De avond waarop De Bende van Nijvel weer dichtbij kwam in Oudenburg

18 mei 2026
Op maandag 18 mei 2026, om 20.00 uur, werd Ipso Facto aan Marktstraat 25 in Oudenburg een plaats waar een van de zwaarste dossiers uit de Belgische misdaadgeschiedenis opnieuw tastbaar werd. Binnen ’t praat-café by vzw Kameliejon bracht journalist Douglas De Coninck een lange lezing over De Bende van Nijvel. Het werd geen avond met simpele antwoorden. Het werd een tocht door een dossier met 28 doden, tientallen gewonden, families die al tientallen jaren wachten, een onderzoek dat vastliep en een these die De Coninck stap voor stap opbouwde rond de Rote Armee Fraktion.
Een praat-café met een zwaar onderwerp
De avond werd georganiseerd door ’t praat-café by vzw Kameliejon. Voorzitter Robert Declercq legde vooraf uit hoe de vereniging ontstond. Hij werkte vroeger onder meer als operations manager in het Kursaal van Oostende en zetelde in het directiecomité van Vayamundo. Organiseren was jarenlang zijn beroep. Na zijn actieve loopbaan bleef die drang bestaan. Eerst kwamen concerten, later ook lezingen.
Dat de lezing in Oudenburg plaatsvond, had volgens Robert Declercq vooral met de schaal te maken. In Bredene werkte vzw Kameliejon eerder met een zaal van ongeveer 400 mensen, maar voor lezingen bleek die te groot. Ipso Facto bood een kleinere zaal, minder kosten en een omgeving waarin een zwaar onderwerp dichter bij het publiek kon komen. Voor een lezing over De Bende van Nijvel was dat geen detail. Een kleine zaal maakt de afstand tussen spreker en luisteraar kleiner. De feiten komen anders binnen.
Ook de maandagavond was bewust gekozen. Ipso Facto gaf volgens Robert Declercq aan dat maandag in Oudenburg goed werkt. De lezingen werden daarom op maandagavond geplaatst, ook om niet te botsen met de concertwerking van vzw Kameliejon, die vooral op vrijdag en zaterdag plaatsvindt. Zo kreeg de Bende van Nijvel op maandag 18 mei 2026 een eigen plaats in Oudenburg, met een publiek dat bereid was twee uur lang door een moeilijk dossier te gaan.
Douglas De Coninck als gids door het dossier
Douglas De Coninck begon de avond niet vanuit sensatie. Hij begon bij de mensen die al decennialang met het dossier leven. Hij bedankte de aanwezigen niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de vele nabestaanden en slachtoffers die hij in de afgelopen jaren leerde kennen. Hij verwees naar politiemensen, advocaten, collega-journalisten en magistraten die volgens hem de beste jaren van hun leven aan dit onderzoek hebben gegeven.
Dat begin zette de toon. De Bende van Nijvel werd niet voorgesteld als een oud misdaadverhaal, maar als een dossier dat voor veel mensen nooit is afgesloten. Douglas De Coninck vertelde dat betrokkenen elkaar rond Nieuwjaar nog altijd schrijven met de wens dat De Bende van Nijvel niet vergeten raakt. Die zin bleef als een rode draad door de avond lopen. Voor families van slachtoffers is vergeten geen optie.
Daarna kwam hij bij de stand van het onderzoek. Het actieve onderzoek werd volgens zijn uiteenzetting bijna twee jaar geleden stopgezet door het Federaal Parket, terwijl het gerechtelijk onderzoek en het strafdossier open bleven. Dat maakt de situatie bijzonder wrang. Het dossier loopt officieel nog, maar tegelijk gebeurt er geen actief onderzoek dat zichtbaar naar een doorbraak leidt. Voor oudere nabestaanden is dat volgens Douglas De Coninck bijzonder zwaar. Zij vrezen dat zij zullen sterven zonder ooit te weten wie verantwoordelijk was voor wat hun familie is aangedaan.
Waarom historici nog niet aan het werk kunnen
Douglas De Coninck maakte vervolgens een vergelijking met andere historische dossiers. Hij verwees naar de moord op Julien Lahaut en naar de moord op Patrice Lumumba. In zulke zaken kwam er later toch vooruitgang, niet noodzakelijk omdat justitie alles oploste, maar omdat historici met afstand naar oude stukken konden kijken.
Bij De Bende van Nijvel kan dat volgens hem nog niet. Zolang het gerechtelijk onderzoek open blijft, kunnen historici niet vrij aan het dossier werken. Net dat vindt hij problematisch. Het dossier telt volgens hem miljoenen pagina’s. Niemand kan precies zeggen hoeveel. Hij vertelde dat een collega bij Humo ooit een kopie van het dossier te pakken kreeg, maar dat de omvang amper te verwerken was. Zelfs een inventaris werd op een bepaald moment moeilijk hanteerbaar.
Daarbij wees hij op de mogelijkheden van nieuwe analysetechnieken. Niet als wonderoplossing, maar als instrument om verbanden te zoeken die een menselijk brein niet zomaar ziet. In een dossier met miljoenen pagina’s kan een nieuwe vorm van criminele analyse misschien iets tonen dat vroeger verborgen bleef. Maar zolang het strafdossier niet vrijgegeven wordt, blijft die mogelijkheid beperkt.
Een tijd zonder de middelen van vandaag
Daarna trok Douglas De Coninck de zaal de jaren tachtig in. Hij legde uit hoe groot het verschil is tussen een strafonderzoek vandaag en een strafonderzoek in de periode van De Bende van Nijvel. Vandaag beschikken speurders over DNA-onderzoek, ANPR-camera’s, telecomgegevens, digitaal onderzoek en zelfs honden die digitale dragers kunnen opsporen. In de jaren tachtig was dat allemaal niet beschikbaar of stond het nog niet op het huidige niveau.
De middelen van toen waren beperkter. Informanten speelden een grote rol. Dat betekende vaak dat de ene bandiet over de andere sprak. Robotfoto’s werden gemaakt op basis van herinneringen van mensen die soms zwaar getraumatiseerd waren. Ballistiek was het belangrijkste wetenschappelijk ondersteunde hulpmiddel.
De Coninck was kritisch voor de manier waarop robotfoto’s later werden gebruikt. Hij wees erop dat door de jaren heen ongeveer 1.500 mensen met grote stelligheid op robotfoto’s zouden zijn herkend. De bende kon onmogelijk uit zoveel mensen bestaan. Hij wees ook op het gebruik van hypnose bij getuigen, iets wat hij vanuit latere forensische kennis erg problematisch noemde. Daarmee waarschuwde hij voor een belangrijk gevaar in dit dossier: wie te snel iets wil herkennen, kan zichzelf vastzetten in een verkeerde piste.
Ballistiek als basis van het officiële verhaal
In het officiële verhaal speelt ballistiek een centrale rol. Douglas De Coninck legde uit hoe kogelhulzen sporen dragen die onder de microscoop kunnen worden vergeleken. Als dezelfde sporen opduiken bij verschillende feiten, worden die feiten aan elkaar gekoppeld. Op die manier ontstond het kader waarbinnen men over De Bende van Nijvel spreekt.
Maar precies daar zette De Coninck een belangrijke kanttekening bij. Hij stelde de vraag wat een crimineel tegenhoudt om na een schietpartij zijn wapen door te geven of te verkopen. Volgens hem was het in het beroepsmilieu van criminelen juist een regel om een gebruikt wapen zo snel mogelijk te doen verdwijnen. In het kanaal, in het water, weg uit de eigen omgeving. Daarom vond hij het vreemd dat bepaalde wapens in de bendezaak opnieuw en opnieuw opdoken.
Die redenering is belangrijk voor zijn latere these. Voor Douglas De Coninck is De Bende van Nijvel niet zomaar één vanzelfsprekende groep die van 1982 tot 1985 dezelfde lijn volgde. Hij ziet de officiële afbakening als iets dat sterk uit ballistische sporen is gegroeid. Ballistiek is nuttig, maar kan volgens hem ook een te smalle bril worden als men er alle andere elementen aan ondergeschikt maakt.
De man die het dossier erfde
Douglas De Coninck vertelde ook hoe hij zelf bij het dossier terechtkwam. Eind jaren negentig werkte hij bij De Morgen. Het dossier werd daar voordien sterk opgevolgd door Walter De Bock, die later veel aandacht besteedde aan de moord op André Cools. Daardoor kwam er ruimte voor een jongere journalist om het bendedossier verder te volgen.
De Coninck was toen iets voorbij de dertig. Toch was het onderwerp voor hem niet alleen een journalistiek dossier. Hij had de angst van de jaren tachtig zelf meegemaakt. Hij vertelde hoe hij als jonge punker vaak door de rijkswacht werd gecontroleerd en hoe hij zich de scherpschutters op de daken van het Paleis herinnerde. De jaren van De Bende van Nijvel waren voor hem geen abstract verleden. Het was een tijd waarin geweld, controle en angst dichter bij het dagelijkse leven stonden.
Juist daardoor sprak hij niet als iemand die alleen documenten had gelezen. Hij sprak als iemand die het maatschappelijke klimaat kende en later in contact kwam met slachtoffers, nabestaanden, speurders en advocaten. Die dubbele invalshoek maakte de lezing sterk. De feiten kregen context, maar de emoties werden niet uitgespeeld.
Niet één bende, maar mogelijk twee golven
Een cruciaal punt in de lezing was het onderscheid tussen de eerste golf van 1982 en 1983 en de latere aanslagen van 1985. Douglas De Coninck stelde duidelijk dat hij niet kan bewijzen dat het om verschillende groepen ging. Toch vindt hij het verschil in werkwijze te groot om zomaar van één doorlopende lijn uit te gaan.
In de eerste golf ziet hij vooral gerichte doelwitten. Politiemensen en directeurs van supermarkten springen eruit. Burgers vallen ook als slachtoffer, maar volgens zijn analyse worden zij niet op dezelfde manier geviseerd. Vooral het verschil rond kinderen viel op. In de eerste golf werd volgens De Coninck niet op kinderen geschoten. In de tweede golf gebeurde dat wel.
Daaruit groeit zijn these. De eerste golf zou volgens hem mogelijk verband kunnen houden met de Rote Armee Fraktion of met een netwerk dat in dezelfde logica opereerde. De tweede golf uit 1985 ziet hij eerder als een andere groep, mogelijk een copycat, die het beeld van de eerste reeks gebruikte maar met een totaal andere geweldsdynamiek. In 1985 stond terreur centraal. Angst moest zich verspreiden. De buit stond niet in verhouding tot het geweld.
Hoe de piste van de Rote Armee Fraktion ontstaat
Douglas De Coninck kwam niet in één sprong bij de Rote Armee Fraktion. Hij bouwde de piste stap voor stap op. Eerst legde hij uit dat het onderzoek jarenlang vooral keek naar extreemrechtse pistes. Westland New Post, rijkswachters, criminele netwerken en figuren rond Madani Bouhouche, Christian Amory en Robert Beijer kwamen uitgebreid aan bod. Hij noemde dat relevante context, maar vond dat er te weinig naar extreemlinks werd gekeken.
Daarna plaatste hij het dossier in de bredere Koude Oorlog. Die periode was volgens hem geen gewone politieke spanning, maar een tijd waarin geheime diensten, terreurnetwerken en gewapende groepen in Europa door elkaar liepen. Hij verwees naar Ilich Ramírez Sánchez, beter bekend als Carlos of De Jakhals. Die verbleef in die periode in Europese schuiladressen en had volgens de lezing contacten met extreemlinkse netwerken. Ook Magdalena Kopp, gelinkt aan de Rote Armee Fraktion, kwam ter sprake.
Volgens De Coninck viel de start van de feiten die officieel aan De Bende van Nijvel worden toegeschreven samen met een periode waarin figuren uit extreemlinkse terreurnetwerken in of rond België aanwezig waren. Dat is voor hem geen bewijs, maar wel een element dat volgens hem te weinig aandacht kreeg.
De logistieke structuur van de RAF
Een tweede stap in zijn redenering ging over de structuur van de Rote Armee Fraktion. Douglas De Coninck legde uit dat de RAF niet alleen uit uitvoerders van aanslagen bestond. Er was ook een bredere piramide. Onderaan zaten sympathisanten en steunfiguren. Daarboven zaten mensen die logistiek regelden. Helemaal bovenaan zaten de uitvoerders van geweld.
Die logistieke laag moest onderduikadressen, transport, voedsel, geld en materiaal regelen. Volgens De Coninck pleegden mensen uit die laag overvallen op supermarkten en wapenwinkels. Niet als gewone roofbende, maar als manier om de ondergrondse werking te ondersteunen. Daarbij gold volgens zijn uitleg een regel: burgers mochten niet het doelwit zijn. Schieten gebeurde alleen op gerichte doelwitten, zoals politiemensen of bedrijfsleiders.
Daar ziet hij de eerste overeenkomst met de eerste golf van De Bende van Nijvel. De feiten uit 1982 en 1983 tonen volgens hem een patroon waarbij politiemensen en directeurs opvallend vaak worden getroffen. Niet de willekeur van 1985, maar gerichte hardheid. Precies dat verschil vormt een van de pijlers van zijn RAF-these.
De overval in Halle als sleutelvoorbeeld
Een belangrijk voorbeeld was de overval op de Colruyt in Halle. Douglas De Coninck vertelde over Jules Knockaert, die hij later sprak. Jules Knockaert was die avond aanwezig met Walter Verstappen, de directeur van de Colruyt in Halle. Walter Verstappen had normaal kunnen vertrekken, maar bleef langer omdat er nog iets besproken moest worden.
Toen de daders binnenkwamen, werd de brandkast geopend. Het geld werd afgegeven. Er was geen verzet. Toch werd Walter Verstappen van dichtbij doodgeschoten. Voor Douglas De Coninck is dat een kernvraag: waarom moest de directeur sterven als de buit al was overhandigd?
Daar koppelde hij zijn RAF-these aan. Volgens zijn lezing viseerde de Rote Armee Fraktion niet alleen politie, maar ook bedrijfsleiders. In die tijd hing bij supermarkten vaak een affiche met de foto en de naam van de directeur aan de ingang. De daders konden dus weten wie Walter Verstappen was. Voor De Coninck is dat geen sluitend bewijs, maar wel een element dat zijn piste ondersteunt.
Wapenwinkels, auto’s en doublettes
De redenering ging verder via de werkwijze. In de eerste feitenreeks kwamen wapenwinkels, snelle wagens en opvallend veel geweld tegen politiemensen terug. Bij de overval op de wapenhandel Dekaise in Waver werd politieagent Claude Haulotte neergeschoten en daarna gedood. Bij de vlucht werd opnieuw zwaar geweld tegen politie gebruikt. De daders hadden een Volkswagen Santana, een wagen die snel kon optrekken.
Douglas De Coninck wees ook op het gebruik van doublettes. Dat zijn valse nummerplaten die overeenkomen met een bestaande wagen van hetzelfde type en dezelfde kleur. Volgens hem was dat in die tijd vooral bekend van de Rote Armee Fraktion, die haar verplaatsingen met zulke platen afschermde. Ook dat bracht hij niet als bewijs, maar als een techniek die zijn aandacht trok.
Daarnaast wees hij op de keuze van wagens. Volgens hem had de RAF als antikapitalistische groep een hekel aan luxemerken zoals Mercedes en BMW, terwijl Volkswagen en Peugeot veel vaker pasten bij hun profiel. In de feitenreeks kwamen precies dat soort wagens terug. Opnieuw ging het om een patroon, niet om een sluitende vingerafdruk.
Belgische RAF-depots en de link met België
Een derde element in de RAF-piste waren de depots. Douglas De Coninck legde uit dat de Rote Armee Fraktion in Duitsland geheime munitie- en wapendepots had. Zulke R-depots lagen op verborgen plaatsen, vaak in bossen. Na de val van de Berlijnse Muur en het einde van de Koude Oorlog kwamen sommige voortvluchtige RAF-leden in een andere wereld terecht. Henning Beer, een figuur uit de RAF-context, zou volgens de lezing depots hebben aangeduid.
Daarbij kwamen ook Belgische plaatsen in beeld. Dat is voor De Coninck belangrijk. Het toont dat de RAF niet alleen een Duits verhaal was, maar ook fysieke sporen of steunpunten in België had. Hij verwees naar een depot in Heidelberg, naar Belgische locaties en naar een pakket met explosieven dat na de ontbinding van de RAF onder het Herman Debrouxviaduct werd gemeld.
Voor zijn these betekent dit dat de aanwezigheid van RAF-logistiek in België niet denkbeeldig was. Er waren sporen, depots en netwerken. Als men dan in dezelfde periode feiten ziet met overvallen op wapenzaken, supermarkten, het gebruik van bepaalde wagens en gericht geweld tegen politie of directeurs, vindt hij dat die piste ernstig onderzocht had moeten worden.
Blaupunkt-autoradio’s als vreemd detail
Een opvallend detail in de lezing was de rol van Blaupunkt-autoradio’s. Douglas De Coninck verwees naar informatie waaruit bleek dat RAF-kringen zulke autoradio’s gebruikten in verband met een eigen communicatiesysteem. Hij zei zelf dat hij niet exact wist hoe het technisch werkte, maar dat die radio’s in de RAF-context geregeld opdoken.
Hij vertelde dat bij sympathisanten van de Rote Armee Fraktion Blaupunkt-autoradio’s zelfs als cadeaus circuleerden. Ook Carlos zou volgens de lezing ooit een arts betaald hebben met zo’n autoradio. Het klinkt als een klein detail, maar in De Conincks redenering past het in een bredere reeks signalen: wagens, radiosystemen, logistiek, depots en technische gewoonten van een ondergronds netwerk.
De kracht van die passage zat niet in het spectaculaire, maar in de manier waarop De Coninck liet zien hoe een piste ontstaat. Niet door één feit. Niet door één naam. Wel door veel kleine elementen die in dezelfde richting lijken te wijzen en die volgens hem nooit voldoende samen zijn geanalyseerd.
De eerste feiten door die bril bekeken
Door die RAF-bril bekeken, kregen de eerste feiten een andere kleur. De diefstal van een eendenroer in Dinant was op zichzelf geen gewelddadige overval, maar het wapen werd later afgezaagd en kreeg zo een intimiderend uitzicht. De diefstal van auto’s, waaronder een Austin Allegro en later een Volkswagen Santana, leek omslachtig voor gewone criminelen, maar paste volgens De Coninck in een werkwijze waarin transport en afscherming belangrijk waren.
Bij Maubeuge viel de vreemde buit op: thee, wijn en champagne. De daders begonnen meteen te schieten op politie. Dat is volgens De Coninck ongewoon voor klassieke criminelen, omdat een schot op een politieman de volledige politiewereld tegen je keert. Bij de wapenhandel Dekaise in Waver leek de buit vooral te draaien rond wapens, waaronder zeldzame Ingram-machinepistolen. Geld in de kassa bleef liggen.
Bij diezelfde feiten viel opnieuw het geweld tegen politie op. Claude Haulotte werd niet alleen uitgeschakeld, maar ook gedood. Voor De Coninck is dat belangrijk. Het lijkt niet louter op paniek tijdens een vlucht, maar op een gerichte manier van handelen tegenover politie.
Temse en de grens van het geweld
Bij Temse werd het beeld nog opvallender. De daders vielen een bedrijf aan dat kogelvrije vesten van Kevlar maakte. Er werden mensen gedood, maar een kind werd volgens de lezing niet aangevallen. De sporen wezen erop dat een van de daders een kind had opgepakt en terug in bed had gelegd. Dat detail gebruikte De Coninck als illustratie van zijn onderscheid tussen de eerste en de tweede golf.
In de eerste golf werd volgens hem hard en dodelijk gehandeld, maar kinderen werden niet als doelwit genomen. Dat past volgens zijn these bij een logica waarin geweld gericht is op bepaalde categorieën, niet op willekeurige terreur. In de tweede golf zou dat veranderen.
Nijvel en de naam van het dossier
Bij de overval op de Colruyt in Nijvel op 17 september 1983 werd rijkswachter Marcel Morue gedood. In Franstalig België spreekt men vaak over Les Tueurs du Brabant of Les Tueries du Brabant, terwijl in het Nederlands de naam De Bende van Nijvel bleef hangen. De feiten in Nijvel werden zo bepalend voor de naam van het dossier.
Ook hier zag De Coninck opnieuw een terugkerend patroon. Een warenhuis, een vreemde buit, politie die in de hinderlaag loopt en dodelijk geweld tegen een agent. De tweede agent overleefde volgens de lezing onder meer doordat hij deed alsof hij dood was. De overval paste voor De Coninck in de eerste golf waarin politie een opvallend doelwit bleef.
Ohain en de identiteitskaarten
Een andere passage ging over restaurant Het Witte Paard (Dat hebben we vertaald uit het Frans) in Ohain. Daar moesten aanwezigen op de grond gaan liggen. De daders waren volgens de lezing opvallend geïnteresseerd in identiteitskaarten, niet in geld. Jacques Van Camp werd gedood en de Golf GTI van zijn dochter werd meegenomen.
Later zou volgens De Coninck blijken dat in RAF-context valse Belgische identiteitskaarten opdoken die verband hielden met Ohain. Ook dat is in zijn these geen bewijsstuk dat alles oplost. Het is wel een nieuw element in dezelfde redenering: waarom waren de daders geïnteresseerd in identiteitskaarten, en waarom duikt net dat dorp later op in verband met valse documenten?
De fout rond de Bende Cocu
Eind 1983 leek het gerecht even zeker te zijn. Michel Cocu en anderen kwamen in beeld. De piste van de Bende Cocu leek voor speurders een verklaring te bieden. Het bewijs steunde op ballistiek. Later viel dat bewijs weg na tegenonderzoek. Volgens Douglas De Coninck toonde dit hoe gevaarlijk tunnelvisie kan zijn.
Die passage was niet bedoeld om vroegere speurders te beschimpen. De Coninck gaf aan dat fouten vaak gemaakt worden door mensen die denken dat ze op het juiste spoor zitten. Maar het gevolg kan zwaar zijn. Terwijl men alle energie in één piste steekt, gaan andere mogelijkheden verloren. Voor hem is dat een rode draad in het hele dossier.
De breuk van 1985
Na een periode van stilte kwam 1985. Volgens De Coninck was dat een ander soort geweld. De aanslagen in Eigenbrakel, Overijse en Aalst vormden geen gewone voortzetting van de eerste golf. Hier stond angst centraal.
In Eigenbrakel werd een kind van twaalf onder bedreiging meegenomen. Een man die tussenbeide kwam, werd meteen doodgeschoten. De buit was laag in verhouding tot het geweld. In Overijse vielen vijf doden. Onder de slachtoffers was Léon Finné, een man over wie veel theorieën bestaan door zijn rol als informant. De Coninck gaf aan dat sommige mensen hem als gericht slachtoffer zien, terwijl zijn familie dat anders bekijkt.
In Aalst werd de breuk met de eerste golf nog duidelijker. Op zaterdag 9 november 1985 vielen acht doden bij de Delhaize. David Van de Steen was toen negen jaar. Zijn ouders en zijn zus Rebecca werden vermoord. Hijzelf raakte zwaar gewond. Voor De Coninck maakt dat duidelijk dat de tweede golf een andere logica had. Hier ging het niet alleen om buit. Hier werd terreur gezaaid.
Aalst, Eddy Neefs en Christiaan Bonkoffsky
Douglas De Coninck ging ook in op de vlucht na Aalst. Hij sprak over de Golf GTI, de open achterklep en de schoten tijdens de vlucht. Politieman Eddy Neefs zou volgens de lezing op de vluchtende wagen hebben geschoten. De Coninck verwees naar de hypothese dat hij mogelijk een dader raakte, mede omdat de achterklep langer open bleef dan verwacht en omdat er later getuigenissen opdoken over mannen bij een wagen in een bosrijke omgeving.
Daarna kwam Christiaan Bonkoffsky ter sprake. De ex-rijkswachter uit Aalst zou kort voor zijn dood hebben gezegd dat hij bij De Bende van Nijvel was. Douglas De Coninck stelde dat die bewering op zichzelf niet volstaat. Toch blijft de Aalsterse context voor hem opmerkelijk. Door de eerdere aanslagen werden Delhaize-winkels bewaakt. In Aalst vertrok de bewakingsploeg volgens de lezing kort voor de daders arriveerden. De timing was rampzalig voor de politie en gunstig voor de daders. De vraag blijft wie dat wist en hoe dat kon gebeuren.
Wat de RAF-these wel en niet zegt
Het belangrijkste aan de RAF-these is dat Douglas De Coninck ze niet als bewezen waarheid bracht. Hij zei uitdrukkelijk dat het een these is. Hij beweert niet dat hij weet wie de daders waren. Hij zegt ook niet dat alle feiten door de Rote Armee Fraktion gepleegd zijn. Zijn stelling is beperkter en daardoor sterker: de eerste golf van 1982 en 1983 vertoont volgens hem kenmerken die ernstig naast de RAF-context gelegd hadden moeten worden.
Die kenmerken zijn samen te vatten. Er is het gerichte geweld tegen politiemensen en directeurs. Er is het ontbreken van geweld tegen kinderen in de eerste golf. Er zijn overvallen op supermarkten en wapenwinkels met soms vreemde buit. Er is het gebruik van snelle wagens, valse nummerplaten en technieken die hij met de RAF associeert. Er zijn Belgische RAF-depots en netwerken in de Koude Oorlog. Er zijn de contacten tussen extreemlinkse terreurkringen, Carlos, Magdalena Kopp en Europese schuiladressen. En er is het gevoel dat extreemrechts en rijkswachtpistes veel aandacht kregen, terwijl extreemlinks volgens hem te weinig werd uitgewerkt.
Het is geen sluitende eindconclusie. Het is een uitnodiging tot analyse. Precies daarom kwam de piste in Oudenburg geloofwaardig over. De Coninck bouwde ze niet op uit één grote bewering, maar uit een reeks observaties die in zijn lezing telkens terugkeerden.
Vragen uit de zaal
Na de uiteenzetting kwamen vragen uit de zaal. Er werd gevraagd hoe het kan dat, als de eerste golf mogelijk aan de RAF werd gelinkt en de tweede golf een andere groep was, die tweede groep dan toch aan wapens of sporen van de eerste kon raken. Douglas De Coninck erkende dat dit een moeilijk punt blijft. Net daar ligt volgens hem een van de onbeantwoorde vragen.
Er kwam ook een vraag over Patrick Haemers en David Van de Steen. De Coninck vertelde dat hij verschillende keren met David Van de Steen sprak. Hij vond niet dat buitenstaanders het recht hebben om een slachtoffer zomaar weg te zetten als iemand die zich vergist. Tegelijk bleef hij voorzichtig. Hij zei niet dat hij wist hoe het zat. Hij gaf aan dat Patrick Haemers in die periode zelf in de illegaliteit leefde en zware feiten pleegde, maar hij trok daar geen harde conclusie uit.
Andere vragen gingen over Gladio, de CCC en andere pistes. De Coninck maakte telkens duidelijk dat De Bende van Nijvel een dossier is waarin veel theorieën bestaan, maar waarin voorzichtigheid noodzakelijk blijft. Het gevaar is dat elke piste haar eigen tunnel wordt. Dat was precies wat hij de hele avond wilde vermijden.
Waarom de avond bleef hangen
De lezing in Ipso Facto bleef hangen omdat ze de aanwezigen niet met een eenvoudig antwoord naar huis stuurde. Het publiek kreeg iets anders: een beter begrip van waarom het dossier al zo lang vastzit. De combinatie van oude onderzoeksmiddelen, ballistische afbakening, robotfoto’s, informanten, tunnelvisie, internationale politieke context en menselijke fouten maakt van De Bende van Nijvel een dossier waarin zekerheid zeldzaam is.
Toch was de avond niet vaag. Integendeel. Douglas De Coninck werkte met namen, plaatsen, data, feiten en voorbeelden. Hij ging van Dinant naar Waver, van Maubeuge naar Halle, van Temse naar Nijvel, van Ohain naar Aalst. Hij bracht Robert Declercq en vzw Kameliejon niet naar een avondje misdaadromantiek, maar naar een ernstige reconstructie van een Belgisch trauma.
Een praat-café als plaats voor geheugen
Voor ’t praat-café by vzw Kameliejon was dit een avond die toonde waarom zulke bijeenkomsten zin hebben. Een zwaar dossier vraagt tijd. Geen snelle soundbite, geen oppervlakkige stelling, maar een spreker die stap voor stap uitlegt waarom sommige vragen blijven terugkomen.
In een kleine zaal werkt dat sterker. De aanwezigen zaten dicht bij Douglas De Coninck. De details kwamen binnen. Een kind in Temse dat terug in bed werd gelegd. Walter Verstappen die al had meegewerkt en toch werd gedood. Marcel Morue bij de Colruyt in Nijvel. Léon Finné in Overijse. David Van de Steen in Aalst. Christiaan Bonkoffsky aan het einde van een lange rij vragen. Zulke namen maken duidelijk dat De Bende van Nijvel niet alleen een dossier is, maar een reeks levens die nooit meer hetzelfde werden.
Een dossier dat niet verdwijnt
Op maandag 18 mei 2026 werd in Oudenburg duidelijk waarom De Bende van Nijvel in België blijft terugkomen. Niet omdat iedereen dezelfde theorie deelt. Niet omdat één piste alles verklaart. Wel omdat de kern blijft wringen: 28 doden, een land dat in de jaren tachtig in angst leefde, een onderzoek dat geen gerechtelijke ontknoping bracht en families die nog altijd wachten.
Douglas De Coninck gaf in Ipso Facto geen definitief antwoord, maar hij gaf het publiek wel een manier om het dossier anders te bekijken. Zijn piste rond de Rote Armee Fraktion steunt op het verschil tussen de eerste en de tweede golf, op de doelwitten, de werkwijze, de Koude Oorlog, de RAF-logistiek en de vraag waarom extreemlinks in het onderzoek volgens hem te weinig gewicht kreeg. Dat maakt de these niet bewezen, maar wel relevant genoeg om te begrijpen waarom hij ze blijft toelichten.
Bronnen:
Officiële activiteitenpagina Stad Oudenburg over de lezing van Douglas De Coninck in Ipso Facto, Oudenburg – interview Andy Vermaut met Douglas De Coninck
Ticket Monster-pagina van ’t Praatcafé by Kameliejon over De Bende van Nijvel – Dank aan Peter Vanparys voor de uitnodiging
Bende van Nijvel-dossierpagina over de feiten in Nijvel en Marcel Morue
Police Memorial-pagina over Marcel Morue
Bende van Nijvel-pagina over Christiaan Bonkoffsky
Knack-artikel over Christiaan Bonkoffsky en de piste rond De Bende van Nijvel
Bende van Nijvel-pagina over Waver en Claude Haulotte
NPO Kennis-dossier over De Bende van Nijvel
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


