Van vooroordelen naar verboden kernzones: Jiří Mánek filmt China’s immense natuurbeleid

24 september 2026

De Tsjechische natuurwetenschapper, bosbouwkundige en documentairemaker Jiří Mánek reisde sinds 2023 twaalf keer naar China, bezocht alle vijf nationale parken uit de eerste officiële groep en kreeg bijzondere toestemming om streng beschermde kernzones te betreden die voor gewone bezoekers gesloten blijven. Wat begon als een professionele studiereis over bosbouw en klimaatbeleid groeide uit tot een vijfdelige documentairereeks, een jarenlange samenwerking met Chinese mediaproducenten en een persoonlijke opdracht om Europese kijkers een weinig getoond deel van China te laten zien. Op dinsdag 8 december 2026 wil Mánek zijn beelden naar het Europees Parlement in Brussel brengen.

Een boswachterszoon uit Šumava

Jiří Mánek groeide op in een boswachterswoning in de Tsjechische Šumava. Bossen, bergen, dieren en weersomstandigheden vormden er geen decor voor vrije tijd, maar maakten deel uit van het dagelijkse bestaan. Zijn loopbaan begon in de wetenschap. Ongeveer twaalf jaar werkte hij rond populatiegenetica van bosbomen, in het bijzonder naaldbomen, en richtte hij een eigen genetisch laboratorium op. Later verschoof zijn werk naar natuurbeheer, openbaar bestuur, toerisme en internationale samenwerking. Hij coördineerde het UNESCO-biosfeerreservaat Šumava en werd directeur van het Nationaal Park Šumava. Voor zijn werk ontving hij ook een Tsjechische staatsonderscheiding. Doorheen zijn loopbaan bezocht hij naar eigen zeggen ongeveer 130 nationale parken op alle continenten. Toch werd China het land waarop hij zich uiteindelijk wilde concentreren. De schaal van de beschermde gebieden, de snelle uitbouw van monitoringsystemen en de grote verschillen tussen de landschappen dwongen hem zijn vertrouwde Europese referentiekader opnieuw te onderzoeken.

De reis die zijn beeld van China wijzigde

Máneks eerste bezoek aan China vond plaats in 2023. Hij nam samen met ongeveer veertig deskundigen uit elf landen deel aan een professioneel programma van circa twintig dagen over bosbouw, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling. De reis liep door het gebied tussen Beijing en Xi’an en bracht hem bij Chinese bosbouwinstellingen, opleidingscentra, kwekerijen, herstelprojecten en terreinbezoeken. Hij vertrok met een reeks Europese voorstellingen over historische ontbossing, verwoestijning, houtkap en China’s hoge uitstoot. Hij kwam terug met nieuwe vragen over de omvang van de Chinese herbebossing, de technische capaciteit van de sector en de oprichting van een nieuw stelsel van nationale parken. Zijn kijk werd niet gewijzigd door één lezing of één officieel gesprek. Het waren de terreinbezoeken, de ontmoetingen met Chinese professionals en de enorme schaal van bepaalde projecten die hem aanzetten tot verder onderzoek. Na zijn terugkeer begon hij wetenschappelijke bijdragen, Chinese wetgeving, beleidsdocumenten en beheerplannen te bestuderen. Hij publiceerde artikelen over bosbouw, natuurbeheer en nationale parken en keerde telkens opnieuw naar China terug. In september 2026 stond de teller op twaalf reizen.

De groene muur en de harde vraag achter de cijfers

Zijn eerste artikelen richtten zich op de spectaculaire stijging van de Chinese bosoppervlakte. China beschikte volgens de toen gebruikte nationale gegevens over ongeveer 220 miljoen hectare bos, goed voor circa 23 procent van het grondgebied. Over een periode van ongeveer drie decennia zou de beboste oppervlakte met ongeveer 105 miljoen hectare zijn gestegen. Mánek waarschuwde tegelijk voor al te eenvoudige vergelijkingen met Europese bossen. Chinese statistieken omvatten onder andere boombossen, bamboebossen en struikvegetatie. Grote oppervlakten bestaan uit jonge aanplantingen of begroeiing die onder moeilijke ecologische omstandigheden werd aangelegd. Het gemiddelde houtvolume per hectare lag daardoor aanzienlijk lager dan in Tsjechische bossen. Voor een bosbouwkundige is het aantal geplante bomen slechts een eerste gegeven. De beslissende vraag is of daar na tientallen jaren soortenrijke, weerbare en ecologisch functionerende bossen uit groeien. Monoculturen, droogte, brandgevaar, plagen, ongeschikte boomsoorten en mislukte aanplantingen blijven reële problemen. Mánek beschrijft China’s herbebossing daarom als een prestatie van uitzonderlijke omvang, maar niet als een automatisch bewijs van duurzaam bosbeheer. De volgende opdracht is kwaliteit: wetenschappelijk onderbouwde soortenkeuze, lange opvolging, herstel van bodem en waterhuishouding en professioneel beheer over verschillende generaties.

Saihanba als bewijs van geduld en correctie

Een locatie die een blijvende indruk op hem maakte, is de staatsbosboerderij Saihanba in de provincie Hebei, ten noorden van Beijing. Het gebied beslaat ongeveer 90.000 tot 93.000 hectare en was in het begin van de jaren zestig zwaar aangetast door zand, wind en degradatie. De eerste bosarbeiders begonnen er onder bijzonder moeilijke omstandigheden, met weinig infrastructuur en eenvoudige werktuigen. In de daaropvolgende decennia nam de bosbedekking volgens de aangeleverde gegevens toe van ongeveer 12 procent tot ruim 80 procent. De houtvoorraad steeg van circa 330.000 kubieke meter naar ongeveer 11 miljoen kubieke meter. Tegenwoordig worden satellieten, drones, infraroodcamera’s en digitale bewaking ingezet. Voor Mánek zit de belangrijkste les niet alleen in die cijfers. Saihanba toont dat grootschalig landschapsherstel geen eenmalige plantactie is. Het vraagt tientallen jaren werk, wetenschappelijke bijsturing, herstel na fouten en opeenvolgende generaties medewerkers. Het gebied helpt wind en zand afremmen, beschermt water, slaat koolstof op en ondersteunt economische activiteiten zoals bosbouw en toerisme. Tegelijk kan één geslaagd project niet worden gebruikt om elke Chinese aanplanting als geslaagd te beschouwen. Juist de lange leercurve van Saihanba maakt het verhaal waardevol.

Vijf nationale parken op een nauwelijks voorstelbare schaal

China richtte in 2021 zijn eerste officiële groep van vijf nationale parken op: Sanjiangyuan National Park, Giant Panda National Park, Northeast China Tiger and Leopard National Park, Wuyishan National Park en Hainan Tropical Rainforest National Park. Samen beslaan ze ongeveer 230.000 vierkante kilometer. Volgens Chinese overheidsgegevens beschermen ze leefgebieden van bijna 30 procent van de belangrijkste wilde landdiersoorten van het land. Het ruimere nationale plan identificeerde 49 kandidaatgebieden met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 1,1 miljoen vierkante kilometer. Mánek zag daarin een natuurbeleidsproject dat in Europa nauwelijks bekend was. Hij wilde niet vanop afstand schrijven over gebieden die hij nooit zelf had betreden. Hij wilde spreken met rangers, onderzoekers, bestuurders en bewoners, de zonering bekijken, de werking van meetapparatuur leren kennen en de beleidsdoelen vergelijken met wat ter plaatse zichtbaar was. Vanuit dat voornemen ontstond het plan voor vijf documentaires, telkens gewijd aan één nationaal park.

Geen onafhankelijke soloproductie

De films zijn het resultaat van een Tsjechisch-Chinese samenwerking. Mánek bedacht het concept, werd presentator en werkte mee aan de thema’s, vragen, terreinprogramma’s en teksten. De professionele opnamen en montage werden uitgevoerd met het Tsjechischtalige team van China Media Group en China Radio International. Chinese bosbouwinstellingen, parkbesturen en andere overheidsinstanties hielpen bij toegang en organisatie. Zijn collega Fan Ziyi trad op als tolk en veldcoördinator. Mánek maakt van die institutionele context geen geheim. Zonder een erkende Chinese mediapartner was toegang tot de streng bewaakte kerngebieden volgens hem vrijwel onhaalbaar geweest. Die samenwerking opende deuren, maar roept tegelijk journalistiek relevante vragen op over toegang, selectie en redactionele ruimte. Mánek omschrijft het project daarom uitdrukkelijk als een gezamenlijke documentaireproductie en niet als een volledig onafhankelijke buitenlandse filmexpeditie. Hij stelt dat zijn eigen professionele inbreng bestond uit kritische vragen, Europese vergelijkingen en aandacht voor concrete beheerpraktijken. Kijkers moeten tegelijk weten binnen welk productie- en toegangskader de beelden werden gemaakt.

Toestemming terwijl het vliegtuig bijna vertrok

De opnamen vergden langdurige onderhandelingen met nationale, provinciale en lokale instellingen, parkbesturen en wetenschappelijke organisaties. Voor Sanjiangyuan bleef de beslissende toelating volgens Mánek onzeker terwijl de ploeg de reis al aanvatte en aan boord van het vliegtuig ging. Voor Hainan werd een oorspronkelijke afspraak over toegang tot Bawangling, het cruciale leefgebied van de ernstig bedreigde Hainangibbon, vlak voor de opnamen gewijzigd of ingetrokken. Een groot deel van de organisatie moest onmiddellijk opnieuw gebeuren. Uiteindelijk kreeg de ploeg toegang en kon er worden gefilmd. Met bijzondere vergunningen betrad Mánek kernzones in alle vijf parken. Tsjechische en Chinese projectmaterialen omschrijven hem als de eerste Europeaan die dit in de vijf gebieden kon doen. Die formulering verdient een voorzichtige behandeling zolang geen onafhankelijk internationaal register bestaat waarmee zo’n primeur sluitend kan worden bewezen. Vast staat wel dat zijn toegang uitzonderlijk was en dat gewone reizigers veel van deze locaties niet mogen betreden.

Sanjiangyuan liet het Europese referentiekader verdwijnen

Sanjiangyuan ligt op het Tibetaanse Plateau en beslaat ongeveer 190.700 vierkante kilometer, circa 2,4 keer de oppervlakte van Tsjechië. Het park beschermt de brongebieden van de Yangtze, de Gele Rivier en de Lancang-Mekong. De bescherming van graslanden, hooggelegen wetlands, gletsjers en rivierbronnen heeft daardoor gevolgen tot ver buiten de parkgrenzen. Mánek werkte er op ongeveer 4.500 meter hoogte. Zijn gemeten zuurstofsaturatie zakte op een bepaald moment tot circa 89 procent. Koude, ijle lucht, lange verplaatsingen en fysieke uitputting maakten zelfs eenvoudige handelingen zwaar. In dit gebied leven onder andere Tibetaanse antilopen, wilde jaks en sneeuwluipaarden. Ook herdersfamilies wonen en werken er al generaties. Natuurbeheer gaat er dus tegelijk over begrazing, nederzettingen, inkomen, water, klimaat, toezicht en de inzet van lokale rangers. Voor Mánek was Sanjiangyuan de zwaarste opnameplek. Het was ook het gebied dat hem het sterkst confronteerde met menselijke nietigheid. Een park met de oppervlakte van verschillende Europese regio’s kan niet worden beheerd met louter controle vanuit kantoren. Het vraagt mensen die verspreid over het terrein werken en veranderingen dag na dag waarnemen.

Waar tijgers, dorpen en landsgrenzen samenkomen

Northeast China Tiger and Leopard National Park ligt in de provincies Jilin en Heilongjiang, nabij Rusland en Noord-Korea. Het beschermt ongeveer 14.000 vierkante kilometer gematigd bos en behoort tot de belangrijkste leefgebieden voor het herstel van de Amoertijger en de Amoerpanter. Mánek filmde er bij temperaturen tussen min 15 en min 20 graden Celsius. Het gebied gebruikt een uitgebreid netwerk van camera’s, infraroodsensoren en digitale systemen om roofdieren over grote afstanden te volgen. Achter de technologische indruk schuilt een moeilijker verhaal. Mensen wonen dicht bij bossen waarin tijgers, panters, beren, wolven en lynxen leven. Roofdieren kunnen vee of honden doden en beïnvloeden het dagelijkse gedrag van bewoners. Sommige bewoners ervaren de aanwezigheid van tijgers toch als een bron van regionale trots. Biologisch herstel is daarom slechts één deel van het beleid. Vergoeding van schade, betrouwbaar toezicht, lokale werkgelegenheid en maatschappelijk draagvlak bepalen of samenleven op lange termijn haalbaar blijft. De vergelijking met Europese conflicten rond wolven ligt voor de hand, al waarschuwt Mánek dat het Chinese model niet rechtstreeks naar Europa kan worden overgebracht.

De panda is slechts de ingang van een groter verhaal

Giant Panda National Park strekt zich uit over Sichuan, Gansu en Shaanxi en brengt voorheen versnipperde leefgebieden onder een groter beschermingskader. De reuzenpanda krijgt vanzelf de publieke aandacht, maar de documentaire kijkt ook naar bergbossen, ecologische doorgangen, bamboehabitat, goudstompneusapen, takins, wetenschappelijk onderzoek en het werk van rangers. De centrale vraag is of verspreide populaties opnieuw voldoende ruimte en onderlinge doorgangen krijgen. Eén charismatisch dier kan internationale belangstelling wekken, maar duurzame bescherming vereist intacte ecosystemen, beperking van versnippering en jarenlange monitoring. Mánek gebruikt de panda daarom als toegang tot een breder verhaal over habitat en beheer.

Wuyishan werd zijn tweede thuis

Als Mánek één park moet kiezen, noemt hij Wuyishan. Het gebied in Fujian en Jiangxi beslaat ongeveer 1.280 vierkante kilometer en is het kleinste van de eerste vijf nationale parken, maar bezit uitzonderlijke natuurlijke en culturele waarden. UNESCO erkent het Wuyi-gebergte zowel om zijn natuur als om zijn cultuurgeschiedenis. Subtropische bossen, Danxia-rotsformaties, oude nederzettingen, filosofische tradities en eeuwenoude theecultuur liggen er naast elkaar. Mánek keerde er herhaaldelijk terug, bouwde er vriendschappen op en raakte geboeid door de plaats van thee in het landschap. Da Hong Pao en andere rotstheeën zijn er geen losstaand landbouwproduct, maar onderdeel van de regionale identiteit. Wuyishan stelt daardoor een fundamentele vraag: beschermt een nationaal park alleen ecosystemen of ook historische vormen van landgebruik, kennis en cultuur? Voor Europese reizigers noemt Mánek Wuyishan de toegankelijkste kennismaking met China’s natuurlijke erfgoed. Het gebied biedt wandelmogelijkheden, biodiversiteit, geschiedenis en theecultuur zonder de extreme hoogte en logistieke eisen van Sanjiangyuan.

Hainan is veel groter dan het strandbeeld

Hainan wordt internationaal vaak voorgesteld als een eiland van stranden en resorts. In het bergachtige binnenland ligt echter Hainan Tropical Rainforest National Park, een beschermd gebied van ongeveer 4.269 vierkante kilometer. Het omvat voormalige natuurreservaten, bosparken en staatsbosbedrijven en beschermt het belangrijkste tropische regenwoud van China. De Hainangibbon speelt er een centrale rol. Deze primaat behoort tot de zeldzaamste ter wereld en leeft alleen nog in een klein deel van het regenwoud. Zijn voortbestaan hangt daardoor af van de bescherming van een veel ruimer ecosysteem. Het park herbergt duizenden plantensoorten, palmen, boomvarens, epifyten en talrijke endemische soorten. In het binnenland leven ook Li- en Miao-bevolkingsgroepen met eigen historische relaties tot het gebied. Natuurbeleid raakt er dus rechtstreeks aan cultuur, grondgebruik, inkomen en menselijke aanwezigheid. De documentaire wil tonen dat Hainan ecologisch veel rijker is dan het kusttoerisme doet vermoeden.

Rangers en bewoners dragen kennis die geen camera vervangt

Mánek beschouwt rangers, wetenschappers en plaatselijke bewoners als belangrijker dan zijn eigen optreden voor de camera. Een lokale ranger ziet sporen die voor bezoekers onzichtbaar blijven. Een herder op het Tibetaanse Plateau kent veranderingen in water, weerspatronen en diergedrag uit tientallen jaren ervaring. Een wetenschapper voegt metingen, toetsing en langetermijngegevens toe. Volgens Mánek mag praktische terreinkennis wetenschappelijk onderzoek niet vervangen, maar kan wetenschap evenmin losstaan van mensen die iedere dag in het landschap leven. Tijdens latere opnamen in Hunan werkte hij met hydrobiologen die Chinese reuzensalamanders onderzoeken. Onder begeleiding van specialisten mocht hij zo’n dier voorzichtig vasthouden. Die ontmoeting maakte tastbaar wat biodiversiteit betekent: geen abstracte beleidsformule, maar een levende evolutionaire lijn van tientallen miljoenen jaren.

Bescherming brengt kansen en beperkingen

De oprichting van nationale parken kan bewoners werk bezorgen als ranger, onderzoeker, gids of dienstverlener. Ecologische compensaties en gereguleerd toerisme kunnen nieuwe inkomsten opleveren. Daartegenover staan beperkingen op bouwen, grondstoffenwinning, begrazing en toegang. Niet ieder gezin wint in dezelfde mate en niet elk park kent dezelfde sociale omstandigheden. Mánek verzet zich daarom tegen een uitsluitend positief verhaal. Camera’s, satellieten en sensoren kunnen dieren volgen, maar lossen conflicten over grond, inkomen en toegang niet op. Toerisme kan steun en inkomsten genereren, maar alleen wanneer ecologische grenzen de bezoekersgroei bepalen. Kernzones moeten gesloten kunnen blijven, terwijl recreatie wordt geconcentreerd in gebieden die de druk aankunnen.

Chinese vooruitgang wist eerdere milieuschade niet uit

China investeert omvangrijke politieke, financiële en technische middelen in herbebossing, ecologisch herstel, nationale parken en biodiversiteitsonderzoek. Tegelijk draagt het land zware milieulasten uit decennia van industriële groei, infrastructuurbouw en intensief grondgebruik. Habitatversnippering, toeristische druk, klimaatverandering en botsende economische belangen blijven bestaan. Mánek wil beide werkelijkheden naast elkaar plaatsen. China is niet alleen een grote vervuiler en evenmin een foutloos voorbeeld van natuurbeheer. Het is een land waar zeer grote milieuproblemen en zeer grote beschermingsprogramma’s tegelijk bestaan. De resultaten moeten volgens hem uiteindelijk worden beoordeeld aan de hand van wetenschappelijke gegevens, ecologische uitkomsten en effecten op bewoners, niet alleen op basis van aangeplante hectares, aantallen camera’s of officiële ambities.

Een presentatie in het Europees Parlement

De documentaireselectie is gepland voor dinsdag 8 december 2026 in het Europees Parlement in Brussel. Een werktitel luidt in het Engels “China’s New National Parks: A Rare European Insight into the Largest Conservation Transformation of Our Time”, maar de officiële titel is nog niet goedgekeurd. De bedoeling is geen vertoning van vijf integrale films na elkaar, maar een samengestelde selectie waarin de vijf ecosystemen en beheervragen naast elkaar worden geplaatst. Aansluitend wordt een gesprek met het publiek voorzien. De organisatie richt zich op Europese instellingen, diplomatieke vertegenwoordigers, onderzoekers, milieuorganisaties en media. Uitgenodigde personen mogen echter niet als aanwezigen worden voorgesteld zolang zij niet hebben bevestigd. Ook de zaal, aanvangstijd, duur, registratie en toegangsregels blijven hangende. Belangstellenden mogen dus niet uitgaan van vrije toegang of zonder voorafgaande bevestiging naar Brussel reizen.

Van Praag naar Brussel

Een belangrijke Tsjechische première vond plaats op 20 november 2025 in de ambassade van de Volksrepubliek China in Praag. Daar waren bijna zeventig gasten uit diplomatieke, politieke, academische, ecologische en mediakringen aanwezig. In september 2026 volgde in Beijing een vertoning in verband met een Tsjechische bosbouwdelegatie. Onderdelen van de reeks verschenen via kanalen van China Media Group en China Radio International. Voor Brussel wordt gewerkt aan een versie die toegankelijk is voor een internationaal Engelstalig publiek. De definitieve ondertiteling en vertoningskopie moeten nog worden bevestigd.

Geen oproep om China blind te volgen

Mánek wil Europese beleidsmakers niet overtuigen dat China foutloos handelt of dat Europese landen het Chinese model moeten overnemen. Europa heeft ervaring met wetgeving, inspraak, grensoverschrijdende natuurgebieden, langetermijnonderzoek en beheer in dichtbevolkte cultuurlandschappen. China toont wat mogelijk wordt wanneer grote middelen, digitale bewaking en snelle uitvoering op enorme schaal worden ingezet. Beide kanten kunnen leren, maar geen enkel model kan mechanisch worden gekopieerd. Technologie moet passen binnen wetgeving, eigendomsstructuren en democratisch bestuur. Europese expertise rond transparantie en publieke betrokkenheid kan voor China relevant zijn. Chinese ervaring met terreinmonitoring, ecologisch herstel en lokale rangerbanen kan Europese beheerders dan weer aan het denken zetten.

Een filmmaker met verantwoordelijkheid

Mánek erkent dat wie een ander land toont, zorgvuldig onderscheid moet maken tussen persoonlijke waarneming, uitspraken van instellingen en wetenschappelijk bewezen conclusies. Eén gesprek mag niet worden opgevoerd als bewijs voor heel China. Bewoners mogen geen decor worden. Spectaculaire beelden van panda’s, tijgers en bergen moeten plaatsmaken voor uitleg over wetgeving, grondgebruik, beheer en sociale gevolgen. De documentairemaker wil kijkers niet voorschrijven wat zij over China moeten denken. Hij wil voldoende informatie aanreiken om stereotypen te toetsen. Dat vraagt ook openheid over de rol van China Media Group, de toestemming van parkautoriteiten en de beperkingen die bij opnamen in beschermde kernzones horen.

Nog tien jaar China

Na de oorspronkelijke vijf films volgden al opnamen in Hunan, onder andere in Zhangjiajie, bij bergdorpen en Huayao-bewoners. Mánek reisde ook door Yunnan, Dali, Lijiang, Xishuangbanna, Huangshan, Binnen-Mongolië en het Qinlinggebergte. Voor toekomstige films kijkt hij naar Xinjiang, Gansu, het Tibetaanse Plateau en kandidaatgebieden voor nieuwe nationale parken. Zijn droom is om in een periode van tien jaar minstens veertig mogelijke nationale parkgebieden te documenteren vóór en tijdens hun verdere ontwikkeling. Daarmee zou een langdurig beeldarchief ontstaan van natuurbeleid, wetenschappelijk werk en veranderingen in het leven van bewoners. Na twaalf reizen noemt hij zijn kennis van China nog altijd een begin.

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)