Mensenrechten onder druk: CIFAL Brussels en VVN brengen beleid, recht en praktijk samen

24 september 2026

Op donderdag 24 september 2026, van 09.00 tot 16.00 uur, stond bij CIFAL Brussels @ Voka aan de Koningsstraat 158 in Brussel één vraag centraal: hoe worden mensenrechten in de dagelijkse praktijk beschermd wanneer overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen, advocaten, middenveldorganisaties en burgers met nieuwe juridische, maatschappelijke en technologische vraagstukken worden geconfronteerd? De eerste editie van het Human Rights Action Learning Platform werd georganiseerd door CIFAL Brussels in samenwerking met de Vereniging voor de Verenigde Naties, UN Association Belgium Flanders (VVN), met steun van Voka en de Vlaamse overheid. De Nederlandstalige studie- en netwerkdag kreeg de titel “Human Rights Under Pressure: Action Needed” en bracht sprekers uit het VN-systeem, de rechtspraak, de overheid, het bedrijfsleven, de advocatuur en het mensenrechtenveld bijeen.

Geert Aelbrecht opent met oproep om mensenrechten praktisch te maken

Naast Peter Wollaert kwamen de openingswoorden ook van Geert Aelbrecht, vicevoorzitter van CIFAL Brussels en op dit ogenblik General Manager BESIX Affiliates. Hij stelde dat duurzame ontwikkeling niet los kan worden gezien van menselijke waardigheid, sociale rechtvaardigheid en de bescherming van rechten. Mensenrechten vormen geen afzonderlijke achttiende duurzameontwikkelingsdoelstelling, maar raken volgens hem aan de manier waarop de bestaande doelstellingen in instellingen, ondernemingen en publieke diensten worden toegepast. Hij zag de studiedag daarom niet als een bijeenkomst waar alleen juridische beginselen worden besproken, maar als een plaats waar deelnemers ervaringen, methodes en instrumenten naast elkaar kunnen leggen. Vertegenwoordigers uit overheid, bedrijfsleven, media, onderwijs, industrie, internationale organisaties, middenveld en jongerenwerking waren aanwezig. Zijn centrale gedachte was dat één actor de vraagstukken rond fundamentele rechten niet alleen kan aanpakken en dat uitwisseling tussen sectoren nodig is om beginselen bruikbaar te maken in dagelijkse beslissingen.

Peter Wollaert wil van één studiedag een blijvend leernetwerk maken

Peter Wollaert leidde het plenaire gedeelte. UNITAR vermeldt hem als Managing Director van CIFAL Brussels en de Vereniging voor de Verenigde Naties en uiteraard is hij ook de trotse voorzitter van UN Association Belgium Flanders. Peter Wollaert situeerde CIFAL Brussels binnen het internationale CIFAL-netwerk dat aan UNITAR is gekoppeld. De organisatie, die tot 2026 de naam CIFAL Flanders gebruikte, verhuisde haar institutionele zwaartepunt naar Brussel en nam de naam CIFAL Brussels aan. Hij wees tegelijk op de samenwerking tussen VVN en de Franstalige Association pour les Nations Unies, APNU. Het achterliggende doel van de dag ging verder dan kennisoverdracht. Peter Wollaert legde de deelnemers de gedachte voor om een Belgisch leernetwerk rond mensenrechten uit te bouwen waarin regionale en federale expertise, ondernemingen, onderwijs, juristen en middenveld elkaar geregeld terugvinden. Het Human Rights Action Learning Platform moest in die visie een beginpunt zijn voor verdere uitwisseling over instrumenten, opleiding en toepassing.

Analucía Jácome brengt de visie van UNITAR vanuit Genève

Vanuit Genève nam Analucía Jácome digitaal deel. Zij is Senior Project Leader and Human Rights Expert binnen de Division for People and Social Inclusion van UNITAR. Jácome vertelde dat zij vóór haar werk bij de Verenigde Naties actief was binnen de buitenlandse dienst van Ecuador en onder andere werkte rond vluchtelingen, mensenrechten, het inter-Amerikaanse systeem en de Permanente Vertegenwoordiging van Ecuador bij de Verenigde Naties in Genève. Binnen UNITAR houdt zij zich bezig met opleiding en capaciteitsopbouw rond onder andere mensenrechten, goed bestuur, rechtsstaat, anticorruptie, digitaal bestuur, ouderen en personen met een beperking. Haar antwoord op de centrale vraag van de dag was duidelijk: internationale mensenrechtenstandaarden en de mechanismen die ze moeten bewaken staan volgens haar onder druk, maar opleiding, diplomatieke samenwerking en strategische partnerschappen blijven instrumenten om daarop te reageren. Zij pleitte daarbij voor een aanpak die rekening houdt met de situatie van elk land en elke doelgroep, in plaats van één werkwijze automatisch overal toe te passen.

Jácome verwees tevens naar een belangrijke institutionele wijziging binnen het VN-systeem. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties keurde op 3 september 2026 de samensmelting van het United Nations System Staff College met UNITAR goed. De nieuwe instelling krijgt de naam United Nations Institute for Capability and Learning Innovation, met het acroniem UNICLI, en is gericht op een start op 1 januari 2027. Daarmee wordt ook een fout uit de mondelinge transcriptie gecorrigeerd, waarin een andere schrijfwijze van het acroniem opdook.

Françoise Tulkens waarschuwt voor druk op rechtsstaat en rechtspraak

Een tweede internationale en Europese invalshoek kwam van Françoise Tulkens, voorzitter van APNU. De Raad van Europa bevestigt dat zij van november 1998 tot september 2012 rechter was bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waar zij ook sectievoorzitter en vicepresident was. APNU vermeldt haar als voorzitter. Tulkens plaatste mensenrechten, democratie en rechtsstaat naast elkaar. In haar lezing kunnen die drie niet zinvol uit elkaar worden gehaald: rechten moeten wettelijke bescherming krijgen, de macht van de overheid moet begrensd worden en een onafhankelijke rechter moet kunnen optreden wanneer die grenzen worden overschreden. Zij wees erop dat debat over de rol van rechters in Europa steeds nadrukkelijker wordt gevoerd en dat politieke overheden uitspraken van nationale en internationale rechtbanken soms ervaren als een hinderpaal voor beleidsvoering. Dat is haar juridische en maatschappelijke beoordeling; binnen Europa bestaat tegelijk een breed debat over de verhouding tussen democratische beleidsruimte, nationale soevereiniteit, rechterlijke toetsing en internationale verdragsverplichtingen. Tulkens vroeg de deelnemers vooral nauwkeurig te blijven kijken naar de bescherming die burgers daadwerkelijk krijgen.

Een belangrijk deel van haar boodschap ging over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948. Zij verwees naar Eleanor Roosevelt en naar het idee dat mensenrechten uiteindelijk betekenis krijgen op plaatsen waar mensen dagelijks leven: thuis, op school, op het werk en in hun directe omgeving. Daarmee bracht Tulkens de discussie weg van uitsluitend internationale verdragen en rechtbanken. Mensenrechten bestaan ook in de wijze waarop mensen elkaar behandelen en in de toegang die iemand werkelijk heeft tot onderwijs, justitie, waardigheid en gelijke behandeling. Over artificiële intelligentie sprak zij voorzichtig. Zij omschreef zichzelf niet als technisch deskundige, maar zag transparantie en controle als kernvragen wanneer AI in onderwijs, informatieverwerking of besluitvorming wordt gebruikt. Ook klimaat en leefomgeving bracht zij ter sprake als vraagstukken die niet losstaan van menselijke waardigheid en sociale rechten.

Martien Schotsmans legt drie Belgische knelpunten op tafel

Daarna verschoof de aandacht nadrukkelijk naar België. Martien Schotsmans, directeur van het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens, schetste de positie van het FIRM in het Belgische institutionele landschap. Het FIRM en het Agentschap van de Europese Unie voor de grondrechten bevestigen haar naam en functie. Het FIRM werd opgericht bij wet van 12 mei 2019; de eerste medewerkers begonnen in februari 2021. Het mandaat is federaal en residuair. Dat betekent dat het instituut optreedt binnen federale bevoegdheden voor mensenrechtenmateries die niet reeds aan een andere onafhankelijke sectorale instelling zijn toegewezen. Daardoor werkt het naast instellingen zoals Unia, Myria, het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen en andere gespecialiseerde instanties.

Schotsmans bracht drie terreinen naar voren die voor het FIRM bijzondere aandacht vragen: rechtsstaat en justitie, sociale rechten en de ruimte voor kritische stemmen. Zij wees bij justitie op de verschuiving van gerechtelijke naar bestuurlijke sancties, de middelen en personeelsproblemen binnen rechtbanken en de uitvoering van rechterlijke beslissingen. Het eigen rechtsstaatrapport van het FIRM noemt het tekort aan middelen voor justitie, de niet-uitvoering van rechterlijke uitspraken, het toenemende gebruik van bestuurlijke sancties en beperkingen van fundamentele vrijheden als terugkerende vraagstukken.

De opvangcrisis gebruikte Schotsmans als concreet voorbeeld van de vraag wat rechterlijke bescherming waard is wanneer uitspraken niet worden uitgevoerd. Het FIRM meldde in november 2024 dat sinds januari 2022 bijna 10.000 veroordelingen rond opvang niet waren uitgevoerd. In september 2025 rapporteerden FIRM en Myria dat nationale rechtscolleges sinds begin 2022 ongeveer 15.000 beslissingen hadden uitgesproken waarin opvang werd bevolen en dat ongeveer 11.000 daarvan officieel aan Fedasil waren betekend; duizenden beslissingen bleven zonder uitvoering. Die cijfers geven de achtergrond bij de bezorgdheid die Schotsmans in Brussel uitsprak.

Sociale rechten vragen voorafgaande toetsing van hervormingen

Het tweede terrein betrof sociale rechten. Schotsmans lichtte het standstill-beginsel toe. Dat beginsel betekent niet dat sociale wetgeving nooit gewijzigd mag worden, maar wel dat een aanzienlijke achteruitgang van beschermingsniveau voldoende gerechtvaardigd moet zijn en proportioneel moet blijven. Daarbij wees zij op het belang van impactanalyse vóór en na ingrijpende hervormingen en op de cumulatieve effecten die verschillende maatregelen op dezelfde persoon of hetzelfde huishouden kunnen hebben. Het FIRM maakte dit onderwerp tot centraal thema van zijn jaarverslag 2025, gepubliceerd op 15 juni 2026. Daarin worden onder andere hervormingen rond werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en pensioenen onderzocht vanuit artikel 23 van de Grondwet en internationale mensenrechtenverplichtingen. Het instituut vraagt daarbij bijzondere aandacht voor mensen in een kwetsbare positie en waarschuwt tegen een te ruim gebruik van parlementaire urgentieprocedures bij hervormingen met een grote impact op sociale bescherming. Dat zijn standpunten van het onafhankelijke FIRM binnen het actuele Belgische beleidsdebat.

Kritische stemmen, journalisten en mensenrechtenverdedigers

Schotsmans besteedde ook aandacht aan journalisten, middenveldorganisaties, klokkenluiders en andere mensenrechtenverdedigers. Haar uitgangspunt was dat democratische macht tegenmacht nodig heeft en dat protest, journalistiek onderzoek, belangenbehartiging en kritiek daarom praktische ruimte vereisen. Het FIRM onderzocht eerder de ervaringen van ruim 150 Belgische mensenrechtenorganisaties. Daarbij gaf 55 procent aan tussen 2020 en 2022 minstens één vorm van intimidatie of bedreiging te hebben meegemaakt. Zij verwees eveneens naar SLAPP-procedures, juridische acties die gebruikt kunnen worden om mensen die zich over onderwerpen van algemeen belang uitspreken onder druk te zetten. Op 21 mei 2026 nam de Kamer een federale wet tegen SLAPP aan. Het FIRM kreeg daarbij een centrale informatierol. Ook bescherming van klokkenluiders en het Nationaal Preventiemechanisme tegen foltering behoren inmiddels tot de bijkomende opdrachten die het FIRM heeft gekregen.

Thomas Peeters legt uit hoe België door andere VN-landen wordt onderzocht

Thomas Peeters bracht daarna het perspectief van de Vlaamse overheid. Zijn functie kon onafhankelijk worden nagegaan: hij is juridisch beleidsmedewerker Mensenrechten bij het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken. Het Vlaams Parlement vermeldt hem onder die titel in dossiers over het Vlaamse en internationale mensenrechtenbeleid. Peeters legde het Universal Periodic Review-mechanisme, de UPR, uit. Daarbij onderzoeken de VN-lidstaten periodiek elkaars mensenrechtenbeleid en formuleren zij vragen en aanbevelingen. De procedure is geen rechtszaak. Het gaat om een diplomatieke beoordeling binnen de VN-Mensenrechtenraad waarbij een staat aanbevelingen nadien kan aanvaarden of verwerpen.

België onderging zijn vierde UPR op 6 mei 2026 in Genève. Vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken Maxime Prévot vertegenwoordigde België. Eerdere Belgische onderzoeken vonden plaats in 2011, 2016 en 2021. Tijdens de cyclus van 2021 aanvaardde België 251 aanbevelingen van 119 landen. De UPR behandelt alle 193 VN-lidstaten periodiek. Peeters maakte duidelijk dat achter de interventie van de federale minister een uitgebreide Belgische coördinatie zit waarbij de federale overheid en de deelstaten informatie moeten aanleveren. Onderwerpen die tijdens dergelijke onderzoeken terugkeren zijn onder andere de Belgische mensenrechtenarchitectuur, detentie, asiel en migratie, inclusie in het onderwijs en bescherming tegen discriminatie. Ook parallelle rapporten van onafhankelijke instellingen en ngo’s kunnen informatie aandragen die andere lidstaten gebruiken bij hun vragen. Daarmee is de UPR voor middenveldorganisaties eveneens een kanaal om Belgische kwesties naar het internationale niveau te brengen.

De Belgische mensenrechtenarchitectuur blijft een onderwerp bij de VN

Een punt waarop Peeters uitvoerig inging was de opbouw van een nationale mensenrechteninstelling die aan de Principes van Parijs beantwoordt. België heeft met het FIRM een federale instelling en Vlaanderen heeft het Vlaams Mensenrechteninstituut, maar de bevoegdheidsverdeling maakt een nationale dekking niet eenvoudig. Het FIRM zelf beschrijft zijn huidige mandaat als federaal en residuair en wijst erop dat het nog niet bevoegd is voor alle materies van gewesten en deelstaten. Dat punt komt ook bij internationale mensenrechtentoetsing terug. Peeters schetste de UPR daarbij als een systeem waarin aanbevelingen inhoudelijk moeten worden bekeken, ook wanneer ze worden ingediend door landen waarmee België fundamenteel van mening verschilt. Het mechanisme is immers opgezet als een interstatelijke beoordeling waarin elk VN-lid aan bod komt. Zijn uitleg maakte ook zichtbaar dat diplomatie en mensenrechtencontrole elkaar in de UPR raken: landen beoordelen elkaar, terwijl politieke en internationale relaties niet verdwijnen zodra de sessie begint.

Walter Van Steenbrugge en Johan Heymans brengen de advocatuur als tegenmacht in beeld

Walter Van Steenbrugge en Johan Heymans waren op het aangekondigde programma samen opgenomen namens VS Advocaten. Peter Wollaert wees daarbij uitdrukkelijk op Van Steenbrugge als medeoprichter van het kantoor, dat vanuit de advocatuur al jaren met dossiers werkt waarin fundamentele rechten, strafrecht en de rechtsstaat elkaar raken. Van Steenbrugge is bij de Orde van Vlaamse Balies geregistreerd voor onder andere mensenrechten, internationaal strafrecht, ondernemingsstrafrecht en sportrecht. In 2026 kreeg zijn mensenrechtenwerk ook buiten de rechtbank een publieke plaats. Als founding partner van VS Advocaten werd hij betrokken bij Theater Aan Zee als Golfbreker, waarbij het kunstproject Circle 8 werd opgebouwd rond acht kernartikelen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het uitgangspunt daarbij was aandacht vragen voor fundamentele rechten en het maatschappelijk debat daarover.

De feitelijke plenaire uiteenzetting tijdens de studiedag werd verzorgd door Johan Heymans, managing partner van VS Advocaten. Hij beschreef hoe het kantoor een deel van zijn middelen inzet voor strategische procedures rond mensenrechten en discriminatie. Heymans vertrok vanuit internationale dossiers, maar maakte duidelijk dat mensenrechten volgens hem evenzeer in België dagelijks juridisch aan de orde zijn. Hij verwees naar procedures voor internationale rechtscolleges, detentie, gevangenisomstandigheden, vrijheid van meningsuiting en nieuwe uitdagingen door digitale technologie. Ook de invloed van grote technologiebedrijven op kinderen en jongeren kwam aan bod. Heymans stelde daarbij dat advocaten, middenveld en academici een controlerende rol hebben wanneer nieuwe technologie of maatschappelijke ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor fundamentele rechten. De Orde van Vlaamse Balies vermeldt mensenrechten, internationaal publiekrecht en strafrecht als zijn rechtsdomeinen.

Johan Heymans waarschuwt voor gewenning wanneer rechten stap voor stap verzwakken

Een element uit de bijdrage van Johan Heymans, was zijn waarschuwing voor gewenning. Hij beschreef vanuit zijn advocatenpraktijk hoe problemen rond detentie, gevangenissen of andere mensenrechtendossiers soms breed bekend raken, waarna de publieke aandacht opnieuw verdwijnt zonder dat de onderliggende situatie meteen verandert. Volgens Heymans kan precies die lijdzaamheid riskant worden. Hij wees daarnaast op de steeds hardere toon van het publieke debat. Mensenrechten mogen volgens zijn uiteenzetting geen argument worden waarmee groepen elkaar bestrijden, maar moeten het juridische kader leveren waarbinnen ook fundamenteel verschillende opvattingen naast elkaar kunnen bestaan. Vrijheid van meningsuiting gebruikte hij als voorbeeld van een recht dat krachtig beschermd wordt, maar juridisch niet absoluut is. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorziet zelf voorwaarden waaronder inmenging in die vrijheid mogelijk is, onder meer ter bescherming van de rechten van anderen. Die juridische afweging vormde een kernpunt in zijn pleidooi voor een debat waarin rechten correct worden toegepast en niet tot slogans worden herleid.

Van persoonlijke verhalen naar vier werksporen

Na de plenaire bijdragen verschoof het programma naar toepassing. Vier werksporen waren vooraf aangekondigd: Business and Human Rights Due Diligence, Human Rights Governmental Policy Making, Higher Education Human Rights Assessment Test en Human Rights Tools for Citizens/Youth & Children. De deelnemers werkten daarbij vanuit verschillende sectoren aan de vraag welke instrumenten daadwerkelijk bruikbaar zijn in ondernemingen, lokale besturen, onderwijs en burgerwerking. De keuze voor workshops paste bij de Action Learning-aanpak van CIFAL Brussels: niet alleen luisteren naar lezingen, maar juridische beginselen toetsen aan praktijksituaties. De eerste editie was expliciet opgezet voor vertegenwoordigers van bedrijven, publieke instellingen, hoger onderwijs en middenveld.

BESIX maakt due diligence tastbaar via werknemers en onderaannemers

Geert Aelbrecht keerde in een van de werksessies terug met de benadering van BESIX rond mensenrechten in de bouwsector. Hij sprak over bedrijfscultuur, interne controle, verantwoordelijkheid van leidinggevenden, audits, onderaannemers en rechtstreeks contact met werknemers. Voor een internationale bouwgroep is mensenrechtenbeleid niet alleen een document op directieniveau, stelde hij, maar ook een vraag naar huisvesting, loonbetaling, arbeidstijden, veiligheid, vervoer, maaltijden, rekrutering en omstandigheden bij onderaannemers.

BESIX publiceert zelf dat de groep in het Midden-Oosten met veel arbeidsmigranten werkt en procedures gebruikt om misbruik bij rekrutering en tewerkstelling tegen te gaan. De onderneming vraagt onderaannemers dezelfde standaarden toe te passen. In 2017 tekende BESIX een internationaal raamakkoord met Building and Wood Workers’ International over eerlijke arbeidsvoorwaarden. BESIX meldt daarbij dat BWI onafhankelijke controles kan uitvoeren en toegang krijgt tot bouwwerven en huisvesting van arbeidsmigranten.

Die informatie komt van het bedrijf zelf en beschrijft dus zijn beleid en controlesysteem; zij is geen onafhankelijke garantie dat op iedere werf elke norm op ieder moment wordt nageleefd. Iemand uit het publiek stelde een vraag over arbeidsomstandigheden die hij tijdens een recent verblijf in Dubai had gezien bij arbeidsmigranten uit onder andere India en Pakistan. Aelbrecht antwoordde dat BESIX voor eigen werknemers en onderaannemers minimumcriteria hanteert rond huisvesting, looninformatie, bancaire betaling, vervoer, maaltijden, arbeidstijden en controles. Daarmee kreeg het begrip due diligence een zeer concrete invulling: niet uitsluitend regels op papier, maar ook nagaan hoe werknemers daadwerkelijk worden gerekruteerd, betaald, vervoerd en gehuisvest. Juist in lange ketens met verschillende aannemers blijft controle volgens Aelbrecht een permanent aandachtspunt.

Bedrijven krijgen een steeds duidelijkere mensenrechtenrol

De aanwezigheid van BESIX maakte duidelijk waarom ondernemingen een afzonderlijke plaats in het programma kregen. Mensenrechten werden lange tijd vooral besproken vanuit staten, verdragen en rechtbanken. In internationaal en Europees beleid is intussen ook veel aandacht voor de verantwoordelijkheid van ondernemingen om risico’s in hun activiteiten en waardeketens te onderzoeken. Voor bouwbedrijven die in verschillende rechtsstelsels werken, raakt dat aan arbeidsrechten, veiligheid, corruptiebestrijding, aanbestedingen, migrantenarbeid en toezicht op leveranciers en onderaannemers. Aelbrecht wees daarbij op het spanningsveld tussen uniforme bedrijfsstandaarden en uiteenlopende nationale regels. Zijn antwoord was dat een onderneming haar eigen ondergrens moet bepalen en telkens moet nagaan of een project binnen die normen uitvoerbaar is.

Onderwijs en burgers krijgen eveneens instrumenten

Het programma beperkte de toepassing niet tot ondernemingen. Een afzonderlijk werkspoor was gericht op mensenrechten in overheidsbeleid, een ander op de beoordeling van mensenrechten binnen het hoger onderwijs en een vierde op instrumenten voor burgers, jongeren en kinderen. Daarmee werd een gedachte van Tulkens opnieuw praktisch gemaakt: rechten bestaan niet alleen in Straatsburg, Genève of wetboeken. Een onderwijsinstelling kan zichzelf toetsen op toegankelijkheid en gelijke behandeling; een lokaal bestuur kan beleidsbeslissingen bekijken vanuit grondrechten; jongeren kunnen leren welke rechten zij hebben en via welke instanties ze die kunnen laten gelden. Het Action Learning-concept probeert zo juridische kennis bruikbaar te maken voor personen die niet dagelijks met mensenrechtenrecht werken.

Fiona Ang brengt mensenrechten van het stadhuis naar het dagelijkse leven

Fiona Ang bracht tijdens het Human Rights Action Learning Platform een andere, maar essentiële invalshoek binnen: mensenrechteneducatie. Ang is pedagogisch coördinator van De Aanstokerij in Leuven, een organisatie die maatschappelijke thema’s via spel bespreekbaar maakt bij kinderen, jongeren en volwassenen. Haar expertise rond mensenrechteneducatie gaat bovendien vele jaren terug. Al in 2008 publiceerde zij over het bouwen aan een mensenrechtencultuur op school, en zij werkte later ook rond de plaats van mensenrechteneducatie in het jeugdwerk en onderwijs.

Tijdens haar bijdrage legde Ang uit dat mensenrechteneducatie veel verder gaat dan mensen vertellen welke verdragen of wetsartikelen bestaan. Het begint volgens haar bij het besef dat iemand zelf rechten heeft. Dat bewustzijn heeft een emancipatorische betekenis: wie begrijpt dat hij of zij rechten bezit, kan ook herkennen wanneer die worden geschonden. Vervolgens komt de stap naar de ander. Ook die andere persoon heeft rechten. Daar ontstaat volgens Ang empathie. Een volgende stap is solidariteit: wanneer de rechten van iemand anders worden bedreigd, kunnen mensen beslissen om daar gezamenlijk iets tegenover te stellen. Zo wordt mensenrechteneducatie geen droge kennisoverdracht, maar een proces dat mensen kan aanzetten tot handelen.

Spel als middel om mensenrechten werkelijk te ervaren

Ang koppelde dat rechtstreeks aan haar werk bij De Aanstokerij. De organisatie gebruikt spel als educatieve methode om maatschappelijke onderwerpen tastbaar te maken. Deelnemers krijgen niet uitsluitend informatie voorgeschoteld, maar worden in een situatie geplaatst waarin zij keuzes moeten maken, gevolgen ervaren, naar elkaar luisteren en achteraf bespreken wat er gebeurd is. De Aanstokerij omschrijft die spelcontext zelf als een tijdelijke minisamenleving waarin deelnemers oefenen met luisteren, samenwerken, inzichten uitwisselen en oplossingen zoeken.

Dat is volgens Ang belangrijk voor mensenrechteneducatie omdat intrinsieke motivatie moeilijk ontstaat door uitsluitend regels uit het hoofd te leren. Een spel kan deelnemers confronteren met uitsluiting, polarisatie, ongelijke machtsverhoudingen, stereotypering of de gevolgen van eigen keuzes. De Aanstokerij ontwikkelt daarvoor educatieve spelen voor scholen, jeugdwerk en andere organisaties. In haar uiteenzetting verwees Ang onder andere naar spelvormen rond polarisatie en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen. Het achterliggende principe is telkens hetzelfde: deelnemers moeten niet alleen horen wat een probleem is, maar ervaren hoe gedrag, taal en beslissingen op anderen kunnen inwerken.

Tussen stadhuis en thuis maakt van de stad een mensenrechtenruimte

Een centraal element dat in mijn eerdere verslag volledig ontbrak, was Angs auteurschap van Tussen stadhuis en thuis: mensenrechten in onze stad. Zij schreef het boek samen met Stephan Parmentier, hoogleraar criminologie en mensenrechten aan de KU Leuven, en Martien Schotsmans, directeur van het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens. LannooCampus publiceerde het boek in 2024.

Het boek stelt een eenvoudige maar fundamentele vraag: waar worden mensenrechten uiteindelijk werkelijkheid? Niet alleen in Genève, Straatsburg, Brussel of een rechtbank, maar evenzeer in een gemeente, op school, in de openbare ruimte, bij een loket en in een wijk. Tussen stadhuis en thuis vertrekt daarom vanuit Leuven Mensenrechtenstad en onderzoekt hoe lokale overheden, middenveldorganisaties en inwoners zelf kunnen bijdragen aan de toepassing van mensenrechten. Het boek bevat daarnaast voorbeelden uit andere steden en bespreekt hoe een gemeente mensenrechten structureel in haar beleid kan opnemen.

Leuven als mensenrechtenstad blijft volgens Ang werk in uitvoering

Ang gebruikte Leuven tijdens haar bijdrage als concrete casus. Eind 2023 verklaarde Leuven zich mensenrechtenstad. Daar ging een meerjarig proces aan vooraf waarbij werd onderzocht hoe mensenrechten niet als afzonderlijk project, maar als kader voor lokaal beleid kunnen functioneren. Ang maakte daarbij meteen een belangrijke nuance: een stad krijgt geen eindcertificaat waarna het werk gedaan is. Mensenrechtenbeleid vraagt voortdurende opvolging, participatie, onderzoek en institutionele verankering.

Volgens haar bestaat in Leuven veel bereidheid bij uiteenlopende actoren, maar blijft verdere structurele verankering noodzakelijk. Zij verwees onder andere naar de Adviesraad Mensenrechten en Internationale Solidariteit, waarvan zij deel uitmaakt. Daar worden zeer praktische vragen behandeld. Hoe kan een stad duurzamer en mensenrechtenbewuster aankopen? Hoe gaat ze om met straatnamen die verband houden met een problematisch koloniaal verleden? Hoe kunnen bestaande engagementen rond mensenrechten, vrede, fairtrade en duurzaamheid beter op elkaar aansluiten? Dat zijn geen theoretische VN-vraagstukken meer. Het zijn beslissingen die letterlijk in gemeenteraadszalen, stadsdiensten, straten en scholen terechtkomen.

Mensenrechten beginnen ook bij gemeentelijke aanbestedingen

Een voorbeeld dat Ang aanhaalde was het aankoopbeleid van lokale besturen. Een gemeente koopt jaarlijks goederen en diensten en sluit contracten af met ondernemingen. Daardoor kan een lokaal bestuur ook mensenrechtencriteria meenemen in overheidsopdrachten. Wie produceert goederen? Onder welke arbeidsomstandigheden? Welke eisen worden aan leveranciers gesteld? Hoe duurzaam is een productieketen? Zo wordt mensenrechtenbeleid ook economisch beleid.

Daarmee sloot haar bijdrage rechtstreeks aan bij de workshop over bedrijven en Human Rights Due Diligence. Waar Geert Aelbrecht vanuit BESIX sprak over werknemers, leveranciers en onderaannemers, keek Ang naar de andere kant van de overeenkomst: de overheid die aankoopt en via haar aanbestedingsbeleid voorwaarden kan stellen. Het toont hoe mensenrechten door verschillende beleidsniveaus heen lopen.

Ook symbolen in de openbare ruimte doen ertoe

Ang verwees eveneens naar de discussie over een Leuvense straatnaam die verbonden zou zijn met iemand met een betwiste rol in het koloniale verleden. Voor haar toont zo’n dossier dat lokaal mensenrechtenbeleid niet alleen over dienstverlening of begrotingen gaat. Ook de manier waarop een stad haar verleden zichtbaar maakt, welke personen zij eert en hoe zij omgaat met kritiek op die keuzes, maakt deel uit van een breder debat over gelijkwaardigheid, historische verantwoordelijkheid en participatie.

Daarbij hoeft een gemeentebestuur volgens haar niet te wachten tot alle antwoorden vaststaan. Een mensenrechtenstad moet juist ruimte maken voor onderzoek, debat en verschillende stemmen. De lokale schaal is daarvoor bijzonder geschikt omdat inwoners er rechtstreeks met beleidskeuzes worden geconfronteerd.

Onderwijs moet mensenrechten niet alleen uitleggen maar oefenen

Een ander zwaartepunt van Angs bijdrage was onderwijs. Mensenrechteneducatie kan volgens haar zowel formeel als niet-formeel plaatsvinden. Scholen zijn belangrijk, maar ook jeugdwerk, verenigingen, musea, organisaties en lokale overheden kunnen eraan bijdragen. De Aanstokerij werkt vanuit dat uitgangspunt met spellen en begeleide werkvormen waarin deelnemers niet alleen kennis verwerven maar ook vaardigheden oefenen.

Dat sluit aan bij haar eerdere professionele werk. Fiona Ang is al jarenlang actief rond kinder- en mensenrechteneducatie. In eerdere publicaties en projecten werkte zij onder meer rond mensenrechteneducatie op school en de toepassing ervan in jeugdwerk. Daarmee bracht zij tijdens deze studiedag niet alleen een lokale casus, maar ook een langdurige pedagogische expertise mee.

Van ‘ik heb rechten’ naar ‘wij kunnen handelen’

Misschien was de kern van haar bijdrage uiteindelijk bijzonder eenvoudig. Mensenrechteneducatie begint bij drie bewegingen: beseffen dat men zelf rechten heeft, erkennen dat anderen diezelfde waardigheid en rechten hebben, en begrijpen dat mensen gezamenlijk kunnen reageren wanneer rechten onder druk komen. Kennis, empathie en solidariteit horen daardoor bij elkaar.

Dat verklaart ook waarom Tussen stadhuis en thuis zo goed bij de studiedag paste. De centrale vraag van het Human Rights Action Learning Platform was hoe mensenrechten vanuit verdragen en beginselen in praktische actie kunnen worden omgezet. Ang bracht daarop een lokaal en pedagogisch antwoord: mensenrechten moeten herkenbaar worden in scholen, gemeentelijke beslissingen, verenigingen, buurten en dagelijkse relaties. De stad is daarbij niet slechts de plaats waar mensen wonen. Zij kan ook de plaats zijn waar mensen leren wat hun rechten betekenen en hoe zij die van anderen mee kunnen beschermen.

Liliana Lizarazo Rodriguez vertaalt mensenrechtenverplichtingen naar een bruikbare toolbox voor ondernemingen

Professor Liliana Lizarazo Rodriguez bracht tijdens de workshop een sterk praktijkgericht luik over de vernieuwde Toolbox Business & Human Rights. Haar bijdrage draaide rond één centrale vraag: hoe kunnen ondernemingen mensenrechtenrisico’s in hun eigen activiteiten en in hun waardeketens herkennen, voorkomen, beperken en waar nodig herstellen? De toolbox wil bedrijven en andere belanghebbenden daarbij niet alleen informeren over bestaande wettelijke verplichtingen, maar ook goede praktijken aanbieden voor situaties waarin een onderneming juridisch niet rechtstreeks tot een bepaalde maatregel verplicht is.

Op de presentatie stond die doelstelling zeer concreet geformuleerd. De toolbox wil ondernemers en stakeholders ondersteunen met praktische instrumenten rond mensenrechten en milieu in waardeketens, informatie geven over de naleving van verantwoordelijkheden en herstelmaatregelen aanreiken wanneer ondernemingsactiviteiten negatieve gevolgen veroorzaken. De officiële beschrijving van de toolbox bevestigt dat sommige opgenomen mechanismen verplicht zijn, terwijl andere als aanbevolen goede praktijken worden aangeboden om negatieve gevolgen voor mensenrechten te voorkomen of te beperken.

Due diligence moet ook bruikbaar zijn voor bedrijven die niet rechtstreeks onder Europese verplichtingen vallen

Lizarazo Rodriguez legde tijdens haar uiteenzetting uit dat de toolbox bewust niet uitsluitend vertrekt van de Europese due-diligencewetgeving. Niet iedere Belgische onderneming valt immers onder dezelfde wettelijke rapporterings- of zorgvuldigheidsverplichtingen. Daarom werd gekozen voor een bredere benadering waarbij ook de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights als referentiekader worden gebruikt.

Dat is inhoudelijk belangrijk. De toolbox wil voorkomen dat kleinere ondernemingen denken dat mensenrechtenzorg alleen een zaak is voor multinationals. Een kmo kan bijvoorbeeld zelf niet rechtstreeks onder een bepaalde Europese rapporteringsplicht vallen, maar wel leverancier zijn van een grote onderneming die verplicht wordt haar volledige keten te onderzoeken. Op die manier kunnen eisen rond due diligence via contracten en commerciële relaties verder door de waardeketen lopen.

De vernieuwde toolbox is volgens de officiële projectinformatie opgebouwd rond internationale en Belgische mensenrechtennormen, de VN-richtlijnen voor bedrijfsleven en mensenrechten, instrumenten rond maatschappelijk verantwoord ondernemen en het Belgische Nationaal Actieplan Bedrijven en Mensenrechten.

Belanghebbenden betrekken is volgens Lizarazo Rodriguez geen bijkomstigheid

Een van de duidelijkste boodschappen uit haar bijdrage was het belang van stakeholder engagement. Een onderneming kan risico’s moeilijk correct beoordelen wanneer zij uitsluitend vanuit haar directiekamer kijkt. Werknemers, leveranciers, omwonenden, vakbonden, ngo’s en groepen die rechtstreeks gevolgen ondervinden van bedrijfsactiviteiten kunnen informatie geven die in formele bedrijfsdocumenten niet zichtbaar wordt.

Daarmee sloot haar bijdrage rechtstreeks aan bij wat Geert Aelbrecht eerder over BESIX had verteld. Ook daar kwam het belang naar voren van gesprekken met arbeidsmigranten, controle van onderaannemers en het verschil tussen een formeel beleid en de feitelijke omstandigheden op het terrein. Lizarazo Rodriguez plaatste dat principe vervolgens binnen een breder due-diligencekader: stakeholder engagement helpt bij het identificeren van risico’s, het stellen van prioriteiten en het ontwerpen van herstelmaatregelen.

Ook toegang tot herstel en verhaal kreeg een eigen plaats

De editie van 2025 bevat daarnaast een uitgebreid luik over toegang tot recht en effectieve remedies. Dat onderdeel brengt verschillende staatsgebonden mechanismen in kaart waar slachtoffers of andere belanghebbenden terechtkunnen wanneer zij menen dat bedrijfsactiviteiten hun rechten hebben aangetast. De VUB omschrijft dit als een overzicht van onder andere rechtbanken, overheidsinstellingen, onafhankelijke klachteninstanties en andere formele kanalen.

Lizarazo Rodriguez verwees tijdens haar presentatie eveneens naar niet-rechterlijke mechanismen en naar het Nationaal Contactpunt voor de OESO-richtlijnen. Ook ontwikkelings- en investeringsbanken kunnen eigen klachtenprocedures hebben. Voor ondernemingen is die informatie volgens haar eveneens relevant: door eerdere klachten en procedures te bestuderen kunnen zij beter inschatten waar risico’s ontstaan en welke preventieve maatregelen mogelijk zijn.

Een zelftest moet de juridische informatie toegankelijker maken

De toolbox bevat ook een onderdeel waarmee gebruikers hun kennis kunnen testen. FIDO bevestigt dat de vernieuwde site een module “Test je kennis” heeft waarmee gebruikers hun basiskennis over mensenrechtenverplichtingen in België kunnen nagaan. Tijdens de workshop legde Lizarazo Rodriguez uit dat deze test verschilt van die in de oudere toolbox en toegankelijk moet zijn voor een breed publiek.

De informatie is beschikbaar in het Nederlands, Frans en Engels en gratis raadpleegbaar. Dat werd tijdens de vragenronde expliciet bevestigd. De bedoeling is dus niet een academisch juridisch handboek te maken dat uitsluitend specialisten kunnen lezen, maar bedrijven een vertrekpunt te geven waarmee zij zelf kunnen nagaan waar hun aandachtspunten liggen.

Ook kmo’s moeten ermee aan de slag kunnen

Tijdens de vragenronde kwam precies dat punt aan bod. België telt veel kleine en middelgrote ondernemingen die internationaal actief kunnen zijn zonder zelf de schaal van een multinational te hebben. Lizarazo Rodriguez antwoordde dat de toolbox voor alle ondernemingen bedoeld is. Zij verwees daarnaast naar aanvullende instrumenten van FIDO die kmo’s op een praktischere manier begeleiden bij hun eerste stappen rond due diligence.

De officiële informatie van FIDO bevestigt dat de toolbox Belgische en internationale ondernemingen ondersteunt bij het integreren van mensenrechten in hun bedrijfsactiviteiten en waardeketens. De nieuwe versie werd eind 2025 ontwikkeld met steun van de Raad van Europa en heeft een vereenvoudigde structuur gekregen om de toegankelijkheid te verbeteren.

Van juridische verplichting naar dagelijkse bedrijfspraktijk

De meerwaarde van Lizarazo Rodriguez’ bijdrage zat precies in die vertaalslag. Human Rights Due Diligence kan snel worden herleid tot Europese richtlijnen, rapporteringsvereisten en juridische terminologie. Haar presentatie bracht het terug naar praktische vragen: weet een onderneming waar haar grootste mensenrechtenrisico’s zitten? Spreekt ze met de mensen die daar rechtstreeks mee geconfronteerd worden? Kent ze haar leveranciers? Weet ze waar slachtoffers terechtkunnen? Kan ze aantonen wat ze heeft gedaan wanneer een probleem wordt vastgesteld?

De vernieuwde toolbox probeert die vragen op één plaats samen te brengen. Daarmee vormde haar bijdrage een van de centrale praktische onderdelen van de studiedag, omdat ze precies liet zien hoe abstracte mensenrechtennormen kunnen worden omgezet in concrete bedrijfsprocessen.

Rémy Bonny waarschuwt dat aanvallen op LGBTIQ+-rechten ook de democratische rechtsorde raken

Rémy Bonny, Executive Director van Forbidden Colours, bracht tijdens het Human Rights Action Learning Platform een internationale invalshoek die in het eerdere verslag ontbrak. Bonny omschreef Forbidden Colours als een Europese LGBTIQ+-organisatie die specifiek werkt op het snijpunt van democratische veiligheid en de rechten van LGBTIQ+-personen. De organisatie onderzoekt en volgt personen, organisaties en overheden die volgens haar bijdragen aan de beperking van die rechten. Daarnaast voert Forbidden Colours belangenbehartiging bij Europese instellingen en bij regeringen van EU-lidstaten. Bonny maakte daarbij duidelijk dat zijn organisatie LGBTIQ+-rechten niet als een geïsoleerd beleidsthema beschouwt. Voor hem raakt de behandeling van minderheden rechtstreeks aan de toestand van democratie, rechtsstaat en fundamentele rechten. Die omschrijving sluit aan bij de officiële voorstelling van Forbidden Colours, dat zichzelf richt op mensenrechten en democratie voor LGBTIQ+-personen in Europa.

Hongaarse wet werd een testcase voor Europese grondrechten

Bonny gebruikte Hongarije als een van zijn belangrijkste voorbeelden. In 2021 voerde Hongarije wetgeving in die de toegang van minderjarigen tot bepaalde inhoud over homoseksualiteit, geslachtsverandering en genderidentiteit beperkte. De Europese Commissie startte daartegen een inbreukprocedure. Forbidden Colours voerde vervolgens samen met onder andere Háttér Society en Reclaim campagne om EU-lidstaten ertoe aan te zetten zich bij de procedure voor het Hof van Justitie aan te sluiten. Uiteindelijk traden zestien lidstaten en het Europees Parlement op aan de zijde van de Europese Commissie. Forbidden Colours beschouwt die brede deelname als een belangrijk resultaat van de campagne die de organisaties in verschillende Europese hoofdsteden voerden.

Die zaak kreeg op 21 april 2026 een belangrijk juridisch vervolg. Het Hof van Justitie oordeelde in zaak C-769/22 dat Hongarije met de betrokken wetgeving het Unierecht had geschonden. Het Hof stelde onder andere vast dat de regelgeving LGBTI+-personen stigmatiseerde en marginaliseerde. Voor het eerst stelde het Hof in een inbreukprocedure tegen een lidstaat bovendien zelfstandig een schending vast van artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin de fundamentele waarden van de Unie zijn vastgelegd. Daarmee kreeg het dossier dat Bonny tijdens zijn bijdrage aanhaalde enkele maanden vóór de Brusselse studiedag een definitieve uitspraak van het Hof.

Van discriminatie naar democratische veiligheid

Voor Bonny gaat het belang van dergelijke dossiers verder dan LGBTIQ+-beleid alleen. Hij plaatste maatregelen tegen seksuele en genderdiversiteit in een bredere politieke context waarin rechten van minderheden volgens hem geregeld worden gebruikt om maatschappelijke tegenstellingen aan te wakkeren. Tijdens zijn bijdrage verwees hij naar Rusland, Hongarije en ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Hij stelde dat anti-LGBTIQ+-politiek deel kan uitmaken van bredere strategieën waarbij ook democratische instellingen, vrouwenrechten, onafhankelijke organisaties en andere fundamentele rechten geraakt kunnen worden. Forbidden Colours beschrijft Bonny ook buiten deze studiedag als gespecialiseerd in de wijze waarop ultraconservatieve en antidemocratische regeringen en netwerken LGBTIQ+-thema’s inzetten binnen internationale betrekkingen en beïnvloedingscampagnes.

Bonny wees daarbij op zijn jarenlange onderzoek naar Russische invloed en naar internationale financiering van organisaties die zich tegen LGBTIQ+-rechten en genderbeleid keren. Dat dergelijke grensoverschrijdende financieringsstromen bestaan, is ook in ander onderzoek gedocumenteerd. Een Europees rapport over anti-genderfinanciering becijferde voor Amerikaanse christelijk-conservatieve organisaties uitgaven in Europa van ongeveer 24 miljoen dollar in 2019, 22,5 miljoen in 2020, 23 miljoen in 2021, 17,5 miljoen in 2022 en 16,5 miljoen dollar in 2023. Voor Russische anti-genderfinanciering vermeldde hetzelfde onderzoek eveneens aanzienlijke bedragen, al zijn gegevens voor bepaalde jaren onvolledig.

Tijdens zijn tussenkomst ging Bonny nog verder en stelde hij dat ook actuele Amerikaanse overheidsfinanciering anti-LGBTIQ+-actoren in Europa zou ondersteunen. Hij noemde daarbij een bedrag van ongeveer 23 miljoen euro voor september 2026. Voor die specifieke actuele som is in de geraadpleegde openbare bronnen geen onafhankelijke bevestiging gevonden. In een journalistieke tekst moet dit daarom duidelijk als een mededeling en onderzoeksbevinding van Bonny worden weergegeven en niet als onafhankelijk vastgesteld cijfer.

Onderzoek naar Russische netwerken en sancties

Bonny vertelde ook dat Forbidden Colours onderzoek doet naar Russische oligarchen en andere actoren die volgens de organisatie Europese anti-LGBTIQ+-netwerken financieren. De organisatie probeert dergelijke dossiers volgens hem onder de aandacht te brengen van overheden die sanctieregimes beheren. Forbidden Colours vermeldt in zijn eigen overzicht van activiteiten dat het sinds 2022 inspanningen heeft geleverd om Russische anti-LGBTIQ+-oligarchen op Europese sanctielijsten te krijgen. Dat is een eigen beleids- en campagneactiviteit van de organisatie; de beoordeling van individuele personen en het uiteindelijke opleggen van sancties berust bij de bevoegde overheden.

Bonny ziet opvallende overeenkomst in taal over ‘traditionele waarden’

Een ander element van Bonny’s uiteenzetting betrof nationale veiligheidsstrategieën. Hij vertelde dat hij al jaren onderzoek doet naar de Russische inzet van zogenoemde traditionele familiewaarden. In de Russische Nationale Veiligheidsstrategie van 2021 wordt inderdaad uitvoerig verwezen naar traditionele spirituele en morele waarden en naar het belang van het gezin. Onderzoek van Bonny zelf behandelde al eerder de plaats die seksualiteit en traditionele familiewaarden innemen binnen Russische veiligheids- en buitenlandpolitiek. Bonny wees tijdens de studiedag vervolgens op gelijkaardige taal in de Amerikaanse Nationale Veiligheidsstrategie van 2025, waarin sterke traditionele gezinnen als onderdeel van de maatschappelijke kracht van de Verenigde Staten worden genoemd. De politieke context en concrete beleidsuitwerking in beide landen verschillen, zodat die tekstuele overeenkomst op zichzelf geen bewijs vormt dat beide veiligheidsstrategieën hetzelfde beleid voeren. Voor Bonny was ze wel aanleiding om te waarschuwen dat debatten over seksuele oriëntatie, gender en gezinsmodellen steeds vaker tot geopolitieke vraagstukken worden gemaakt.

Forbidden Colours werkt tegelijk via onderzoek en Europese instellingen

Bonny maakte duidelijk dat Forbidden Colours twee werkwijzen naast elkaar gebruikt. Enerzijds verzamelt en analyseert de organisatie informatie over politieke netwerken, internationale financiering en campagnes tegen LGBTIQ+-rechten. Anderzijds probeert ze die informatie te vertalen naar Europese procedures, contacten met regeringen, parlementen en juridische acties. De Hongaarse zaak toont hoe die belangenbehartiging in de praktijk kan verlopen. Forbidden Colours, Háttér Society en Reclaim trokken naar verschillende EU-lidstaten om regeringen te overtuigen zich bij de procedure tegen Hongarije aan te sluiten. Zestien lidstaten deden dat uiteindelijk, samen met het Europees Parlement.

Waarschuwing reikt verder dan de rechten van één minderheid

De afsluitende gedachte van Bonny was dat aantasting van de rechten van LGBTIQ+-personen volgens hem niet als een afzonderlijk probleem van één minderheid mag worden bekeken. Wanneer een overheid ruimte krijgt om een bepaalde groep uit het publieke leven te weren, informatie over die groep te beperken of wettelijke bescherming terug te draaien, kan dat volgens hem ook gevolgen krijgen voor andere fundamentele vrijheden. Daarmee sloot zijn bijdrage nauw aan bij de centrale vraag van de studiedag: mensenrechten worden pas tastbaar wanneer instellingen en burgers herkennen hoe afzonderlijke beperkingen kunnen doorwerken in de bredere rechtsstaat. Voor Bonny ligt daar ook de reden waarom Forbidden Colours zich niet uitsluitend als LGBTIQ+-organisatie presenteert, maar het eigen werk koppelt aan democratische veiligheid en mensenrechten in Europa.

Een dag waarop verschillende soorten expertise elkaar tegenspraken en aanvulden

Het bijzondere aan de Brusselse bijeenkomst zat niet in één uniforme boodschap. Jácome sprak vanuit VN-opleiding en internationale samenwerking, Tulkens vanuit decennia rechtspraak en academisch werk, Schotsmans vanuit een onafhankelijke nationale mensenrechteninstelling, Peeters vanuit overheidscoördinatie, Heymans vanuit advocatuur, Aelbrecht vanuit een internationale onderneming en Vermaut vanuit activisme, journalistiek en rechtstreeks contact met minderheidsgroepen. Daardoor kwamen ook verschillen in benadering naar voren. Een overheid moet beleid uitvoerbaar maken. Een rechter kijkt naar wettelijke grenzen. Een mensenrechteninstituut controleert en adviseert. Een advocaat verdedigt cliënten en kan procedures starten. Een onderneming moet risico’s in werkzaamheden en ketens beheersen. Een mensenrechtenverdediger probeert thema’s zichtbaar te maken die anders weinig aandacht krijgen. Het platform bracht die rollen niet terug tot één antwoord, maar maakte zichtbaar waar hun verantwoordelijkheden elkaar raken.

Mensenrechtenbeleid begint bij controleerbare namen en feiten

De eerste Human Rights Action Learning Platform-dag eindigde daarmee niet bij de vaststelling dat fundamentele rechten onder druk kunnen staan. De concrete inzet lag bij toetsing, opleiding, rechterlijke bescherming, verantwoord ondernemerschap, toegankelijk beleid en ruimte voor kritische stemmen. CIFAL Brussels wil onderzoeken of uit de studiedag een Belgisch leernetwerk kan groeien waarin die kennis ook na 24 september wordt uitgewisseld. Dat maakt de vraag na deze bijeenkomst bijzonder concreet: hoeveel van wat in Brussel werd besproken, krijgt daarna werkelijk een plaats in beleid, bedrijven, rechtbanken, onderwijs en het dagelijkse leven?

Bronnen:
CIFAL Brussels / Human Rights Action Learning Platform – programma en evenementinformatie Evenementinformatie Human Rights Action Learning Platform
CIFAL Global Network – eerste editie Human Rights Action Learning Platform Aankondiging CIFAL Global Network
UNITAR – CIFAL Brussels en functies Peter Wollaert en Geert Aelbrecht CIFAL Flanders to Brussels
UNITAR – Analucía Jácome, Senior Project Leader and Human Rights Expert UNITAR Anticorruption
UNITAR – oprichting UNICLI na besluit Algemene Vergadering van 3 september 2026 UNITAR over UNICLI
Raad van Europa – loopbaan Françoise Tulkens bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Profiel Françoise Tulkens
APNU – voorzitterschap Françoise Tulkens Statuten APNU
FIRM – mandaat, structuur en directie Martien Schotsmans Wie zijn wij bij het FIRM
FIRM – rechtsstaat en mensenrechten in België Rapport rechtsstaat en mensenrechten
FIRM – onderzoek naar niet-uitvoering van rechterlijke beslissingen Onderzoek rechterlijke beslissingen
FIRM – jaarverslag 2025 over sociale rechten en standstill Jaarverslag 2025 FIRM
FIRM – onderzoek naar druk op mensenrechtenverdedigers Steun mensenrechtenverdedigers
FOD Buitenlandse Zaken – Belgische UPR van 6 mei 2026 Universeel Periodiek Onderzoek België
Vlaams Parlement – Thomas Peeters, juridisch beleidsmedewerker Mensenrechten Gedachtewisseling over mensenrechten
VS Advocaten – team met Walter Van Steenbrugge en Johan Heymans VS Advocaten team en expertise
BESIX – beleid rond arbeidsrechten en arbeidsmigranten BESIX Corporate Social Responsibility
Grondwettelijk Hof – arrest 62/2016, rolnummers 5917, 5920, 5930 en 6127 Arrest 62/2016
Europees Parlement – verzoekschriften namens Fundamentele Grondrechtenvereniging Postversa PETI verzoekschriften

Naschrift van Andy Vermaut: waarom mensenrechten voor mij persoonlijk zijn

Toen Peter Wollaert mij tijdens het plenaire gedeelte naar voren vroeg en mij introduceerde als actief lid van de Vereniging voor de Verenigde Naties en als mensenrechtenverdediger, wilde ik geen theoretische of institutionele uiteenzetting geven. Voor mij zijn mensenrechten immers nooit iets abstracts geweest. Ze lopen als een rode draad door mijn eigen leven. Mijn engagement begon eigenlijk al toen ik nog op de lagere school zat. In de Westhoek waren er plannen rond de opslag van kernafval en zelfs als kind voelde ik dat mensen niet machteloos hoefden toe te kijken wanneer beslissingen boven hun hoofd werden genomen. Ik probeerde mijn klasgenoten mee te krijgen en hen bewust te maken van wat er speelde. Achteraf gezien was dat wellicht mijn eerste kleine vorm van activisme.

Mijn gevoeligheid voor onrecht kwam ook voort uit mijn eigen ervaringen. Als kind werd ik gepest. Wie zelf heeft gevoeld wat uitsluiting, vernedering of machteloosheid met een mens kan doen, vergeet dat niet gemakkelijk. Bij mij heeft dat er uiteindelijk toe geleid dat ik niet wilde wegkijken wanneer andere mensen in een vergelijkbare positie terechtkwamen. Ik ben mij steeds meer gaan inzetten voor mensen en groepen die nauwelijks toegang hebben tot politieke besluitvorming, grote media of invloedrijke netwerken. Mensenrechten betekenen voor mij daarom in de eerste plaats dat ook de stem gehoord wordt van iemand die nauwelijks middelen heeft om die stem hoorbaar te maken.

Via Postversa ben ik doorheen de jaren in contact gekomen met mensen uit uiteenlopende minderheden en bevolkingsgroepen. Ik sprak en werkte onder andere rond de situatie van Pashtuns, Baloch, Koerden, Druzen, Alawieten en Ahmadi-moslims. Hun situaties verschillen sterk van elkaar, en iedere context vraagt een eigen benadering, maar telkens opnieuw hoor ik verhalen van mensen die vragen om gezien, gehoord en ernstig genomen te worden. Dat is voor mij een fundamenteel onderdeel van mensenrechtenwerk: luisteren voordat je spreekt, informatie controleren en vervolgens proberen deuren te openen die voor anderen gesloten blijven.

Dat engagement probeer ik ook om te zetten in concrete politieke en juridische stappen. In 2026 diende ik via de Fundamentele Grondrechtenvereniging Postversa verschillende verzoekschriften in bij het Europees Parlement. Daarmee probeer ik dossiers rond fundamentele rechten, toegang tot dienstverlening en andere maatschappelijke problemen op de Europese agenda te krijgen. Niet ieder verzoekschrift leidt tot het resultaat waarop je hoopt. Sommige worden afgesloten, andere worden ontvankelijk verklaard of naar een bevoegde commissie doorgestuurd. Maar voor mij is het belangrijk dat de beschikbare democratische procedures ook daadwerkelijk worden gebruikt. Mensenrechten verdedigen betekent niet alleen protesteren. Het betekent ook brieven schrijven, dossiers samenstellen, instellingen aanspreken, juridische mechanismen gebruiken en blijven aankloppen wanneer een eerste deur gesloten blijft.

In 2026 kreeg ik ook een International Human Rights Committee Award. Uiteraard ben ik dankbaar wanneer inzet wordt erkend, maar zo’n onderscheiding verandert voor mij niet waarom ik hiermee bezig ben. Het belangrijkste blijven de mensen achter de dossiers. Een prijs is een moment. Een mensenrechtenprobleem kan voor iemand iedere dag opnieuw werkelijkheid zijn.

Ook juridische actie is voor mij niet nieuw. In 2014 behoorde ik tot de verzoekers die bij het Grondwettelijk Hof de vernietiging vroegen van de Belgische instemmingswet met het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie. De samengevoegde zaken werden behandeld in arrest 62/2016 en de beroepen werden uiteindelijk verworpen. Een juridische procedure verliezen betekent echter niet automatisch dat het verkeerd was om de vraag aan een rechtbank voor te leggen. In een rechtsstaat bestaat net de mogelijkheid om beslissingen juridisch te laten toetsen. Ook dat is democratie.

Wat ik tijdens deze bijeenkomst in Brussel vooral wilde meegeven, is dat mensenrechtenverdediger voor mij geen titel is die je op een visitekaartje zet. Het betekent dat je bereid bent om op te staan wanneer iemand anders nauwelijks gehoord wordt. Het betekent soms ook dat je kritiek krijgt, dat je weinig begrip ontmoet of dat procedures jarenlang aanslepen. Maar als niemand vragen stelt, niemand informatie opvraagt en niemand instellingen ter verantwoording probeert te roepen, verliezen rechten langzaam hun betekenis.

Daarom blijf ik dit doen. Als journalist, als voorzitter van Postversa, als burger en vooral als mens. Ik hoef het niet altijd eens te zijn met iemand om zijn fundamentele rechten te verdedigen. Mensenrechten zijn er net voor iedereen, ook voor mensen met wie we fundamenteel van mening verschillen. Dat is voor mij misschien wel de belangrijkste boodschap die ik op 24 september in Brussel heb proberen mee te geven.

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)