Van vluchtelingen op gebroken bruggen tot de Belgische vlag: oorlog kreeg gezichten in Seoul

17 september 2026

Op donderdag 17 september 2026 stond in Seoul het War Memorial of Korea centraal tijdens de eerste dag van het HWPL International Youth Peace Program. De rondgang duurde bijna negentig minuten en bracht de internationale deelnemers van vluchtelingenstromen en jonge soldaten naar krijgsgevangenen, de onderhandelingen over de wapenstilstand, de inzet van VN-landen, het Belgisch-Luxemburgse bataljon, het VN-Handvest en de wederopbouw van Zuid-Korea. Het bezoek kreeg voor de Belgische delegatie een bijzonder karakter toen tussen de buitenlandse vlaggen ook de Belgische driekleur verscheen en later Nederlandstalige museuminformatie over de Belgische deelname aan de Koreaanse Oorlog te horen was. De rode draad bleef echter dezelfde: oorlog werd niet voorgesteld als een verzameling militaire prestaties, maar als een gebeurtenis die levens, families en samenlevingen jarenlang kan beschadigen.

Een oorlogsmuseum dat bij de menselijke prijs begint

Nog vóór de groep naar binnen ging, werd uitgelegd dat het woord memorial gemakkelijk verkeerd kan worden begrepen. De plaats is niet bedoeld om oorlog te verheerlijken. Bezoekers worden er juist geconfronteerd met de tragedie ervan en met de vraag hoe herhaling kan worden voorkomen. De deelnemers moesten daarom niet alleen historische gegevens onthouden, maar ook kijken naar wat oorlog met gewone mensen doet. Aan de ingang vormden de vlaggen van verschillende betrokken landen meteen een eerste internationaal beeld. Colombia, Indonesië, België, Nederland en andere landen kwamen in de uitleg ter sprake. Daarnaast werd gewezen op de jonge leeftijd van veel mensen die tijdens de oorlog werden ingezet. Sommige jongeren waren amper zeventien. Daarmee werd meteen een ongemakkelijke tegenstelling zichtbaar: politieke en militaire beslissingen worden door leiders genomen, terwijl zeer jonge mensen uiteindelijk aan het front kunnen terechtkomen.

De eerste beelden gingen over mensen die alleen nog konden vluchten

Binnen verschoof de aandacht snel van militaire geschiedenis naar burgers. Foto’s toonden mensen die hun woonplaats verlieten en zich in lange rijen richting schepen bewogen. Mensen zaten dicht bij elkaar, probeerden bezittingen mee te nemen en zochten vooral een manier om te overleven. Tijdens het gesprek werd meteen vastgesteld dat het om vluchtende burgers ging. De begeleiding gebruikte die beelden om duidelijk te maken dat oorlog niet alleen grenzen verplaatst. Hij haalt mensen uit hun woning, haalt families uiteen en dwingt burgers beslissingen te nemen waarvoor ze nooit gekozen hebben. Ook aantallen kwamen ter sprake. Tijdens de uitleg werd verwezen naar honderdduizenden vluchtelingen in specifieke omstandigheden en naar miljoenen mensen die rechtstreeks door de oorlog werden getroffen. De kracht van de tentoonstelling zat echter niet in de cijfers. Het waren vooral de gezichten op de foto’s die duidelijk maakten dat achter elk groot getal individuele levens schuilgaan.

Een beschadigde brug en het geluid van brekend ijs

Een van de beelden waarop langer werd stilgestaan, toonde mensen bij een beschadigde brug en bij bevroren water. De begeleiding vroeg de deelnemers zich voor te stellen wat het betekende om daar te moeten oversteken. Niet alleen de kou speelde daarbij een rol. Ook het geluid van brekend ijs werd aangehaald. Er werd gevraagd of mensen daarbij in het water terechtkwamen. Het antwoord was bevestigend. Daardoor werd het historische beeld plots bijzonder tastbaar. Wie alleen naar een datum of militaire kaart kijkt, ziet een beweging van noord naar zuid. Wie naar dergelijke foto’s kijkt, ziet burgers die niet weten of de brug onder hun voeten houdt, of het ijs sterk genoeg is en of hun familie de overkant zal halen. De uitleg wees er ook op dat een foto uit deze context internationaal bekend werd en de wereld liet zien wat vluchtende burgers tijdens de Koreaanse Oorlog meemaakten.

Een eerste opdracht tussen beelden van verlies

Na dit deel volgde een opdracht uit het jongerenprogramma. Deelnemers moesten een tentoonstelling kiezen die bij hen de sterkste indruk naliet en daarbij een foto maken. Er werd ook een groepsfoto genomen. Daarbij klonk verschillende keren “We are one”. Dat groepsmoment kreeg op die plaats een bijzondere betekenis. Enkele meters verder werden mensen getoond die door oorlog van familieleden waren afgesneden. De internationale deelnemers stonden daarentegen samen voor één foto. Tijdens het bezoek werden veel beelden gemaakt met het oog op journalistieke verslaggeving achteraf. Er werd voortdurend gezocht naar foto’s die zowel de historische omgeving als de deelnemers goed in beeld brachten. Ook Eline Van den Berg hielp bij het maken van een foto die uiteindelijk werd gekozen.

Terwijl leiders onderhandelden bleven mensen sterven

Een volgende tentoonstelling maakte een bijzonder harde tegenstelling zichtbaar. Terwijl onderhandelingen over een wapenstilstand bezig waren, gingen de gevechten verder. Heuvels en stellingen wisselden van controle en de bombardementen stopten niet omdat er elders aan tafel werd gesproken. De begeleiding wees erop dat ook jonge studenten bij die gevechten betrokken waren. In dezelfde uitleg werd verwezen naar HWPL-voorzitter Lee Man-hee, die de Koreaanse Oorlog als jonge man meemaakte en deze periode overleefde. Het leidde tijdens de rondgang tot een korte maar veelzeggende vaststelling: oorlog is tragedie. De tentoonstelling maakte vooral duidelijk hoe groot de afstand kan zijn tussen diplomatie en het slagveld. Voor iemand in een vergaderzaal begint vrede misschien met onderhandelen. Voor iemand in een loopgraaf begint ze pas wanneer het schieten werkelijk stopt.

Een wapenstilstand is geen vredesverdrag

Bij documenten over de onderhandelingen ontstond een gesprek over het verschil tussen een einde van de oorlog en een wapenstilstand. Eerst werd gevraagd of de ondertekening betekende dat de oorlog werkelijk afgelopen was. De uitleg was duidelijk: een armistice betekent dat het schieten wordt stopgezet, maar niet dat er automatisch een definitief vredesverdrag bestaat. Een begeleider omschreef het als het pauzeren van de oorlog. Daarna kwam ook de gedemilitariseerde zone ter sprake. De deelnemers kregen zo te zien dat een geschiedenis uit de jaren vijftig nog altijd rechtstreeks doorwerkt in de politieke werkelijkheid op het Koreaanse schiereiland. De DMZ en de scheidingslijn tussen Noord en Zuid maken duidelijk dat de erfenis van de oorlog niet achter museumglas is gebleven.

De vergelijking met de IJzertoren kwam spontaan naar boven

Tijdens die rondgang werd ook spontaan de vergelijking gemaakt met de IJzertoren in Diksmuide. Niet omdat beide plaatsen dezelfde geschiedenis vertellen, maar omdat beide via foto’s, documenten, persoonlijke verhalen en verschillende verdiepingen proberen duidelijk te maken wat oorlog met mensen en samenlevingen doet. Voor een Belgische bezoeker uit West-Vlaanderen is die associatie begrijpelijk. De Eerste Wereldoorlog is in Diksmuide bijna fysiek aanwezig in het landschap en in de herdenkingscultuur. In Seoul gebeurt iets soortgelijks rond de Koreaanse Oorlog, zij het binnen een totaal andere historische en geopolitieke context.

Een krijgsgevangene kwam pas 45 jaar later thuis

Een ander gedeelte ging over krijgsgevangenen en mensen die na de oorlog niet naar huis terugkeerden. De groep hoorde dat van sommige slachtoffers alleen menselijke resten werden teruggevonden en dat identificatie niet altijd mogelijk was. Ook mishandeling en marteling van gevangenen kwamen aan bod. Eén persoonlijk verhaal bleef bijzonder sterk hangen. Een krijgsgevangene keerde volgens de tentoonstelling pas 45 jaar later terug. Hij was toen 72 jaar oud. De reactie in de groep was onmiddellijk. Vijfenveertig jaar betekent dat iemand als jonge man kan verdwijnen en als oudere man kan terugkeren. Ouders kunnen overleden zijn, kinderen zijn volwassen geworden en het land waarnaar iemand terugkeert kan nauwelijks nog lijken op het land dat hij verliet. Zo’n verhaal toont dat een oorlog voor een individu veel langer kan duren dan de militaire kalender doet vermoeden.

Ook tussen de zware thema’s ontstonden internationale gesprekken

Tijdens het bezoek ontstonden geregeld gesprekken tussen deelnemers uit verschillende landen. Een deelnemer uit Ghana vroeg naar een recente journalistieke reis naar Oekraïne. Er werd gesproken over verslaggeving, gevaar, motivatie en de lange weg die nodig is om met journalistiek impact te bereiken. De Belgische journalist legde daarbij uit dat hij zijn verslaggeving al jaren uit eigen overtuiging doet en veel publiceert zonder daarvoor financieel te worden beloond. Een gesprekspartner reageerde dat impact soms belangrijker kan zijn dan geld. Het museumbezoek werd daardoor niet alleen een historische rondgang, maar ook een plaats waar internationale deelnemers hun eigen ervaringen met oorlog, journalistiek en maatschappelijk werk naast elkaar legden.

De 22 deelnemende landen kregen letterlijk een plaats in het museum

Daarna verschoof de aandacht naar de internationale inzet tijdens de Koreaanse Oorlog. De begeleiding stelde de vraag hoeveel landen gevechtstroepen of medische ondersteuning stuurden. Het antwoord dat tijdens het bezoek centraal stond, was 22. De namen en symbolen van deze landen waren op verschillende plaatsen in het museum terug te vinden. Ook in de vloer waren verwijzingen verwerkt. Dat viel meteen op en leidde opnieuw tot foto’s. De internationale dimensie van de oorlog werd daardoor letterlijk zichtbaar. Militairen en medisch personeel kwamen uit landen die duizenden kilometers van Korea verwijderd lagen. Sommigen keerden nooit terug naar huis. De begeleiding bedankte de internationale bezoekers verschillende keren voor wat mensen uit hun landen destijds in Korea hadden gedaan.

Busan bewaart de herinnering aan gesneuvelde VN-militairen

Een belangrijk onderdeel ging over het United Nations Memorial Cemetery in Busan. Op de vraag waar de gesneuvelde VN-militairen in Korea worden herdacht, werd Busan genoemd. De begeleiding bevestigde dat daar het VN-kerkhof ligt waar militairen rusten die naar Korea kwamen en de oorlog niet overleefden. De begraafplaats werd voorgesteld als een plaats waar verschillende landen de offers van hun militairen blijven herdenken. Hoewel de deelnemers zich in Seoul bevonden, bracht de museumopstelling die plaats toch dichtbij. Foto’s, namen en verhalen maakten duidelijk dat de internationale deelname ook een menselijke prijs had. Tijdens de rondleiding werd daarop gereageerd met de boodschap dat deze mensen herinnerd moeten blijven.

Van twee wereldoorlogen naar het VN-Handvest

Een volgend deel bracht de groep naar 1945. Na twee wereldoorlogen werd de Verenigde Naties opgericht en werd het VN-Handvest aangenomen. De bedoeling was een internationaal kader op te bouwen dat nieuwe conflicten moest helpen voorkomen. Daardoor ontstond een moeilijke historische vraag. Als staten zulke afspraken hadden gemaakt, hoe kon enkele jaren later toch de Koreaanse Oorlog uitbreken? Tijdens de rondgang werden ook stemmingen binnen de Verenigde Naties bekeken. Afwezigheid, onthoudingen en vetorecht kwamen in de gesprekken ter sprake. Daarmee werd duidelijk dat internationale instellingen belangrijk zijn, maar niet automatisch elke oorlog voorkomen. Binnen het HWPL-programma werd dit vervolgens gekoppeld aan de DPCW, de Declaration of Peace and Cessation of War. De organisatie wil daarmee de discussie over preventie, conflictbeheersing en vredesopbouw verderzetten en betrekt daarbij niet alleen regeringen maar ook burgers, jongeren en religieuze actoren.

Generaal MacArthur en de militaire kant van het verhaal

Ook de militaire geschiedenis kreeg uiteraard een belangrijke plaats. Generaal Douglas MacArthur werd genoemd vanwege zijn rol tijdens de oorlog. Uniformen, materialen en andere voorwerpen maakten het militaire verhaal tastbaar. Toch bleef de uitleg telkens terugkeren naar de personen achter die objecten. Een uniform werd gedragen door iemand die zijn land had verlaten om in Korea te dienen. Een vlag stond voor een land dat mensen stuurde. Een gedenkplaats stond voor militairen die niet meer thuiskwamen. Daardoor bleef zelfs het militaire gedeelte sterk gekoppeld aan de menselijke gevolgen van de oorlog.

Toen de Belgische vlag verscheen kwam de geschiedenis plots dichtbij

Voor de Belgische deelnemers kreeg het bezoek een uitgesproken persoonlijk karakter toen tussen de internationale symbolen de Belgische vlag verscheen. Er werd onmiddellijk gevraagd om een foto bij de driekleur. De begeleider bedankte België voor de historische bijdrage en verwees vervolgens naar uniformen van militairen uit verschillende deelnemende landen. Op dat moment werd de Koreaanse Oorlog minder veraf. Belgische militairen hadden daadwerkelijk deelgenomen aan de strijd op het Koreaanse schiereiland. Voor iemand uit Diksmuide kwam daar nog de associatie bij met de lokale herinneringscultuur rond oorlog en met een Koreamonument in eigen land. Tijdens het gesprek viel ook op dat verschillende herdenkingsplaatsen blijkbaar niet altijd dezelfde cijfers gebruiken. Omdat tijdens de rondgang niet duidelijk werd welke categorieën precies met elkaar werden vergeleken, werd daar geen conclusie aan gekoppeld.

Plots klonk Nederlands in een museum in Seoul

Een van de opvallendste momenten kwam toen een Nederlandstalige museumvideo begon over de Belgische deelname. De verbazing was hoorbaar. De informatie vertelde hoe Belgische en Luxemburgse soldaten samen het Belgisch-Luxemburgse bataljon vormden. Daarbij werd de aankomst op 31 januari 1951 genoemd. Ook de organisatie en inzet van het bataljon kwamen ter sprake. Naast Nederlandstalige informatie was er eveneens Franstalig materiaal. Dat leverde een bijzonder beeld op: duizenden kilometers van België vertelt een museum in Seoul in beide grote Belgische landstalen over militairen die vanuit België en Luxemburg naar Korea trokken. Het leidde opnieuw tot foto’s en tot extra aandacht voor de Belgische aanwezigheid binnen het grotere internationale verhaal.

De rondgang eindigde niet bij 1953 maar bij wat daarna moest gebeuren

Na gevechten, vluchtelingen en internationale troepen veranderden de tentoonstellingen van karakter. Er verschenen beelden van mensen die woningen herstelden, scholen opnieuw organiseerden en hun woonomgeving probeerden op te bouwen. Op de vraag wat er te zien was, werd eerst gedacht aan bevrijding en vervolgens aan herstel. De begeleiding legde uit dat burgers zelf een belangrijke rol speelden. Zij wachtten niet alleen op overheidsingrijpen, maar werkten ook zelf aan huizen, onderwijs en plaatselijke infrastructuur. Die heropbouw nam jaren in beslag en werd later gekoppeld aan Saemaul Undong, de New Village Movement uit de jaren zeventig.

Saemaul Undong bracht de aandacht naar burgers zelf

Bij Saemaul Undong werd gevraagd welke waarden zo’n beweging kunnen dragen. Vanuit de groep kwamen antwoorden als eenheid, vrede en liefde. De begeleiding wees uiteindelijk op inzet, zelfredzaamheid en samenwerking als kernbegrippen. Dorpsvergaderingen, gezamenlijk werk en onderwijs werden genoemd als concrete instrumenten. De documenten over de beweging kregen volgens de uitleg ook een plaats binnen UNESCO Memory of the World. Het belangrijkste punt van dat gedeelte lag voor het vredesprogramma echter bij de rol van burgers. Vrede en wederopbouw mogen niet uitsluitend van bovenaf worden verwacht. Ook mensen in dorpen, steden en buurten kunnen plaatselijke problemen aanpakken. De begeleiding omschreef dat als een samenspel van top-down en bottom-up.

Van Ghana naar Mongolië binnen één museumbezoek

Ook buiten de formele uitleg ontstonden voortdurend internationale contacten. Later in het bezoek kwam een deelnemer uit Mongolië ter sprake. Er werd gevraagd of die uit Ulaanbaatar kwam. Daarop volgde een speelse opmerking over wereldburgerschap: wie zichzelf als wereldburger beschouwt, kan zich ook betrokken voelen bij landen die ver van de eigen woonplaats liggen. Dergelijke gesprekken passen bij het doel van het programma om deelnemers uit uiteenlopende landen met elkaar in gesprek te brengen. De setting maakte het contrast bijzonder. In de jaren vijftig kwamen jongeren uit verschillende landen naar Korea vanwege een oorlog. In 2026 stonden internationale deelnemers in hetzelfde land samen in een museum om over vrede te spreken.

‘We are one’ werd steeds opnieuw geroepen

Bij verschillende groepsfoto’s kwam dezelfde boodschap terug: “We are one.” De groep moest soms opnieuw opgesteld worden, deelnemers gingen in verschillende rijen staan en er werd gecontroleerd of iedereen aanwezig was. Tussen de zware historische onderdelen door leverde dat ook luchtige momenten op. Er werd gelachen, opnieuw gefotografeerd en iemand grapte dat wie niet op de foto stond dat maar moest zeggen. Juist die lichtere momenten maakten het bezoek menselijk. Internationale deelnemers die elkaar pas kort kenden stonden samen op een plaats waar de geschiedenis vertelt wat er gebeurt wanneer landen en mensen tegenover elkaar komen te staan.

De slotuitleg bracht alles opnieuw terug naar gewone mensen

Aan het einde werd de rondgang samengevat. De begeleiding herinnerde de groep aan de vluchtelingen bij de beschadigde brug, families die hun woonplaats moesten achterlaten en jongeren van negentien of begin twintig die naar het front werden gestuurd. Daarmee werd opnieuw duidelijk gemaakt dat oorlog gemakkelijk wordt voorgesteld als één land tegen een ander land, terwijl de echte gevolgen terechtkomen bij individuele mensen. Oorlog verandert een gezin, een toekomst, een opleiding, een woning en soms een hele levensloop. Daarom werd de gewone dagelijkse vrede voorgesteld als iets dat niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd.

Drie delen van de derde verdieping brachten de lessen samen

De slotuitleg benoemde drie belangrijke onderdelen van de derde verdieping. Eerst was er het VN-kerkhof voor buitenlandse militairen die in Korea stierven. Daarna kwam het VN-Handvest, opgebouwd na twee wereldoorlogen in de hoop toekomstige oorlogen te voorkomen. Ten slotte waren er de verhalen van burgers die hun land na de gevechten opnieuw opbouwden. Zo ontstond een lijn tussen offers, internationale regels en burgerinitiatief. Geen van die onderdelen kan op zichzelf alle problemen oplossen. Militairen kunnen geweld helpen stoppen, maar daarmee is een land niet heropgebouwd. Internationale regels kunnen grenzen stellen, maar hun bestaan alleen verhindert geen conflict. Burgers kunnen grote herstelkracht tonen, maar hebben daarvoor veiligheid, organisatie en ruimte nodig.

Van leren naar handelen met YEPC en YEPW

Daarna werd de link gelegd met de jongerenprogramma’s. YEPC werd omschreven als het traject waarin deelnemers over vrede leren. YEPW moet die kennis omzetten in concrete actie. Als voorbeeld werd een jongerenwerking in Atlanta genoemd die er volgens de uitleg in slaagde zes steden vredesresoluties te laten aannemen. Daarmee wilde de begeleiding duidelijk maken dat vredeswerk niet noodzakelijk met een internationaal project hoeft te beginnen. Het kan starten bij spanningen in de eigen omgeving, bij een plaatselijk initiatief, bij onderwijs of bij een gesprek dat anders niet zou plaatsvinden. Het museumbezoek werd zo rechtstreeks gekoppeld aan wat deelnemers na terugkeer in hun eigen land kunnen doen.

Twee broers aan verschillende kanten van dezelfde oorlog

Een van de sterkste beelden van de dag was de Statue of Brothers. De begeleiding vertelde het verhaal waarop het monument is gebaseerd. Twee broers uit hetzelfde gezin kwamen tijdens de Koreaanse Oorlog aan verschillende zijden terecht. Op het slagveld herkenden zij elkaar en omhelsden elkaar. Dat verhaal vat de menselijke absurditeit van een burgeroorlog in één beeld samen. Op een militaire kaart bestaan twee kampen. Binnen één familie kunnen die twee kampen twee broers zijn. De uitleg trok daaruit een bredere conclusie. Oorlogen worden tussen staten en politieke machten gevoerd, maar wat werkelijk breekt zijn levens, families en relaties tussen mensen. Daarom kan ook vredeswerk bij mensen zelf beginnen.

Twee persoonlijke vragen reisden mee door alle zalen

De deelnemers kregen tijdens het programma twee vragen mee. De eerste ging over wat iemand zou denken wanneer hij of zij zelf de volgende dag naar een oorlog moest vertrekken. De tweede vroeg welke vrede iemand persoonlijk wil beschermen en wat daarvoor nodig is. Aan het einde werd gevraagd of tijdens de rondgang antwoorden waren ontstaan. De bedoeling was duidelijk: het bezoek mocht niet eindigen bij de vaststelling dat oorlog verschrikkelijk is. De volgende stap is nadenken over eigen verantwoordelijkheid. Wie alleen herinnert, blijft toeschouwer. Wie in de eigen omgeving iets doet, maakt van herinnering een handeling.

Jongeren stonden eerst als slachtoffers centraal en daarna als vredesactoren

De geschiedenis in het museum liet zien hoe vaak jonge mensen de prijs van oorlog betalen. Jongeren van negentien en begin twintig gingen naar het front. Nog jongere deelnemers kwamen tijdens de uitleg eveneens ter sprake. Het HWPL-programma keert die historische positie om. Jongeren hoeven niet uitsluitend slachtoffer te zijn van beslissingen die boven hun hoofd worden genomen. Zij kunnen ook zelf gesprekken organiseren, maatschappelijke projecten uitwerken en druk uitoefenen om vrede en samenwerking op de agenda te houden. Dat is precies waarom het War Memorial of Korea als eerste halte van de driedaagse Peace Legacy Journey werd gekozen. Eerst zien wat oorlog aanricht, daarna nadenken over wat vrede praktisch kan betekenen.

De opdracht eindigde via de Peaceon-app

Na de rondgang moesten deelnemers hun opdracht via de Peaceon-app afronden. Zij konden een boodschap achterlaten en een foto uploaden van de tentoonstelling die hen het meest was bijgebleven. De vragen waren voor sommige deelnemers al ingevuld terwijl de slotuitleg nog bezig was. Tegelijk werden nog foto’s geselecteerd voor latere journalistieke verwerking. Daardoor liep deelnemen en verslag uitbrengen voortdurend door elkaar. Het bezoek werd niet alleen gevolgd, maar meteen ook gedocumenteerd.

De zwaarste les stond niet bij een tank maar bij een mens

Na bijna negentig minuten bleven vooral menselijke verhalen hangen. Een vluchteling op een beschadigde brug. Een jonge soldaat die naar het front wordt gestuurd. Een krijgsgevangene die pas 45 jaar later als 72-jarige thuiskomt. Een buitenlandse militair die duizenden kilometers van huis wordt begraven. Twee broers die door oorlog tegenstanders worden. Burgers die jaren later eigenhandig huizen en scholen opnieuw opbouwen. De eerste dag van het HWPL International Youth Peace Program begon daarmee niet met een theoretische definitie van vrede, maar met de concrete prijs die mensen betalen wanneer vrede verdwijnt. Aan het einde bleef dan ook vooral één vraag overeind: welke vrede wil ieder van ons beschermen, en welke concrete stap willen we daarvoor zelf zetten?

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)