Klimaattop in Brazilië laat diepe kloof over fossiele brandstoffen zien

27 november 2025
Tien jaar na Parijs blijft een duidelijk pad uit
Tien jaar na het klimaatakkoord van Parijs strandt de jaarlijkse klimaattop in Brazilië op een half resultaat. De conferentie, bekend als COP30, had volgens veel landen het moment moeten zijn waarop een helder pakket op tafel kwam voor de landen die nu al de zwaarste gevolgen van de klimaatcrisis voelen. In de eindtekst ontbreekt echter een concreet traject voor de afbouw van fossiele brandstoffen, terwijl net dat als kernonderdeel van elk geloofwaardig klimaatplan wordt gezien.
Een brede groep van ruim tachtig landen vroeg om een uitgewerkt stappenplan voor het uitfaseren van olie, gas en steenkool. Het Braziliaanse voorzitterschap verwijst de discussie door naar COP31, zonder precies aan te geven welke landen welke stappen moeten zetten en binnen welke termijn. Hierdoor blijft voor veel betrokken staten onduidelijk hoe snel de omslag in de komende jaren echt moet gaan.
Grote spelers houden rem op fossiele afspraken
Binnen de groep van grote economieën, gebundeld in de G20, lag de lat duidelijk lager. Verschillende landen die sterk verdienen aan olie- en gasexport hebben tijdens de onderhandelingen elke verwijzing naar concrete einddata afgezwakt of afgeblokt. Dat zorgde ervoor dat de slottekst op dit punt vaag blijft.
België schaarde zich bij de landen die wél een uitgewerkt pad willen voor de afbouw van fossiele brandstoffen. In de praktijk blijkt echter dat zelfs de meest ambitieuze spelers, waaronder de Europese Unie, terughouden zijn om zelf de snelste stappen te zetten. Extra middelen om andere landen te helpen bij die omslag blijven eveneens uit. Zonder een aanpak die inzet op eerlijk delen van inspanningen, samenwerking op lange termijn en voldoende financiële steun, blijft een toekomst waarin fossiele brandstoffen verdwijnen uiterst onzeker.
Ook voor België ligt daar een spanningsveld. Het land pleit voor versnelling, maar schuift tegelijk de eigen rol als voortrekker en financier vooruit in de tijd. Daarmee blijft de vraag hangen hoe geloofwaardig de oproep tot een rechtvaardige omslag is als de concrete inzet achterblijft.
Geld als hard breekpunt in Brazilië
De discussies over financiering kleurden een groot deel van COP30. Zonder middelen om de energietransitie te betalen, dreigen beloftes over het verminderen van fossiele brandstoffen een papieren oefening te blijven. De Europese Unie bleef tot het einde van de top voorzichtig met het toezeggen van bijkomende publieke middelen. Daardoor verschuift de rekening opnieuw naar landen die historisch het minst hebben bijgedragen aan de opwarming, maar nu wel de zwaarste gevolgen dragen.
Tegelijk verlagen verschillende staten hun budgetten voor ontwikkelingssamenwerking en klimaatbeleid, net op het moment dat de noden scherp stijgen. Voor veel Afrikaanse landen was financiering hét centrale thema. Zij hebben vandaag al te maken met extreme droogte, overstromingen en problemen in de voedselvoorziening. Volgens de berekeningen wordt slechts zes à zeven procent van wat deze landen nodig hebben effectief gefinancierd. Er gaapt naar schatting een kloof van ongeveer driehonderd miljard euro per jaar.
De eerdere belofte om de financiering voor aanpassing aan de klimaatverandering te verdrievoudigen, werd op deze top afgezwakt. De datum waarop dat doel bereikt moet worden, schoof op van 2030 naar 2035. Terwijl de schade op het terrein nu al groot is, wordt de uitbouw van beschermingsmaatregelen dus verder uitgesteld.
Rechtvaardige transitie eindelijk verankerd
Toch kende de top ook een duidelijke stap vooruit. Voor het eerst bereikten 194 landen een akkoord over de contouren van een rechtvaardige transitie. In dat deel van de slottekst staan verwijzingen naar mensenrechten, arbeidsrechten, de rechten van inheemse volkeren, sociale dialoog en de betrokkenheid van vrouwen. Landen moeten die principes voortaan opnemen in hun nationale klimaatplannen.
De nood aan zo’n benadering is volgens klimaatexpert Kiki Berkers al langer zichtbaar. Werknemers worden geconfronteerd met extreme hitte zonder voldoende bescherming, banen verdwijnen wanneer steenkoolmijnen sluiten zonder degelijk vangnet en dorpen zien hun land ingenomen worden voor de winning van mineralen. De top in Brazilië erkent nu formeel dat de afbouw van fossiele brandstoffen geen louter technische kwestie is, maar rechtstreeks raakt aan werk, inkomen, grondrechten en zeggenschap.
Op de klimaattop in Turkije volgend jaar moet een formeel mechanisme worden uitgewerkt om deze afspraken om te zetten in concrete steun en garanties. Dan zal moeten blijken in welke mate landen bereid zijn hun nationale plannen, arbeidswetgeving en sociale bescherming af te stemmen op de nieuwe afspraken over een rechtvaardige transitie.
Wie betaalt de rekening van uitstel?
COP30 werd vooraf omschreven als de “klimaattop van de waarheid”. De verwachting was dat het tien jaar na Parijs duidelijk zou worden of de wereld kiest voor een koers die het Akkoord van Parijs echt waarmaakt. Een historisch slotakkoord bleef uit. De conferentie leverde wel een duidelijke stap op rond een rechtvaardige transitie, maar op cruciale punten zoals financiering en de afbouw van fossiele brandstoffen bleef het resultaat beperkt tot de kleinste gemene deler.
De gevolgen daarvan zijn concreet. De landen en bevolkingsgroepen die nu al kampen met droogte, overstromingen en verlies van oogsten, blijven het hardst geraakt door vertragingen en halve compromissen. De rekening die zij betalen, dreigt verder op te lopen naarmate investeringen in bescherming, hernieuwbare energie en sociale zekerheid uitblijven.
Bronnen:
Persbericht over COP30 in Brazilië, 24 november 2025
Analyse van Kiki Berkers, beleidsmedewerker klimaat en natuurlijke rijkdommen
Informatie van internationale klimaatonderhandelingen rond rechtvaardige transitie
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


