84.500 kippen aan de Galileistraat in Diksmuide of 500000 kippen per jaar: technische aanpassingen nemen de grote vragen niet weg

Door Andy Vermaut

De vergunningsstrijd rond twee nieuwe pluimveestallen aan de Galileistraat in Diksmuide is opnieuw losgebarsten. De aanvraag voorziet plaats voor 84.500 mestkippen en werd aangepast nadat de eerste procedure op zwaar verzet van de omgeving en het stadsbestuur stuitte. Nieuwe technieken moeten geur, stof en andere hinder beperken. Toch blijft de buurt bijzonder kritisch. Niet alleen de uitstoot, maar ook het vrachtverkeer, de waterhuishouding, de verdere woonontwikkeling, de veiligheid van fietsers en de werkelijke controle op de exploitatie blijven voor grote ongerustheid zorgen.

Geen volledig nieuw verhaal

De aanvraag wordt soms voorgesteld alsof een volledig nieuw project werd ingediend nadat een eerste poging was mislukt. In werkelijkheid gaat het om een aangepast dossier binnen een lopende vergunningsprocedure. De provinciale overheid verleende eerder een vergunning voor de bouw en exploitatie van de pluimveehouderij. De stad Diksmuide had een ongunstig advies uitgebracht en ging tegen die beslissing in beroep. Vervolgens werd de aanvraag gewijzigd, waardoor een nieuw openbaar onderzoek noodzakelijk werd. Bewoners kunnen tot en met 27 juli opnieuw bezwaren indienen. Dat procedurele onderscheid is belangrijk. De aanvrager heeft het recht om een dossier aan te passen en technische verbeteringen voor te stellen. Tegelijk worden omwonenden verplicht om zich opnieuw door plannen, berekeningen en milieutechnische documenten te werken. Zij moeten zelf uitzoeken welke onderdelen werden gewijzigd, welke bezwaren volgens de aanvrager zijn weggewerkt en welke problemen nog altijd bestaan. Bij de eerdere procedure werden 99 bezwaren ingediend. Dat aantal toont dat de onrust niet beperkt blijft tot één buur of één straat. De bezwaren kwamen uit een ruime omgeving, met bewoners langs de Galileistraat, de Oostendestraat en de omliggende landelijke wegen. Ook het stadsbestuur wees op geur, mobiliteit, geluid, luchtkwaliteit, water, dierenwelzijn en de ruimtelijke verenigbaarheid van het project.

Een industriële schaal aan de rand van de stad

Het dossier gaat niet om een kleine uitbreiding van een bestaande landbouwactiviteit. Er worden twee grote pluimveestallen gebouwd, samen goed voor 84.500 dierplaatsen. Daarnaast omvat het project voedersilo’s, stofbakken, bijkomende verharding, een elektriciteitscabine, terreinophogingen, een talud en een infiltratievoorziening. De bestaande varkensactiviteit maakt plaats voor intensieve pluimveehouderij. De omvang wordt pas volledig zichtbaar wanneer niet alleen naar het aantal beschikbare plaatsen wordt gekeken, maar ook naar het aantal productierondes. Mestkippen blijven geen volledig jaar in dezelfde stal. Ze worden in opeenvolgende rondes aangevoerd, vetgemest en opnieuw afgevoerd. Wanneer wordt uitgegaan van zes rondes per jaar, kunnen jaarlijks om en bij 507.000 kippen door de stallen gaan. Dat betekent zes periodes van aanvoer, zes opfokcycli, zes keer uitladen, herhaalde voederleveringen, mestafvoer, verwijdering van strooisel, reiniging, ontsmetting en herbevolking. De impact van het bedrijf kan daarom niet uitsluitend worden uitgedrukt als 84.500 aanwezige kippen. De verkeers- en milieudruk moet over een volledig exploitatiejaar worden beoordeeld. Een bewoner uit de dichte nabijheid wijst erop dat die jaarlijkse schaal in het publieke debat nauwelijks aan bod komt. Wie alleen het vergunde aantal dierplaatsen vermeldt, geeft een onvolledig beeld van de werkelijke bedrijfsactiviteit. De straat zal niet één keer vrachtwagens ontvangen, maar tijdens iedere ronde opnieuw met verschillende transportstromen worden geconfronteerd.

Een smalle straat als belangrijkste toegang

De Galileistraat is een smalle landelijke weg. Ze werd niet ontworpen als logistieke toegang voor een bedrijf met tienduizenden dieren, grote voederleveringen en terugkerende transporten met levende kippen, mest en strooisel. Op verschillende plaatsen is het moeilijk voor zware voertuigen om elkaar te kruisen. Ook fietsers, wandelaars, landbouwvoertuigen en personenwagens maken gebruik van dezelfde ruimte. De centrale vraag is dan ook hoe het transport veilig en praktisch zal worden georganiseerd. Een gemiddeld aantal vrachtwagens per week zegt weinig over de werkelijke situatie. De druk ontstaat op piekmomenten, wanneer kuikens worden aangevoerd of slachtrijpe kippen worden opgehaald. Het uitladen kan vroeg in de ochtend, laat op de avond of ’s nachts gebeuren. Op die momenten kan geluid verder dragen en is de zichtbaarheid beperkter. Een degelijk mobiliteitsonderzoek moet daarom niet alleen aantallen vermelden. Het moet ook tonen welke voertuigen worden gebruikt, hoe lang ze zijn, waar ze kunnen draaien, waar ze wachten, op welke tijdstippen ze rijden en wat er gebeurt wanneer twee vrachtwagens elkaar in de straat ontmoeten. Ook de aansluiting met de Oostendestraat verdient een afzonderlijke beoordeling. Die gewestweg is druk en laat weinig ruimte voor foutieve manoeuvres of langzaam invoegend zwaar verkeer.

Uitwijkstroken op grond van anderen

In de omgeving leeft de vrees dat de mobiliteitsoplossing gedeeltelijk zou afhangen van nieuwe uitwijkstroken of alternatieve routes over landelijke verbindingen. Volgens een bewoner uit de dichte nabijheid zouden daarvoor mogelijk gronden van verschillende landbouwers nodig zijn. De vraag rijst of daarover al bindende afspraken bestaan. Een vergunning mag niet steunen op infrastructuur die alleen kan worden aangelegd wanneer derden later bereid zijn grond af te staan. Een uitwijkstrook op een plan is geen uitwijkstrook in de werkelijkheid. De vergunningverlenende overheid moet nagaan of de nodige gronden juridisch beschikbaar zijn, of de eigenaars hun toestemming hebben gegeven en of de aanleg technisch en financieel verzekerd is. Wanneer een alternatieve route vandaag hoofdzakelijk voor plaatselijk of recreatief verkeer wordt gebruikt, kan die evenmin zonder grondige studie tot vrachtwagenroute worden omgevormd. Het verplaatsen van zwaar verkeer van de ene smalle weg naar een andere landelijke verbinding lost het probleem niet op. De hinder en het veiligheidsrisico worden dan alleen verschoven.

Fietsers komen steeds nadrukkelijker in beeld

De omgeving van de Galileistraat heeft niet uitsluitend een landbouwfunctie. De straat maakt deel uit van recreatieve fietsverbindingen en wordt gebruikt door wandelaars. In de ruimere omgeving wordt bovendien gewerkt aan zachte verbindingen en verdere stedelijke ontwikkeling. Daardoor zal het aantal fietsers vermoedelijk toenemen. Een fietser die op een smalle weg een zware vrachtwagen ontmoet, bevindt zich in een kwetsbare positie. Een berm is niet vanzelfsprekend een veilige uitwijkplaats. Ze kan zacht, glad, steil of begroeid zijn. Vooral kinderen, oudere recreanten en minder ervaren fietsers lopen risico wanneer een groot voertuig dicht passeert. De verkeersveiligheid moet daarom worden bekeken vanuit het standpunt van de zwakste weggebruiker. Het volstaat niet dat een vrachtwagen technisch door de straat kan rijden. De vraag is of dat ook veilig kan wanneer tegelijk een fietser, een wandelaar of een tegenligger aanwezig is.

Nieuwe woningen vergroten het conflict

De Galileistraat verandert. In dezelfde omgeving werden nieuwe woonontwikkelingen vergund of gepland. Er is sprake van tientallen woonentiteiten, ondergrondse parkeerplaatsen en ruimte voor een groot aantal fietsen. Daarnaast bevinden zich in de ruimere omgeving een kinderdagverblijf en recreatieve functies. Iedere nieuwe woning veroorzaakt verkeersbewegingen. Bewoners, bezoekers, leveringen, afvalophaling, hulpdiensten en fietsers zullen de Galileistraat bijkomend gebruiken. De pluimveehouderij kan daarom niet worden beoordeeld alsof ze in een afgelegen landbouwgebied zonder verdere ontwikkeling ligt. De stad staat voor een moeilijke ruimtelijke keuze. Ze wil de stadsrand ontwikkelen voor wonen en zachte mobiliteit, maar moet tegelijk beoordelen of een grootschalige intensieve veehouderij daar nog bij past. Beide ontwikkelingen kunnen afzonderlijk aan voorschriften voldoen en samen toch een slechte ruimtelijke ordening opleveren. Een woonstraat, recreatieve fietsroute en logistieke ontsluiting voor een intensieve veehouderij zijn moeilijk in dezelfde smalle ruimte te combineren. De overheid moet het gezamenlijke effect beoordelen en mag de projecten niet los van elkaar blijven bekijken.

De afstand van 500 meter biedt geen absolute bescherming

In de discussie wordt vaak verwezen naar een wijziging waarbij de relevante afstand van 1.000 naar 500 meter zou zijn teruggebracht. Die voorstelling vraagt nuance. De milieuregels werken met aantallen dieren, waarderingspunten, staltechnieken en de afstand tot bepaalde hindergevoelige bestemmingsgebieden. Het gaat niet om een algemeen verbod op iedere afzonderlijke woning binnen een cirkel van 500 meter. Een stalconcept dat technisch beter scoort, kan in een gunstiger afstandscategorie terechtkomen. Ventilatie, emissiereductie en mestbehandeling spelen daarbij een rol. Daardoor kan een project op papier aan een afstand van 500 meter voldoen waar voordien 1.000 meter van toepassing was. Die technische beoordeling betekent echter niet dat alle bewoners binnen of buiten die afstand automatisch beschermd zijn tegen geur, stof of geluid. Verspreid liggende woningen in agrarisch gebied worden juridisch niet altijd op dezelfde manier behandeld als officieel aangeduide woongebieden. Voor de mensen die er wonen, maakt die planologische categorie weinig verschil wanneer zij stallucht, ventilatoren of vrachtwagens ervaren. Een afstandstabel is een juridisch instrument. Ze is geen garantie dat er geen hinder zal optreden. De werkelijke gevolgen moeten ter plaatse en voor iedere nabijgelegen woning worden onderzocht.

Ecologischer betekent niet geurloos

De aangepaste stallen zouden ecologischer worden uitgerust. Er worden stofbakken voorzien en het stalconcept moet een betere milieuscore behalen. Dat kan de verspreiding van fijnstof, ammoniak en geur beperken. Het is echter onjuist om daaruit af te leiden dat de hinder verdwijnt. Bij een intensieve pluimveehouderij ontstaat geur door mest, strooisel, dieren, ventilatie en het reinigen van de stallen. De uitstoot is niet iedere dag gelijk. Naarmate de kippen groeien, produceren ze extra warmte, vocht en mest. De ventilatie moet dan harder werken. Ook bij het uitladen en verwijderen van strooisel kunnen tijdelijke geur- en stofpieken ontstaan. Een moderne installatie kan de emissie per kip verminderen, terwijl de totale uitstoot door de grote schaal toch aanzienlijk blijft. Daarom moet de overheid zowel de uitstoot per dierplaats als de absolute uitstoot van de volledige inrichting beoordelen. De buurt vraagt zich ook af hoe de werking van de technieken zal worden gecontroleerd. Een stofbak die onvoldoende wordt onderhouden, een sensor die verkeerd is ingesteld of een ventilatiesysteem dat bij problemen anders wordt gebruikt, kan in de praktijk slechter presteren dan in de berekeningen.

Controle mag geen papieren belofte blijven

Een bewoner uit de dichte nabijheid verwoordt de kern van het wantrouwen eenvoudig: wie controleert na de vergunning of alle beloofde systemen werkelijk blijven functioneren? Die vraag is terecht. Veel vergunningsdossiers beschrijven uitvoerig welke technieken worden geplaatst, maar veel minder duidelijk hoe vaak ze worden gecontroleerd, wie de gegevens ontvangt en wat gebeurt wanneer ze defect zijn. Voor een inrichting van deze omvang zouden ventilatie, stofopvang, temperatuur, luchtvochtigheid en alarmsystemen permanent moeten worden geregistreerd. De exploitant moet kunnen aantonen dat de installaties volgens de voorschriften werken. Storingen en onderhoud moeten in een controleerbaar logboek worden opgenomen. Ook omwonenden hebben nood aan een duidelijke klachtenprocedure. Zij moeten weten waar zij geur-, stof- of geluidshinder kunnen melden, hoe snel een controle volgt en op welke manier de resultaten worden meegedeeld. Wanneer klachten jarenlang zonder zichtbaar gevolg blijven, verdwijnt het vertrouwen in de vergunningverlening.

Een computer loopt niet tussen de dieren

Moderne pluimveestallen worden sterk geautomatiseerd. Camera’s, sensoren, ventilatiecomputers en alarmsystemen kunnen temperatuur, luchtkwaliteit, voeder en water opvolgen. Dat verhoogt de efficiëntie, maar automatisering vervangt de menselijke controle niet. Een bewoner uit de dichte nabijheid wijst erop dat een computer niet tussen de dieren loopt. Een ervaren verzorger merkt andere signalen op: dieren die moeilijk bewegen, afwijkend gedrag, nat strooisel, defecte drinknippels, lokale tocht, verwondingen of een groep kippen die zich ongewoon verzamelt. Bij 84.500 dieren kan een klein probleem snel grote gevolgen hebben. Daarom moet duidelijk zijn hoeveel mensen dagelijks aanwezig zijn, hoe vaak beide stallen volledig worden gecontroleerd en wie reageert wanneer ’s nachts een alarm afgaat. Ook ziekte, verlof of afwezigheid van de bedrijfsleider mogen niet leiden tot minder toezicht. De vergunning moet niet alleen technische installaties beschrijven, maar ook de organisatie van de dagelijkse dierenzorg. Dierenwelzijn kan niet uitsluitend door computers worden gegarandeerd.

Wat bij een stroompanne?

Een intensieve pluimveestal is afhankelijk van elektriciteit. Ventilatie, verwarming, koeling, water- en voederinstallaties moeten blijven werken. Bij een stroomstoring kan de temperatuur in een dichtbezette stal snel oplopen. Vooral tijdens warme periodes kan een technisch defect op korte tijd ernstige gevolgen hebben. Daarom moet de aanvraag duidelijke informatie bevatten over noodgeneratoren, brandstofreserves, alarmsystemen en responstijden. Hoe vaak wordt de noodstroom getest? Hoe lang kan het bedrijf autonoom functioneren? Wie wordt verwittigd bij een storing? Hoe snel kan iemand ter plaatse zijn? Ook brandveiligheid verdient een strenge beoordeling. Het evacueren van tienduizenden kippen is in de praktijk nauwelijks haalbaar. Preventie, compartimentering, branddetectie en bereikbaarheid voor de hulpdiensten zijn dan doorslaggevend. Dezelfde smalle wegen die voor het gewone transport vragen oproepen, moeten bij een noodsituatie ook brandweerwagens en andere hulpdiensten toegang geven.

Ziekte-uitbraak raakt de hele omgeving

Het stadsbestuur wees bij zijn eerdere bezwaar ook op dierenwelzijn en het gevaar van vogelgriep. Bij een bedrijf met 84.500 plaatsen is een ziekte-uitbraak geen probleem dat uitsluitend binnen de stal blijft. Transporteurs, andere landbouwbedrijven en de ruimere omgeving kunnen ermee worden geconfronteerd. Er moet daarom een helder noodplan zijn voor massale sterfte, ruiming, kadaveropslag, ontsmetting en afvoer. Ook moet duidelijk zijn waar verontreinigd reinigingswater terechtkomt en hoe wordt voorkomen dat ziektekiemen via voertuigen, materiaal of personeel worden verspreid. De streek telt verschillende landbouwbedrijven. De bioveiligheid van één grote exploitatie raakt daardoor ook de bedrijfszekerheid van andere boeren. Een vergunningsbeslissing moet rekening houden met die gezamenlijke kwetsbaarheid.

Een wadi lost niet elk waterprobleem op

In de aangepaste aanvraag wordt een infiltratievoorziening of wadi voorzien. Bestaande installaties of opslagplaatsen zouden daarvoor gedeeltelijk verdwijnen. Zo’n wadi kan hemelwater opvangen en geleidelijk in de bodem laten infiltreren. Dat is zinvol, maar alleen wanneer ze correct is berekend. De werking hangt af van de bodemdoorlaatbaarheid, de grondwaterstand, het volume, het onderhoud en de hoeveelheid verharding die erop wordt aangesloten. Ook de geplande terreinophogingen moeten worden onderzocht. Een terrein mag niet worden beschermd tegen water door regenwater naar lagergelegen percelen af te leiden. De aanvraag moet aantonen wat gebeurt bij langdurige regen, een verzadigde bodem of een uitzonderlijke stortbui. Ook de noodoverloop en de gevolgen voor omliggende grachten en gronden moeten duidelijk zijn.

Bestaande gebruikers dreigen tussen de plannen te verdwijnen

Een minder zichtbaar onderdeel van het dossier is de positie van mensen die gronden, gebouwen of opslagruimte in de omgeving gebruiken. Een bewoner uit de dichte nabijheid wijst op onzekerheid over bestaande gebruiksrechten en de gevolgen van de nieuwe inrichting voor wie er vandaag nog landbouwactiviteiten uitoefent. Over individuele overeenkomsten kan en mag niet publiek worden gespeculeerd. De overheid moet wel nagaan of de aanvrager over alle noodzakelijke gronden, gebouwen en toegangen kan beschikken. Een vergunning mag niet worden verleend voor een ontwerp dat alleen kan worden uitgevoerd wanneer bestaande gebruikers later afstand doen van rechten of opslagruimte. Wanneer bestaande silo’s, constructies of terreindelen moeten verdwijnen, moet vooraf duidelijk zijn wie daarover zeggenschap heeft en welke gevolgen dat heeft. Privaatrechtelijke onzekerheid mag niet worden doorgeschoven tot na de vergunningverlening.

Wie baat het bedrijf werkelijk uit?

Bij grote landbouwprojecten is het niet altijd vanzelfsprekend dat de persoon die de vergunning aanvraagt ook dagelijks tussen de dieren aanwezig zal zijn. Vennootschappen, investeringsstructuren, handelsactiviteiten en externe dienstverleners kunnen een rol spelen. Dat is op zichzelf niet onwettig. Het vereist wel transparantie. De buurt moet weten wie de feitelijke exploitant is, wie verantwoordelijk is voor de naleving van de milieuvoorwaarden en wie dag en nacht bereikbaar blijft bij hinder of een incident. De vergunning mag niet uitgaan van het klassieke beeld van een familiale landbouwer die naast de stal woont, wanneer de werkelijke exploitatie sterk geautomatiseerd of organisatorisch verspreid is. De beoordeling moet aansluiten bij de reële bedrijfsstructuur.

Publieke steun vraagt publieke verantwoording

Voor duurzame landbouwinvesteringen bestaan Vlaamse steunregelingen. Nieuwe stallen met emissiereducerende technieken kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor investeringssteun. Het is niet publiek bevestigd of voor deze aanvraag steun werd gevraagd of toegekend. Die vraag verdient wel duidelijkheid. Wanneer publieke middelen worden gebruikt om een project technisch en financieel mogelijk te maken, mag de maatschappelijke tegenprestatie hoog zijn. De emissiereductie moet aantoonbaar zijn, de installaties moeten controleerbaar blijven en de verkeersveiligheid mag niet worden afgewenteld op bewoners en weggebruikers. Publieke steun mag niet uitsluitend leiden tot een grotere productiecapaciteit. Ze moet ook een aantoonbare verbetering opleveren voor milieu, dierenwelzijn en omgeving.

De schaalvergroting verdeelt ook de landbouwsector

Dit dossier is geen eenvoudig conflict tussen boeren en burgers. Ook binnen de landbouw bestaan verschillende belangen. Een bedrijf dat wil uitbreiden kan botsen met landbouwers die gronden langs de toegangsroute gebruiken, met veehouders die vrezen voor ziekteverspreiding of met kleinere bedrijven die steeds moeilijker kunnen concurreren met kapitaalintensieve productie-eenheden. Een bewoner uit de dichte nabijheid wijst op die groeiende kloof. Voor klassieke familiale bedrijven worden investeringen in nieuwe stallen en milieutechnieken steeds zwaarder. Tegelijk kunnen grotere structuren schaalvoordelen benutten en projecten ontwikkelen die financieel onbereikbaar zijn voor veel kleinere landbouwers. Daarom is kritiek op deze aanvraag geen aanval op de landbouw. Het is ook een debat over welk landbouwmodel Vlaanderen wil ondersteunen: verspreide familiale bedrijven die sterk met hun omgeving verbonden zijn, of steeds grotere productie-eenheden waarbij grond, dieren, handel en investeringen in afzonderlijke ondernemingen kunnen worden ondergebracht.

De zomer werkt niet in het voordeel van de buurt

Het openbaar onderzoek loopt tijdens de zomervakantie. Veel bewoners zijn afwezig, verenigingen vergaderen minder vaak en deskundigen zijn moeilijker bereikbaar. Dat verkleint de praktische mogelijkheden om een technisch dossier grondig te bestuderen. Bij de eerste procedure werden 99 bezwaren ingediend. Een lager aantal bij het nieuwe openbaar onderzoek zou niet automatisch betekenen dat de bezorgdheid is verdwenen. Mensen kunnen ervan uitgaan dat hun eerdere bezwaar nog altijd geldig is, kunnen te laat van de aangepaste aanvraag vernemen of kunnen afhaken omdat zij niet opnieuw hetzelfde ingewikkelde proces willen doorlopen. Een tweede openbaar onderzoek kan zo leiden tot vermoeidheid bij de bevolking. Minder ingediende bezwaren mogen niet worden geïnterpreteerd als stilzwijgende instemming. De overheid moet daarom helder uitleggen wat werd gewijzigd. Een overzicht waarin de oorspronkelijke en de nieuwe aanvraag naast elkaar worden geplaatst, zou de inspraak veel eerlijker maken. Bewoners moeten niet zelf honderden bladzijden doorzoeken om te ontdekken waarom bepaalde afstandsregels, emissieberekeningen of verkeersroutes anders worden beoordeeld.

Geen plaats voor geruchten, wel voor harde vragen

Rond grote vergunningsdossiers ontstaan snel verhalen over politieke contacten, invloedrijke organisaties en gesprekken achter gesloten deuren. Zulke vermoedens mogen niet zonder bewijs als feiten worden gepubliceerd. Ondernemers, landbouworganisaties en burgers hebben allemaal het recht om met bestuurders te spreken. De overheid kan wantrouwen alleen wegnemen door haar beslissing volledig te motiveren. Welke technische wijziging heeft welk effect? Waarom wordt een bepaalde afstand aanvaard? Welke mobiliteitsstudie werd gebruikt? Zijn de toegangswegen juridisch verzekerd? Hoe worden de milieutechnieken gecontroleerd? Welke bezwaren van de stad en de bewoners blijven volgens de overheid ongegrond? Een sterke beslissing beantwoordt die vragen inhoudelijk. Ze verschuilt zich niet achter de mededeling dat het dossier formeel aan de regels voldoet.

Technisch beter kan ruimtelijk nog altijd verkeerd zijn

De nieuwe aanvraag kan milieutechnisch beter zijn dan de vorige. Stofbakken, aangepaste ventilatie en een infiltratievoorziening kunnen een reële verbetering vormen. Toch volgt daaruit niet dat de gekozen locatie geschikt is. Een stofbak maakt de Galileistraat niet breder. Een betere ventilatie legt geen fietspad aan. Een wadi voorkomt geen verkeersongeval. Een hogere technische score biedt geen zekerheid over bestaande gebruiksrechten. Een alarmsysteem vervangt geen dagelijkse menselijke controle tussen de dieren. De vergunningverlenende overheid moet daarom naar het volledige gebied kijken. Ze moet landbouw, wonen, recreatie, mobiliteit, water en gezondheid samen beoordelen. De vraag is niet alleen of elk onderdeel afzonderlijk aan een norm voldoet, maar of de gezamenlijke impact nog aanvaardbaar is.

De Galileistraat en de toekomst van de stadsrand

De discussie over de 84.500 kippen is uiteindelijk een discussie over de toekomst van de Diksmuidse stadsrand. Wordt de Galileistraat een omgeving waar wonen, landbouw en recreatie zorgvuldig op elkaar worden afgestemd? Of wordt ieder project afzonderlijk vergund tot de conflicten niet langer beheersbaar zijn? De bewoners die bezwaar maken, keren zich niet tegen landbouw. Zij vragen zekerheid dat een inrichting met circa een half miljoen kippen per jaar veilig, controleerbaar en ruimtelijk verantwoord kan worden geëxploiteerd. Zolang er geen overtuigende oplossing bestaat voor het zware verkeer, zolang niet vaststaat dat alle benodigde gronden en toegangen beschikbaar zijn, zolang de milieutechnieken niet permanent controleerbaar worden gemaakt en zolang de combinatie met nieuwe woningen en fietsverkeer onvoldoende wordt onderzocht, blijft een gunstige beslissing moeilijk te verdedigen. Een technische aanpassing kan een dossier verbeteren. Ze kan een verkeerde locatie niet automatisch juist maken.

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)