Europa zoekt evenwicht tussen kwaliteitsjobs en economische slagkracht

25 juni 2026

De Europese Confederatie van Onafhankelijke Vakbonden CESI bracht op donderdag 25 juni 2026 beleidsmakers, vakbonden, sociale partners, Europese instellingen, werkgeversvertegenwoordigers, academici en vertegenwoordigers uit het middenveld samen in Le Bouche à Oreille aan Rue Félix Hap 11 in Etterbeek. De zesde editie van de CESI Summer Days stond in het teken van de stap van de Europese pijler van sociale rechten naar de aangekondigde Quality Jobs Act. Het debat maakte duidelijk dat Europa voor een concrete keuze staat: werk moet economisch houdbaar blijven, maar mag tegelijk niet loskomen van sociale bescherming, veilige arbeidsomstandigheden, mentale gezondheid, loonzekerheid en inspraak op de werkvloer.

Een hete dag met een sociaal thema

De bijeenkomst begon met een opvallend tastbare context. Door de hoge temperaturen in Brussel werd aan deelnemers gevraagd om de deuren gesloten te houden, zodat de koelte in de zaal behouden bleef. CESI had ventilatoren en andere maatregelen voorzien om het comfort van de aanwezigen te verbeteren. Klaus Heeger, secretaris-generaal van CESI, verwees in zijn opening naar de hitte, de 230 inschrijvingen en de praktische keuze om de barbecue te laten doorgaan, maar de band te schrappen. De organisatie wilde vermijden dat mensen bij temperaturen rond 37 graden zouden dansen en onwel worden. Die omstandigheden gaven het thema van de dag meteen een concrete betekenis. Arbeidskwaliteit ging niet over abstract beleid alleen, maar ook over hitte, gebouwen die niet aangepast zijn, werknemers die geen afstand kunnen nemen van hun werkplek en mensen die ondanks moeilijke omstandigheden moeten blijven presteren.

Klaus Heeger plaatst sociale rechten centraal

Klaus Heeger schetste het uitgangspunt van de bijeenkomst vanuit de Europese pijler van sociale rechten, die sinds 2017 richting geeft aan het sociale beleid van de Europese Unie. Hij verwees naar de twintig beginselen van die pijler, verdeeld over gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, eerlijke arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie. Volgens Heeger vormt de pijler geen louter symbolisch kader, maar een instrument dat werknemers, vakbonden en sociale partners moeten kunnen gebruiken. Hij maakte duidelijk dat de Quality Jobs Act wordt bekeken als een volgende stap in een langer traject, na onder meer de richtlijn rond evenwicht tussen werk en privéleven, de richtlijn over vrouwen in bestuursorganen, de richtlijn over adequate minimumlonen, de loontransparantierichtlijn, de richtlijn rond platformwerk en de herziening van regels rond kankerverwekkende stoffen op het werk.

Kwaliteitsjobs als antwoord op onzekerheid

Voor Heeger draait de discussie over kwaliteitsjobs niet alleen om loon, maar ook om het verminderen van onzekerheid. Hij omschreef kwaliteitsvol werk als werk waarbij mensen niet voortdurend bang hoeven te zijn hun baan te verliezen, hun loon tot het einde van de maand zien volstaan, niet uitgeput raken, niet worden blootgesteld aan schadelijke stoffen en niet zomaar onderworpen worden aan onomkeerbare beslissingen van algoritmes. Ook artificiële intelligentie kwam daarbij aan bod. Heeger waarschuwde dat technologische verandering, klimaatbeleid en economische herstructureringen ertoe kunnen leiden dat mensen achterblijven. Volgens hem ligt daar net een opdracht voor vakbonden: werknemers vertegenwoordigen, hen voorbereiden op veranderingen en zorgen dat Europese sociale instrumenten ook werkelijk worden gebruikt.

PillAct moet Europese regels dichter bij werknemers brengen

In dat verband verwees CESI naar het PillAct-project, dat steun krijgt van de Europese Commissie. Dat project wil de Europese pijler van sociale rechten dichter bij vakbondsleden brengen. Heeger gaf aan dat vakbonden niet alleen moeten vragen wat de Europese Commissie doet, maar ook moeten bekijken hoe zij zelf Europese regels inzetten. Hij verwees naar het voorbeeld van de Italiaanse vakbond ANIEF, die de Italiaanse onderwijsadministratie aanspreekt op misbruik van tijdelijke contracten en daarbij Europese regels rond contracten van bepaalde duur gebruikt. Volgens CESI ligt daar een bredere opdracht: Europese sociale rechten mogen niet op afstand blijven, maar moeten in nationale en lokale dossiers een hefboom worden voor werknemers.

Victor Negrescu waarschuwt voor verzwakking van sociale rechten

Victor Negrescu, ondervoorzitter van het Europees Parlement, maakte in zijn keynote meteen de koppeling tussen de hitte in de zaal en de situatie van werknemers elders. Hij wees op mensen die op datzelfde moment in fabrieken zonder airconditioning werkten, op leraren die examens moesten beoordelen en op gebouwen die niet zijn aangepast aan de temperaturen waarmee Europa steeds vaker te maken krijgt. Volgens Negrescu toont dit aan waarom arbeidsomstandigheden opnieuw centraal moeten staan. Hij stelde dat sociale rechten vandaag door bepaalde politieke leiders naar de achtergrond worden geduwd, omdat zij denken dat sociale bescherming politiek minder aantrekkelijk is, omdat zij economische groei willen loskoppelen van sociale normen of omdat zij de dialoog met vakbonden vermijden.

Vereenvoudiging mag geen dekmantel worden

Negrescu ging ook in op het begrip vereenvoudiging, dat in Europese discussies vaak terugkeert. Hij waarschuwde dat vereenvoudiging niet mag betekenen dat rechten worden verzwakt of dat sociale bescherming wordt uitgehold. Volgens hem moet Europa duidelijk maken dat het sociale model is gebaseerd op collectieve betrokkenheid, sociale dialoog, transparantie en sociale standaarden. Hij wees daarbij op cijfers rond collectieve onderhandelingen. Waar in 2005 nog 77 procent van de contracten op collectieve onderhandelingen zou zijn gebaseerd, ligt dat aandeel vandaag volgens zijn tussenkomst rond 60 procent. Voor Negrescu toont dit aan dat het niet volstaat om in Europese richtlijnen naar collectieve onderhandelingen te verwijzen. De vraag is of die mechanismen in de praktijk opnieuw sterker worden.

Sociale voorwaarden bij Europese middelen

Een centraal punt in de tussenkomst van Negrescu was de vraag naar sociale voorwaarden in het volgende meerjarig financieel kader van de Europese Unie. Hij stelde dat Europese middelen niet alleen gekoppeld mogen worden aan economische of bestuurlijke doelstellingen, maar ook aan sociale voorwaarden. Daarbij verwees hij naar de Recovery and Resilience Facility, waar volgens hem sociale aanbevelingen werden opgenomen, maar niet voldoende werden nageleefd. Voor Negrescu bewijst dit dat aanbevelingen alleen onvoldoende zijn. Hij pleitte voor hardere waarborgen, voldoende middelen en een herbevestiging van het Europees Sociaal Fonds als duidelijk herkenbaar sociaal instrument. Ook de rol van sociale partners en middenveldorganisaties bij ontwerp, uitvoering, monitoring en evaluatie van nationale plannen moet volgens hem sterker worden.

Maria Luisa Cabral schetst de lijn van de Commissie

Maria Luisa Cabral, directeur Quality Jobs, Working Conditions and Social Dialogue bij de Europese Commissie, plaatste de discussie in een breder Europees traject. Zij herinnerde eraan dat in 2027 tien jaar zal zijn verstreken sinds de afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Volgens Cabral gaat het niet om een losse verklaring, maar om een geheel van beginselen waar de instellingen achter staan. Zij verwees naar de actieplannen en sociale doelstellingen rond werkgelegenheid, vaardigheden en armoedebestrijding. Daarbij gaf ze aan dat Europa vooruitgang boekt op het vlak van werkgelegenheid, maar minder snel op het vlak van vaardigheden en armoedebestrijding.

Van minimumlonen tot platformwerk

Cabral verwees naar verschillende wetgevende stappen die de voorbije jaren werden gezet. Zij noemde de richtlijn over adequate minimumlonen, de richtlijn over vrouwen in raden van bestuur, de loontransparantierichtlijn en de richtlijn rond platformwerk. Ook het Europese SURE-instrument kwam aan bod, dat tijdens de coronacrisis tijdelijke werkloosheidsregelingen ondersteunde en moest helpen om jobs en vaardigheden binnen ondernemingen te behouden. Verder verwees zij naar de hernieuwde sociale dialoog in Val Duchesse en naar het feit dat de Commissie intussen een commissaris voor huisvesting heeft. Daarmee gaf zij aan dat sociale rechten, werk en leefomstandigheden niet los van elkaar staan.

Quality Jobs Act tegen december 2026

Volgens Cabral wil de Europese Commissie de Quality Jobs Act in december 2026 aannemen. De inhoud ligt nog niet vast, omdat de sociale partners worden geraadpleegd. Toch zijn de grote werkterreinen duidelijk. De Commissie kijkt naar algoritmisch management en artificiële intelligentie op het werk, veiligheid en gezondheid op het werk, betere bescherming van werknemers in onderaannemingsketens, eerlijke transitie, handhaving, sociale dialoog en vereenvoudiging. Cabral maakte daarbij duidelijk dat vereenvoudiging volgens de Commissie niet betekent dat rechten worden afgebouwd. Eenvoudigere regels moeten net beter toepasbaar zijn, zodat rechten die op papier bestaan ook voelbaar worden in de realiteit.

Arbeidsmarkt verandert door digitalisering en klimaatbeleid

Cabral wees erop dat de arbeidswereld sterk is veranderd. Waar veel werknemers vroeger begonnen met grote vaste computers, werken vandaag veel mensen met laptops, mobiele telefoons, digitale systemen en in sommige gevallen van thuis uit. Digitalisering, decarbonisatie, geopolitieke instabiliteit en globalisering raken zowel bedrijven als werknemers. Volgens Cabral moet het wettelijk kader daarom voortdurend worden beoordeeld op de vraag of het nog past bij de manier waarop mensen vandaag werken. De Quality Jobs Act moet er volgens haar mee voor zorgen dat moderne werkgelegenheid gelijke tred houdt met een moderne economie, zonder dat een nieuwe arbeidswereld minder rechten betekent.

Lucie Studničná vraagt aandacht voor toepassing

Lucie Studničná, voorzitter van de Workers’ Group van het Europees Economisch en Sociaal Comité, bracht een vakbondsperspectief vanuit de adviesrol van het EESC. Zij herinnerde eraan dat de Europese pijler van sociale rechten na de financiële crisis van 2008, 2009 en 2010 grote verwachtingen wekte. Veel mensen hadden het gevoel dat de Europese Unie wel leverde voor bedrijven, maar minder zichtbaar voor werknemers. Volgens Studničná heeft de pijler intussen verschillende concrete maatregelen opgeleverd, maar blijft er een belangrijke vraag: wat gebeurt er na de omzetting van richtlijnen? Zij wees op het belang van monitoring, handhaving en sancties.

Minimumlonen tonen het belang van opvolging

Als voorbeeld verwees Studničná naar de richtlijn over adequate minimumlonen en de situatie in Tsjechië. Volgens haar werd de richtlijn wel omgezet, maar wordt het doel om tot ongeveer 48 procent van het gemiddelde loon te komen pas richting 2029 voorzien. Tegelijk werden in de private sector gegarandeerde lonen afgeschaft die rekening hielden met de aard van het werk, de vereiste kwalificaties en de zwaarte van de functie. Daardoor kunnen sommige werknemers er volgens haar op achteruitgaan. Voor Studničná toont dit dat Europese regels niet alleen moeten worden goedgekeurd en omgezet, maar ook in hun werkelijke gevolgen moeten worden gevolgd.

Concurrentiekracht vraagt ook sterke werknemers

Studničná ging ook in op het verband tussen concurrentiekracht en sociale bescherming. Zij stelde dat Europa niet alleen competitieve bedrijven nodig heeft, maar ook werknemers, burgers en samenlevingen die sterk genoeg staan. Volgens haar is het te eenvoudig om te veronderstellen dat goed presterende bedrijven automatisch betere lonen, betere jobs en betere arbeidsvoorwaarden opleveren. Zij verdedigde een evenwicht waarbij economische prestaties niet worden gebouwd op het verzwakken van het Europese sociale model. Dat model steunt volgens haar op goed opgeleide mensen, cohesie en waarden die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgebouwd. In haar visie mag Europa die verworvenheden niet ondergraven in naam van concurrentiekracht.

Nieuwe technologie vraagt nieuwe rechten

In de discussie verwees Studničná ook naar nieuwe vormen van werk, digitale platformen, artificiële intelligentie en de snelheid waarmee technologie zich ontwikkelt. Zij gaf aan dat regelgeving vaak trager is dan de realiteit op de werkvloer. Als voorbeeld haalde zij de snelle groei van Airbnb aan en de gevolgen die dat in Praag had voor de huisvestingssituatie. Voor de arbeidsmarkt ziet zij een gelijkaardige uitdaging. Bij artificiële intelligentie op het werk moeten volgens haar nieuwe rechten worden uitgewerkt, zodat de voordelen van technologische vooruitgang niet uitsluitend naar kapitaal gaan. Zij koppelde dit ook aan mentale gezondheid en beschikbaarheid, omdat werknemers die permanent bereikbaar zijn sneller onder druk komen te staan.

William Cockburn Salazar maakt veiligheid concreet

William Cockburn Salazar, uitvoerend directeur van EU-OSHA, legde de nadruk op veiligheid en gezondheid op het werk als basis voor kwaliteitsjobs. Hij lichtte toe dat de Europese Unie al decennialang werkt rond arbeidsveiligheid, met onder meer de kaderrichtlijn uit 1989 en 23 afzonderlijke richtlijnen. EU-OSHA werkt volgens hem op drie sporen: onderzoek en monitoring van risico’s, ondersteuning van werkgevers met instrumenten en richtsnoeren, en bewustmaking via netwerken en campagnes. Hij wees ook op de tripartiete werking van het agentschap, waarbij werknemers, werkgevers en regeringen betrokken zijn, en op de nationale focal points die sociale partners op lidstaatniveau samenbrengen.

Elke dag dodelijke arbeidsongevallen en beroepsziekten

Cockburn Salazar bracht de menselijke kost van onveilig of ongezond werk in cijfers. Volgens zijn tussenkomst sterven in Europa elke dag tien werknemers door arbeidsongevallen en bijna zeshonderd mensen door werkgerelateerde blootstelling die tot ziekte leidt. Daarbovenop komen langdurige arbeidsongeschiktheid, ziekteverzuim en miljoenen verloren werkdagen door letsels en gezondheidsproblemen. De economische kost wordt geraamd op ongeveer 3 procent van het bruto binnenlands product. Hij wilde die menselijke kost niet reduceren tot cijfers, maar stelde dat dergelijke cijfers helpen om duidelijk te maken waarom preventie ook economisch relevant is.

Mentale gezondheid en rugklachten als grote oorzaken van uitval

Volgens Cockburn Salazar zijn mentale gezondheidsproblemen en musculoskeletale aandoeningen, zoals rugklachten en aandoeningen aan armen en schouders, belangrijke oorzaken van afwezigheid op het werk. Hij wees erop dat de impact verschilt per land, sector en leeftijdsgroep. Mentale gezondheid raakt volgens hem in het bijzonder jongere groepen, terwijl musculoskeletale aandoeningen vaker oudere werknemers en vrouwen treffen. De arbeidsmarkt staat tegelijk onder druk door arbeidstekorten, onder meer in bouw, industrie, gezondheidszorg en sociale zorg. Door de vergrijzing dreigt de groep van 16- tot 64-jarigen in de komende tien jaar sterk te dalen, waardoor Europa volgens hem nog meer belang heeft bij gezonde, productieve en veilige werknemers.

Digitalisering brengt nieuwe risico’s

Cockburn Salazar wees ook op de digitalisering van de werkvloer. Volgens EU-OSHA ziet men dat één op vier werknemers te maken krijgt met taken die automatisch worden toegewezen, beoordelingen door derden, digitale instructies of digitale monitoring van gedrag en prestaties. Zulke veranderingen zetten de rol van werknemersvertegenwoordiging op de werkvloer extra in de verf. Preventiemaatregelen werken volgens hem beter wanneer werknemers formeel vertegenwoordigd zijn, bijvoorbeeld via een veiligheidsafgevaardigde, een comité voor veiligheid en gezondheid of een ondernemingsraad. Ook klimaatverandering kwam in zijn tussenkomst terug. Hitte, extreme weersomstandigheden en nieuwe sectoren die ontstaan door klimaatmaatregelen brengen volgens hem bijkomende risico’s mee.

Psychosociale risico’s worden beter zichtbaar

In het gesprek na de keynotes vroeg moderator Kerstin Born-Sirkel aan Cockburn Salazar of psychosociale risico’s, depressie, stress en burn-out de voorbije jaren zijn toegenomen. Hij gaf aan dat EU-OSHA vroeger vooral sprak over stress op het werk, maar dat het debat intussen breder is geworden. Mentale gezondheid en psychosociale risico’s worden volgens hem steeds duidelijker gezien als werkgerelateerde risico’s die kunnen worden voorkomen. Hij erkende dat werkgevers psychosociale risico’s vaak moeilijker vinden om te beheren dan klassieke veiligheidsrisico’s. Toch tonen de bevragingen van EU-OSHA volgens hem dat instrumenten vaker worden gebruikt en dat werknemersbetrokkenheid een belangrijke succesfactor blijft.

Handhaving blijft een zwakke plek

Doorheen de verschillende tussenkomsten liep één rode draad: rechten hebben pas waarde wanneer zij worden toegepast. Cabral wees op de verantwoordelijkheid van lidstaten om te controleren, te inspecteren en zo nodig te sanctioneren. Studničná waarschuwde voor omzettingen die op papier voldoen, maar in de praktijk ongewenste gevolgen hebben. Cockburn Salazar wees op micro- en kleine ondernemingen, waar naleving van veiligheidsregels een grote uitdaging blijft. Heeger stelde dat sterke vakbonden en sociale dialoog een deel van die leemte kunnen vullen, zeker wanneer Europese richtlijnen worden gebruikt om werknemers ook op nationaal niveau te verdedigen.

Debat over bijkomende regels en sterke structuren

Het debat ging niet alleen over nieuwe wetgeving, maar ook over bestaande structuren. Heeger gaf aan dat CESI niet voor elk probleem automatisch bijkomende wetgeving vraagt. Volgens hem kunnen sterke vakbonden, sociale dialoog, ondernemingsraden en werknemersvertegenwoordiging veel problemen aanpakken zonder dat alles op Europees niveau moet worden geregeld. Tegelijk wees hij op richtlijnen zoals die rond minimumlonen en platformwerk, omdat zij vakbonden een sterker speelveld geven om werknemers en mensen die via platformen werken te vertegenwoordigen. Ook de vraag naar een richtlijn rond psychosociale risico’s en een mogelijke omkering van de bewijslast kwam aan bod, maar daarover bestaat volgens hem nog debat.

Een praktische vraag over ziekte en Europese subsidies

Aan het einde van het panel kwam ook een concrete vraag uit de zaal. Anne Wagenfeld van EuroHealthNet, de Europese samenwerking van publieke gezondheidsinstituten, wees op een praktisch probleem bij Europese financiering via DG Employment en het Europees Sociaal Fonds. Wanneer medewerkers langdurig ziek zijn, bijvoorbeeld door kanker, kan haar organisatie volgens de vraag niet altijd de betrokken werkdagen vergoed krijgen via de kernfinanciering. Zij koppelde dat aan de bredere vraag hoe Europa sociale rechten, gezondheid en werk in de praktijk op elkaar afstemt. Die tussenkomst maakte duidelijk dat het debat niet alleen gaat over grote beleidslijnen, maar ook over administratieve regels die in moeilijke persoonlijke situaties zware gevolgen kunnen hebben voor organisaties en werknemers.

Europa staat voor een sociale test

De CESI Summer Days maakten duidelijk dat de Quality Jobs Act zal worden beoordeeld op haar concrete betekenis. Het gaat om loonzekerheid, collectieve onderhandelingen, mentale gezondheid, veiligheid op het werk, digitale monitoring, artificiële intelligentie, onderaanneming, inspecties, sancties en de vraag of sociale partners echt betrokken blijven. De hitte in Etterbeek maakte het debat minder theoretisch. Terwijl de deelnemers in een gekoelde zaal spraken over arbeidskwaliteit, verwees Victor Negrescu naar werknemers die diezelfde dag geen keuze hadden en gewoon moesten blijven werken. Dat contrast vat de inzet samen: Europa kan niet spreken over de toekomst van werk zonder de omstandigheden van werknemers centraal te zetten.

Bronnen:
CESI Summer Days 2026, programma en deelnemersbericht
European Commission, Quality Jobs Roadmap
European Commission, Quality jobs for companies and workers in Europe
European Parliament, profiel Victor Negrescu
EU-OSHA, informatie over William Cockburn Salazar en veiligheid en gezondheid op het werk
European Economic and Social Committee, informatie over Lucie Studničná
European Policy Centre, informatie over Kerstin Born-Sirkel

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)