Joris Hindryckx over de rijkdom die verdwijnt wanneer niemand nog aanbelt: familie laat je niet in de steek

Diksmuide, 17 oktober 2026 – Een samenleving kan steeds rijker worden en toch mensen achterlaten die zich nergens nog thuis voelen. Die spanning liep door de bijdrage van Joris Hindryckx tijdens de EDC Fan Dag in Dienstencentrum Ten Patershove in Diksmuide. Hij sprak over ouders die niet langer dichtbij zijn, kinderen die elders wonen, buren bij wie niemand nog spontaan binnenloopt en mensen die hun eigen leven voortdurend vergelijken met dat van anderen. Vanuit die dagelijkse ervaringen trok hij de lijn naar de Europese sociale zekerheid en naar een toekomst waarin artificiële intelligentie steeds meer werk zou kunnen overnemen. Zijn centrale vraag bleef dezelfde: waarom zouden mensen nog voor elkaar zorgen wanneer zij elkaar steeds minder als familie beschouwen? Op de ontmoetingsdag van Europese Beweging België en EDC Fan Belgium, georganiseerd op de Internationale Dag voor de Uitroeiing van Armoede, pleitte Joris Hindryckx voor een besef van verwantschap dat verder reikt dan de eigen voordeur.
Een mens past nooit in één categorie
Joris Hindryckx begon met een vaststelling over het programma van de dag. Aanvankelijk had hij gedacht dat vooral armoede aan bod zou komen. Tijdens de bijdragen hoorde hij ook over digitale vaardigheden, discriminatie, functiebeperkingen en de moeilijkheden die mensen ervaren om ergens bij te horen. Voor hem waren dat verschillende kanten van het leven die elkaar kunnen raken, maar niet automatisch samenvallen. Iemand met weinig geld kan zich gelukkig voelen. Iemand met een functiebeperking kan financieel goed rondkomen. Wie op het ene terrein zelfstandig is, kan op een ander terrein hulp nodig hebben. Daarmee verzette hij zich tegen een voorstelling waarin één kenmerk het hele verhaal van een persoon bepaalt. Het leven heeft volgens Joris Hindryckx zoveel lagen dat niemand het eenvoudig kan samenvatten als arm of rijk, sterk of kwetsbaar, mee of niet mee. Hij presenteerde zich niet als specialist die voor elk afzonderlijk probleem een oplossing kwam geven. Hij wilde spreken over wat mensen onder die verschillen met elkaar delen.
Een envelopje aan het einde van de werkweek
Om duidelijk te maken hoe sterk maatschappelijke normen kunnen veranderen, ging Joris Hindryckx terug naar zijn jeugd. Hij groeide op in een eenvoudige omgeving en ging op veertienjarige leeftijd werken. Aan het einde van de week kreeg hij een envelopje met zijn loon. Hij herinnerde zich ook het kattenkwaad wanneer de baas even niet aanwezig was: spelen met frieten en aardappelen, proberen iets met de mond op te vangen en van het werk tussendoor een spel maken. Met enige zelfspot plaatste hij die herinnering naast de manier waarop vandaag naar zulke situaties zou worden gekeken. Het werk op die leeftijd zou vragen oproepen over kinderarbeid, het envelopje over zwartwerk en het spelen met de producten over diefstal. Zijn anekdote diende om een gesprek over verdraagzaamheid te openen. Hoeveel ruimte laat een samenleving nog voor onvolmaaktheid, voor gedrag dat niet precies binnen de regels past en voor de kleine afwijkingen die iedereen heeft? Joris Hindryckx zag een omgeving waarin mensen elkaar snel beoordelen, terwijl niemand zelf volledig aan alle verwachtingen voldoet.
Ook hij is een beetje van alles
Joris Hindryckx hield zichzelf niet buiten die vaststelling. In een groep was hij naar eigen zeggen nooit de rijkste en zelden de armste. Hij wordt ouder en kan lichamelijk niet meer alles wat vroeger mogelijk was, maar voelt zich digitaal nog mee. Hij beschreef zichzelf als iemand die op verschillende terreinen telkens ergens tussenin staat. Die persoonlijke situering gaf zijn betoog een herkenbaar vertrekpunt: dezelfde persoon kan op het ene moment goed meekunnen en op het andere moment grenzen ondervinden. Leeftijd, inkomen, gezondheid en digitale kennis lopen niet gelijk. Ook binnen één leven verschuiven die verhoudingen. Wie vandaag gemakkelijk zijn weg vindt, kan later afhankelijk worden van anderen. Voor Joris Hindryckx begint verdraagzaamheid bij het besef dat niemand uitsluitend behoort tot de groep die hulp geeft of tot de groep die hulp nodig heeft. Iedereen draagt mogelijkheden en beperkingen met zich mee.
Verdraagzaamheid betekent ook ruimte voor ongemak
Zijn pleidooi ging gepaard met uitgesproken kritiek op wat hij de woke-beweging noemde. Joris Hindryckx ervaart daarin zelf een vorm van onverdraagzaamheid. Hij zei zich niet altijd te herkennen in de manier waarop discriminatie en achterstelling op televisie worden voorgesteld. Dat waren zijn persoonlijke beoordelingen; hij beschreef hoe hij het maatschappelijke gesprek beleeft. Daarbij maakte hij een onderscheid dat door zijn verdere bijdrage bleef lopen: hij voelt zich niet altijd opgenomen, maar voelt zich zelden uitgesloten. Tussen die twee ervaringen ligt voor hem een groot gebied. Niet actief worden betrokken is iets anders dan bewust worden geweerd, maar het kan wel betekenen dat iemand aansluiting mist. Zijn vraag was hoe mensen elkaar in dat gebied opnieuw kunnen vinden, zonder onmiddellijk tegenover elkaar te komen staan. Wanneer iedereen moet meetellen, moet er volgens zijn redenering ook ruimte zijn voor mensen die de gebruikte woorden, verklaringen of gevoeligheden niet vanzelfsprekend delen.
Ook de herinnering aan de oorlog kwam ter sprake
Joris Hindryckx verwees naar een bezoek met Andy Vermaut aan de IJzertoren en de graven daar. Die plaats bracht hem bij de vraag wie in het publieke gesprek nog erkenning krijgt. Hij sprak daarbij over de blanke, heteroseksuele mannen die tijdens de oorlog hadden gevochten en waren gesneuveld. Hij heeft het gevoel dat het benoemen van die groep moeilijker is geworden binnen hedendaagse discussies over identiteit. Dat verbond hij aan de centrale boodschap van de bijeenkomst: als elke mens telt, mogen ook deze mensen niet uit de herinnering verdwijnen. De passage maakte duidelijk dat hij zijn oproep tot verdraagzaamheid ook toepaste op discussies waarin hij zelf weerstand of ongemak ervaart. Zijn uitgangspunt bleef dat erkenning voor de ene persoon niet mag betekenen dat een andere persoon niet langer wordt gezien.
De rijkste mensen wonen misschien in een heel gewone straat
Wanneer Joris Hindryckx over rijkdom sprak, ging het vervolgens nauwelijks over bezit. Hij beschreef mensen die eenvoudig leven, maar hun ouders een straat verderop hebben wonen. Grootouders zijn dichtbij. Kleinkinderen kunnen gemakkelijk langskomen. Familieleden lopen bij elkaar binnen en ook buren maken deel uit van het dagelijkse leven. Volgens hem beschikken zulke mensen over een vorm van rijkdom die gemakkelijk buiten beeld blijft: de zekerheid dat zij ergens bij horen en dat anderen hun aanwezigheid opmerken. Er is iemand die langskomt zonder dat daarvoor eerst een afspraak of een bijzondere aanleiding nodig is. Er is iemand die merkt dat een bezoek uitblijft. Er is een vertrouwde kring waarin aandacht niet telkens gevraagd of georganiseerd hoeft te worden. Die nabijheid geeft volgens Joris Hindryckx houvast. Ze maakt dat mensen zich gedragen weten, ook wanneer hun financiële middelen beperkt zijn.
Zijn moeder is overleden, zijn vader woont in een woonzorgcentrum
Daarna maakte Joris Hindryckx het persoonlijk. De familiale structuur die hij beschreef, heeft hij naar eigen zeggen zelf niet meer. Zijn moeder is overleden. Zijn vader verblijft in een woonzorgcentrum in Kortemark. Zijn kinderen wonen in Kortemark en Kortrijk. De vanzelfsprekendheid van familieleden die dichtbij zijn en dagelijks even binnenlopen, is verdwenen. Hij sprak over het wegvallen van een vertrouwd ritme: nog niet op bezoek geweest zijn en daarom besluiten om even langs te gaan, of merken dat iemand vandaag nog niet is binnengekomen. Het ging hem om de zekerheid die in zulke kleine gewoonten schuilt. Familie kan blijven bestaan en de genegenheid kan blijven bestaan, terwijl het dagelijkse samenzijn toch afneemt. In die afstand situeerde hij een verlies dat niet met een hoger inkomen of met materieel comfort wordt opgevangen.
Waarom kom je aanbellen?
Ook het contact tussen buren is volgens Joris Hindryckx veranderd. Zelfs in zijn eigen gemeente lopen mensen nog maar zelden spontaan bij elkaar binnen. Wie aanbelt, krijgt al snel de vraag waarvoor hij komt. Het antwoord dat iemand gewoon wat wil babbelen of kletsen, lijkt volgens hem niet altijd nog te passen. Die kleine scène maakte zijn betoog tastbaar. Een bezoek moet kennelijk een reden hebben. Gewoon aanwezig willen zijn, wordt minder vanzelfsprekend. Joris Hindryckx zag daarin het verdwijnen van een familiaal gevoel dat vroeger ook buiten de eigen familie kon bestaan. Buren hoefden geen verwanten te zijn om toch tot de vertrouwde leefkring te behoren. Wanneer die omgang verdwijnt, wordt het dagelijkse contact afhankelijker van afspraken en bewuste inspanningen. Zijn bezorgdheid betrof precies die verloren spontaniteit: wie komt nog langs zonder iets nodig te hebben?
Een gedachte-experiment over onze voorouders
Vanuit dat gemis maakte Joris Hindryckx een sprong naar de verre familiegeschiedenis. Hij verwees naar Karel de Grote en naar de verdeling van diens rijk onder zijn kleinzonen. Met een eigen rekensom over generaties en kinderen probeerde hij duidelijk te maken hoe snel het aantal familieverbanden over de eeuwen heen oploopt. Hij sprak daarbij over ongeveer anderhalf miljard mogelijke afstammelingen en over de enorme aantallen voorouders die ontstaan wanneer iemand steeds verder terugrekent. Die berekening gebruikte hij als gedachte-experiment over verwantschap, niet als een uitgewerkte stamboom. De precieze aantallen vormden niet de kern van zijn boodschap. Het ging hem om de gedachte dat de grenzen tussen afzonderlijke families steeds minder eenvoudig worden naarmate men verder terugkijkt. Waar mensen vandaag vooral verschillen zien, zag Joris Hindryckx een lange geschiedenis van onderlinge verwantschap.
Een kind van mensen die zelf ook kinderen waren
Zijn beschouwing over voorouders kreeg vervolgens een emotionele lading. Achter iedere vader en iedere moeder staan opnieuw een vader en een moeder. Achter elk leven liggen eerdere levens. Joris Hindryckx vroeg zijn toehoorders zich voor te stellen hoeveel mensen tot die lange voorgeschiedenis behoren. Hij verbond dat aan de liefde die ouders en grootouders voor hun kinderen en kleinkinderen voelen. Wie zelf kinderen of kleinkinderen heeft, kent die genegenheid, stelde hij. Vanuit die ervaring stelde hij zich voor hoeveel liefde iemand zou omringen als al die eerdere generaties nog aanwezig konden zijn. Het was zijn manier om tegenover het gevoel niet mee te tellen een ander beeld te plaatsen: een mens staat nooit volledig los van anderen. Iedereen komt voort uit een lange menselijke geschiedenis. Voor Joris Hindryckx bood die gedachte een tegengewicht voor de ervaring alleen te staan of overbodig te zijn.
Familie laat je niet in de steek
De stap van verwantschap naar verantwoordelijkheid was voor Joris Hindryckx klein. Wanneer iemand zich afvraagt waarom bepaalde anderen erbij zouden mogen horen, denkt hij aan die verre familiale banden. In zijn redenering worden mensen te gemakkelijk als buitenstaanders behandeld, terwijl de menselijke geschiedenis juist zoveel onderlinge relaties bevat. Hij vatte zijn uitgangspunt samen in de gedachte dat familie niet in de steek wordt gelaten en dat men voor familie zorgt. Dat familiebegrip wilde hij doortrekken naar mensen buiten de eigen kring. Zijn verwijzingen naar verre voorouders en religieuze figuren stonden in het teken van diezelfde wens om de grens tussen groepen te verkleinen. De scheiding tussen zij en wij wees hij af. De zorg voor een ander zou volgens hem niet mogen ophouden zodra die ander een andere afkomst, levenswijze of overtuiging heeft.
Familia als een ruimere kring van zorg
Joris Hindryckx verwees ook naar het Romeinse begrip familia. Hij gebruikte dat als beeld voor een leefkring die ruimer is dan het gezin alleen. De mensen met wie iemand samenleeft en op wie iemand kan terugvallen, maken deel uit van die kring. Vervolgens vergeleek hij verschillende manieren waarop zorg wordt georganiseerd. In zijn beschouwing over andere continenten legde hij de nadruk op families die veel verantwoordelijkheid voor elkaar dragen, ook waar de collectieve bescherming beperkter is. Over de Verenigde Staten sprak hij als een samenleving met een andere ontwikkeling en een sterker individualistische traditie. Die vergelijkingen gebruikte hij om de Europese keuze te bespreken: wat gebeurt er wanneer mensen minder op hun onmiddellijke familie kunnen terugvallen, maar toch vinden dat niemand zonder bescherming mag blijven? Dan moet de verantwoordelijkheid voor elkaar volgens Joris Hindryckx op een ander niveau worden georganiseerd.
Europa heeft de zorg voor elkaar collectief gemaakt
In de Europese geschiedenis zag Joris Hindryckx een lange opeenvolging van contacten en vermenging tussen bevolkingsgroepen. Hij verwees onder andere naar de Noormannen en naar de islamitische aanwezigheid in de Europese geschiedenis. In zijn lezing voelen Europeanen zich daardoor niet vanzelfsprekend leden van één familie. Toch bestaat er volgens hem wel de overtuiging dat mensen voor elkaar moeten zorgen. Die verantwoordelijkheid kreeg in Europa een juridische en collectieve vorm. De sociale zekerheid is voor hem de uitdrukking van dat gezamenlijke besluit. Waar de familie niet alle bescherming kan bieden, neemt een ruimer stelsel van afspraken die taak op zich. Joris Hindryckx omschreef die georganiseerde zorg als Europees DNA. Het gaat in zijn betoog om de gedachte dat de samenleving als geheel verantwoordelijkheid draagt voor mensen die ondersteuning nodig hebben, ook wanneer er geen persoonlijke band bestaat tussen wie bijdraagt en wie hulp ontvangt.
Waarom moet menselijke waardigheid telkens opnieuw worden verdedigd?
Joris Hindryckx koppelde dat Europese ideaal aan wat hij tijdens de bijeenkomst had gehoord. Verschillende bijdragen gingen over de noodzaak om te blijven aandringen, te blijven lobbyen en overheden opnieuw te wijzen op de waardigheid van mensen. Hij vroeg zich af waarom die erkenning niet vanzelfsprekender is binnen een samenleving die de zorg voor elkaar juist collectief heeft georganiseerd. De druk op de sociale zekerheid heeft volgens hem budgettaire oorzaken, maar kan niet uitsluitend met geld worden verklaard. Hij ziet ook respect en waardering voor anderen afbrokkelen. Een stelsel kan regels, rechten en financiering hebben, terwijl de bereidheid om het samen te dragen toch afneemt. Daar lag voor hem een pijnpunt: wanneer mensen de ander minder als een van hen beschouwen, wordt ook de vanzelfsprekendheid van onderlinge steun kleiner.
Van belangstelling naar vergelijking
Een deel van die verwijdering schreef Joris Hindryckx toe aan de hoeveelheid informatie die mensen over elkaar krijgen. Hij gebruikte het voorbeeld van iemand die met pensioen gaat. Vroeger wist de omgeving volgens hem niet automatisch welk bedrag die persoon ontving. Vandaag wordt ernaar gevraagd en begint het vergelijken. Ook lonen en inkomens worden besproken. In zijn ogen kan zulke kennis afgunst oproepen: waarom krijgt de ander dat bedrag, terwijl het eigen inkomen lager ligt? Joris Hindryckx trok daarbij een vergelijking met vriendschap. Mensen kunnen goed met elkaar omgaan, maar wanneer zij ieder detail van elkaars leven kennen, kunnen ook ergernis en jaloezie ontstaan. Zijn bezorgdheid ging over de verandering van de blik: iemand wordt niet langer in de eerste plaats gezien als buur, collega of kennis, maar als degene die mogelijk beter af is.
Digitaal dichtbij, maar niet noodzakelijk menselijk nabij
Sociale media vergroten volgens Joris Hindryckx de mogelijkheden om het leven van anderen te volgen. De techniek maakt informatie beschikbaar en schept ook de behoefte om die informatie te bekijken. Mensen kunnen steeds meer over elkaar weten, maar zijn volgens hem niet altijd in staat om daar mentaal goed mee om te gaan. Hij beschreef een tegenstelling tussen een samenleving die als geheel welvarender wordt en mensen die zich juist vaker tekortgedaan voelen wanneer zij zich met anderen vergelijken. Hij maakte daarbij uitdrukkelijk het onderscheid tussen gezamenlijke welvaart en de situatie van afzonderlijke personen: niet iedereen heeft het individueel beter. Zijn punt was dat een toename van de algemene rijkdom niet automatisch leidt tot grotere tevredenheid of bereidheid om te delen. De voortdurende zichtbaarheid van wat anderen bezitten of ontvangen, kan volgens hem precies het omgekeerde teweegbrengen.
Artificiële intelligentie maakt de verdelingsvraag dringender
Aan het einde van zijn bijdrage richtte Joris Hindryckx zijn blik op artificiële intelligentie. Volgens hem staat die ontwikkeling nog aan het begin en kunnen de grootste gevolgen nog volgen, zowel gunstige als ongunstige. Hij haalde een toekomstbeeld aan dat hij aan Elon Musk toeschreef: een wereld waarin geld door een overvloed aan productie niet langer nodig zou zijn. Hij noemde daarbij 2035. Joris Hindryckx gebruikte die voorspelling als vertrekpunt voor een verkenning van de verdeling van rijkdom. Het betrof een toekomstscenario, geen vaststaand vooruitzicht. Zijn vraag was wat er gebeurt wanneer technologie zoveel goederen en diensten kan voortbrengen dat steeds minder menselijke arbeid nodig is. De technische mogelijkheid om veel te produceren geeft op zichzelf nog geen antwoord op de vraag wie toegang krijgt tot die productie.
Aardappelen, auto’s en de grenzen van wat mensen kunnen verbruiken
Om zijn economische redenering uit te leggen, koos Joris Hindryckx herkenbare voorbeelden. Wanneer aardappelboeren te veel produceren, kan de prijs zo sterk dalen dat de opbrengst nauwelijks nog iets oplevert. Hij trok vervolgens een vergelijking met de autosector. Problemen ontstaan volgens zijn uitleg niet noodzakelijk doordat er te weinig auto’s zijn, maar kunnen juist samenhangen met een aanbod dat groter wordt dan wat kopers kunnen opnemen. Extra producenten vergroten dat aanbod, terwijl mensen niet onbeperkt extra auto’s kunnen gebruiken. Joris Hindryckx erkende dat hij het beeld van bijna gratis auto’s overdreef om zijn punt duidelijk te maken. Dezelfde gedachte paste hij toe op toekomstige productie met behulp van AI: mensen kunnen niet eindeloos meer eten, meer kopen en meer verbruiken. Een groter productievolume lost dus niet vanzelf alle economische en sociale vragen op.
Wanneer ook gespecialiseerd werk wordt overgenomen
Joris Hindryckx verwacht dat AI steeds verder doordringt in taken waarvoor nu menselijke kennis en specialisatie nodig zijn. In het scenario dat hij beschreef, kan de gezamenlijke rijkdom sterk groeien terwijl de behoefte aan menselijke arbeid afneemt. Daarmee komt de gebruikelijke koppeling tussen werken, verdienen en kopen onder druk te staan. Hij legde die koppeling uit als een verdelingsprincipe: wie bijdraagt aan wat samen wordt geproduceerd, verwerft inkomen en kan daarmee een deel van die productie kopen. Maar wat wanneer de samenleving niet langer voor iedereen werk heeft, terwijl er wel genoeg wordt geproduceerd? Dan kan iemand buiten het arbeidsproces vallen zonder dat er sprake is van een gebrek aan beschikbare goederen. Voor Joris Hindryckx brengt dat de discussie onvermijdelijk terug bij herverdeling.
Wie beslist over de rijkdom van morgen?
In dat toekomstbeeld zag Joris Hindryckx een machtsvraag ontstaan. Een beperkte groep zou veel kunnen produceren en verdienen, terwijl anderen niet langer via werk toegang hebben tot een inkomen. Wie bepaalt dan hoe de opbrengsten worden verdeeld? Hij noemde Elon Musk als voorbeeld van een particulier met een zeer grote economische macht en stelde daar de verantwoordelijkheid van staten tegenover. Wordt de verdeling afhankelijk van individuele eigenaars en ondernemingen, of nemen politieke overheden die taak op zich? Joris Hindryckx gaf daarop geen afgerond antwoord. Hij zag wel een mogelijke rol voor Europa, juist vanwege de ervaring met collectieve bescherming en herverdeling. De afspraken die Europa heeft opgebouwd om mensen te ondersteunen, zouden volgens hem opnieuw richting kunnen geven wanneer technologie de verhouding tussen arbeid en inkomen verandert.
Ook zonder geldzorgen kan iemand zich overbodig voelen
De toekomstvraag beperkte zich voor Joris Hindryckx niet tot inkomen. Hij vroeg zich af wat het psychisch met mensen doet wanneer hun wordt gezegd dat zij niet meer hoeven mee te doen. Genoeg te eten hebben en voldoende goederen ontvangen, betekent nog niet dat iemand zich nodig voelt. Tijdens de dag was ook de behoefte aan psychologische veiligheid aan bod gekomen; hij bracht die opnieuw ter sprake. Kunnen mensen leven met het gevoel dat hun bijdrage niet langer wordt gevraagd? En hoe verhoudt dat zich tot hun behoefte om ergens bij te horen? Zo kwam hij via AI terug bij het begin van zijn betoog. Ook in een welvarende toekomst kan het gevoel ontstaan niet mee te tellen. Een regeling voor de verdeling van goederen moet daarom worden onderscheiden van de menselijke behoefte aan deelname, erkenning en contact.
Zullen degenen die nog werken willen delen?
Naast de positie van wie geen werk meer heeft, plaatste Joris Hindryckx de houding van wie wel blijft werken en verdienen. Zullen zij bereid zijn hun opbrengsten te delen met mensen van wie geen arbeid meer wordt gevraagd? Volgens hem is dat geen louter technische kwestie die met een nieuw verdelingsmodel wordt opgelost. Het antwoord hangt ook af van de manier waarop mensen naar elkaar kijken. Hij heeft het gevoel dat de bereidheid om te delen afneemt en bracht dat opnieuw in verband met het verdwenen familiale gevoel. Wie de ander ervaart als iemand die erbij hoort, zal gemakkelijker aanvaarden dat zorg en middelen worden gedeeld. Wie uitsluitend afzonderlijke individuen ziet, kan diezelfde steun sneller als een last beschouwen. Daar sloot Joris Hindryckx de cirkel van zijn bijdrage: van de buur die niet meer spontaan aanbelt naar de samenleving die moet beslissen of zij haar rijkdom nog gezamenlijk wil dragen.
Iedereen telt mee, maar iedereen moet ook kunnen meedoen
Andy Vermaut kwam in zijn slottoespraak terug op het familiebeeld van Joris Hindryckx. Hij verbond het aan de inzet van de dag: in een familie telt iedereen mee, maar moet iedereen ook de mogelijkheid krijgen om mee te doen. Daarmee kreeg het betoog over verwantschap een praktische vertaling naar toegankelijkheid en deelname. De bijdrage van Joris Hindryckx had intussen een heel dagelijkse vraag op tafel gelegd. Als iemand aanbelt en niets komt vragen, niets komt verkopen en niets moet regelen, is er dan nog plaats om gewoon even te praten?
Bronnen:
Toespraak van Joris Hindryckx tijdens de EDC Fan Dag in Dienstencentrum Ten Patershove in Diksmuide, 17 oktober 2026.
Slottoespraak van Andy Vermaut tijdens dezelfde bijeenkomst.
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en de overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen. Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten. Steunen kan via Ko-fi of Buy Me a Coffee. Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


