België haalt duurzame doelen te traag: SDG-Forum in Brussel legt pijnpunten bloot

13 oktober 2026
Van de 51 Belgische indicatoren waarmee de vooruitgang op het vlak van duurzame ontwikkeling wordt beoordeeld, volgen er slechts 19 een traject dat verenigbaar is met de vooropgestelde doelstellingen. Ook wereldwijd blijft de vooruitgang achter. Intussen hebben geopolitieke spanningen, oorlogen, klimaatverandering en financiële onzekerheid steeds grotere gevolgen voor de uitvoering van de Agenda 2030 van de Verenigde Naties. Op dinsdag 13 oktober 2026 kwamen beleidsmakers, wetenschappers, ondernemingen, internationale organisaties, vakbonden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld bijeen in Flagey, aan het Heilig-Kruisplein in Elsene, voor het SDG-Forum 2026. indegazette.be was ter plaatse en volgde de besprekingen over de toekomst van de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelstellingen, de voorstelling van de SDG-Barometer 2026, de situatie van vluchtelingen, de verantwoordelijkheden van overheden en ondernemingen en de eerste Belgische SDG Awards.
Een internationale agenda onder steeds grotere druk
Het SDG-Forum 2026 stond in het teken van duurzame ontwikkelingsdoelstellingen die door, van en voor iedereen moeten worden gerealiseerd. Meer dan twintig partnerorganisaties werkten mee aan het forum, dat geldt als het grootste overlegplatform over de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen in de Benelux. De deelnemers vertegenwoordigden uiteenlopende sectoren, van federale en regionale overheden tot ondernemingen, universiteiten, verenigingen en internationale instellingen. Het programma omvatte een plenaire openingszitting vanaf 9.00 uur, drie workshopreeksen met in totaal 26 workshops, de voorstelling van de nieuwe SDG-Barometer en de uitreiking van de eerste SDG Awards vanaf 17.00 uur. De gesprekken werden gevoerd in het Nederlands, Frans en Engels, met simultaanvertaling tijdens de plenaire bijeenkomst. De doelstellingen werden in september 2015 door alle 193 lidstaten van de Verenigde Naties aangenomen. Ze omvatten onder andere armoedebestrijding, voedselzekerheid, gezondheid, onderwijs, gendergelijkheid, betaalbare energie, waardig werk, duurzame steden, klimaatbeleid, biodiversiteit, vrede en internationale samenwerking. Het uitgangspunt is dat vooruitgang op het ene terrein gevolgen heeft voor andere maatschappelijke en economische domeinen. Vier jaar voor de einddatum van Agenda 2030 is de afstand tussen de internationale ambities en de bereikte resultaten nog groot.
Minister Jean-Luc Crucke afwezig wegens koninklijke missie in Kazachstan
De officiële opening gebeurde door Adil Mansari, adjunct-kabinetschef van federaal minister Jean-Luc Crucke, bevoegd voor Mobiliteit, Klimaat, Ecologische Transitie en Duurzame Ontwikkeling. De minister kon zelf niet aanwezig zijn omdat hij deelnam aan een koninklijke missie in Kazachstan. Mansari bracht namens hem een boodschap over de verantwoordelijkheid van overheden, ondernemingen, verenigingen en burgers. Geen enkele organisatie kan de zeventien doelstellingen zelfstandig realiseren. De federale vertegenwoordiger stelde dat duurzame ontwikkeling niet mag worden behandeld als een afzonderlijk beleidsterrein naast economie, sociale bescherming of milieubeleid. Beslissingen over huisvesting, energie, werkgelegenheid, gezondheidszorg en klimaat hebben gevolgen die elkaar beïnvloeden. Volgens Mansari volstaan verklaringen en beleidsintenties daarom niet. De uitvoering vraagt financiering, samenwerking, meetbare resultaten en de bereidheid om maatregelen bij te sturen wanneer ze onvoldoende resultaat opleveren. Hij wees eveneens op de noodzaak om ook mensen in armoede, kwetsbare gezinnen en personen die moeilijk toegang hebben tot dienstverlening daadwerkelijk te bereiken.
Slechts 19 van de 51 Belgische indicatoren op het juiste traject
Een van de meest confronterende cijfers tijdens de opening betrof de Belgische uitvoering van Agenda 2030. Van de 51 indicatoren die door het Federaal Planbureau werden beoordeeld, bevinden er zich volgens de aangehaalde stand van zaken slechts 19 op een traject dat verenigbaar is met de nagestreefde doelstellingen. Dat betekent dat voor 32 indicatoren de ontwikkeling onvoldoende aansluit bij het beoogde resultaat. Het cijfer is geen algemene score voor alle zeventien doelstellingen, maar heeft betrekking op de specifieke indicatoren die in deze evaluatie zijn opgenomen. Ook op mondiaal niveau is de situatie problematisch. De internationale cijfers die in de SDG-Barometer 2026 zijn verwerkt, tonen dat van 139 geëvalueerde doelstellingen met voldoende gegevens 36 procent op koers ligt of een matige vooruitgang boekt. Bij 49 procent verloopt de vooruitgang te langzaam, terwijl 15 procent achteruitgaat tegenover 2015. Deze percentages hebben betrekking op de onderzochte mondiale doelstellingen en mogen niet worden verward met de Belgische indicatoren. De verschillen maken duidelijk dat een formele onderschrijving van Agenda 2030 nog geen uitvoering van de doelstellingen betekent. De resterende periode tot 2030 vraagt keuzes die ook in begrotingen, investeringen en dagelijkse beleidsbeslissingen zichtbaar worden.
België bereidt nieuw federaal plan en internationaal onderzoek voor
Adil Mansari lichtte tijdens zijn tussenkomst drie federale beleidsprocessen toe. De federale overheid bereidt een nieuw Federaal Plan voor Duurzame Ontwikkeling voor, dat op het moment van het forum aan een publieke raadpleging was onderworpen. Het plan moet zorgen voor een betere afstemming tussen federale diensten, concretere maatregelen en een betere opvolging van de uitvoering. België werkt met de gewesten en gemeenschappen ook aan een nieuw vrijwillig nationaal onderzoek naar de uitvoering van Agenda 2030. Dat verslag moet in juli 2028 aan de Verenigde Naties worden voorgelegd. De voorbereiding daarvan moet niet uitsluitend de gerealiseerde vooruitgang beschrijven, maar ook tekortkomingen zichtbaar maken. Een derde traject betreft de periode na 2030. De Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling heeft de opdracht gekregen om de federale voorbereiding van dat debat te ondersteunen, met het oog op de internationale SDG-top van 2027. Tijdens de opening werd gewezen op vraagstukken die sinds de goedkeuring van Agenda 2030 nadrukkelijker op de voorgrond zijn gekomen, waaronder artificiële intelligentie, desinformatie, demografische veranderingen en de beschikbaarheid van grondstoffen. Bij de voorbereiding van een volgend internationaal kader moeten sociale rechten, wetenschappelijke kennis, intergenerationele solidariteit en internationale samenwerking volgens de federale vertegenwoordiger een plaats behouden.
VN-vertegenwoordiger Jean-Nicolas Beuze vraagt een andere kijk op vluchtelingen
Een centrale toespraak werd verzorgd door Jean-Nicolas Beuze, vertegenwoordiger van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, UNHCR, voor Europese aangelegenheden en onder andere België, Ierland en Luxemburg. Hij heeft ruim 28 jaar ervaring binnen de Verenigde Naties en werkte eerder in onder andere Jemen, Irak en Canada. Zijn bijdrage draaide rond de vraag waarom vluchtelingenbeleid deel moet uitmaken van duurzame ontwikkeling. Beuze betrok het publiek bij zijn uiteenzetting door de aanwezigen via een interactieve bevraging te laten aangeven welke woorden zij associëren met vluchtelingen en humanitaire opvang. Begrippen als oorlog, kwetsbaarheid, opvang, waardigheid en hoop kwamen naar voren. Hij gebruikte de antwoorden om het verschil te bespreken tussen onmiddellijke noodhulp en een beleid dat rekening houdt met langdurige ontheemding. Bij een vluchtelingencrisis denken veel mensen aan tentenkampen, voedselpakketten en medische noodhulp. Die voorzieningen blijven noodzakelijk wanneer mensen hun woning moeten verlaten. Maar conflicten en vervolging duren in verschillende regio’s jarenlang. Daardoor verblijven vluchtelingen soms gedurende meerdere generaties buiten hun land van herkomst. Een beleid dat uitsluitend is gericht op de eerste opvang kan volgens Beuze geen antwoord bieden op onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en sociale bescherming tijdens zo’n langdurig verblijf.
Van de Rohingya tot de oorlog in Soedan
De VN-vertegenwoordiger verwees naar verschillende langdurige vluchtelingensituaties. Hij besprak onder andere de Rohingya die vanuit Myanmar naar Bangladesh zijn gevlucht, Soedanese vluchtelingen, Oekraïners die bescherming zoeken in buurlanden en Syriërs die tijdens de voorbije vijftien jaar naar onder andere Libanon, Jordanië en Turkije zijn uitgeweken. Ook de langdurige ontheemding van Congolese bevolkingsgroepen kwam aan bod. Volgens Beuze bestaat bij een deel van het Europese publiek een vertekend beeld van de geografische spreiding van vluchtelingen. Hij stelde tijdens zijn uiteenzetting dat de overgrote meerderheid in landen nabij het herkomstgebied verblijft en dat ontwikkelingslanden een groot deel van de opvang dragen. Hij wees erop dat vluchtelingen vaak terechtkomen in arme stadswijken en regio’s waar openbare voorzieningen al onder druk staan. Het gaat dan om watervoorziening, riolering, gezondheidszorg, elektriciteit, onderwijs en huisvesting. De bijkomende vraag naar dienstverlening kan bestaande tekorten vergroten. Wanneer investeringen uitsluitend gericht zijn op tijdelijke opvang, blijven de structurele problemen bestaan. Beuze pleitte daarom voor investeringen waarvan zowel vluchtelingen als plaatselijke inwoners gebruik kunnen maken.
Het voorbeeld van Libanon: onderwijs en sanitaire voorzieningen
Jean-Nicolas Beuze haalde zijn eigen ervaringen in Libanon aan, waar de toestroom van Syrische vluchtelingen grote gevolgen had voor plaatselijke diensten. Hij beschreef hoe de aankomst van zeer grote aantallen mensen de vraag naar sanitaire voorzieningen, water, elektriciteit en onderwijs deed toenemen. In kwetsbare buurten moesten voorzieningen worden aangepast om te vermijden dat bestaande problemen verder zouden toenemen. Ook het Libanese openbare onderwijs kreeg een andere positie. Volgens zijn uiteenzetting stuurden veel Libanese ouders hun kinderen traditioneel naar privéscholen, terwijl openbare scholen met verouderde infrastructuur, grote klassen en ontoereikende voorzieningen kampten. Door de aanwezigheid van Syrische vluchtelingenkinderen ontstond een bijkomende nood aan toegankelijke openbare scholen. Dat maakte het mogelijk om met internationale geldschieters te spreken over investeringen in schoolgebouwen, lerarenopleiding en onderwijsprogramma’s. Beuze beschreef hoe financiering voor vluchtelingenopvang zo ook ten goede kon komen aan Libanese leerlingen. Zijn voorbeeld sloot rechtstreeks aan bij SDG 4, dat betrekking heeft op inclusief en kwalitatief onderwijs. De bredere les uit zijn uiteenzetting was dat humanitaire hulp en langetermijnontwikkeling op elkaar moeten worden afgestemd wanneer mensen gedurende lange tijd in een gastland verblijven.
VN-vluchtelingenorganisatie kampt met zware financieringsproblemen
Tijdens de vragenronde werd Beuze gevraagd welke hinderpalen de overgang van noodhulp naar duurzame ontwikkeling in de weg staan. Zijn antwoord ging in het bijzonder over financiering. Hij verklaarde dat zijn organisatie te maken heeft met een terugval van ongeveer 40 procent van de middelen. Dat percentage werd door hem aangehaald voor de financieringssituatie waarmee UNHCR wordt geconfronteerd; het is geen afzonderlijk gecontroleerd percentage voor alle VN-organisaties samen. Hij wees erop dat minder middelen gevolgen hebben voor personeelsbezetting, hulpverlening en investeringsprogramma’s. Volgens Beuze beschikken de betrokken instellingen over ervaring, samenwerkingsverbanden en werkmethoden om onderwijs, huisvesting, sociale bescherming en arbeidsintegratie op langere termijn te ondersteunen, maar kunnen zij door de financieringsdruk minder projecten uitvoeren. Hij legde ook een verband met de discussies over Europese ontwikkelingsbudgetten. Bij afnemende internationale steun groeit het risico dat vluchtelingen en kwetsbare gastregio’s onvoldoende perspectief krijgen. Voor Beuze is de financiering daarom een politieke keuze over de manier waarop Europese landen willen omgaan met internationale solidariteit, regionale stabiliteit en de gevolgen van langdurige conflicten.
Vluchtelingenparticipatie als investering in de samenleving
Beuze verzette zich tegen de voorstelling van vluchtelingen als een groep die uitsluitend kosten veroorzaakt. Hij wees op de kennis, beroepservaring en vaardigheden die mensen meenemen wanneer zij hun land gedwongen verlaten. Toegang tot onderwijs, opleiding, werkgelegenheid en plaatselijke dienstverlening kan hen in staat stellen om een eigen inkomen te verwerven en bij te dragen aan de economische activiteiten in het gastland. Hij bracht ook de positie van plaatselijke inwoners ter sprake. Wanneer de komst van vluchtelingen extra investeringen in scholen, gezondheidszorg of infrastructuur mogelijk maakt, kunnen die investeringen een ruimere bevolking bereiken. Dat vergt wel samenwerking tussen nationale en lokale overheden, internationale instellingen, ondernemingen, onderwijsinstellingen en organisaties van vluchtelingen zelf. De VN-vertegenwoordiger wees erop dat internationale ontwikkelingsdoelen gelden voor mensen op het grondgebied van een land en niet uitsluitend voor de eigen staatsburgers. De gedachte dat niemand achtergelaten mag worden, stond centraal in zijn argumentatie. De verbinding tussen noodhulp en ontwikkeling moet volgens hem helpen voorkomen dat vluchtelingen langdurig afhankelijk blijven van tijdelijke steun.
Professor Lars Moratis stelt de SDG-Barometer 2026 voor
Na de uiteenzetting over vluchtelingen verschoof de aandacht naar het onderzoek naar duurzame ontwikkeling binnen Belgische organisaties. Professor Lars Moratis, verbonden aan Antwerp Management School en gespecialiseerd in maatschappelijk verantwoord ondernemen, presenteerde de vijfde editie van de SDG-Barometer. Het onderzoek draagt de Engelstalige titel Learning to navigate a volatile world: What Belgian organizations are learning from working with the SDGs in practice. De editie van 2026 verschilt qua onderzoeksmethode van de eerdere barometers. Waar voorheen uitgebreide vragenlijsten werden gebruikt om na te gaan hoeveel organisaties de doelstellingen kenden, toepasten of opnamen in hun beleid, richt het nieuwe onderzoek zich op hun concrete ervaringen. De onderzoekers bestudeerden hoe organisaties duurzame ontwikkelingsdoelstellingen vertalen naar beslissingen, werkprocessen en investeringen, welke problemen zij ondervinden en welke lessen uit die ervaringen kunnen worden getrokken. De onderzoekers gebruiken daarvoor een methode die bekendstaat als case-based reasoning, waarbij praktijkgevallen systematisch worden onderzocht en met elkaar worden vergeleken. De nadruk ligt op de manier waarop organisaties leren werken met de SDG’s, eerder dan op een nieuwe algemene rangschikking van hun prestaties. Daardoor kunnen de bevindingen niet rechtstreeks worden gelezen als een representatieve procentuele vergelijking met de bevraging van 2024.
Duurzame ontwikkeling in een onstabiele wereld
Professor Moratis plaatste de resultaten binnen een internationale omgeving waarin economische, ecologische en politieke onzekerheden elkaar beïnvloeden. Hij verwees tijdens zijn presentatie op luchtige wijze naar bekende filmtitels om de ernst van de mondiale situatie te beschrijven. Achter die benadering schuilde een ernstig vraagstuk. Ondernemingen en andere organisaties moeten beslissingen nemen terwijl internationale handelsrelaties veranderen, geopolitieke spanningen oplopen, energieprijzen fluctueren en klimaatrisico’s toenemen. Ook technologische ontwikkelingen, politieke polarisatie en verschuivende regelgeving beïnvloeden hun mogelijkheden. Het onderzoek maakt duidelijk dat organisaties de SDG’s niet op dezelfde wijze gebruiken. Voor sommige vormen zij een instrument om bestaande activiteiten te ordenen. Andere organisaties gebruiken ze om prioriteiten te bepalen, resultaten te meten of hun beleid systematisch te beoordelen. Bij organisaties waar duurzame ontwikkeling sterk in de werking is opgenomen, beïnvloeden de doelstellingen ook de manier waarop investeringen, personeelsbeleid en samenwerking worden beoordeeld. Het aantal SDG-logo’s op een website of in een jaarverslag vertelt dus weinig over de mate waarin een organisatie haar werking werkelijk heeft aangepast.
Minder aandacht voor SDG’s betekent niet noodzakelijk minder actie
Een van de centrale inzichten uit de SDG-Barometer 2026 betreft de zichtbaarheid van duurzame ontwikkeling. Wanneer organisaties minder vaak over de zeventien doelstellingen communiceren, betekent dat volgens het onderzoek niet automatisch dat hun inspanningen zijn verminderd. Duurzame ontwikkeling kan geleidelijk deel uitmaken van bestaande procedures, zonder dat elke beslissing expliciet als SDG-activiteit wordt voorgesteld. Een onderneming die energieverbruik opneemt in haar investeringsbeslissingen, een lokaal bestuur dat duurzaamheidscriteria toepast bij aankopen of een onderwijsinstelling die sociale toegankelijkheid meeweegt bij haar beleid, kan bijdragen aan de doelstellingen zonder daar telkens een afzonderlijke communicatiecampagne rond te voeren. Het onderzoek waarschuwt echter voor de omgekeerde veronderstelling. Minder communicatie mag evenmin automatisch worden beschouwd als bewijs van een betere uitvoering. Achter een lagere zichtbaarheid kunnen ook vermoeidheid, veranderde prioriteiten, beperkte middelen of een verschuiving naar andere rapporteringssystemen schuilgaan. De kwaliteit van de uitvoering moet daarom worden beoordeeld aan de hand van beslissingen, werkprocessen en resultaten.
Organisaties raken vermoeid door de vertaling van ambities naar praktijk
De onderzoekers maken een onderscheid tussen vermoeidheid rond de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen en vermoeidheid bij het omzetten van die doelstellingen in concrete maatregelen. Veel organisaties blijven het algemene uitgangspunt van Agenda 2030 onderschrijven, maar botsen op vragen waarvoor de zeventien doelstellingen zelf geen gedetailleerde handleiding bieden. Hoe moet een onderneming haar leveranciers beoordelen? Hoe kan een gemeente de sociale gevolgen van een klimaatmaatregel berekenen? Hoe wordt de maatschappelijke impact van een investering gemeten? Welke gegevens zijn nodig om geloofwaardig over vooruitgang te rapporteren? De SDG-Barometer beschrijft hoe organisaties bij zulke vragen gebruikmaken van bestaande management- en rapporteringsinstrumenten. Onder andere GRI-richtlijnen, ISO-normen en EcoVadis kunnen helpen om algemene duurzaamheidsambities te vertalen naar werkwijzen en indicatoren. Volgens de onderzoekers ligt de opgave niet uitsluitend bij het overtuigen van organisaties om de SDG’s te onderschrijven. Zij moeten ook beschikken over voldoende kennis, tijd, middelen en praktische ondersteuning om die doelstellingen in hun dagelijkse werking toe te passen.
Een duurzaamheidsbeleid bestaat uit terugkerende beslissingen
Een tweede centrale vaststelling betreft de manier waarop duurzame ontwikkeling in organisaties wordt opgenomen. Een beleidsverklaring of afzonderlijk duurzaamheidsverslag volstaat niet om te spreken van een structurele aanpak. De doelstellingen moeten terugkeren in beslissingen over aankopen, personeelsbeleid, investeringen, risico’s, leveranciers, projectontwikkeling en interne controle. Het onderzoek bekijkt duurzame ontwikkeling daarom als een proces dat herhaaldelijk wordt uitgevoerd en aangepast. Een organisatie kan bijvoorbeeld beginnen met het in kaart brengen van haar maatschappelijke gevolgen, vervolgens prioriteiten kiezen en daarna meetinstrumenten ontwikkelen. Pas wanneer die werkwijze terugkeert in de besluitvorming, ontstaat een bestendige praktijk. Ook het leren uit minder geslaagde projecten maakt deel uit van dat proces. De onderzoekers beschrijven duurzame ontwikkeling niet als een afzonderlijke eindtoestand die door één beslissing kan worden bereikt, maar als een werkwijze die doorheen de jaren wordt aangepast op basis van opgedane ervaring en nieuwe informatie.
De SDG-Barometer waarschuwt voor ongefundeerde impactclaims
Het onderzoek besteedt bijzondere aandacht aan de vraag hoe organisaties hun maatschappelijke resultaten kunnen beoordelen. Een activiteit organiseren, een beleidsmaatregel invoeren of een duurzaamheidsdoelstelling opnemen in een jaarverslag betekent nog niet dat het beoogde maatschappelijke resultaat daadwerkelijk is bereikt. De onderzoekers werken daarom met een stapsgewijze benadering van bewijsmateriaal. Organisaties kunnen beginnen met praktijkvoorbeelden en beschrijvingen van acties, vervolgens gegevens verzamelen over de uitvoering en daarna indicatoren en referentiepunten vastleggen. Door herhaalde metingen kunnen zij geleidelijk beter beoordelen welke resultaten aan hun inspanningen kunnen worden gekoppeld. Dat onderscheid is relevant bij klimaatmaatregelen, sociale projecten, onderwijsprogramma’s en investeringen. Een onderneming die een opleidingsprogramma aanbiedt, weet bijvoorbeeld hoeveel werknemers hebben deelgenomen. Dat zegt op zichzelf nog niet welke gevolgen de opleiding op langere termijn heeft gehad. De SDG-Barometer vraagt daarom terughoudendheid bij uitspraken over maatschappelijke impact wanneer voldoende bewijs ontbreekt.
Zes inzichten uit de nieuwe Belgische barometer
De onderzoekers brengen hun bevindingen samen in zes centrale inzichten. Organisaties gebruiken de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen op uiteenlopende manieren, afhankelijk van hun opdracht, ervaring en werkwijze. Vermoeidheid rond de SDG’s blijkt in verschillende gevallen samen te hangen met moeilijkheden om algemene ambities naar concrete beslissingen te vertalen. De opname van duurzame ontwikkeling in een organisatie wordt zichtbaar in terugkerende werkprocessen en niet uitsluitend in beleidsdocumenten. Het meten van maatschappelijke resultaten en het leren uit praktijkervaringen zijn nauw met elkaar verbonden. De opbrengst van werken met de SDG’s bestaat vaak uit een geleidelijk betere samenwerking en besluitvorming, zonder dat die onmiddellijk in financiële cijfers kan worden uitgedrukt. Ten slotte onderscheiden de onderzoekers verschillende profielen van organisaties op basis van de manier waarop zij de doelstellingen gebruiken. Sommige richten zich op het in kaart brengen van hun activiteiten, andere op het ontwikkelen van interne procedures, het aantonen van resultaten of het bepalen van strategische prioriteiten. De zes inzichten zijn gebaseerd op onderzochte praktijkgevallen en worden niet voorgesteld als conclusies die zonder verdere toetsing op iedere Belgische organisatie van toepassing zijn.
Bedrijven wijzen op Europese regelgeving en concurrentiedruk
Na de voorstelling van de SDG-Barometer vond een panelgesprek plaats met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, de overheid en de academische wereld. Onder de deelnemers bevonden zich Luc Van Liedekerke, Vanessa Burdeul en Marie Bourgeois. Vanuit het bedrijfsleven werd gewezen op de grote hoeveelheid Europese regelgeving die ondernemingen de afgelopen jaren moeten toepassen. De verplichtingen hebben onder andere betrekking op verpakkingen, materiaalgebruik, duurzaamheid en bedrijfsprocessen. De vertegenwoordiging van het bedrijfsleven betwistte de opvatting dat de Europese Green Deal eenvoudigweg tot stilstand zou zijn gekomen. Volgens die benadering zijn ondernemingen nog bezig met de uitvoering van wetgeving die eerder op Europees niveau is goedgekeurd. De uitvoering vraagt personeel, technische kennis en investeringen. Bedrijven moeten dergelijke verplichtingen toepassen in een internationale markt waarin ondernemingen buiten Europa soms onder andere wettelijke voorwaarden werken. De druk op de concurrentiepositie werd tijdens het gesprek aangehaald als een factor die de uitvoering bemoeilijkt. Het panel maakte ook onderscheid tussen de mate waarin ondernemingen over duurzame ontwikkeling communiceren en de werkzaamheden die zij achter de schermen verrichten.
Wallonië werkt aan nieuwe strategie voor duurzame ontwikkeling
Marie Bourgeois, deskundige duurzame ontwikkeling bij de Waalse overheidsdienst, de Service public de Wallonie, besprak de plaats van de SDG’s binnen de regionale beleidsvorming. Zij verwees naar de voorbereiding van een nieuwe Waalse strategie voor duurzame ontwikkeling, waarvan de voorstelling op 3 december 2026 werd aangekondigd. Volgens haar blijft Agenda 2030 een gemeenschappelijk referentiekader, maar is betere afstemming nodig tussen de beleidsdomeinen die de uitvoering beïnvloeden. Zij verwees naar initiatieven waarbij organisaties binnen eenzelfde sector ervaringen uitwisselen. Zo werd gesproken over een Waalse samenwerking rond duurzame gezondheidszorg, waarbij ziekenhuizen hun werkwijzen en praktijkervaringen kunnen vergelijken. Ook een projectoproep met twaalf structurerende projecten kwam ter sprake. Daarbij is het de bedoeling dat organisaties uit verschillende sectoren niet uitsluitend aan hun eigen project werken, maar eveneens kennis uitwisselen over bruikbare methoden. Het gesprek maakte duidelijk dat regionale overheden een rol kunnen spelen door organisaties bij elkaar te brengen, projectfinanciering te organiseren en werkmethoden beschikbaar te maken die elders kunnen worden toegepast.
Niet iedere organisatie kan alle zeventien doelstellingen tegelijk uitvoeren
Tijdens de discussie kwam de vraag aan bod hoeveel duurzame ontwikkelingsdoelstellingen een afzonderlijke organisatie redelijkerwijs kan nastreven. Een onderneming, school, vereniging of lokaal bestuur beschikt niet over onbeperkte middelen. Daarom kan het nuttig zijn om eerst een beperkt aantal prioriteiten vast te leggen. Het panel besprak de mogelijkheid om bijvoorbeeld twee of drie doelstellingen als uitgangspunt voor concrete acties te nemen en het beleid vervolgens verder te ontwikkelen. Daartegenover stond de waarschuwing dat een te beperkte benadering ongewenste gevolgen kan hebben voor andere doelstellingen. Een maatregel die gunstig is voor het milieu kan bijvoorbeeld sociale nadelen veroorzaken wanneer de gevolgen voor kwetsbare gezinnen niet worden onderzocht. Ook een investering die economisch voordelig lijkt, kan ongunstige gevolgen hebben voor waterverbruik, materiaalgebruik of gezondheid. Vanuit de academische invalshoek werd daarom gewezen op het onderscheid tussen het kiezen van uitvoerbare prioriteiten en het beoordelen van de gevolgen van een beslissing voor het geheel van de zeventien doelstellingen. Prioriteiten stellen en rekening houden met onderlinge gevolgen hoeven elkaar niet uit te sluiten.
Lokale besturen kunnen de SDG’s gebruiken bij concrete beslissingen
De toepassing van de SDG’s op gemeentelijk en provinciaal niveau kwam eveneens ter sprake. In Vlaanderen ontwikkelde de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten werkwijzen waarmee lokale besturen projecten kunnen toetsen aan de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij werd verwezen naar een cirkeloefening en een instrument met vragen per doelstelling. Ambtenaren kunnen daarmee gezamenlijk nagaan welke gevolgen een gepland project heeft voor verschillende beleidsdomeinen. Een ingreep in de mobiliteit kan bijvoorbeeld invloed hebben op luchtkwaliteit, toegankelijkheid, sociale rechten en plaatselijke handel. Een beslissing over woningrenovatie kan gevolgen hebben voor energieverbruik, betaalbaarheid en gezondheid. Door zulke aspecten voor de uitvoering te bespreken, kunnen lokale besturen mogelijke nadelige effecten eerder herkennen. De provincie Antwerpen werd tijdens de discussie genoemd als een overheid die ervaring heeft met dergelijke werkwijzen. Het gesprek sloot aan bij het bredere vraagstuk hoe gemeenten en provincies duurzame ontwikkelingsdoelstellingen kunnen vertalen naar hun eigen bevoegdheden en dagelijkse besluitvorming.
Overheidsopdrachten als instrument voor duurzame productie
Een ander besproken onderwerp was de invloed van openbare aankopen. Overheden kopen goederen en diensten aan voor hun eigen werking en voor de uitvoering van publieke opdrachten. Door in aanbestedingen voorwaarden op te nemen over herbruikbaarheid, materiaalgebruik, levensduur of andere duurzaamheidskenmerken, kunnen zij de vraag naar bepaalde producten beïnvloeden. Tijdens de paneldiscussie werd een eenvoudig voorbeeld gebruikt: zelfs bij de aankoop van een balpen kan worden nagegaan of het product herbruikbaar is. Het voorbeeld maakte duidelijk dat duurzame ontwikkeling niet uitsluitend betrekking heeft op grote infrastructuurprojecten. Ook terugkerende aankopen kunnen op langere termijn gevolgen hebben voor productie en afval. De sprekers wezen wel op de juridische en administratieve eisen waaraan openbare aanbestedingen moeten voldoen. Bij veranderende voorwaarden moet ook rekening worden gehouden met ondernemingen die tijd nodig hebben om hun producten en processen aan te passen. Het gebruik van overheidsopdrachten als beleidsinstrument vraagt daarom technische kennis en een zorgvuldige voorbereiding.
Welzijn op het werk en gendergelijkheid maken deel uit van duurzame ontwikkeling
Tijdens de discussie werd ook aandacht besteed aan de sociale kant van duurzaamheid binnen ondernemingen. Personeelswelzijn, ziekteverzuim, burn-outpreventie, gendergelijkheid en het evenwicht tussen werk en privéleven werden aangehaald als onderwerpen die rechtstreeks verband houden met de SDG’s. Bedrijven investeren in maatregelen die gezondheidsproblemen en langdurige afwezigheden moeten helpen voorkomen. Volgens de vertegenwoordiging van het bedrijfsleven kunnen zulke investeringen zowel werknemers als ondernemingen ten goede komen. Een betere werkomgeving kan bijdragen aan het welzijn van personeelsleden en de continuïteit van bedrijfsactiviteiten. De sociale doelstellingen mogen daarom niet worden verdrongen door een bijna exclusieve aandacht voor klimaat en milieu. Ook arbeidsrechten, onderwijs, gelijke kansen en waardige lonen behoren tot het internationale duurzaamheidskader. De bespreking maakte duidelijk dat duurzame ontwikkeling betrekking heeft op de omstandigheden waarin mensen leven en werken, en niet uitsluitend op het gebruik van energie of grondstoffen.
Klimaatmisinformatie en betrouwbare berichtgeving
De eerste workshopreeks begon om 11.00 uur en besteedde onder andere aandacht aan klimaatcommunicatie en de betrouwbaarheid van informatie. Het United Nations Regional Information Centre (UNRIC) en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu organiseerden een paneldiscussie over de verspreiding van onjuiste of misleidende informatie over klimaatverandering. Sherri Aldis van UNRIC, Amandine Sauvage van QuotaClimat en Miriam Remshard van de University of Cambridge waren aangekondigd als deskundigen. Marian Blondeel van UNRIC verzorgde de moderatie. De bijeenkomst richtte zich op de internationale context waarin klimaatmisinformatie zich verspreidt en op mogelijke maatregelen om de betrouwbaarheid van klimaatcommunicatie te verbeteren. Het onderwerp raakt rechtstreeks aan de manier waarop burgers en beleidsmakers informatie beoordelen. Onjuiste informatie kan het publieke debat beïnvloeden en beslissingen over klimaatmaatregelen bemoeilijken. De workshop plaatste informatie-integriteit daarom binnen de uitvoering van Agenda 2030. Voor nieuwsredacties betekent dit dat feitelijke beweringen, wetenschappelijke gegevens en politieke standpunten van elkaar onderscheiden moeten worden. Het programma behandelde de workshop als een interactieve discussie; afzonderlijke conclusies van de drie deskundigen zijn niet vastgesteld.
Vakbonden bespreken leefbare lonen en sociale rechtvaardigheid
SYNOVA, ACV en ABVV organiseerden een workshop over sociale dialoog, duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding en leefbare lonen. De arbeidswereld verandert onder invloed van technologische ontwikkelingen, nieuwe ondernemingsvormen en economische verschuivingen. Die veranderingen kunnen nieuwe banen en productiviteitswinsten opleveren, maar kunnen ook leiden tot onzeker werk, inkomensproblemen en een verslechtering van arbeidsrechten. Bijzondere aandacht ging uit naar platformwerk en informele economische activiteiten. De organisatoren plaatsten deze vraagstukken in een internationaal kader waarin werknemers in zowel het mondiale Noorden als het mondiale Zuiden met vergelijkbare problemen kunnen worden geconfronteerd. De workshop onderzocht hoe overleg tussen werkgevers, werknemersorganisaties en overheden kan bijdragen aan betere arbeidsvoorwaarden. Ook de Internationale Arbeidsorganisatie, de IAO, kreeg een plaats in het programma. Sociale dialoog op ondernemingsniveau en binnen bedrijfstakken werd voorgesteld als een manier om afspraken over lonen, rechten en arbeidsomstandigheden te ontwikkelen. Daarmee werd de sociale dimensie van Agenda 2030 rechtstreeks betrokken bij de discussie over economische ontwikkeling.
De periode na 2030 vraagt nieuwe politieke keuzes
Associations 21 organiseerde een Franstalige workshop onder de titel Perspective 2050 : que nous a appris l’Agenda 2030 ? De bijeenkomst vertrok vanuit onderzoek naar de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen en de ervaringen van betrokken organisaties en deskundigen. De deelnemers kregen de gelegenheid om stil te staan bij factoren die de uitvoering hebben ondersteund of tegengehouden. De workshop keek vanuit die ervaringen naar de toekomst van het internationale ontwikkelingsbeleid. De vraag is welke onderdelen van Agenda 2030 bruikbaar blijven na 2030 en waar aanpassingen nodig zijn. Ook bij de plenaire opening werd aangekondigd dat België zich voorbereidt op de internationale gesprekken over de periode na de huidige agenda. Het uitgangspunt daarbij is dat de voorbereiding van nieuwe doelstellingen de uitvoering van bestaande afspraken niet mag vervangen. Met nog vier jaar te gaan tot de einddatum blijven armoedebestrijding, onderwijs, klimaatbeleid en internationale samenwerking actuele verplichtingen.
Waterbescherming en klimaatweerbaarheid krijgen eigen workshops
De Stichting voor Toekomstige Generaties organiseerde een bijeenkomst over de bescherming van water, rivieren en mariene ecosystemen. Aan de hand van onderzoeksprojecten en praktijkinitiatieven uit België en het buitenland werden verschillende benaderingen van waterbeheer opgenomen in het programma. Daarbij stond het 4P-raamwerk centraal, met aandacht voor People, Planet, Prosperity en Participation. De workshop ging uit van het verband tussen de kwaliteit van het leefmilieu, menselijke behoeften, economische ontwikkeling en betrokkenheid bij beslissingen. CERAC organiseerde een afzonderlijke bijeenkomst over lokale klimaatweerbaarheid. Daarbij vormde een rapport uit juli 2026 over de voorbereiding van Belgische gemeenten op klimaatrisico’s het vertrekpunt. Gemeenten krijgen te maken met overstromingen, hittegolven, droogte en andere weersomstandigheden die grote gevolgen kunnen hebben voor woningen, infrastructuur en openbare dienstverlening. De uitvoering van klimaatplannen wordt echter bemoeilijkt door tekorten aan personeel, financiering, technische kennis en bestuurlijke mogelijkheden. De workshop richtte zich daarom op de voorwaarden waaronder lokale besturen bestaande plannen daadwerkelijk kunnen uitvoeren, met aandacht voor de gevolgen voor kwetsbare inwoners.
Nationale beleidskeuzes hebben gevolgen buiten de eigen grenzen
UNA Belgium organiseerde de Engelstalige workshop Whose SDGs, whose Rules? De bijeenkomst richtte zich op de onderlinge afhankelijkheid van de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelstellingen en de internationale gevolgen van nationale beleidsmaatregelen. Beslissingen die in één land worden genomen, kunnen positieve of negatieve effecten hebben op andere landen. Dat speelt onder andere bij internationale handel, energie, grondstoffen, voedselproductie en industriële waardeketens. De workshop ging uit van praktijkvoorbeelden en lessen uit eerdere beleidskeuzes. Het onderwerp sloot aan bij de federale openingsboodschap dat internationale problemen niet bij landsgrenzen stoppen. Het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling organiseerde tijdens dezelfde workshopreeks een beoordeling van de duurzaamheid van het SDG-Forum zelf. Daarbij werd een vernieuwde evaluatietool voorgesteld waarmee de organisatie van evenementen aan duurzaamheidscriteria kan worden getoetst. De opzet was om die tool rechtstreeks toe te passen op het evenement in Flagey.
Wanneer is genoeg werkelijk genoeg?
The Shift organiseerde een tweetalige discussie onder de titel What is Enough? A Bilingual Discussion on Sufficiency. Het onderwerp was de vraag hoeveel productie en consumptie nodig zijn om menselijke behoeften te vervullen zonder de ecologische grenzen van de planeet verder te overschrijden. De deelnemers zouden via de Jefferson-methode van gedachten wisselen over toereikendheid, welzijn, ongelijkheid en economische keuzes. Lire et Ecrire Bruxelles organiseerde een afzonderlijke Franstalige workshop over de digitale samenleving. Daarbij werd digitalisering vanuit de zeventien SDG’s onderzocht. De deelnemers zouden per doelstelling de voor- en nadelen van digitale technologie beoordelen en vervolgens nagaan welke gevolgen ontstaan wanneer verschillende doelstellingen samen worden bekeken. Ook de mogelijkheid van een observatorium voor de gevolgen van digitalisering voor duurzame ontwikkeling kwam aan bod. De vragen betroffen onder andere de manier waarop nieuwe technologieën vooraf aan duurzaamheidscriteria kunnen worden getoetst.
Ecologische grenzen moeten meewegen bij politieke beslissingen
De tweede workshopreeks begon om 13.30 uur. De Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling organiseerde een Engelstalige bijeenkomst over planetaire grenzen en de mogelijke rol van zogenaamde planetary guardians. Daarbij stond het wetenschappelijke kader van de planetaire grenzen centraal. Dat kader beschrijft ecologische processen die mee bepalen binnen welke grenzen menselijke activiteiten kunnen plaatsvinden. De deelnemers zouden bespreken hoe wetenschappelijke kennis over deze grenzen kan worden toegepast bij politieke en bestuurlijke beslissingen. Het programma onderzocht ook hoe vertegenwoordigers die de langetermijnbelangen van de planeet bewaken, een plaats zouden kunnen krijgen binnen besluitvormingsprocessen. De bijeenkomst sloot aan bij de vraag hoe overheden moeten omgaan met belangen die verder reiken dan een verkiezingsperiode of een afzonderlijke begroting.
Landbouw, voedselzekerheid en de toekomst van de SDG’s
De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, FAO, organiseerde een workshop over de rol van landbouw- en voedselsystemen bij de uitvoering van Agenda 2030. De bijeenkomst vertrok vanuit de publicatie FAO and the SDGs – Accelerating transformation through the four betters. Daarbij werden verbanden gelegd tussen landbouw, water, energie, infrastructuur en duurzame steden. De organisatoren wilden aan de hand van praktijkvoorbeelden onderzoeken hoe veranderingen binnen voedselketens kunnen bijdragen aan verschillende doelstellingen tegelijk. Vertegenwoordigers van de FAO, de Belgische overheid en niet-gouvernementele organisaties waren bij het programma betrokken. Het gesprek richtte zich eveneens op de vraag welke problemen de uitvoering tot 2030 nog kunnen vertragen en welke lessen bruikbaar kunnen zijn voor het internationale beleid na 2030.
Jongeren, onderwijs en de arbeidsmarkt van morgen
De tweede workshopreeks besteedde bijzondere aandacht aan jongeren. Enabel organiseerde een bijeenkomst over co-creatie met jongeren, gebaseerd op de Youth Incubator van Enabel en Colruyt Group Foundation. Dat initiatief ondersteunt jongeren bij het ontwikkelen van projecten rond internationale solidariteit en duurzame ontwikkeling. De workshop onderzocht hoe jongeren meer zeggenschap kunnen krijgen over projecten en hoe ook jongeren die moeilijker toegang vinden tot bestaande initiatieven kunnen deelnemen. UNYA Brussels organiseerde een afzonderlijke workshop over de toekomst van de mondiale arbeidsmarkt en de kwaliteit van onderwijs. Daarbij stond SDG 4 centraal. De organisatoren wilden onderzoeken wat kwalitatief onderwijs in verschillende maatschappelijke omstandigheden betekent en welke kansen en ongelijkheden ontstaan binnen onderwijssystemen. De toenemende deelname van vrouwen aan het hoger onderwijs in België werd als een van de voorbeelden opgenomen. Ook de relatie tussen onderwijs, beroepsmogelijkheden en de toekomstige arbeidsmarkt kwam aan bod. Daarmee werd onderwijs niet uitsluitend behandeld als een maatschappelijke voorziening, maar ook als een factor die invloed heeft op de mogelijkheden van toekomstige werknemers en de ontwikkeling van economieën.
Organisaties leren van elkaar bij de uitvoering van Agenda 2030
Het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling organiseerde tijdens de tweede workshopreeks een sessie over de AA1000 Stakeholder Engagement Standard. Organisaties en kmo’s zouden toelichten hoe zij deze standaard gebruiken bij overleg met betrokken partijen, welke problemen zij daarbij ondervinden en welke lessen uit hun ervaringen kunnen worden getrokken. Het team van AccountAbility zou ook een vooruitblik geven op wijzigingen aan de standaard. CIFAL Brussels organiseerde onder de titel Navigating Uncertain Times: Let’s Stick Together! een bijeenkomst over de bijdrage van netwerken aan duurzame ontwikkeling. Daarbij kwamen het vernieuwde opleidingsaanbod van CIFAL Brussels 2.0 en de uitwisseling tussen ondernemingen, overheden, onderwijsinstellingen en verenigingen aan bod. Ook de erkenning van Stad Harelbeke als SDG Champion maakte deel uit van deze workshop. De Stichting voor Toekomstige Generaties organiseerde eveneens een praktische sessie over de toepassing van het 4P-raamwerk op projecten.
Duurzaam wonen op het platteland vraagt een eigen benadering
Habitat et Participation asbl organiseerde een Franstalige workshop over duurzame huisvesting in landelijke gebieden. De bijeenkomst vertrok vanuit de vaststelling dat veel voorbeelden van duurzaam wonen zijn ontwikkeld voor stedelijke omstandigheden. Denk aan verdichting, collectieve renovatie, energievoorzieningen en zachte mobiliteit. In landelijke gemeenten zijn de afstanden, bebouwingsstructuren en vervoersmogelijkheden anders. De workshop onderzocht daarom hoe vormen van duurzaam wonen kunnen worden ontwikkeld die rekening houden met deze omstandigheden. Impact Finance Belgium organiseerde tijdens dezelfde reeks een bijeenkomst over impactfinanciering. Daarin werd uitgelegd hoe investeringen naast financieel rendement ook rekening kunnen houden met maatschappelijke en ecologische doelstellingen en welke plaats ondernemingen met een maatschappelijke opdracht in dit financieringsmodel innemen.
Circulaire economie vraagt minder grondstoffenverbruik
De derde workshopreeks begon om 15.30 uur. Het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling organiseerde de sessie Climbing the Ladder: How Can Circular Strategies Reduce Consumption of Natural Resources? Daarbij werd onderzocht hoe circulaire strategieën kunnen bijdragen aan een lager gebruik van natuurlijke grondstoffen. Veel huidige initiatieven richten zich op recyclage en het terugwinnen van materialen. De workshop keek naar mogelijkheden die eerder in de productie- en consumptieketen ingrijpen. Het gaat onder andere om het vermijden van onnodige producten, het herbekijken van de manier waarop goederen worden gebruikt en het verminderen van materiaalverbruik. De organisatoren verwezen naar de hogere R-strategieën, waaronder refuse, rethink en reduce. De bijeenkomst ging ook in op de praktische moeilijkheden bij het toepassen van dergelijke modellen door ondernemingen en overheden.
Lokale samenwerking tussen bedrijven, verenigingen en media
Be Planet en de Waalse overheidsdienst organiseerden een workshop over samenwerkingsverbanden tussen ondernemingen, verenigingen en de media bij lokale duurzaamheidsprojecten. De organisatoren vertrokken vanuit de vaststelling dat plaatselijke verenigingen, kleine ondernemingen en grotere bedrijven vaak in dezelfde regio actief zijn zonder regelmatig samen te werken. Verenigingen beschikken over maatschappelijke projecten, terwijl ondernemingen kennis, personeel, logistieke mogelijkheden of andere middelen kunnen inbrengen. De workshop onderzocht welke werkwijzen zulke samenwerking kunnen ondersteunen en hoe lokale projecten beter onder de aandacht van het publiek kunnen worden gebracht. Ook de rol van de media werd afzonderlijk opgenomen in het programma. De deelnemers zouden bespreken hoe berichtgeving over plaatselijke initiatieven kan bijdragen aan hun bekendheid en hoe verenigingen en ondernemingen geschikte partners kunnen vinden. De campagne Le Bon Moment van Be Planet maakte deel uit van de voorgestelde werkwijzen. De workshop werd verbonden met de Waalse strategie voor duurzame ontwikkeling.
Migratie, armoede en duurzame huisvesting
De Internationale Organisatie voor Migratie, IOM, organiseerde tijdens de derde workshopreeks een bijeenkomst over migratie als factor binnen duurzame ontwikkeling. De organisatoren onderzochten het verband tussen menselijke mobiliteit, economische mogelijkheden, integratie en de uitvoering van de SDG’s. Het programma vertrok vanuit de gedachte dat mensen die migreren een plaats moeten krijgen in ontwikkelingsbeleid. Ook de gevolgen van migratie voor onderwijs, arbeid en maatschappelijke participatie kwamen aan bod. Een andere workshop werd georganiseerd door het Interfederaal Steunpunt tot bestrijding van armoede en de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling. Die bijeenkomst ging over duurzaam wonen, verwarmen en verkoelen. De organisatoren richtten zich op de moeilijkheden die mensen in armoede ondervinden wanneer zij hun woning energiezuiniger willen maken of willen investeren in duurzame installaties. Niet ieder huishouden beschikt over de financiële middelen om een woning te isoleren, verwarmingssystemen te vervangen of voldoende bescherming tegen hitte te organiseren. Daardoor kan een algemeen klimaatbeleid ongelijke gevolgen hebben. De workshop onderzocht welke maatregelen nodig zijn om ook gezinnen met beperkte middelen toegang te geven tot duurzame huisvesting.
Burgerparticipatie en de vraag wie werkelijk wordt gehoord
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en Djapo organiseerden een workshop over inclusieve burgerparticipatie. Daarbij lag de aandacht op groepen inwoners die minder gemakkelijk worden bereikt via klassieke overlegmomenten of participatietrajecten. De organisatoren gingen uit van praktijkvoorbeelden zoals burgerbudgetten, klimaatwijken, jongerenparticipatie en buurtgerichte SDG-projecten. Het uitgangspunt was dat gemeentelijke beslissingen beter kunnen aansluiten bij plaatselijke behoeften wanneer inwoners de mogelijkheid krijgen om mee te denken over beleid en projecten. Collectif Cobalt organiseerde een afzonderlijke interactieve workshop over de Cobalt Social Experience, een methode waarmee organisaties en ondernemingen maatschappelijke vraagstukken kunnen bespreken. GoodPlanet Belgium organiseerde de sessie Reality Vs Intention. Can we truly align Sustainability with Reality? Daarin stond de afstand tussen uitgesproken duurzaamheidsambities en feitelijke gedragsveranderingen centraal. De bijeenkomst richtte zich op tegenstrijdigheden tussen kennis, communicatie en uitvoering, onder andere bij ondernemingen, individuele consumptie en technologische oplossingen.
Vijftig jaar Vereniging voor de Verenigde Naties: jongeren kijken naar 2050
De Vereniging voor de Verenigde Naties, VVN, organiseerde tijdens haar vijftigste jubileumjaar een intergenerationeel debat over de toekomst van de Verenigde Naties. De workshop droeg de titel Biedt de VN jongeren een duurzame toekomst? en keek vanuit Agenda 2030 naar de periode tot 2050. Jongeren gingen volgens het programma in gesprek met VN-medewerkers, academici en ervaringsdeskundigen over de mogelijkheden en tekortkomingen van internationale samenwerking. SDG 16, over vrede, rechtvaardigheid en sterke instellingen, en SDG 17, over partnerschappen, vormden het inhoudelijke vertrekpunt. De deelnemers zouden aan de hand van stellingen en toekomstscenario’s onderzoeken hoe de Verenigde Naties beter kunnen reageren op mondiale problemen. Daarbij kwamen internationale akkoorden, bestuurlijke organisatie en de positie van jongeren binnen toekomstige besluitvorming aan bod. De bijeenkomst sloot aan bij de federale voorbereiding van het internationale debat over de periode na 2030.
Eerste Belgische SDG Awards moeten concrete projecten erkennen
Op initiatief van federaal minister Jean-Luc Crucke organiseerde het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling in 2026 voor het eerst de SDG Awards. Tijdens de slotzitting van het forum, voorzien vanaf 17.00 uur, mochten de aanwezigen in vier categorieën hun voorkeur uitspreken voor organisaties die aan duurzame ontwikkeling werken. In totaal werden acht kandidaten geselecteerd. De selectie gebeurde door een jury van deskundigen die op persoonlijke titel deelnamen. Dieter Vander Beke, voormalig waarnemend directeur van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling, zat de jury voor. De genomineerden werden beoordeeld op hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling, hun resultaten en hun vermogen om andere organisaties tot actie aan te zetten. De publieksstemming vond plaats tijdens de plenaire afsluiting, nadat de deelnemers eerder op de dag kennis konden maken met de projecten en promotievideo’s van de kandidaten. De beschikbare informatie bevestigt de acht nominaties en het stemproces, maar bevat geen verifieerbare uitslag van de vier categorieën.
GoodPlanet Belgium en L’Arbre qui Pousse genomineerd
In de categorie organisaties uit het maatschappelijk middenveld werden GoodPlanet Belgium en L’Arbre qui Pousse geselecteerd. Beide organisaties kregen een nominatie vanwege hun werkzaamheden binnen duurzame ontwikkeling. In de categorie onderwijsinstellingen namen HOGENT en UCLouvain het tegen elkaar op. Deze categorie richtte zich op de plaats van duurzame ontwikkeling binnen het hoger onderwijs. Onderwijsinstellingen kunnen bijdragen via hun eigen organisatie, hun opleidingen, wetenschappelijk onderzoek en projecten met maatschappelijke partners. De nominaties vormden een afzonderlijk onderdeel van het forum, naast de inhoudelijke workshops over onderwijs en jongerenparticipatie.
Provincie Antwerpen en Stad Harelbeke bij genomineerde lokale besturen
In de categorie gemeenten, steden en provincies werden de provincie Antwerpen en Stad Harelbeke genomineerd. De deelname van beide besturen maakte de plaats van lokale overheden binnen Agenda 2030 zichtbaar. Gemeenten en provincies beschikken over bevoegdheden die rechtstreeks invloed hebben op mobiliteit, ruimtelijke ordening, afvalbeheer, maatschappelijke dienstverlening, openbare gebouwen en plaatselijke samenwerking. Stad Harelbeke kwam tijdens het forum ook aan bod bij de activiteiten van CIFAL Brussels, waar de SDG Champion-erkenning deel uitmaakte van het programma. In de categorie ondernemingen waren BelOrta en Revive de twee kandidaten. Het gaat om ondernemingen die in verschillende economische sectoren actief zijn. Met deze categorie wilde de organisatie laten zien hoe duurzame ontwikkeling binnen ondernemingsactiviteiten kan worden opgenomen.
Jury met deskundigen uit verschillende sectoren
De jury van de SDG Awards bestond, naast voorzitter Dieter Vander Beke, uit Benoît Derenne, Mélanie De Schepper, Ilse Dries, Nathalie Dumont, Luc Maertens, Rodolphe Mouriau, Elisabeth Steen, Valérie Swaen, Jo Van Cauwenberghe, Cédric Van de Walle, Luc Van Liedekerke, Vic Vereecke, Heleen Voeten en Inge Willems. De juryleden namen op persoonlijke titel deel aan het selectieproces. De organisatie koos ervoor om het publiek tijdens het forum zelf de laureaten te laten bepalen uit de vooraf geselecteerde kandidaten. Daarmee kregen de aanwezigen een rechtstreekse rol bij de toekenning van de onderscheiding. De combinatie van een selectie door deskundigen en een stemming door het aanwezige publiek maakte van de prijsuitreiking ook een participatief onderdeel van het SDG-Forum.
De afstand tussen internationale ambities en dagelijkse werkelijkheid
Het SDG-Forum in Brussel bracht verschillende vraagstukken samen die in beleidsdocumenten vaak afzonderlijk worden besproken. Klimaatmaatregelen hebben gevolgen voor huisvesting en koopkracht. Onderwijs beïnvloedt de kansen op de arbeidsmarkt. Migratie en vluchtelingenopvang raken aan openbare dienstverlening, economische ontwikkeling en sociale bescherming. Productie en consumptie beïnvloeden water, biodiversiteit en het gebruik van grondstoffen. De discussies maakten ook duidelijk dat het onderschrijven van een internationale agenda onvoldoende is wanneer de uitvoering niet wordt ondersteund door financiering en bestuurlijke keuzes. De SDG-Barometer 2026 plaatste daar een bijkomende vaststelling tegenover: duurzame ontwikkeling vraagt van organisaties dat zij hun dagelijkse beslissingen blijven onderzoeken, bijsturen en toetsen aan de resultaten. Het forum bood daarvoor een programma met wetenschappelijke inzichten, bestuurlijke ervaringen, praktijkvoorbeelden en overleg tussen uiteenlopende sectoren.
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en een sterke overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen.
Wil je onze redactie een financieel duwtje in de rug geven? Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten.
Je kunt ons ondersteunen via:
☕ Ko-fi: https://ko-fi.com/andyvermaut
☕ Buy Me a Coffee: https://buymeacoffee.com/andyvermaut
Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


