Diksmuide krijgt zelf meer zeggenschap over beschermd erfgoed

Historisch monument in Diksmuide met uitzicht vanaf boven.

8 juli 2026

Sinds woensdag 1 juli 2026 is Diksmuide officieel erkend als onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse erkenning geeft het stadsbestuur bijkomende taken bij de inventarisatie van bouwkundig en landschappelijk erfgoed, de behandeling van bepaalde werken aan beschermd erfgoed en de opvolging van archeologische dossiers. Daardoor verschuift een deel van de besluitvorming van het Vlaamse naar het lokale niveau. Voor Diksmuide is dat van bijzonder belang, omdat het grondgebied bestaat uit een historische stadskern, vijftien deelgemeenten, wederopbouwarchitectuur, landelijke hoeves, kerken, oorlogsrelicten, begraafplaatsen, waterlopen en landschappen die elk een eigen aanpak vragen. De erkenning is tegelijk een bestuurlijke opdracht. Het stadsbestuur moet expertise inzetten, dossiers binnen wettelijke termijnen behandelen, beslissingen registreren en het beleid afstemmen met andere stedelijke diensten en gespecialiseerde partners.

Erkenning na een breed lokaal traject

De aanvraag sluit aan bij het participatieve traject voor het meerjarenplan 2026-2031. Inwoners, ondernemers, adviesraden en stadsmedewerkers gaven daarbij aan dat erfgoed een duidelijke plaats verdient in het beleid. De vragen gingen niet alleen over behoud, maar ook over betere coördinatie, publiekswerking en een doordachte nieuwe functie voor gebouwen die hun oorspronkelijke gebruik verliezen. Diksmuide werkte die vraag uit in een afzonderlijk actieplan rond de erkenning als onroerenderfgoedgemeente. Daarin staat dat erfgoed structureel moet worden meegenomen in ruimtelijke uitvoeringsplannen, masterplannen en verordeningen. Ook de koppeling met energiebeleid, toerisme, landschap, wonen en leefomgeving krijgt een vaste plaats. De Vlaamse beslissing werd in mei 2026 bekendgemaakt. Diksmuide en Lier traden toe als nieuwe onroerenderfgoedgemeenten, terwijl Bilzen-Hoeselt een bestaande erkenning voortzette. Voor Diksmuide ging de erkenning in op woensdag 1 juli 2026.

Wat Diksmuide voortaan zelf mag behandelen

De erkenning geeft het stadsbestuur de bevoegdheid om de vastgestelde inventarissen van bouwkundig en landschappelijk erfgoed voor het eigen grondgebied bij te werken. De stad kan nieuwe items opnemen, bestaande gegevens actualiseren en, binnen de wettelijke regels, items schrappen of een lokale toelatingsplicht koppelen aan bepaalde handelingen. Dat is iets anders dan een formele bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht, cultuurhistorisch landschap of archeologische site. Zo’n Vlaamse bescherming blijft een beslissing van de bevoegde minister. De lokale inventarisatie is toch belangrijk, omdat ze bepaalt welke gebouwen, landschappen en structuren als erfgoedwaarde worden geregistreerd en welke zorg bij latere ingrepen nodig is. De stad krijgt daarnaast beslissingsmacht over handelingen aan beschermd erfgoed waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. Een eigenaar die bijvoorbeeld bepaalde werken wil uitvoeren aan een beschermd goed, kan daardoor voor de vereiste toelating bij het stadsbestuur terecht. Het college van burgemeester en schepenen behandelt zulke aanvragen binnen de decretale procedure. Bij een ontvankelijke aanvraag geldt in beginsel een beslissingstermijn van dertig dagen. De stad kan voorwaarden opleggen om de erfgoedwaarden te bewaren.

Archeologie komt dichter bij het lokale bestuur

Ook archeologische dossiers komen voor een belangrijk deel bij Diksmuide terecht. De erkende onroerenderfgoedgemeente kan toelating geven voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, archeologienota’s en nota’s beoordelen en voorwaarden koppelen aan de uitvoering. Voor zulke dossiers gelden strikte termijnen. Bij een aanvraag voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet de bevoegde overheid in beginsel binnen vijftien dagen beslissen. Ook bij de aktename van archeologienota’s en nota’s geldt een termijn van vijftien dagen. Wordt die termijn overschreden, dan voorziet de regelgeving in een stilzwijgende goedkeuring of aktename, afhankelijk van het dossier. Dat maakt een goede administratieve organisatie noodzakelijk. Het meerjarenplan bepaalt daarom dat toelatingen, meldingen, adviezen en archeologienota’s tijdig in de Vlaamse databanken worden geregistreerd. De stad wil ook structureel vooroverleg organiseren tussen erkende archeologen, de stedelijke erfgoeddienst en IOED Hydra. Op die manier kunnen vragen over onderzoek, timing en uitvoering eerder in het proces worden besproken.

Wat dit betekent voor eigenaars en bouwdossiers

Voor eigenaars, ontwerpers, ontwikkelaars en archeologen komt de inhoudelijke beoordeling dichter bij de plek waar het dossier zich bevindt. Lokale medewerkers kennen de dorpskern, de omgeving, de bouwgeschiedenis en de landschappelijke context. Dat kan helpen om een aanvraag preciezer te beoordelen en om in een vroeg stadium mee te denken over behoud, herstel of hergebruik. De erkenning maakt de regels echter niet lichter. Beschermde goederen blijven onderworpen aan het Onroerenderfgoeddecreet, het Onroerenderfgoedbesluit, de beschermingsbesluiten en de code van goede praktijk voor archeologie. Ook beroepsmogelijkheden blijven bestaan wanneer een aanvraag wordt geweigerd of aan voorwaarden wordt gekoppeld. Het verschil zit hoofdzakelijk in de plaats waar een deel van de beoordeling gebeurt en in de mogelijkheid om lokale kennis rechtstreeks in de beslissing op te nemen. Voor het stadsbestuur betekent dit dat voldoende deskundigheid beschikbaar moet zijn en dat adviezen juridisch en inhoudelijk stand moeten houden.

Een stad die na de oorlog opnieuw werd opgebouwd

De erkenning krijgt extra betekenis door de bouwgeschiedenis van Diksmuide. De stad lag tijdens de Eerste Wereldoorlog in het frontgebied en werd vrijwel geheel vernield. Het huidige bouwkundige beeld wordt daardoor sterk bepaald door de wederopbouw van de jaren 1920. Architecten grepen terug naar regionale baksteenarchitectuur, gotische en renaissancistische vormen en het vroegere stratenpatroon. De Grote Markt, het stadhuis, het belfort, de Sint-Niklaaskerk, woningen, handelszaken, bruggen en openbare gebouwen maken deel uit van dat verhaal. Het straten- en marktpatroon werd bij de wederopbouw grotendeels behouden, net als de relatie met de Handzamevaart, de Grote Dijk en de Kleine Dijk. De Grote Markt geldt als een belangrijk stedenbouwkundig geheel uit de wederopbouwperiode. De erfgoedzorg gaat daardoor niet alleen over afzonderlijke gevels. Ook de schaal van straten, zichtlijnen, materiaalkeuzes, kappen, bruggen, water en de samenhang tussen gebouwen spelen mee.

Erfgoed reikt tot in vijftien deelgemeenten

Het werkgebied beperkt zich niet tot het centrum. Diksmuide omvat naast de stadskern de deelgemeenten Beerst, Esen, Kaaskerke, Keiem, Lampernisse, Leke, Nieuwkapelle, Oostkerke, Oudekapelle, Pervijze, Sint-Jacobs-Kapelle, Stuivekenskerke, Vladslo en Woumen. Een eerdere geografische inventarisatie uit 2003 tot 2005 registreerde 694 panden en constructies met erfgoedwaarde op het grondgebied. Daaronder bevinden zich wederopbouwhoeves, oudere landelijke hoeves, kerken, pastorieën, kapellen, scholen, dorpswoningen, bruggen, bunkers en militaire begraafplaatsen. In verschillende dorpen zijn ook het open landschap, historische perceelsstructuren, bomenrijen, waterlopen en kleine landschapselementen van belang. Dat brede werkterrein verklaart waarom de stad nauw wil samenwerken met diensten voor cultuur en erfgoed, archief, toerisme, wonen en leefomgeving. Een ingreep aan een hoeve, kerk, dorpsplein of watergebonden site raakt vaak verschillende beleidsdomeinen tegelijk.

Drie UNESCO-locaties geven Diksmuide internationaal gewicht

Diksmuide telt drie locaties die deel uitmaken van UNESCO-werelderfgoed. Het belfort aan de Grote Markt werd op woensdag 1 december 1999 ingeschreven als onderdeel van de Belforten van België en Frankrijk. Het huidige stadhuis- en belfortgebouw werd na de Eerste Wereldoorlog opgetrokken naar een ontwerp van architect Valentin Vaerwyck. Twee andere locaties kregen op woensdag 20 september 2023 UNESCO-erkenning als onderdeel van de reeks begraaf- en herdenkingsplaatsen van de Eerste Wereldoorlog aan het Westelijk Front. Het gaat om de Duitse militaire begraafplaats in Vladslo en de crypte van de IJzertoren in Kaaskerke. Die internationale reeks omvat 139 begraafplaatsen en gedenkplaatsen in België en Frankrijk. De begraafplaats in Vladslo is ook bekend door het beeldhouwwerk Het treurend ouderpaar van Käthe Kollwitz en door de graven van 25.645 Duitse militairen. De crypte aan de IJzertoren vormt een afzonderlijk herinneringsoord binnen de ruimere site. Samen tonen de drie UNESCO-locaties hoe burgerlijke geschiedenis, wederopbouw en oorlogsherinnering in Diksmuide naast elkaar aanwezig zijn.

Begijnhof, kerken, bruggen en landschappen

Naast de UNESCO-locaties beschikt Diksmuide over tal van andere beschermde of geïnventariseerde plaatsen. Het begijnhof is beschermd als monument en landschap. De Sint-Niklaaskerk, de paterskerk, kapellen, wederopbouwpanden en historische bruggen bepalen mee het stadsbeeld. Buiten de kern gaat het onder andere om dorpskerken, hoeves, militaire constructies, begraafplaatsen en sites langs de IJzer. Ook landschappelijk erfgoed krijgt binnen de erkenning een duidelijker plaats. Diksmuide ligt op de overgang tussen polders, zandleem- en zandgebieden. De valleien van de IJzer en de Handzamevaart, het agrarische gebied, historische wegen en groenstructuren vragen een andere aanpak dan een beschermd gebouw in het centrum. Een inventaris moet daarom niet alleen beschrijven wat oud is, maar ook motiveren welke erfgoedwaarden aanwezig zijn en welke kenmerken bij ingrepen aandacht verdienen.

Van verspreide taken naar één stedelijke aanpak

Erfgoedzorg was tot nu toe verdeeld over verschillende diensten. Cultuur en erfgoed behandelden publiekswerking en inhoudelijke projecten, het archief beheerde documenten en historische bronnen, toerisme werkte rond bezoekers, terwijl wonen en leefomgeving betrokken waren bij vergunningen, planning en bouwdossiers. De nieuwe erkenning moet die kennis in een vaste werkwijze bijeenbrengen. Het meerjarenplan voorziet dat erfgoed voortaan structureel wordt meegenomen bij ruimtelijke plannen en stedelijke projecten. De stad wil ook twee eigen beleidsinstrumenten ontwikkelen: een mini-dialoogkompas en een referentieboek. Daarnaast wordt onderzocht of in de noordelijke Westhoek een onroerenderfgoeddepot kan worden uitgebouwd. Zo’n depot kan een rol spelen bij de bewaring en registratie van archeologische vondsten en andere materiële getuigen die bij onderzoek aan het licht komen.

IOED Hydra en Regionaal Landschap Westhoek als vaste partners

Diksmuide staat niet alleen voor deze opdracht. IOED Hydra ondersteunt lokale besturen bij bouwkundig, archeologisch en landschappelijk erfgoed. De intergemeentelijke dienst werkt in 2026 voor Alveringem, Diksmuide, Houthulst, Koekelare, Koksijde, Kortemark, Lo-Reninge, Nieuwpoort en Veurne. Binnen Diksmuide zal de erfgoedconsulent samen met IOED Hydra toelatingsaanvragen, meldingen en archeologische aktenames behandelen. Regionaal Landschap Westhoek brengt expertise in rond landschap, natuur, streekkenmerken en open ruimte. Het meerjarenplan noemt daarnaast het Energiehuis Westhoek, Westtoer, Museum aan de IJzer, de provincie West-Vlaanderen en het Centrum voor Agrarische Geschiedenis als partners voor specifieke onderdelen. Die samenwerking is relevant bij vragen over energiezuinige aanpassingen aan erfgoed, toeristische ontsluiting, agrarische gebouwen, dorpse architectuur en landschappelijke kwaliteit.

Nieuwe functies voor religieus en agrarisch erfgoed

Een belangrijk aandachtspunt is de toekomst van gebouwen die hun vroegere gebruik geheel of gedeeltelijk verliezen. Kerken, kapellen, pastorieën, kloostergebouwen en hoeves kunnen moeilijk behouden blijven wanneer onderhoud, energieverbruik en gebruik niet langer op elkaar aansluiten. Diksmuide wil daarom herbestemming stimuleren met aandacht voor de erfgoedwaarde. Het meerjarenplan noemt onder andere depotwerking, cohousing, zorgfuncties en recreatief gebruik als mogelijke richtingen. Dat betekent niet dat elke functie op elke plaats past. De draagkracht van het gebouw, de omgeving, bereikbaarheid, brandveiligheid, toegankelijkheid en ruimtelijke regels blijven bepalend. De erkenning geeft de stad wel betere mogelijkheden om zulke dossiers vroeg te begeleiden en om erfgoedzorg niet pas aan het einde van een vergunningsprocedure te bespreken.

Publiekswerking en lokale kennis krijgen een plaats

Vanaf 2028 wil Diksmuide een publiekscampagne opzetten waarin inwoners verhalen over gebouwen, straten en landschappen delen. Ook erfgoedwandelingen, sociale media en samenwerking met lokale partners staan in het plan. Vrijwilligers kunnen vanaf 2027 worden betrokken bij inventarisatie en waardering. Vanaf 2028 zijn proefprojecten voorzien onder de namen De Noordelijke Westhoek vertelt en Levende grond. Daarbij worden digitale en papieren bronnen gekoppeld aan onderzoek op het terrein. De stad wil ook erkende metaaldetectoristen beter informeren over de meldingsplicht voor archeologische vondsten. Zulke meldingen kunnen de kennis over vroegere bewoning, strijd, landbouw en gebruik van het landschap aanvullen. De waarde van lokale verhalen ligt daarbij niet alleen in herinneringen. Ze kunnen helpen om gebouwen, gebruikssporen en plaatsnamen beter te duiden, waarna professionele toetsing nodig blijft.

Financiële steun en geplande personeelsinzet

De erkenning brengt financiële ondersteuning mee. Diksmuide ontvangt als stad met drie UNESCO-locaties jaarlijks 50.000 euro voor de uitbouw van expertise en personeel. Daarnaast is ondersteuning gekoppeld aan de erkenning als onroerenderfgoedgemeente. In het meerjarenplan 2026-2031 staat voor het actieplan jaarlijks 50.242 euro aan ontvangsten ingeschreven. De geplande uitgaven bedragen 63.065 euro in 2026 en stijgen geleidelijk tot 69.701 euro in 2031. De publiek raadpleegbare samenvatting maakt niet afzonderlijk duidelijk welk deel van de ontvangsten aan de UNESCO-locaties en welk deel aan de erkenning is gekoppeld. Wel is duidelijk dat de stad eigen middelen moet inzetten boven op de inkomsten. Het grootste deel gaat naar expertise, personeelsinzet, dossierbehandeling, registratie en beleidsuitvoering. De stad plant de structurele opname van de gedelegeerde taken en de verdere inventarisatie vanaf 2027.

Erkenning betekent ook controleerbare verantwoordelijkheid

De titel onroerenderfgoedgemeente is geen eindpunt. Diksmuide moet aantonen dat de bevoegdheden deskundig worden uitgevoerd en dat de beleidsdoelen worden opgevolgd. Erkende onroerenderfgoedgemeenten rapporteren jaarlijks over de uitvoering van hun beleidsplan. Beslissingen over toelatingen en archeologische dossiers moeten binnen de vastgelegde termijnen gebeuren en in de juiste databanken worden ingevoerd. Ook voor eigenaars moet duidelijk zijn waar zij terechtkunnen, welke documenten nodig zijn en welke voorwaarden gelden. Schepen voor Erfgoed Katleen Winne draagt de politieke verantwoordelijkheid voor dit beleid. De dienst Cultuur en erfgoed staat in voor de inhoudelijke en administratieve uitwerking, samen met andere stedelijke diensten en de externe partners.

Bronnen:
Bericht van Stad Diksmuide
Stad Diksmuide, “Diksmuide mag zich onroerenderfgoedgemeente noemen”
Agentschap Onroerend Erfgoed, erkenning van nieuwe onroerenderfgoedgemeenten
Agentschap Onroerend Erfgoed, taken en bevoegdheden van een onroerenderfgoedgemeente
Vlaamse Codex, Onroerenderfgoeddecreet en Onroerenderfgoedbesluit
Stad Diksmuide, Meerjarenplan 2026-2031
Inventaris Onroerend Erfgoed, Diksmuide en inventarisatie bouwkundig erfgoed
Inventaris Onroerend Erfgoed, stadhuis en belfort van Diksmuide
UNESCO World Heritage Centre, begraaf- en herdenkingsplaatsen van de Eerste Wereldoorlog
IOED Hydra
Regionaal Landschap Westhoek

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)