Europa moet investeren in kennis en minder verliefd zijn op administratie (opinie)

Ik geloof in Europese samenwerking. Mijn eigen leven zou er zonder grensoverschrijdende studie, onderzoek en professionele contacten heel anders hebben uitgezien. Ik werd gevormd in Italië en bouwde een groot gedeelte van mijn wetenschappelijke carrière in België uit. Later was ik betrokken bij Europese onderzoeksprogramma’s als onafhankelijk deskundige voor de evaluatie van voorstellen en projecten. Vanuit die ervaring ben ik ervan overtuigd geraakt dat Europa zijn grootste sterkte niet uitsluitend in instellingen, regelgeving of vergaderstructuren moet zoeken. Europa bezit universiteiten, onderzoekers, laboratoria en een lange wetenschappelijke traditie. Daar moet veel sterker op worden ingezet. Europese samenwerking heeft zin wanneer een onderzoeker in Palermo kennis kan uitwisselen met een laboratorium in Leuven, wanneer een universiteit in Brussel samenwerkt met partners in Parijs of Berlijn en wanneer onderzoekers uit verschillende landen apparatuur, gegevens en expertise delen. Gezondheidsproblemen stoppen niet aan grenzen. Bacteriën hebben geen paspoort. Milieuproblemen volgen geen nationale wetboeken. Voedselveiligheid en biomedisch onderzoek vragen samenwerking. Daarvoor is een Europese schaal bijzonder geschikt. Toch zie ik een gevaar wanneer procedures belangrijker worden dan de inhoud. Onderzoekers moeten onderzoek kunnen doen. Natuurlijk moet publiek geld zorgvuldig worden beheerd. Projecten moeten geëvalueerd worden, budgetten moeten controleerbaar zijn en wetenschappelijke kwaliteit moet beoordeeld worden. Maar wanneer onderzoekers steeds meer tijd besteden aan formulieren, procedures, rapporteringen en administratieve verplichtingen, verliezen we precies de mensen die we nodig hebben aan taken waarvoor zij niet zijn opgeleid. Europa moet dus durven vragen wat het doel van onderzoeksbeleid is. Willen we een systeem creëren dat administratief perfect oogt, of willen we nieuwe kennis mogelijk maken? Goede evaluatie is nodig. Bureaucratie omwille van bureaucratie niet. Een tweede punt is onafhankelijkheid. Onderzoeksfinanciering mag niet worden gereduceerd tot politieke mode. Wetenschap heeft ruimte nodig voor vragen waarvan de praktische toepassing vandaag nog niet duidelijk is. Veel kennis waarvan we nu dagelijks gebruikmaken, ontstond niet omdat iemand vooraf exact kon voorspellen welke economische opbrengst ze zou hebben. Fundamenteel onderzoek vraagt geduld. Europa moet dat durven behouden. Er bestaat vandaag enorme concurrentie met de Verenigde Staten, China en andere onderzoeksregio’s. Europa zal die strijd niet winnen door nog meer formulieren te produceren. We winnen wanneer goede onderzoekers hier willen blijven, wanneer jonge wetenschappers toekomstperspectief krijgen en wanneer universiteiten de middelen krijgen om langdurige expertise op te bouwen. Mijn Europese overtuiging is daarom eenvoudig: laat kennis reizen, laat onderzoekers samenwerken en zorg dat instellingen hen ondersteunen in plaats van hen te verstikken. Een Europa dat zijn wetenschappelijke mensen verliest, verliest veel meer dan enkele onderzoeksprojecten. Het verliest een deel van zijn vermogen om zijn eigen toekomst mee vorm te geven.

Antonio Lo Cascio