946 grotendeels verdween, bleef de crypte met haar oorlogsherinnering bestaan.

Honderd jaar tussen eerste palen en bloemen van vandaag

De bloemenhulde kreeg in 2026 daardoor een bijkomende historische betekenis met een prachtige en bevlogen redevoering van Philippe Haeyaert die dit meer dan uitmuntend heeft gebracht als de juiste man op de juiste plaats.

Honderd jaar eerder werden op dezelfde site de eerste palen symbolisch ingeheid. Tachtig jaar geleden werd geprobeerd het monument met dynamiet uit het landschap te wissen. Op 6 september stonden er opnieuw mensen met bloemen tussen de overblijfselen. De herdenking richtte zich daarbij op alle slachtoffers van oorlog, geweld en grafschennis. Dat woord “alle” speelde ook in de slotgedachte van De Belder een belangrijke rol. De organisatoren wilden de herdenking niet beperken tot één politiek kamp of één historische groep. De plaats draagt een uitgesproken Vlaamse geschiedenis, maar de vredesboodschap werd tijdens deze editie ruimer geformuleerd.

Ongeveer tweehonderd aanwezigen en nog altijd maatschappelijk debat

De IJzerbedevaart trekt niet langer de aantallen uit vroegere decennia. Op deze 99ste editie waren ongeveer tweehonderd mensen aanwezig. Toch blijft de bijeenkomst politiek en maatschappelijk reacties uitlokken. De aandacht voor racisme, Palestina, zelfbeschikking, middenveldorganisaties en Brussel laat zien dat de organisatie haar jaarlijkse bijeenkomst niet uitsluitend als historische herdenking opvat. De IJzertoren blijft daardoor een plaats waar herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, Vlaamse politieke geschiedenis en actuele discussies elkaar raken. Dat zorgt geregeld voor stevige meningsverschillen, maar past tegelijk bij het gekozen uitgangspunt van 2026: macht mag niet bepalen wie het recht heeft om te spreken.

De honderdste IJzerbedevaart wacht in 2027

Aan de IJzer heeft inmiddels aangekondigd dat de honderdste IJzerbedevaart op zondag 5 september 2027 zal plaatsvinden. Daarmee bereikt een traditie die in 1920 begon haar honderdste editie. De 99ste bijeenkomst fungeerde duidelijk als aanloop naar die verjaardag, maar koos ervoor niet uitsluitend achterom te kijken. De vragen die in Diksmuide werden gesteld gingen over de democratische ruimte van vandaag, de rechten van volkeren, de toekomst van Brussel, de plaats van nieuwe Vlamingen en de grens die het recht aan politieke macht moet opleggen. De bloemen in de crypte sloten de dag af waar het verhaal een eeuw geleden materieel vorm kreeg. De honderdste editie zal op 5 september 2027 moeten tonen hoe Aan de IJzer dat historische erfgoed verder wil invullen.

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)