Europa belandt in nieuwe fase van de techstrijd tussen de Verenigde Staten en China door zeldzame aardmetalen en chipdealpolitiek

20 december 2025
Europa krijgt te maken met een aangescherpte fase in de techstrijd tussen de Verenigde Staten en China. De aandacht verschuift van de meest geavanceerde halfgeleiders naar kritieke grondstoffen en industriële basisinputs die nodig zijn om fabrieken, ziekenhuizen, elektriciteitsnetten en defensieketens draaiende te houden.
China voerde in 2025 twee golven van exportcontroles in op zeldzame aardmetalen, in april en oktober. Volgens de onderzoeksdienst van het Europees Parlement hebben die maatregelen de Europese Unie al merkbaar geraakt, omdat zeldzame aardmetalen onmisbaar zijn in de digitale economie, de energietransitie en de defensie-industrie. Tegelijk zette Beijing recent in op een gestroomlijnde vorm van “algemene vergunning” voor bepaalde export, wat de procedure beter voorspelbaar kan maken, maar het kernmechanisme van vergunningen en dosering intact laat.
Aan Amerikaanse kant verschuift het beleid eveneens. President Donald Trump verklaarde dat export van Nvidia’s H200-chips naar China kan worden toegestaan, maar dan gekoppeld aan een heffing van 25% die naar de Amerikaanse overheid vloeit. Er loopt daarbij een interdepartementale beoordeling over de concrete toelating. Daarnaast meldden media dat er in de Verenigde Staten werd onderhandeld over exportvergunningen waarbij chipproducenten een deel van de opbrengst zouden afdragen aan de overheid, wat erop wijst dat exportcontrole in deze fase niet alleen als veiligheidsinstrument wordt ingezet, maar ook als onderhandelings- en opbrengstmechanisme.
Chinese vergunningenpolitiek rond zeldzame aardmetalen raakt de hele Europese economie
De eerste Chinese maatregel van 4 april 2025 legde strengere vereisten op voor de uitvoer van bepaalde zware zeldzame aardmetalen en aanverwante producten. De kern van die aanpak is dat exporteurs en afnemers meer informatie moeten aanleveren over eindgebruik en bestemming, waardoor de uitvoer minder automatisch verloopt. De tweede golf in oktober 2025 had een zodanige impact dat die later tijdelijk werd opgeschort tot november 2026, wat aantoont hoe snel Beijing de druk kan opvoeren en opnieuw kan bijstellen zonder het instrument uit handen te geven.
Voor Europese bedrijven is het grootste gevaar niet noodzakelijk een totale stop, maar de manier waarop een vergunningenregime leveringen kan vertragen, nalevingskosten kan verhogen en onzekerheid kan veroorzaken in aankoop- en productieplanning. Zelfs wanneer er nog export plaatsvindt, leidt de combinatie van extra paperassen, langere doorlooptijden en onduidelijke beslistermijnen tot disruptie, vooral in sectoren met lage voorraden en strakke “just-in-time”-processen.
Amerikaanse chipexport wordt conditioneel en Europa volgt de voorwaarden nauwgezet
De aangekondigde bereidheid van President Trump om H200-export toe te staan, gekoppeld aan een forse heffing, markeert een verschuiving richting een meer transactionele benadering. Waar beperkingen eerder vooral werden gepresenteerd als een niet-onderhandelbare veiligheidslijn, komt nu het element van onderhandeling, uitzonderingen en opbrengstverdeling prominenter in beeld.
Voor Europa is dit relevant omdat Amerikaanse keuzes niet alleen de Amerikaanse markt beïnvloeden. Europese bedrijven bewegen in ketens waarin Amerikaanse technologie, software, ontwerpregels, licenties en financieringskanalen vaak een rol spelen. Dat maakt het mogelijk dat Europese leveranciers te maken krijgen met indirecte beperkingen of met een omgeving waarin Amerikaanse bedrijven uitzonderingen krijgen en Europese spelers vooral de risico’s en kosten dragen. In zo’n scenario ontstaat een asymmetrie: de Verenigde Staten kunnen ruimte creëren voor eigen ondernemingen, terwijl de druk op Europese bedrijven via compliance en ketenafhankelijkheid blijft bestaan.
Toegang tot rekenkracht kan verschuiven naar diensten en “cloudroutes”
Zelfs wanneer fysieke export van chips wordt begrensd, kan toegang tot rekenkracht verschuiven naar dienstverlening. Internationale constructies via datacenters en cloudaanbieders kunnen ervoor zorgen dat bedrijven rekenvermogen gebruiken zonder dat de hardware rechtstreeks wordt ingevoerd of eigendom wordt. Dat vergroot het risico op een kloof tussen beleidsdoel en praktijk: de beoogde beperking van toegang kan gedeeltelijk worden omzeild, terwijl de kosten van naleving en verstoring wél op toeleveranciers en bondgenoten drukken.
Standaarden kunnen uit elkaar groeien en Europese bedrijven buitenspel zetten
Europa loopt het risico dat de Amerikaanse en Chinese technologie-ecosystemen verder uit elkaar groeien en verharden tot twee deels onverenigbare sferen. Het gaat dan niet alleen om technische protocollen, maar ook om beveiligingsbaselines, certificeringsregimes, auditplichten en aanbestedingscriteria. Wanneer bedrijven hun producten en processen voor twee regimes tegelijk moeten ontwerpen en certificeren, stijgen de kosten en neemt de doorlooptijd toe. Grote multinationals kunnen dat soms opvangen, maar middelgrote industriële spelers en gespecialiseerde toeleveranciers, die net de ruggengraat vormen van de Europese maakindustrie, verliezen dan snel terrein.
Daar komt bij dat standaarden in de praktijk markttoegang kunnen blokkeren zonder dat er formeel sprake is van nieuwe tarieven. Wie niet voldoet aan een set cybersecurity-eisen of aan een bepaalde certificeringsketen kan uitgesloten worden van aanbestedingen in kritieke infrastructuur, industriële IoT, cloudomgevingen en AI-toepassingen. Als Europa onvoldoende invloed heeft op die spelregels, dreigt het een volger te worden in plaats van een vormgever, met directe gevolgen voor concurrentiekracht en strategische autonomie.
Extraterritoriale exportregels kunnen Europese beleidsruimte beperken
Veel Europese producten en diensten bevatten Amerikaanse componenten, Amerikaanse software, Amerikaanse IP of zijn afhankelijk van Amerikaanse tooling en financieringskanalen. Daardoor kan Washington invloed uitoefenen op wat Europese bedrijven wel of niet kunnen leveren aan derde landen, zelfs als het gaat om onderhoud, reserveonderdelen of updates voor bestaande installaties. Dit creëert contractonzekerheid en kan investeringsbeslissingen ondermijnen, omdat ondernemingen niet zeker weten of vergunningen in de toekomst zullen worden toegekend.
Het structurele gevolg is dat Europa niet alleen kwetsbaar is voor Chinese druk, maar ook voor de manier waarop bondgenoten hun instrumenten inzetten. Wanneer exportcontrole in toenemende mate deel wordt van grootmachtsonderhandelingen, kan Europese handelspolitiek in de praktijk minder vrij manoeuvreren, zeker in sectoren waar de technologische afhankelijkheid groot is.
Afhankelijkheid zit niet enkel in zeldzame aardmetalen, maar in een hele reeks “onvermijdelijke” inputs
Zeldzame aardmetalen zijn een kernkwetsbaarheid, maar Europa is ook gevoelig voor beperkingen op gespecialiseerde chemicaliën, procesgassen, industriële keramieken, hoogwaardige magneten, precisiegereedschap en bepaalde categorieën halfgeleiders die onmisbaar zijn voor voertuigen, netinfrastructuur en defensietoepassingen. De grootste verstoringen ontstaan vaak op het punt waar de substitutie het traagst is. Een onderdeel dat goedkoop lijkt, kan in de praktijk niet te vervangen zijn zonder herontwerp, herkwalificatie en nieuwe veiligheidstesten.
Een vergunningenregime beïnvloedt bovendien het gedrag van de markt. Leveranciers kunnen prioriteit geven aan afnemers met minder regelgevingrisico, verzekeraars en banken kunnen handelsstromen herprijzen, en bedrijven kunnen meer gaan hamsteren om onzekerheid op te vangen. Dat verhoogt de volatiliteit en kan van gerichte beperkingen een brede, systeemmatige schok maken.
Defensiegereedheid kan worden afgeremd door knelpunten die op het eerste gezicht “civiel” lijken
De Europese defensie-industrie leunt zwaar op civiele ketens. Tekorten aan elektronica, sensoren, batterijen, magneten, optiek en industriële materialen werken rechtstreeks door in productie- en onderhoudsschema’s. De kwetsbaarheid neemt toe wanneer meerdere programma’s tegelijk dezelfde schaarse inputs nodig hebben en wanneer aanbestedingen nationaal versnipperd blijven. Dan ontbreekt schaalvoordeel en gaat tijd verloren in parallelle procedures en uiteenlopende specificaties.
Op het niveau van paraatheid kan een klein probleem aan de onderkant van de keten leiden tot grote vertragingen bovenin. Test- en certificeringscycli schuiven op, onderhoud stapelt zich op en de inzetbaarheid van systemen kan dalen, precies in een periode waarin Europa sneller wil moderniseren en aanvullen.
Economische druk kan EU-lidstaten tegen elkaar uitspelen
Economische druk werkt het sterkst wanneer ze gericht kan worden toegepast. Als bepaalde sectoren of lidstaten disproportioneel afhankelijk zijn van één input, één exportmarkt of één logistiek knooppunt, dan kan een externe actor pijn toebrengen waar die het politiek het meeste effect sorteert. Dat kan leiden tot uiteenlopende nationale reflexen en tot een trager EU-besluitvormingsproces, waardoor een eensgezinde reactie lastiger wordt.
In zo’n situatie vermindert de afschrikking, omdat het voor tegenpartijen duidelijk kan worden dat Europa tijd nodig heeft om consensus te bouwen. Het risico is dat economische druk daardoor niet alleen de economie raakt, maar ook de interne samenhang en de slagkracht van de Unie.
Kosten- en leveringsschokken kunnen investeringen uit Europa wegduwen
Wanneer prijzen van kritieke inputs schommelen en leveringen onzeker blijven, gaan bedrijven hun investeringen heroverwegen. Ze stellen uitbreidingen uit, schakelen over op minder performante alternatieven of verplaatsen delen van productie naar regio’s waar toelevering stabieler lijkt. Op langere termijn kan dat leiden tot een geleidelijke verzwakking van de Europese industriële basis, zeker wanneer gespecialiseerde toeleveranciers en kmo’s wegvallen.
Dit betekent dat Europa op termijn meer importafhankelijk wordt in sectoren die het net robuuster wil maken. Daardoor neemt de gevoeligheid voor de volgende schok toe, en wordt het lastiger om snel op te schalen wanneer strategische noodzaak dat vraagt.
Supplychain-beveiliging wordt een hardere factor nu knelpunten strategisch worden
Nu materialen, vergunningen en logistieke knooppunten strategische hefboomen worden, groeit de prikkel om niet alleen via handelspolitiek, maar ook via verstoring te werken. Cyberaanvallen op logistieke systemen, sabotage van industriële controlesystemen, of het ontregelen van certificerings- en kwaliteitsprocessen kunnen leveringen vertragen zonder dat er formeel sprake is van een exportverbod. Zulke acties zijn vaak moeilijker te bewijzen en daardoor moeilijker te beantwoorden.
Voor Europa betekent dit dat weerbaarheid niet stopt bij alternatieve leveranciers. Het vraagt ook om betere beveiliging van operationele ketens, strengere audits, snellere incidentrespons en meer zicht op kwetsbare schakels, zodat verstoring niet onopgemerkt kan doorsijpelen naar productie en defensie.
Waar Europa zich nu op richt
De richting is duidelijk: snellere diversificatie en strategische voorraden voor kritieke materialen, nauwere afstemming met partnerlanden over economische veiligheid, en een geloofwaardige inzet van EU-instrumenten wanneer economische druk de vorm aanneemt van dwang. De inzet van 2026 wordt daarmee vooral een test van uitvoering en samenhang: kan Europa zijn ketens stabiliseren en tegelijk voldoende beleidsruimte behouden tussen Washington en Beijing (Peking)?
Andy Vermaut +32499357495


