Wanneer een eierproducent de grenzen van zijn eigen sector bevraagt

19 augustus 2026

Een film die genomineerd is voor het My Name is Climate Festival in Birmingham stelt geen gemakkelijke vraag, maar wel een noodzakelijke: kan een voedselsysteem dat afhankelijk is van miljoenen productiedieren werkelijk duurzaam, rechtvaardig en toekomstgericht worden? Via het verhaal van Ruud, afkomstig uit een familie van pluimveehouders, volgt de film een man die zelf eieren produceert en tegelijk openlijk onderzoekt of de wereld uiteindelijk zonder veehouderij kan functioneren. Die eerlijkheid maakt deze productie bijzonder. Zij probeert geen snel antwoord op te leggen, maar toont een onderzoek dat de kijker dwingt na te denken over dierenwelzijn, voedselverspilling, landgebruik, gezondheid en klimaatverantwoordelijkheid.

De film opent in Venray, een gebied waar de schaal van de Nederlandse intensieve veehouderij direct zichtbaar wordt. Ruud schetst hoe in de regio miljoenen kippen en honderdduizenden varkens naast een relatief beperkt aantal inwoners leven. Grote stallen bepalen er het landschap. De beelden en gesprekken maken duidelijk dat de productie van eieren en vlees in Europa al lang geen kleinschalige activiteit meer is, maar een systeem met grote gevolgen voor landbouwgrond, grondstoffen, dieren en omwonenden.

Van familiebedrijf naar Kipster

Ruud groeide op in de pluimveesector. Zijn ouders en grootouders werkten in de landbouw en de familie maakte de schaalvergroting van dichtbij mee. Een faillissement liet een diepe indruk na. Het betekende onder meer dat het gezin het ouderlijke huis moest verlaten. Uit die ervaring groeide bij Ruud geleidelijk de overtuiging dat steeds grotere productie tegen steeds lagere kosten altijd elders een prijs veroorzaakt. Volgens hem wordt die prijs gedragen door biodiversiteit, het klimaat of de dieren zelf.

In 2017 zette hij met zakenpartners Kipster op, met de ambitie om eieren te produceren volgens een ander model. De kippen krijgen er ruimte, toegang tot buiten en voer dat bestaat uit reststromen uit de voedselketen. Afgekeurd brood, rijstwafels, popcorn, donuts, snoep en stroopwafels worden verwerkt tot diervoeding. Daarmee wil het bedrijf vermijden dat granen, maïs en soja die rechtstreeks voor menselijke consumptie kunnen dienen, als veevoer worden gebruikt.

De film toont hoe dit model aandacht kreeg van Lidl en vervolgens ook buiten Nederland werd uitgerold. In de Verenigde Staten werkt Kipster samen met MPS Eggs, een grote eierproducent. Daar staan vier Kipsterstallen die samen volgens de film ongeveer 26 miljoen eieren per jaar produceren. De productie gebeurt op het terrein van een veel grotere onderneming, die op jaarbasis ongeveer 250 miljoen dozijn eieren produceert. Juist dat contrast maakt de centrale vraag van de film helder: kan een beter systeem binnen een zeer grote sector voldoende verandering brengen?

Een systeem dat zichzelf ter discussie stelt

Wat de film inhoudelijk sterk maakt, is dat Ruud niet wordt opgevoerd als iemand die alle antwoorden al bezit. Hij is veganist en zegt dat hij persoonlijk liever in een wereld zou leven waarin geen eieren meer worden gegeten. Tegelijk blijft hij betrokken bij een onderneming die eieren produceert en internationaal wil groeien. Die spanning wordt niet weggemoffeld. Zij vormt de kern van de film.

Ruud stelt vast dat kippen na ongeveer negentig tot vijfennegentig weken doorgaans niet meer voldoende eieren leggen om economisch interessant te blijven. Daarna gaan ze naar de slacht. De film toont dat ook in een bedrijf dat zich nadrukkelijk richt op een beter leven voor dieren, de kip uiteindelijk deel blijft van een productieketen waarin haar economische waarde bepalend is. Ruud zegt zelf dat hij na opleidingen over intelligentie, emoties en het gevoelsleven van dieren anders naar de sector is gaan kijken.

De gesprekken met Melanie Jacq, die in de buurt van Gent een opvangplaats voor kippen beheert, geven die vraag een menselijke en concrete dimensie. Zij wijst erop dat kippen een eigen karakter en sociaal gedrag hebben. Ruud erkent dat de industrie dieren vaak benadert vanuit productie en efficiëntie, terwijl het individuele dier in een stal met tienduizenden soortgenoten nauwelijks zichtbaar wordt. Melanie beschrijft het Kipster-systeem als minder slecht dan veel andere systemen, maar niet als een goed systeem. Het is een ongemakkelijke beoordeling die in de film niet wordt afgezwakt.

Landgebruik als klimaatvraagstuk

De film verplaatst het debat vervolgens van de kippenstal naar de wereldwijde verdeling van landbouwgrond. Ruud gaat in gesprek met professor Imke de Boer van Wageningen University & Research. Zij legt uit dat een groot deel van de beschikbare landbouwgrond vandaag wordt gebruikt voor veehouderij en voor de teelt van veevoer. De film stelt daartegenover dat een plantaardig voedingspatroon aanzienlijk minder land zou vergen, terwijl dieren die uitsluitend reststromen krijgen ook minder beslag leggen op landbouwgrond dan dieren die worden gevoerd met gewassen die mensen zelf kunnen eten.

Die discussie krijgt een bredere internationale invulling in het gesprek met de Britse schrijver en milieuactivist George Monbiot. Hij beschouwt landgebruik als een fundamentele milieukwestie. Elke hectare die door mensen wordt gebruikt voor landbouw, is volgens hem een hectare die niet beschikbaar is voor wilde ecosystemen. Monbiot wijst op het verlies aan natuur, de uitstoot van broeikasgassen en de druk op water en bodem. Ook grasland dat niet geschikt is voor akkerbouw ziet hij niet automatisch als een argument voor veeteelt. Volgens hem kan dergelijk land ook plaats bieden aan bos en natuurherstel.

De film laat tegelijk zien dat de overstap naar een wereld zonder veehouderij nieuwe vragen oproept. Hoe worden akkers bemest wanneer dierlijke mest wegvalt? De mestproblematiek wordt niet voorgesteld als een detail, maar als een essentieel onderdeel van elk toekomstig voedselsysteem. Dieren produceren volgens de deskundigen geen nieuwe nutriënten. Zij verplaatsen stikstof, fosfor en kalium die eerder via hun voer in het systeem kwamen. De vraag wordt dan hoe voedselresten en menselijke reststromen op een veilige manier naar landbouwgrond kunnen terugkeren.

Ghana als laboratorium voor kringlopen

In Ghana bezoekt Ruud Safi Sana, een bedrijf dat menselijke uitwerpselen en organisch afval verwerkt tot compost. De film toont hoe materiaal uit openbare toiletten, marktafval en andere organische reststromen in een gecontroleerd proces worden verwerkt. Professor Nalamle van de University of Ghana wijst erop dat menselijke mest altijd aanwezig zal zijn en dat een hygiënische verwerking kan helpen voorkomen dat afval in rivieren en zeeën terechtkomt.

Het bezoek aan Ghana is geen eenvoudige reclame voor één oplossing. De film toont ook de nood aan hygiëne, zorgvuldige verwerking en wetenschappelijke controle. Wel maakt het bezoek duidelijk dat de discussie over mest niet uitsluitend hoeft te draaien rond dieren. Afval dat vandaag vaak als probleem wordt gezien, kan in een goed georganiseerd systeem opnieuw een functie krijgen voor de voedselproductie.

Die gedachte sluit aan bij de kritiek op verspilling die al in het begin van de film naar voren komt. Wanneer supermarkten hun rekken tot laat op de dag volledig gevuld willen houden, ontstaan grote hoeveelheden voedsel die niet worden verkocht. Ruud stelt de vraag waarom consumptiesystemen zo weinig ruimte laten voor een realistischer omgang met voorraad, vraag en aanbod. Zijn bedrijf probeert reststromen te gebruiken, maar de film gaat verder en vraagt waarom er überhaupt zo veel eetbaar voedsel buiten de menselijke voedselketen terechtkomt.

Een plantaardige toekomst zonder eenvoudige slogans

De film onderzoekt ook plantaardige alternatieven voor dierlijke producten. In Duitsland bezoekt Ruud een onderneming die werkt aan een plantaardig ei. Daarbij wordt duidelijk dat een ei moeilijk te vervangen is, omdat het in de keuken verschillende functies heeft: het kan worden gekookt, gebakken en verwerkt in bereidingen. De makers tonen geen afgewerkt succesverhaal. Zij laten zien dat de smaak, structuur, productie op grote schaal en verkoopbaarheid nog uitdagingen vormen.

Ook de gezondheidsvraag komt aan bod. Dr. Shireen Kassam legt uit dat de voedingsstoffen uit dierlijke producten volgens haar ook uit een goed samengesteld plantaardig voedingspatroon kunnen worden gehaald, met vitamine B12 als noodzakelijke aanvulling. Zij plaatst die visie in de context van chronische ziekten en vergrijzing. Ruud luistert, stelt kritische vragen en komt niet tot een triomfantelijke conclusie. Hij blijft zoeken naar de plaats waar persoonlijke overtuiging, economische realiteit en maatschappelijke verandering elkaar raken.

De film eindigt niet met een pasklaar antwoord, maar met een beeld dat blijft hangen. In de jungle van Thailand leeft de wilde kip in vrijheid, slaapt zij in bomen en legt zij slechts een beperkt aantal eieren per jaar. Het beeld staat haaks op een stal met 24.000 dieren. Precies in dat verschil ligt de kracht van deze nominatie: de film maakt zichtbaar wat in een supermarktverpakking of productiecijfer meestal buiten beeld blijft.

Lalit Bhusal geeft klimaatverhalen een internationaal podium

De nominatie binnen het My Name is Climate Festival in Birmingham is ook een erkenning voor de ruimte die organisator Lalit Bhusal creëert voor makers die moeilijke klimaatvragen niet uit de weg gaan. Een klimaatfestival heeft pas echte betekenis wanneer het niet alleen geruststellende verhalen programmeert, maar ook werk selecteert dat gevestigde gewoonten ter discussie stelt. Deze film past precies in die opdracht.

Lalit Bhusal verdient waardering omdat hij in Birmingham een internationaal podium uitbouwt waar film, klimaat, voedsel, dierenwelzijn en maatschappelijke verantwoordelijkheid elkaar kunnen ontmoeten. Door producties te selecteren die vanuit verschillende landen en ervaringen spreken, geeft het festival ruimte aan nuance zonder de urgentie te verliezen. Dat is waardevol in een tijd waarin klimaatdebatten vaak worden herleid tot slogans, kampen en snelle oordelen.

Een festival als My Name is Climate maakt duidelijk dat klimaatverandering niet uitsluitend over uitstootcijfers of politieke verklaringen gaat. Het gaat ook over wat er dagelijks op ons bord ligt, over hoe voedsel wordt geproduceerd, over de plaats die mensen aan dieren geven en over de moed om gevestigde economische modellen opnieuw te beoordelen. Lalit Bhusal brengt die gesprekken samen voor een internationaal publiek. Daarmee vervult hij een belangrijke culturele en maatschappelijke rol.

Deze genomineerde film blijft lang nazinderen omdat hij de kijker niet behandelt als een consument van eenvoudige conclusies. Hij toont een eierproducent die zijn eigen bedrijf kritisch bevraagt, een opvangplaats waar kippen als individuen worden gezien en een zoektocht die van Venray naar Gent, Wageningen, het Verenigd Koninkrijk, Ghana, Duitsland en Thailand voert. Voor wie de klimaatcrisis ernstig neemt, is dat een film die verder gaat dan een boodschap alleen. Zij stelt een vraag die niet langer kan worden uitgesteld.

Andy Vermaut
Jurylid en tevens Global Climate Ambassador for My Name is Climate

https://www.mynameisclimate.com/global-climate-ambassadors