Europa erkent de dreiging voor Joden en sluit daarna mijn dossier

10 juli 2026
Ik stel een pijnlijke tegenstelling vast. Het Europees Parlement erkent dat de haat tegen Joden en het geweld tegen Joodse burgers aanzienlijk zijn toegenomen. Mijn Verzoekschrift 2621/2025 werd ontvankelijk verklaard en doorgestuurd naar de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, beter bekend als LIBE. Daarna besloot de Commissie verzoekschriften de behandeling stop te zetten. De juridische verklaring luidde dat een bindende Europese status als “beschermd volk” een duidelijke rechtsgrondslag in de Europese Verdragen zou vereisen. Daarmee bleef mijn belangrijkste vraag onbeantwoord: hoe garandeert Europa dat Joodse burgers hun rechten niet alleen op papier bezitten, maar ook veilig, vrij en zichtbaar als Jood kunnen leven?
Waarom ik dit verzoekschrift indiende
In 2025 diende ik namens de World Council for Public Diplomacy and Community Dialogue Verzoekschrift 2621/2025 in bij het Europees Parlement. Ik vroeg de Europese Unie te onderzoeken of het Joodse volk en de Joodse bevolkingsgroepen binnen de Unie een formele status als “beschermd volk” konden krijgen. Ik wilde daarnaast dat de Europese instellingen zouden nagaan of een ander juridisch en politiek instrument met een gelijkwaardige beschermende werking kon worden ontwikkeld wanneer die precieze kwalificatie juridisch niet haalbaar bleek. Mijn voorstel was geen vraag om privileges. Ik vroeg niet om Joodse burgers rechten te geven die andere burgers niet bezitten. Ik wilde het Joodse volk niet boven andere bevolkingsgroepen plaatsen. Ik vroeg om doeltreffende, evenredige en structurele bescherming tegen een specifieke dreiging die historisch aantoonbaar, grensoverschrijdend, hardnekkig en nog steeds actueel is. Ik vind dat gelijke rechten niet automatisch betekenen dat de overheid in iedere situatie exact dezelfde maatregelen moet nemen. Wanneer verschillende groepen met sterk verschillende risico’s worden geconfronteerd, kan identieke behandeling de bestaande ongelijkheid juist in stand houden. Een school die zonder bijzondere beveiliging kan functioneren, bevindt zich niet in dezelfde positie als een Joodse school die bewakers, cameratoezicht, versterkte deuren, toegangscontroles en noodprocedures nodig heeft. Een gebedshuis waar bezoekers zonder bijzondere vrees binnenkomen, bevindt zich niet in dezelfde situatie als een synagoge waarvoor iedere bijeenkomst ook een veiligheidsoperatie wordt. Een burger die zijn religieuze identiteit zonder angst zichtbaar kan maken, beleeft de godsdienstvrijheid anders dan iemand die eerst moet beslissen of hij zijn keppel, davidster of andere zichtbare uiting van zijn Joodse identiteit beter verbergt. Het erkennen van die verschillen is geen discriminatie. Het negeren ervan kan ervoor zorgen dat juridische gelijkheid in het dagelijkse leven grotendeels theoretisch blijft.
De officiële reactie van het Europees Parlement
Op woensdag 24 juni 2026 liet de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement mij officieel weten dat mijn verzoekschrift ontvankelijk was verklaard. De commissie stelde vast dat het onderwerp binnen de werkterreinen van de Europese Unie viel. Mijn verzoekschrift werd wegens het onderwerp ook doorgestuurd naar LIBE. In de officiële brief werd verwezen naar de artikelen 2, 10 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Die bepalingen hebben betrekking op de fundamentele waarden van de Unie, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het verbod op discriminatie. Het Parlement verwees daarnaast naar de Europese strategie ter bestrijding van antisemitisme en ter bevordering van het Joodse leven voor de periode 2021-2030. Volgens die strategie moeten lidstaten nationale actieplannen opstellen, preventie versterken, de veiligheid van Joodse burgers en instellingen verbeteren en onderwijs en Holocaustherdenking bevorderen. Het Parlement wees er tevens op dat 23 lidstaten nationale strategieën tegen antisemitisme hadden opgesteld en dat 20 lidstaten een bijzondere gezant of nationale coördinator hadden aangesteld. Voor mij was één passage bijzonder belangrijk. Het Europees Parlement erkende dat Europa sinds de aanvallen van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 en de daaropvolgende conflicten in het Midden-Oosten een aanzienlijke toename heeft gekend van haatincidenten en gewelddaden tegen Joden. Ondanks die erkenning besloot de Commissie verzoekschriften mijn dossier niet verder te behandelen. Zij stelde dat een specifieke en juridisch bindende status van “beschermd volk” een duidelijke basis in de Europese Verdragen vereist. Ook de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid moesten volgens de commissie worden nageleefd.
Ik ben niet tevreden met dat antwoord
Ik wil daar geen onduidelijkheid over laten bestaan. Ik ben niet tevreden met deze uitkomst. Ik ben diep en politiek teleurgesteld. Ik had verwacht dat Europa verder zou gaan in de bescherming van het Joodse volk, Joodse burgers, Joodse instellingen, Joodse religieuze gebruiken en de continuïteit van het Joodse leven. Ik begrijp dat de Europese Unie alleen mag handelen binnen de bevoegdheden die haar door de Verdragen zijn toegekend. Ik begrijp eveneens dat een nieuwe bindende status een passende rechtsgrondslag, een institutionele procedure en democratische controle vereist. Maar volgens mij mag het vaststellen van een juridische hinderpaal niet het einde van een politieke discussie betekenen. Het zou het begin moeten zijn van een ernstig onderzoek naar alternatieven. Wanneer een instelling vaststelt dat de gevraagde rechtsgrondslag vandaag niet bestaat, mag de enige volgende vraag niet luiden of het dossier kan worden gesloten. Ik verwachtte dat men ook zou onderzoeken of de nodige rechtsgrondslag kan worden gecreëerd, of bestaande bepalingen ambitieuzer kunnen worden gebruikt en of een alternatief instrument dezelfde bescherming kan bieden. Ik verwachtte vragen over bindende Europese minimumnormen, vaste financiering, strafrechtelijke handhaving, bescherming van religieuze gebruiken en Europese samenwerking tegen grensoverschrijdende haat. Het Parlement hoefde mijn precieze voorstel niet zonder kritiek te aanvaarden. Het had wel ernstig kunnen onderzoeken welke andere instrumenten mogelijk zijn. Juist daarover gaat mijn teleurstelling.
Een juridische beperking moet het onderzoek openen
Ik vind dat de Europese Commissie om een grondige juridische en beleidsmatige analyse had kunnen worden gevraagd. Men had kunnen onderzoeken welke mogelijkheden reeds bestaan binnen het Europese grondrechtenbeleid, de strijd tegen discriminatie, de samenwerking tegen haatmisdrijven, de vrijheid van godsdienst en de Europese veiligheidsprogramma’s. Het Europees Parlement had hoorzittingen kunnen organiseren met Joodse organisaties, grondrechtendeskundigen, juristen, onderzoekers, leerkrachten, politiediensten, veiligheidsdeskundigen en slachtoffers van antisemitische feiten. Het had kunnen nagaan of er een permanent Europees financieringsinstrument kan komen voor de beveiliging van Joodse scholen, synagogen, culturele instellingen en publieke evenementen. Het had kunnen bekijken of Europese minimumnormen voor de bescherming van gebedshuizen en minderheidsscholen mogelijk zijn. Het had de nationale strategieën kunnen toetsen aan de ervaringen van Joodse burgers. Voelen zij zich werkelijk veiliger? Worden meldingen ernstig onderzocht? Volgt er vervolging wanneer feiten aantoonbaar zijn? Kunnen kleinere Joodse organisaties dezelfde bescherming krijgen als grotere instellingen? Wordt de veiligheid van een Joodse school gezien als een publieke verantwoordelijkheid of als een rekening die de school zelf moet betalen? Geen enkele van die vragen vereist dat mijn voorgestelde term onmiddellijk wordt aangenomen. Ze vereisen alleen dat de instellingen bereid zijn de kwestie ernstig te onderzoeken.
De term beschermd volk mag kritisch worden bekeken
Ik weet dat de uitdrukking “beschermd volk” vragen oproept. Joden in Europa zijn burgers van de landen waarin zij leven. Zij zijn geen buitenlandse gasten die afhankelijk zijn van de verdraagzaamheid van een ontvangende staat. Een bijzondere juridische categorie kan onbedoeld de indruk wekken dat hun burgerschap uitzonderlijk of voorwaardelijk is. Zij kan het beeld versterken dat Joden blijvende buitenstaanders zijn. Dat zou precies ingaan tegen mijn bedoeling. Een dergelijke status zou regeringen ook de mogelijkheid kunnen geven zichzelf te prijzen omdat zij Joden “beschermen”, terwijl zij onvoldoende optreden tegen de politieke en maatschappelijke oorzaken waardoor die bescherming nodig is. Er bestaat bovendien een risico dat Joods leven permanent wordt bekeken als een veiligheidsprobleem. Ik wil niet dat de toekomst van Joods leven wordt teruggebracht tot camera’s, slagvaste deuren, hekken en gewapende bewaking. Daarom aanvaard ik dat mijn voorgestelde terminologie kritisch wordt onderzocht. Ik beweer niet dat één juridische term alle vragen oplost. Wat ik niet aanvaard, is dat kritiek op de term wordt gebruikt om de onderliggende beschermingsvraag terzijde te schuiven. Wanneer “beschermd volk” juridisch of politiek niet geschikt blijkt, moet Europa een ander instrument zoeken dat in de praktijk dezelfde veiligheid en rechtszekerheid biedt.
Formele gelijkheid is voor mij niet genoeg
Formele gelijkheid zegt dat ieder kind recht heeft op onderwijs. Werkelijke gelijkheid vraagt waarom een Joods kind bewakers, versterkte deuren en toegangscontroles moet passeren om de klas te bereiken. Formele gelijkheid zegt dat iedere burger vrijheid van godsdienst heeft. Werkelijke gelijkheid vraagt of een Joodse man zijn keppel zonder angst op straat kan dragen. Formele gelijkheid zegt dat iedere religieuze organisatie een gebedshuis mag openen. Werkelijke gelijkheid vraagt waarom een synagoge politie, cameratoezicht, particuliere beveiliging en noodprocedures nodig heeft. Ik vind niet dat iedereen onder alle omstandigheden exact dezelfde maatregelen moet krijgen. Ik vind dat iedereen zijn rechten onder redelijk vergelijkbare veiligheidsvoorwaarden moet kunnen uitoefenen. Wanneer één groep een aantoonbaar groter risico draagt, zijn aangepaste maatregelen geen voorkeursbehandeling. Ze maken gelijke rechten praktisch bruikbaar. Een persoon die ernstig wordt bedreigd, kan politiebescherming krijgen zonder dat daarmee wordt beweerd dat zijn leven belangrijker is dan het leven van andere mensen. De overheid erkent dan dat een concreet verschil in gevaar een aangepast antwoord vereist. Voor mij moet hetzelfde beginsel kunnen gelden wanneer een herkenbare bevolkingsgroep langdurig en aantoonbaar wordt geconfronteerd met bedreiging, geweld en terreurrisico’s.
De beveiliging van Joodse instellingen is een overheidstaak
Een van de meest tastbare onderdelen van mijn voorstel betreft de financiering van veiligheid. Wanneer een synagoge zelf bewakers moet betalen om te kunnen openen, wordt een deel van de kostprijs van de godsdienstvrijheid doorgeschoven naar de gelovigen. Wanneer een Joodse school geld uit haar onderwijsbudget moet besteden aan camera’s, deuren, toegangssystemen en veiligheidsmensen, krijgt het gelijke recht op onderwijs een bijkomende financiële drempel. Wanneer een culturele organisatie eerst de beveiligingskosten moet berekenen voordat zij een evenement aankondigt, wordt culturele vrijheid afhankelijk van financiële draagkracht. Ik vind tijdelijke subsidies ontoereikend wanneer de dreiging niet tijdelijk is. Noodfondsen zijn geen geschikt antwoord wanneer beveiliging een vaste operationele noodzaak is geworden. Een kleinere Joodse organisatie mag niet minder veilig zijn omdat zij minder leden, inkomsten of donoren heeft. Structurele overheidsfinanciering betekent niet dat de overheid de leiding van Joodse instellingen moet overnemen. Het betekent dat de staat zijn verantwoordelijkheid aanvaardt om grondrechten werkelijk bruikbaar te maken. Joodse organisaties mogen niet worden gedwongen te kiezen tussen onderwijs, religie, cultuur, jongerenwerking en veiligheid. Wanneer de staat weet dat een bevolkingsgroep met een specifieke en terugkerende dreiging wordt geconfronteerd, moet hij een gepast deel van de beveiligingskosten dragen.
Beveiliging alleen is geen einddoel
Tegelijk wil ik geen Europa waarin iedere Joodse instelling permanent op een bunker lijkt. Een samenleving die alleen hekken, camera’s en bewakers plaatst, heeft het antisemitisme niet opgelost. Zij probeert het gevaar te beheersen. Die beveiliging is nodig zolang het risico bestaat, maar zij mag niet het enige antwoord worden. Mijn doel is niet dat Joods leven voor altijd achter zwaar beveiligde deuren plaatsvindt. Mijn doel is dat Joodse burgers hun rechten kunnen uitoefenen zonder die uitzonderlijke bescherming nodig te hebben. Dat vraagt onderwijs, preventie, digitaal toezicht, degelijk politiewerk, vervolging van strafbare feiten en duidelijke politieke grenzen. Het vraagt ook dat bestuurders antisemitisme benoemen, ongeacht de ideologische hoek waaruit het afkomstig is. Antisemitisme komt voor binnen extreemrechts nationalisme, religieus extremisme, complotdenken en politieke milieus waarin kritiek op Israël overgaat in collectieve vijandigheid tegenover Joden. Ik vind dat de veiligheid van Joodse burgers belangrijker moet zijn dan de politieke terughoudendheid om de bron van een dreiging te benoemen.
Antisemitisme reist over grenzen
Antisemitische theorieën, beelden en beschuldigingen blijven niet binnen één land. Digitale platformen kunnen een leugen die op één plaats ontstaat binnen korte tijd in verschillende talen verspreiden. Een complottheorie kan worden overgenomen, aangepast en gericht tegen Joodse burgers in andere landen. Een politiek of militair incident in het Midden-Oosten kan bijna onmiddellijk gevolgen hebben voor mensen in Brussel, Parijs, Amsterdam, Berlijn of andere Europese steden. Joodse scholen, synagogen, cultuurhuizen en individuele burgers kunnen het doelwit worden van woede over beslissingen waarop zij geen enkele invloed hebben. Dat grensoverschrijdende karakter is voor mij een belangrijke reden waarom Europa een rol moet opnemen. Lidstaten blijven verantwoordelijk voor politie, justitie, onderwijs en plaatselijke veiligheid, maar de Europese Unie kan normen ontwikkelen, financiering voorzien, gegevensuitwisseling verbeteren en lidstaten aanspreken op gebrekkige uitvoering. Het aantal strategieën en aangestelde coördinatoren zegt weinig wanneer ik niet weet of een Joods kind veiliger naar school kan, of een bedreiging ernstig wordt onderzocht en of een antisemitisch misdrijf werkelijk wordt vervolgd.
Joodse burgers zijn geen vertegenwoordigers van Israël
Ik vind het noodzakelijk om een helder onderscheid te maken tussen legitieme kritiek op Israël en het collectief verantwoordelijk stellen van Joden. Iedere regering mag worden bekritiseerd. Ook de Israëlische regering moet publiek kunnen worden ondervraagd over oorlog, militair optreden, nederzettingen, mensenrechten, wetgeving en politieke keuzes. De bescherming van Joodse burgers mag niet worden gebruikt om journalistiek onderzoek of politieke kritiek onmogelijk te maken. Maar kritiek op Israël rechtvaardigt geen beschuldigingen tegen Joodse burgers in België, Nederland, Frankrijk of andere landen. Een synagoge is geen ambassade. Een Joodse school is geen militaire installatie. Een Joods kind is geen vertegenwoordiger van een buitenlandse regering. Iemand die een davidster draagt, is geen legitiem doelwit voor woede over een internationaal conflict. Ik verwerp de gedachte dat Joodse burgers eerst een politieke test moeten afleggen voordat hun veiligheid als een recht wordt erkend. Zij hoeven niet iedere beslissing van een Israëlische regering te verdedigen, af te wijzen of uit te leggen. Een Belgische Jood is een Belgische burger. Een Nederlandse Jood is een Nederlandse burger. Een Franse Jood is een Franse burger. Joodse identiteit maakt niemand tot diplomatieke vertegenwoordiger van Israël.
Europa moet onderwijs geven over levende Joden
Ik beschouw degelijk onderwijs over de Holocaust als onmisbaar. Europa moet blijven uitleggen hoe eeuwen van religieuze vooroordelen, uitsluiting, juridische achterstelling, complottheorieën en ontmenselijking konden uitmonden in systematische vervolging en industriële massamoord. De Holocaust mag niet worden herleid tot één jaarlijkse plechtigheid of enkele pagina’s in een handboek. Maar ik wil evenmin dat Joden in het onderwijs bijna uitsluitend verschijnen wanneer zij worden uitgesloten, gedeporteerd en vermoord. Leerlingen moeten het Jodendom ook leren kennen als een levende religie en als een veelzijdige beschaving. Zij moeten kennis kunnen maken met Joodse filosofie, literatuur, wetenschap, muziek, politieke ideeën, familiegebruiken, culturele tradities en de verscheidenheid van het hedendaagse Joodse leven. Een leerling die alleen leert hoe Joden stierven, begrijpt een wezenlijk hoofdstuk van de Europese geschiedenis. Een leerling die ook leert hoe Joden leven, geloven, werken, denken en bijdragen aan de samenleving, zal hen eerder herkennen als burgers van het heden. Ik vind dat Europa niet geloofwaardig kan spreken over het bevorderen van Joods leven wanneer de vermoorde Jood ruime aandacht krijgt, maar de levende Jood weinig wordt gekend of fysieke bescherming nodig heeft om zichtbaar te blijven.
Herdenken zonder beschermen is voor mij niet genoeg
De woorden “Nooit meer” worden vaak uitgesproken tijdens toespraken, plechtigheden en herdenkingsdagen. Voor mij verliezen zij hun betekenis wanneer zij niet worden vertaald in beleid. Een herdenking vervangt niet de veiligheid van een kind aan de ingang van een Joodse school. Een parlementaire resolutie vervangt niet het onderzoek en de vervolging van een antisemitisch misdrijf. Een strategie vervangt niet de vrijheid om zonder angst een keppel te dragen. Een coördinator vervangt niet de zekerheid dat een bedreiging ernstig wordt geregistreerd en opgevolgd. Wanneer ik zeg dat “Nooit meer” een dagelijkse politieke en burgerlijke opdracht moet zijn, bedoel ik concrete maatregelen. Ik bedoel budgetten, beveiliging, onderwijs, politiewerk, digitale handhaving, justitiële opvolging en bestuurlijke verantwoordelijkheid. De waardigheid waarmee Europa vermoorde Joden herdenkt, blijft belangrijk. De geloofwaardigheid van die herinnering hangt voor mij ook af van de manier waarop levende Joden worden beschermd.
Ik wil Joodse bescherming niet tegenover andere minderheden plaatsen
Mijn voorstel betekent niet dat uitsluitend Joodse burgers bescherming verdienen. Ik verdedig ook de rechten van andere bevolkingsgroepen die met aantoonbare dreiging, discriminatie of geweld worden geconfronteerd. Het erkennen van de specifieke aard van antisemitisme betekent niet dat racisme, moslimhaat, antiziganisme, geweld tegen christenen, haat tegen lhbtiq-personen of andere vormen van vervolging minder ernstig zouden zijn. Universele rechten en gerichte maatregelen hebben volgens mij verschillende functies. Universele rechten leggen vast welke vrijheden iedereen bezit. Gerichte maatregelen reageren op de concrete hindernissen die bepaalde groepen beletten die vrijheden veilig te gebruiken. Een democratische rechtsstaat moet verschillende dreigingen kunnen herkennen zonder de waarde van mensen te rangschikken. Tegelijk mag algemene taal over discriminatie niet worden gebruikt om de eigen werking van antisemitisme uit beeld te duwen. Antisemitisme heeft een lange geschiedenis, terugkerende beelden en een vermogen om zich aan uiteenlopende ideologieën aan te passen. Wie het doeltreffend wil bestrijden, moet die eigen kenmerken durven benoemen.
Strategieën zijn geen resultaten
Het Europees Parlement verwees in zijn antwoord naar 23 nationale strategieën en 20 bijzondere gezanten of coördinatoren. Ik erken dat die structuren nuttig kunnen zijn. Zij bewijzen echter niet dat Joodse burgers werkelijk veiliger zijn. Ik wil weten of antisemitische feiten in alle lidstaten degelijk worden geregistreerd. Ik wil weten of meldingen ernstig worden onderzocht en of strafbare feiten tijdig worden vervolgd. Ik wil weten of scholen, synagogen en culturele instellingen vaste en voorspelbare steun krijgen. Ik wil weten of kleine Joodse organisaties dezelfde bescherming kunnen krijgen als grote instellingen. Ik wil weten of leerkrachten voldoende kennis hebben om hedendaagse antisemitische beelden te herkennen. Ik wil weten of online aanzetten tot haat snel wordt aangepakt. Ik wil vooral weten of Joodse burgers zelf worden betrokken bij de beoordeling van maatregelen die hen rechtstreeks raken. Een strategie is een instrument. Een coördinator is een instrument. Een actieplan is een instrument. De echte uitkomst is de mate waarin mensen veiliger kunnen leren, werken, bidden, reizen en deelnemen aan het openbare leven.
De vraag die Europa onbeantwoord liet
De officiële reactie op mijn verzoekschrift erkent de ernst van antisemitisme. Zij verwijst naar grondrechten, godsdienstvrijheid en bescherming tegen discriminatie. Zij noemt de Europese strategie en erkent een aanzienlijke stijging van haat en geweld tegen Joden. Daarna wordt mijn dossier gesloten omdat de voorgestelde status een duidelijke basis in de Verdragen vereist. Daardoor blijft voor mij één vraag centraal staan: kunnen Joodse burgers overal in de Europese Unie veilig, vrij en zichtbaar als Jood leven? Ik houd niet koppig vast aan één juridische term wanneer deskundigen een beter instrument kunnen voorstellen. Misschien is een andere juridische constructie doeltreffender. Misschien kan bescherming beter worden geregeld via bindende veiligheidsnormen, vaste financiering, strafrechtelijke verplichtingen, onderwijsregels en sterkere handhaving. Ik aanvaard kritiek op mijn voorstel. Ik aanvaard juridisch debat. Ik aanvaard vragen over mogelijke onbedoelde gevolgen. Wat ik niet aanvaard, is dat het vaststellen van een juridisch probleem wordt voorgesteld als een passend antwoord op een dreiging die het Parlement zelf ernstig noemt.
Ik vraag Europa om verder te gaan dan het beheer van gevaar
Voor mij bestaat er een belangrijk verschil tussen het beheren van een dreiging en het beschermen van een recht. Beheer betekent dat scholen, synagogen en culturele instellingen steeds betere hekken, camera’s en deuren krijgen. Bescherming betekent ook dat Europa optreedt tegen de oorzaken waardoor die veiligheidsmaatregelen nodig zijn. Beheer telt bewakingscamera’s en politie-uren. Bescherming vraagt daarnaast onderwijs, vervolging van haatmisdrijven, politieke duidelijkheid en een maatschappelijke cultuur waarin Joodse burgers niet worden behandeld als buitenstaanders of vertegenwoordigers van Israël. Beheer kan vandaag nodig zijn om mensen veilig te houden. Het mag niet het enige toekomstbeeld worden. Een Europees beleid voor Joods leven moet uiteindelijk worden beoordeeld op de ruimte die Joodse burgers krijgen om zonder angst aan het dagelijkse leven deel te nemen, niet op de hoogte van de hekken rond hun instellingen.
Mijn persoonlijke conclusie
Ik diende Verzoekschrift 2621/2025 in omdat ik vind dat Europa verder moet kijken dan verklaringen, strategieën en herdenkingen. Ik vraag niet dat Joodse burgers boven andere burgers worden geplaatst. Ik vraag dat Europa ernstig onderzoekt welke maatregelen nodig zijn om dezelfde rechten ook werkelijk veilig te kunnen gebruiken. Wanneer het Europees Parlement zelf erkent dat haat en geweld tegen Joden zijn toegenomen, mag een ontbrekende rechtsgrondslag geen eindpunt zijn. Zij moet aanleiding geven tot juridisch onderzoek, nieuwe voorstellen, vaste middelen en politieke verantwoordelijkheid. Voor mij heeft “Nooit meer” pas betekenis wanneer levende Joden niet hoeven te kiezen tussen zichtbaarheid en veiligheid.
Bronnen:
Officiële brief van de voorzitter van de Commissie verzoekschriften over Verzoekschrift 2621/2025, referentie D 102660 van 24 juni 2026.
Achtergrondtekst over Verzoekschrift 2621/2025 en de reactie van het Europees Parlement.
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


