Vrijheid van godsdienst botst met dierenwelzijn in zaak voor Grondwettelijk Hof

7 maart 2026
Op woensdag 4 maart 2026, om 14.00 uur, in het Grondwettelijk Hof, stond de verhouding tussen dierenwelzijn, religieuze vrijheid en Europees recht centraal in de samengevoegde zaken 8405 en 8407. Offerfeest vzw vraagt daarin de vernietiging van enkele bepalingen uit het Vlaams decreet van 17 mei 2024 betreffende de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, voor zover die de voorwaarden vastleggen waaronder rituele slacht nog kan plaatsvinden.
Waarover de zaak gaat
De betwisting richt zich tegen artikel 36, §2, artikel 39, §3 en artikel 84 van het betrokken decreet. Volgens Offerfeest vzw botsen die bepalingen met de vrijheid van godsdienst, zoals beschermd door artikel 19 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vereniging voert aan dat de Vlaamse regeling rituele slacht formeel nog toelaat, maar dat de opgelegde voorwaarden die religieuze handeling in de praktijk onmogelijk maken.
De zaak raakt tegelijk aan verschillende rechtsdomeinen. Naast de vraag naar de grondrechten speelt ook de verhouding met Verordening (EG) nr. 1099/2009 mee, die als algemene regel voorafgaande verdoving voorschrijft, maar tegelijk een uitzondering voorziet voor slacht volgens religieuze riten. Daarbovenop ligt ook de vraag op tafel of een gewest, via regels over dierenwelzijn, niet te ver ingrijpt in een terrein dat nauw aansluit bij de uitoefening van erediensten.
Standpunt van Offerfeest vzw
Volgens de verzoekende partij gaat het bij rituele slacht niet om een louter technische handeling, maar om een religieuze rite waarin het slachten zelf een wezenlijk onderdeel vormt. Wanneer dat onderdeel niet langer op een religieus aanvaarde wijze kan gebeuren, verdwijnt volgens haar de religieuze handeling zelf. In die lezing gaat het dus niet om een gewone beperking, maar om een feitelijke uitsluiting.
Een belangrijk juridisch punt in het pleidooi betrof de omkeerbare verdoving. Offerfeest vzw stelde dat die techniek niet als afzonderlijk erkende methode voorkomt in de Europese regelgeving en ook niet is opgenomen in Bijlage I van Verordening 1099/2009. Volgens de vereniging blijkt uit het dossier evenmin dat daarvoor een Europese meldingsprocedure is gevolgd of dat er een wetenschappelijke evaluatie heeft plaatsgevonden. Daardoor rijst volgens haar de vraag of de wettelijke uitzondering wel steunt op een techniek die juridisch en technisch voldoende vaststaat.
Daarnaast voerde de verzoekende partij aan dat een beperking van een grondrecht alleen kan standhouden wanneer ze doeltreffend, noodzakelijk en evenredig is. Volgens haar ontbreekt het in deze zaak aan objectieve metingen van dierenleed, aan een voldoende wetenschappelijke onderbouwing en aan een afweging van andere mogelijke maatregelen. Ook op het vlak van bevoegdheidsverdeling werd scherp geargumenteerd. Dierenwelzijn behoort tot de gewestelijke bevoegdheden, maar wanneer een regeling in de praktijk een religieuze rite onmogelijk maakt, rijst volgens de vereniging de vraag of daarmee niet buiten de gewestelijke bevoegdheid wordt getreden.
Verweer van de Vlaamse Regering
De Vlaamse Regering verdedigde het decreet vanuit het belang van dierenwelzijn. Daarbij werd aangesloten bij eerdere Europese rechtspraak, waaronder het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie uit 2020 en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Executief van de Moslims van België tegen België.
Volgens de Vlaamse Regering is verplichte verdoving een geoorloofde maatregel ter bescherming van dieren en laat het Europese recht strengere nationale regels toe. Het standpunt luidde dat rituele slacht niet volledig wordt uitgesloten, maar mogelijk blijft wanneer vooraf een omkeerbare verdoving wordt toegepast.
Opmerkelijk moment tijdens de zitting
Tijdens de mondelinge behandeling kwam een element naar voren dat juridisch zwaar kan doorwegen. De advocaat van het Vlaamse Gewest erkende dat de methode van omkeerbare verdoving nog niet volledig op punt staat. Net die vaststelling kan van belang zijn voor de beoordeling van de regeling.
Wanneer een wet een uitzondering voorziet, maar die uitzondering in de praktijk moeilijk of niet uitvoerbaar blijkt, krijgt de evenredigheidstoets een andere lading. Dan staat niet alleen de tekst van het decreet ter discussie, maar ook de vraag of de betrokken regeling voor de betrokkenen nog een reële uitweg laat. Dat punt liep als een rode draad door de zitting.
Europese en constitutionele inzet
De discussie gaat intussen verder dan alleen het Vlaamse kader. Indien een overheid een techniek oplegt die niet duidelijk Europees is erkend of wetenschappelijk is gevalideerd, kunnen ook vragen rijzen over de verenigbaarheid met het Unierecht. In dat verband werd gewezen op artikel 26 van Verordening 1099/2009, dat strengere maatregelen toelaat, maar tegelijk een Europees kader veronderstelt voor nieuwe technieken.
Daarmee komt het Grondwettelijk Hof uit bij een kernvraag die zowel juridisch als maatschappelijk weegt. Kan een wettelijke regeling die een religieuze rite op papier toelaat, maar in de uitvoering sterk bemoeilijkt, nog als evenredig worden beschouwd? Het antwoord daarop zal mee bepalen hoe ver een gewest mag gaan wanneer het dierenwelzijn wil beschermen en tegelijk rekening moet houden met de vrijheid van godsdienst.
Bronnen:
Verslag van de openbare terechtzitting, Grondwettelijk Hof, 4 maart 2026, zaken nr. 8405 en 8407
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


