In de winkel van Willy Deruytter staat een eeuw op de toonbank

13 juli 2026
Op maandag 13 juli 2026 staat Willy Deruytter achter de toonbank van zijn winkel in Diksmuide. Hij is enkele weken voordien 87 jaar geworden. De zaak begon in 1963, toen hij 24 was. Sindsdien zag hij de televisie in de huiskamer verschijnen, zag hij Belgische elektronicamerken groot worden en verdwijnen, zag hij klanten oud worden, winkels sluiten en het internet een aanzienlijk deel van de handel overnemen. Toch verkoopt hij nog altijd wasmachines, naaimachines, scheerapparaten en strijkijzers. De winkel is zijn werkplek, zijn geheugen en zijn dagelijkse reden om de deur te openen. “Je moet een doel hebben”, zegt hij. “Anders zet je een stap achteruit. Dan zeg je: ik ben oud. En nu zeg ik: ik voel me drie maal zeven.”
De man die zijn leeftijd anders telt
Deruytter werd geboren op 27 juni 1939. Wie hem naar zijn leeftijd vraagt, krijgt niet meteen een cijfer. “Je mag raden. Ik ben nog maar verjaard”, antwoordt hij. Wanneer het getal 87 uiteindelijk valt, klinkt het bijna als een administratief detail. Zelf rekent hij liever anders. Drie maal zeven. Het is geen ontkenning van zijn leeftijd. Hij weet zeer goed dat zijn lichaam, zijn geheugen en zijn werkritme niet hetzelfde zijn als vroeger. Hij maakt er ook geen drama van. Hij weigert alleen om ouderdom als een bevel tot stilstand te aanvaarden. De winkel helpt hem daarbij. Ze verplicht hem om op te staan, de deur te openen, een klant te ontvangen en nog ergens voor nodig te zijn. “Je moet een doel hebben.” Die korte zin verklaart waarom iemand die al lang met pensioen zou kunnen zijn nog tussen naaimachines, oude televisies, dozen, kabels en kleine huishoudtoestellen zit. Hij wil naar eigen zeggen doorgaan tot zijn honderdste. Het wordt lachend verteld, maar niet helemaal als grap. “Ik doe nog tot honderd”, zegt hij. De winkel is geen poging om 1963 opnieuw te laten beginnen. Ze is zijn manier om in 2026 aanwezig te blijven.
Een winkel die in 1963 begon
Toen Deruytter zijn zaak in 1963 opende, was hij 24 jaar. De consumptiemaatschappij stond nog aan het begin van een periode waarin elektrische apparaten het huishouden ingrijpend zouden veranderen. Een televisie was geen dun scherm dat na enkele jaren werd vervangen. Het was een kostbaar meubelstuk, een technisch voorwerp en voor veel gezinnen een venster op een wereld die voordien alleen via radio, krant en bioscoop binnenkwam. Een handelaar verkocht zo’n toestel niet alleen. Hij leverde het, stelde het af, legde het uit en kwam terug wanneer er iets niet werkte. Herstelling was geen bijkomende dienstverlening. Herstelling was een belangrijk deel van het vak. Deruytter kwam terecht in een periode waarin een elektronicus de binnenkant van een toestel nog werkelijk moest begrijpen. Hij leerde fouten zoeken, onderdelen herkennen en defecten herstellen. Een kapotte televisie betekende niet dat het hele toestel waardeloos was. Het betekende dat iemand moest uitzoeken wat er precies misging. Die manier van werken paste bij een tijd waarin apparaten duur waren, vakkennis plaatselijk beschikbaar was en de afstand tussen verkoper, hersteller en klant klein bleef. Vandaag zijn die rollen vaak van elkaar gescheiden. De klant bestelt online, de levering gebeurt door een transportfirma en bij een defect volgt een callcenter, een retourprocedure of de aankoop van een nieuw toestel. Deruytter vat het verschil eenvoudig samen: “Vroeger maakten ze iets dat levenslang meeging en nu maken ze iets dat kapotgaat.”
Van de fiets met de kar tot de Ford Anglia
Zijn leven begon in een gezin dat de ontwikkeling van het vervoer van dichtbij meemaakte. Zijn vader werkte aanvankelijk met een fiets en een kar. Dat was geen romantisch beeld, maar dagelijkse arbeid. Goederen moesten worden vervoerd met wat beschikbaar en betaalbaar was. “Mijn vader is begonnen met zijn baan met zijn fiets”, vertelt Deruytter. “Hij heeft nooit een machine geleased, maar reed met zijn fiets en met een kar achterop.” Daarna volgde een kleine Gillet-motorfiets. Later kwam er een Norton, vervolgens een zijspan en uiteindelijk een tweedehands Ford Anglia. Iedere stap betekende een verandering in bereik, snelheid en mogelijkheden. Deruytter spreekt over die opeenvolging alsof hij een oude familiefilm afspeelt: eerst de benen, daarna een kleine motor, vervolgens een zwaardere motorfiets en ten slotte de auto. Hij zag ook zijn eigen vervoermiddelen veranderen. Er waren eenvoudige wagens met kleine motoren, daarna een Opel, een Nissan en uiteindelijk een Dacia. Het zijn geen losse automerken in zijn verhaal. Ze vormen een meetlat voor de stijgende welvaart en de toegenomen mobiliteit. Een leven waarin zijn vader met een fiets en een kar begon, komt uit bij een tijd waarin mensen spreken over vliegende drones die personen zouden kunnen vervoeren.
De generatie die alles zag komen
Deruytter behoort tot de generatie die als kind nog in de schaarste van de oorlogsjaren leefde en als jongeman getuige werd van een technische versnelling die nauwelijks te vergelijken is met wat eraan voorafging. “We hebben de beste tijd gehad. Alles is uitgekomen”, zegt hij. “Mijn vader is begonnen met zijn fiets. Maar alles is geëvolueerd. Na de Tweede Wereldoorlog is alles uitgekomen. De radar, de televisie. Ik heb al die nieuwigheden meegemaakt.” Het is een uitspraak die niet voortkomt uit wetenschappelijke geschiedschrijving, maar uit persoonlijke ervaring. De wereld van zijn jeugd en die van zijn ouderdom lijken soms uit verschillende eeuwen afkomstig. In zijn jeugd was een auto niet vanzelfsprekend. In zijn beroepsleven werd televisie een massaproduct. Later kwamen kleurentelevisie, afstandsbediening, video, digitale ontvangst, platte schermen, computers, mobiele telefoons en onlinewinkels. Hij zag apparaten kleiner, lichter en goedkoper worden. Tegelijk zag hij hoe het herstelbare toestel plaatsmaakte voor een product waarvan een defect vaak het einde betekent. “Ik heb de goede tijd gehad”, zegt hij. “Maar als je nu moet beginnen, ik zou nu niet meer willen beginnen.” Het is geen klacht van iemand die verandering weigert. Het is de vaststelling van een vakman dat zijn kennis ontstond in een technisch systeem dat grotendeels verdwenen is.
De jaren van SBR en Barco
Aan de muur bevinden zich sporen van een periode waarin Belgische elektronicamerken voor werk, opleiding en vakmanschap zorgden. Deruytter werkte onder andere met televisies van SBR en Barco. Van woensdag 26 september tot dinsdag 9 oktober 1979 volgde hij in Kuurne een specialisatiecursus met praktijkstage bij Barco. Hij werd opgeleid als specialist voor het kleurentelevisiechassis 3200 PAL BG. Een ander attest erkende zijn technische bekwaamheid voor de SBR-chassis KT3 en K30 in de jaren 1980 en 1981. Zulke chassisnummers klinken vandaag als codes uit een verdwenen technisch dialect. Voor de hersteller van toen waren ze dagelijkse werkelijkheid. Een toestel werd geopend. Metingen werden uitgevoerd. Onderdelen werden gecontroleerd. De oorzaak van het defect moest worden gevonden. “SBR en Barco”, zegt Deruytter. Daarna volgt een korte vaststelling: “Dat is allemaal gedaan.” In die paar woorden zit de geschiedenis van een sector. De merken verdwenen, de productie verhuisde of stopte en de plaatselijke hersteller verloor geleidelijk het technische ecosysteem waarop zijn beroep steunde. Wat bleef, is de kennis en het besef dat een toestel ooit gemaakt werd met de bedoeling dat iemand het opnieuw aan de praat kon krijgen.
Een televisie van beton
Deruytter gebruikt geen voorzichtige technische formulering wanneer hij oude en nieuwe apparaten vergelijkt. “Vroeger was een televisie van beton gemaakt”, zegt hij. Hij bedoelt dat oude televisies zwaar, stevig en herstelbaar waren. Ze namen veel plaats in, verbruikten stroom en waren technisch verre van eenvoudig, maar een geschoolde hersteller kon erin werken. “Nu is dat veel properder, maar veel moeilijker. Nu kun je het vervangen.” Het moderne toestel ziet er strakker uit en weegt minder, maar bij een defect wordt vaak niet meer gezocht naar één weerstand, verbinding of onderdeel. Een module wordt vervangen of het hele toestel wordt afgeschreven. Voor iemand die zijn vak leerde door fouten op te sporen, blijft dat een moeilijke omkering. “Ik heb ervoor geleerd”, zegt hij wanneer het gesprek op herstellen komt. Tegelijk beweert hij niet dat hij alle hedendaagse technologie nog beheerst. Jonge technici stellen vragen over nieuwe systemen, programma’s en onderdelen die niet meer behoren tot de wereld waarin hij werd opgeleid. “Dan komen die jonge gasten hier: heb je dat niet en dat niet? Ik zeg: ik weet niet wat je zegt.” Hij vertelt het zonder grootspraak. Hij heeft zijn periode gekend, zijn vak geleerd en zijn klanten geholpen. Hij weet ook dat iedere technische generatie haar eigen taal spreekt.
De klanten werden oud en hij werd het ook
De klantenkring veranderde samen met de stad. “Mijn vroegere klanten waren de oudere mensen”, zegt Deruytter. “Vroeger keek ik naar de oudere mensen en nu moet ik naar beneden kijken naar dezelfde oudere mensen. Ik ben zelf een oude mens geworden.” De zin is geestig, maar ook precies. De jonge handelaar van 24 hielp klanten die destijds ouder waren dan hij. Meer dan zestig jaar later behoren die eerste klanten tot het verleden en is hij zelf degene geworden naar wie jongere mensen als oude handelaar kijken. Toch bestaat zijn cliënteel niet uitsluitend uit leeftijdsgenoten. Jongeren komen eveneens binnen, maar vaak op een andere manier dan vroeger. “De jonge mensen kopen alles op internet en dan komen ze naar mij voor het fiche.” Het product werd elders gekocht, maar de vraag om uitleg, een passend onderdeel of praktische hulp komt nog bij de plaatselijke vakman terecht. Daarin zit een wrange verschuiving. De omzet gaat naar grote onlinebedrijven, terwijl het tijdrovende menselijke probleem bij de kleine winkel belandt. Deruytter zegt het zonder economische theorie. Hij ziet gewoon wat er door de deur binnenkomt.
Naaimachines als laatste sterke artikel
Er worden nog steeds wasmachines verkocht. “Dat gebeurt om de haverklap”, zegt hij. Ook scheerapparaten en strijkijzers blijven deel uitmaken van de winkel. Toch zijn het vooral de naaimachines die hem nog een duidelijke plaats in de lokale handel geven. “Naaimachines, dat is mijn beste artikel. Er is weinig concurrentie en de mensen kunnen niet naaien.” Hij bedoelt niet dat niemand meer een naad kan stikken. Hij ziet vooral dat veel mensen hun machine onvoldoende kennen. Ze gebruiken het toestel te weinig om vertrouwd te raken met de instellingen, de draadspanning, de spoel of de verschillende steken. Daardoor wordt een machine soms als defect binnengebracht terwijl er technisch weinig aan mankeert. “Op het moment dat ze met een naaimachine komen, is er in principe niets mis mee. Maar ze kennen de machine niet, omdat ze niet genoeg naaien.” De oplossing is dan geen duur onderdeel. Het is uitleg. Iemand moet tonen hoe de draad loopt, welke knop waarvoor dient en waarom de machine niet doet wat de gebruiker verwacht. Dat is precies het soort dienst dat moeilijk in een verzenddoos past. Deruytter verkoopt in zulke momenten niet alleen een apparaat of een herstelling. Hij verkoopt tijd, kennis en geduld.
Cecile reed naar Barco en SBR
Wie over de winkel spreekt, komt onvermijdelijk bij zijn vrouw Cecile terecht. Zij overleed bijna twintig jaar geleden. Deruytter noemt haar herhaaldelijk “een goede vrouw”. Niet als automatische formule, maar als oordeel na een gedeeld leven. “Ik had een goede vrouw. Beter kon ik niet hebben.” Cecile reed graag met de auto. Ze was opgegroeid bij een textielwinkel in Woumen en ging vroeger naar Roeselare om materiaal te halen. Na haar huwelijk bleef ze zelfstandig onderweg. Wanneer televisies naar Barco of SBR moesten, bracht zij de toestellen weg of ging ze na of herstellingen klaar waren. Soms nam ze enkele Duvels mee voor de technici. Deruytter vertelt hoe zij kon binnenkomen en met de vanzelfsprekendheid van iemand die wist wat ze wilde, kon laten verstaan dat het werk die dag afgehandeld mocht worden. “Zij bracht een paar Duvels mee voor die mensen. De televisies waren hersteld.” Het verhaal wordt met een glimlach verteld, maar de betekenis gaat verder. Cecile hielp de winkel functioneren zonder haar eigen bewegingsruimte te verliezen. “Haar vrijheid van vroeger heeft ze verder kunnen vieren met mij. Die is niet gehalveerd.”
Liefde was elkaar vrijheid geven
Vrijheid is het woord waar Deruytter telkens naar terugkeert. Hij gebruikt het wanneer hij over vogels spreekt, over vliegtuigen, over zijn huwelijk, over reizen en zelfs over zijn kijk op de dood. “Liefde is elkaar vrijheid geven”, zegt hij. Hij en Cecile kozen bewust voor een leven zonder kinderen. Voor hen hoorde die beslissing bij de mogelijkheid om te vertrekken wanneer ze wilden en hun tijd zelf in te delen. Hij stelt die keuze niet voor als de enige juiste. Het was hun keuze. “We zijn vrij geweest. We hebben een goed leven gehad samen.” Wanneer hij vertelt over vrouwen die vroeger in zijn winkel een televisie kwamen kopen maar zelf niet over het geld mochten beschikken, wordt hij duidelijker. Soms moest de echtgenoot later langskomen om te betalen. “Die vrouw is gekortwiekt. Dat is geen liefde.” Voor Deruytter betekende een huwelijk niet dat de ene partner de andere kleiner maakte. Cecile hield van autorijden en bleef rijden. Hij hield van vliegen en zij moedigde hem aan. Zij gaven elkaar ruimte en bleven tegelijk een paar. Dat is de formule waarop hij na al die jaren terugkijkt.
De lege autoweg naar Frankrijk
Het echtpaar reisde graag naar Frankrijk, bij voorkeur in juni, voordat de grote vakantiedrukte begon. Deruytter herinnert zich autowegen waarop nauwelijks verkeer reed. “De autostrade was voor ons praktisch alleen”, zegt hij. “Mijn vrouw vroeg: waarom rijd je zo traag? Ik reed 120, maar je voelde die snelheid niet, omdat er geen verkeer was.” Na een lange rit naar Zuid-Frankrijk kwamen ze volgens hem minder uitgeput aan dan vakantiegangers die dezelfde route in het drukke juli-verkeer aflegden. Gedurende ongeveer vijftien jaar konden ze gebruikmaken van een verblijf in het zuiden. Die reizen staan in zijn geheugen als jaren waarin tijd, werk en vrijheid nog met elkaar in evenwicht waren. De winkel bestond, maar de winkel sloot hen niet volledig op. Zij vertrokken wanneer de grote stroom vakantiegangers nog thuis was. Cecile reed, Willy keek naar de lucht en beiden wisten dat ze geen schoolkalender hoefden te volgen. “We hadden maximum vrijheid”, zegt hij. De woorden klinken vandaag bijna groter dan het concrete reisverhaal. Ze vatten samen hoe hij zijn huwelijk en zijn beste jaren wil herinneren.
Het zetje dat hem de lucht in bracht
In de winkel staan en hangen modelhelikopters en vogels. Ze verwijzen naar een passie die verder ging dan verzamelen. Deruytter heeft zelf gevlogen. Toen hij samen met Cecile zweefvliegtuigen zag, merkte zij hoe enthousiast hij werd. Ze vroeg of hij het opnieuw zou willen doen. “Ja”, antwoordde hij, “maar ik moest een zetje krijgen.” Dat zetje kwam er. Hij betaalde een waarborg van ongeveer duizend Belgische frank en zat een week later in een zweefvliegtuig. “De volgende week zat ik al in de lucht.” Hij vloog een jaar en behaalde in Frankrijk een brevet. Hij vloog ook alleen. Wanneer hem gevraagd wordt wie dat mogelijk maakte, antwoordt hij onmiddellijk: “Dankzij mijn vrouw.” Voor Deruytter is vliegen niet in de eerste plaats een technische prestatie. Het is een lichamelijke ervaring van ruimte. Geen weg, geen kruispunt en geen file bepaalt de richting. “Vliegen, dat is vrijheid. Vrijheid.” Hij zegt het tweemaal, alsof één keer niet volstaat.
Boven een dorp in Zuid-Frankrijk
Tijdens de verblijven in Zuid-Frankrijk zag hij mannen met deltavleugels de hoogte opzoeken. Het landschap bood andere mogelijkheden dan het vlakke Vlaanderen. Wind die tegen een berghelling botst, wordt omhooggestuwd en kan een toestel langere tijd dragen. Deruytter begreep wat dat betekende. Geen korte vlucht waarbij men na enkele minuten opnieuw beneden staat, maar de mogelijkheid om langer in de lucht te blijven. Hij wilde het proberen. Eerst werd er gesproken over een groter toestel waarmee twee personen konden vliegen. Daarna ging het snel. “Ik heb daar gevlogen. Magnifiek! Je vliegt daar over een dorp en mijn vrouw ging met de auto naar beneden waar we landden.” Cecile volgde op de grond terwijl hij boven het landschap hing. Hij deed het verschillende keren. De herinnering is niet opgebouwd uit technische gegevens, hoogtes of afstanden. Het woord dat overblijft is “magnifiek”. Zijn droom was hoog vliegen. Niet om op anderen neer te kijken, maar om even los te komen van alles wat beneden grenzen oplegt.
Waarom hij een zeevogel zou willen zijn
De zeemeeuw in de winkel is voor Deruytter geen decoratie. De vogel belichaamt zijn idee van vrijheid. “De beste carrosserie die je kunt krijgen, is een zeevogel”, zegt hij. In zijn persoonlijke wereldbeeld is het leven niet noodzakelijk afgelopen wanneer het lichaam sterft. Hij spreekt over een volgende “carrosserie”, een andere vorm waarin een bestaan verdergaat. De zeevogel krijgt in dat denken de beste mogelijkheden. “Lucht, land, water, duiken in het water, duizend kilometer ver vliegen. Is het hier te warm, dan gaat hij waar het frisser is. Is het koud, dan gaat hij waar het warmer is. En niemand die er iets mag zeggen.” Voor hem is dat de hoogste vorm van bewegingsruimte. De vogel bezit geen grens, geen winkel, geen auto en geen woning, maar kan zich aanpassen en vertrekken. Hij leeft op het land, in het water en in de lucht. Deruytter noemt het een wereld waarin “alles van iedereen is, maar niets van iemand”. Zijn formuleringen zijn persoonlijk en soms onorthodox, maar ze passen bij de man die steeds opnieuw vrijheid tegenover bezit, dwang en stilstand plaatst.
De rekening na het leven
Zijn geloof is niet dat van iemand die beweert alle antwoorden te kennen. Hij probeert vooral een verklaring te vinden voor de vrijheid van mensen en het geweld dat zij elkaar aandoen. Wanneer iemand hem vroeg hoe een God oorlog en misdaad kan toelaten, formuleerde hij zijn eigen antwoord. “God komt er niet tussen. Hij laat ons gewoon doen. Hij laat ons vrij. Maar achteraf krijg je de rekening.” Vrijheid betekent in zijn denken dus geen afwezigheid van verantwoordelijkheid. Mensen kunnen handelen, maar dragen later de gevolgen. Wie anderen doodt en hun zuurstof ontneemt, verdient volgens hem niet de beweeglijkheid van een vogel. Hij gebruikt bomen als tegenbeeld. Zij leveren zuurstof en blijven op dezelfde plaats staan. “Alles in de schepping is een cirkel. Er is geen begin en er is geen einde. Wij denken dat het gedaan is. Nee, het is niet gedaan. Dat is een andere carrosserie. De carrosserie die je verdient.” Het is geen uitgewerkt theologisch systeem. Het is de levensbeschouwing van een handelaar die jarenlang machines opende om te begrijpen waarom ze niet meer werkten en die ook in het bestaan zoekt naar oorzaak, gevolg en herstel.
Het Bosje als aards paradijs
Op maandag is er markt in Diksmuide en is er doorgaans beweging in de stad. Toch blijft Deruytter niet noodzakelijk de hele dag in de winkel. In de namiddag trekt hij graag naar Oostende, naar het Maria Hendrikapark, dat hij het Bosje noemt. Samen met zijn vriendin neemt hij voer mee voor de dieren. “Daar komen de eenden uit het water gevlogen als ze mij zien.” Hij kent de ganzen en volgt hun jongen. “Twee koppels. Het ene heeft zes kuikens en het andere vijf. Altijd samen. Die komen uit mijn hand eten.” Het park noemt hij “ons aards paradijs”. Na tientallen jaren tussen toestellen, klanten en technische problemen vindt hij plezier in het eenvoudige feit dat dieren hem herkennen en naar hem toe komen. De winkel houdt hem actief, maar hij wil er niet meer iedere dag aan vastzitten. Zijn week is een onderhandeling tussen aanwezigheid en vrijheid. In theorie blijft hij enkele dagen thuis en gaat hij op andere dagen uit. Zaterdag is belangrijk omdat klanten dan vrij zijn. Zondag is opnieuw een dag om te vertrekken. Hij weet dat een klant die voor een gesloten deur staat misschien niet terugkomt. “Dan zeggen ze: het is gesloten. Ze komen niet meer.” Toch wil hij op zijn 87ste niet leven alsof hij nog een volledige handelsweek moet bewijzen.
De duif die terugkwam
Ook bij de winkel zelf zijn dieren aanwezig. Op de koer verblijft een duif die ooit werd opgevangen. Ze was een dag weg en kwam terug. “Ze heeft een dag geweten wat vrijheid is”, zegt Deruytter. Daarna koos ze opnieuw voor de plaats waar voedsel en beschutting beschikbaar waren. Op de koer liggen zaden. Andere duiven en kraaien komen langs. Voor Deruytter is het dier slim omdat het begrepen heeft waar het goed zit. “Ze is hier weer en ze loopt niet meer weg.” Het kleine verhaal past in zijn bredere visie. Vrijheid is belangrijk, maar vrijheid betekent niet noodzakelijk dat iemand altijd moet vertrekken. De duif kon weg en keerde terug. Dat verschil is voor hem wezenlijk. Achter het raam en tussen de oude apparaten ontstaat zo een eigenaardig klein domein waarin winkel, werkplaats en dierenverblijf naast elkaar bestaan.
De televisie van 25 euro
In de winkel staat nog een oudere televisie die voor 25 euro werd aangeboden en nog steeds functioneert. Het toestel is economisch bijna niets waard, maar vormt tegelijk een bewijsstuk. Het werkt. In een wereld waarin apparaten vaak worden vervangen omdat een nieuwer model dunner, sneller of groter is, blijft die televisie koppig beeld geven. Deruytter hoeft er geen betoog over duurzaamheid bij te leveren. Het voorwerp doet dat zelf. De televisie staat er zoals hijzelf achter de toonbank staat: oud volgens de kalender, maar nog niet buiten gebruik. Het is verleidelijk om er een gemakkelijke vergelijking van te maken, maar Deruytter heeft dat niet nodig. Hij heeft zijn hele leven apparaten beoordeeld op wat ze nog konden doen, niet uitsluitend op het jaar waarin ze werden gemaakt.
Een stad die haar winkels verliest
Wanneer het gesprek op Diksmuide komt, verdwijnt een deel van zijn lichtheid. Deruytter ziet handelszaken sluiten en vreest dat steeds minder winkels overblijven. “Altijd was hier een winkel. Al die winkels verdwijnen. Dat gaat hier een dode stad worden.” Hij wijst ook op verkeersingrepen, moeilijke doorgangen enz. Volgens hem moeten automobilisten soms wringen of een omweg maken. Zijn zorg gaat niet alleen over zijn eigen omzet. Een winkelstraat leeft doordat mensen er kunnen komen, blijven staan, binnenstappen en elkaar ontmoeten. Wanneer handelszaken verdwijnen, gaat ook een vorm van dagelijks contact verloren. De stad houdt gebouwen over, maar minder deuren waar iemand wordt begroet. Deruytter vergelijkt de ontwikkeling met andere plaatsen waar winkels verdwenen en vooral oudere inwoners achterbleven. Hij spreekt als iemand die gedurende ruim zestig jaar vanuit dezelfde zaak zag hoe het straatbeeld veranderde. Hij hoeft geen bezoekerscijfers te raadplegen om te weten wanneer er minder mensen langskomen. Hij merkt het aan de deur.
De internetklant en de verdwenen uitleg
De huidige handel is efficiënt zolang alles goed gaat. Een klant vergelijkt prijzen, klikt, betaalt en krijgt een pakket thuis. Maar de afstand tussen aankoop en uitleg is groot geworden. Deruytter ziet mensen binnenkomen met producten die zij elders kochten en niet begrijpen. Soms ontbreekt er een stekker, een aansluiting of een klein onderdeel. Soms is er niets defect en heeft de gebruiker alleen iemand nodig die de bediening uitlegt. De oude winkelier wordt dan de laatste persoon in een keten die niet voor zijn tijd betaalt. Toch helpt hij. Dat zit in de aard van de zaak. De winkel werd opgebouwd in een periode waarin verkoop zonder dienst onvolledig was. Wie een toestel verkocht, bleef aanspreekbaar. Wie het apparaat kende, legde uit hoe het werkte. Het internet heeft de aankoop losgemaakt van die relatie. Daardoor is de prijs zichtbaar geworden, maar de waarde van bereikbaarheid minder zichtbaar. Deruytter vat het samen in twee woorden die hij zelf belangrijk vindt: “Tot uw dienst.”
Drones, waterstof en de toekomst
Hoewel hij met warmte over oude televisies en vroegere reizen spreekt, kijkt Deruytter niet uitsluitend achterom. Modelhelikopters brengen hem bij drones. Hij begrijpt niet waarom toestellen die mensen kunnen vervoeren zo traag in het dagelijkse verkeer verschijnen. “Wat mij verwondert, is dat die drone zo traag op de markt komt. Je ziet nergens een drone voor personenvervoer. Ze bestaan wel, maar je ziet ze hier niet.” Voor iemand die zelf vloog, is het idee van een persoonlijk luchtvaartuig geen onbegrijpelijke fantasie. Hij vergelijkt het met een helikopter, die volgens hem veel moeilijker te besturen is. Ook over energie denkt hij verder dan zijn oude vak. Hij ziet mogelijkheden in waterstof die met elektriciteit uit zon en wind wordt geproduceerd. Zijn technische kennis behoort tot een vorige generatie, maar zijn nieuwsgierigheid is niet gestopt. De man die leerde werken aan Barco- en SBR-chassis blijft zich afvragen welke machines morgen het straatbeeld zullen bepalen.
Blij dat hij de beste tijd heeft gekend
Deruytter zegt meerdere keren dat hij blij is dat hij oud is. Dat klinkt vreemd in een tijd waarin ouderdom vaak als verlies wordt voorgesteld. Hij bedoelt niet dat lichamelijke achteruitgang prettig is. Hij bedoelt dat hij een periode heeft meegemaakt waarin veel mogelijk werd. “Ik ben blij dat ik oud ben en de beste tijd heb gehad.” Hij zag welvaart groeien, auto’s bereikbaar worden, televisies verschijnen en reizen eenvoudiger worden. Hij kon een zaak beginnen, een vak leren, klanten opbouwen, vliegen en met zijn vrouw naar Frankrijk trekken. Tegelijk zag hij hoe apparaten wegwerpproducten werden, hoe merken verdwenen en hoe lokale winkels terrein verloren. Zijn dankbaarheid is daarom niet blind. Zij bevat ook kritiek op wat verloren ging. Hij mist niet alleen de oude toestellen. Hij mist de vanzelfsprekendheid dat een product gemaakt, verkocht, uitgelegd en hersteld werd door mensen die aanspreekbaar bleven.
Soms vergeten waarom hij de winkel binnenkwam
Ouder worden is bij Deruytter geen uitsluitend filosofisch onderwerp. Hij merkt het in gewone momenten. Soms komt hij de winkel binnen en vraagt hij zich af waarom hij daarheen ging. “Wat kom ik in de winkel doen? Ik ben het dan vergeten. Maar het schijnt dat dat normaal is.” Hij vertelt het openlijk. Er zit geen dramatische bekentenis in. Het is een concreet detail van 87 zijn. Sommige herinneringen van zestig jaar geleden staan nog helder voor hem: duizend frank waarborg voor het zweefvliegen, Cecile die naar Barco reed, de lege Franse autoweg, de vogels boven het park. Een handeling van enkele seconden geleden kan ontsnappen. Het geheugen houdt zich niet aan de volgorde die een mens zelf zou kiezen. Toch weet hij nog precies waarom de winkel in ruimere zin bestaat. Ze geeft hem een doel. De reden waarom hij op een bepaald moment naar een kast liep, kan verdwijnen. De reden waarom hij de deur blijft openen, is er nog.
Een huwelijk dat blijft spreken
Wanneer Deruytter over Cecile praat, verandert de toon. Zij is bijna twintig jaar overleden, maar blijft aanwezig in de verhalen waarmee hij zijn leven ordent. Ze reed, regelde, moedigde hem aan en liet hem vliegen. Hij gaf haar ruimte en ontving ruimte terug. “Ik heb een goede vrouw gehad”, zegt hij telkens opnieuw. De herhaling is geen gebrek aan woorden. Het is precies wat hij wil vastleggen. Niet ieder detail hoeft te worden verklaard wanneer het oordeel na tientallen jaren helder is. “Beter kon ik niet hebben.” Zijn huidige vriendin deelt met hem de uitstappen naar Oostende en het voeren van de vogels. Ook dat vertelt hij zonder het ene leven tegenover het andere te plaatsen. Er was een groot gedeeld verleden met Cecile. Er is vandaag opnieuw gezelschap, beweging en iemand met wie hij naar het Bosje kan gaan. Op 87-jarige leeftijd is zijn wereld kleiner geworden dan tijdens de lange ritten naar Zuid-Frankrijk, maar niet leeg.
Tot uw dienst
Aan het einde keert Deruytter terug naar de winkel en naar de woorden die volgens hem boven iedere goede handelszaak zouden kunnen staan. “Wat er ook mag staan, is: tot uw dienst.” Daarna volgt zijn diagnose van de huidige handel: “Dat is wat verdwenen is tegenwoordig: dienst.” In die ene uitspraak komen zijn verhalen samen. De naaimachine die niet kapot blijkt te zijn maar uitleg nodig heeft. De jonge internetklant die voor een stekker langskomt. De televisie die vroeger werd opengemaakt in plaats van weggegooid. Cecile die een toestel naar de fabrikant bracht. De technicus die zijn opleiding kende en verantwoordelijk bleef voor wat hij verkocht. Dienst is voor hem niet kruipen voor een klant. Het is bereid zijn om iemand werkelijk verder te helpen. Zijn winkel is daardoor geen museum, ook al staan er spullen uit verschillende tijden. Er wordt nog verkocht, nagekeken, uitgelegd en geluisterd.
Bronnen:
Gesprek met Willy Deruytter, afgenomen door Andy Vermaut op 13 juli 2026
Barco-getuigschrift van Willy Deruytter, gedateerd 9 oktober 1979
SBR-attest van technische bekwaamheid voor de chassis KT3 en K30, jaren 1980 en 1981
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


