OPINIE | Bijna 250 jaar strijd voor gelijke rechten, maar hoeveel is een mens vandaag werkelijk waard? De EDC Fan Dag in Diksmuide legt de pijnlijke afstand bloot tussen menselijke waardigheid op papier en gelijkwaardigheid in het echte leven

Door Andy Vermaut – hoofdredacteur van indegazette.be en lid van de raad van bestuur van de Europese Beweging België

Diksmuide, 17 oktober 2026 – Hoeveel is een mens waard? Het lijkt een eenvoudige vraag, maar achter die enkele woorden schuilt een van de meest fundamentele vraagstukken van onze samenleving. Is een mens zoveel waard als hij verdient, zoveel als hij bezit, zoveel als hij economisch bijdraagt of zoveel als hij zelfstandig kan functioneren? Verliest iemand aan waarde wanneer hij niet kan stappen, niet goed kan horen, moeilijk communiceert, afhankelijk is van ondersteuning of door armoede geen toegang krijgt tot dezelfde mogelijkheden als anderen? Op de EDC Fan Dag in Dienstencentrum Ten Patershove in Diksmuide werd duidelijk waarom dergelijke vragen geen abstracte filosofische oefeningen zijn. Achter elke ontoegankelijke deur, elke onbegrijpelijke administratieve procedure, elke onvoldoende aangepaste dienstverlening en elke financiële drempel bevindt zich een mens die gewoon wil deelnemen aan het leven. Op de Internationale Dag voor de Uitroeiing van Armoede brachten de Europese Beweging België en EDC Fan Belgium mensen samen die vanuit heel verschillende achtergronden dezelfde fundamentele boodschap uitdragen: menselijke waardigheid mag nooit afhankelijk worden gemaakt van gezondheid, inkomen, afkomst, leeftijd, maatschappelijke positie of de mate waarin iemand hulp nodig heeft. De bijeenkomst liet tegelijk zien hoe groot de kloof blijft tussen de rechten die Europa plechtig verkondigt en de dagelijkse werkelijkheid van mensen die nog altijd moeten vechten om die rechten daadwerkelijk te kunnen uitoefenen. De centrale vraag is daarom niet langer alleen hoeveel rechten onze samenleving op papier erkent, maar hoeveel mensen er werkelijk gebruik van kunnen maken.

Een conferentie die veel verder reikte dan de muren van Ten Patershove

Wie het belang van een maatschappelijke bijeenkomst uitsluitend afmeet aan het aantal aanwezigen in een zaal, kijkt naar slechts een klein deel van haar mogelijke betekenis. De EDC Fan Dag in Diksmuide vormde daarvan een bijzonder voorbeeld. Nog voordat de eerste spreker het woord nam, hadden volgens de cijfers die tijdens de bijeenkomst werden meegedeeld ruim 55 politici, vertegenwoordigers van organisaties en andere betrokkenen een bijdrage geleverd of hun steun kenbaar gemaakt. Onder hen bevonden zich Europarlementsleden, nationale en regionale parlementsleden, ministers, Europese beleidsverantwoordelijken, maatschappelijke organisaties en mensen die zich op uiteenlopende manieren inzetten voor toegankelijkheid en inclusie. Op indegazette.be verschenen in de aanloop naar het evenement ongeveer 55 publicaties over deze boodschappen en steunbetuigingen. Volgens de tijdens de slottoespraak genoemde cijfers had de berichtgeving over de conferentie samen al ongeveer 100.000 mensen bereikt. Die cijfers verdienen aandacht, niet omdat onlinebereik op zichzelf een maatschappelijke overwinning betekent, maar omdat zij tonen dat de problematiek veel meer mensen aanspreekt dan wie op een zaterdagmiddag fysiek naar Diksmuide kon komen. Niet iedereen heeft immers de mogelijkheid zich te verplaatsen, een bijeenkomst bij te wonen of zelf het woord te nemen. Digitale communicatie kan daarom een belangrijke aanvullende toegangspoort tot het publieke debat vormen, zolang we niet vergeten dat ook digitale toegankelijkheid haar eigen uitdagingen kent. De grote zichtbaarheid van de EDC Fan Dag is vooral betekenisvol wanneer zij uiteindelijk leidt tot meer begrip, nieuwe contacten, betere beleidskeuzes en concrete veranderingen in het dagelijkse leven.

Pieter Paul Moens bewijst dat maatschappelijke verandering niet uitsluitend uit politieke instellingen komt

Een bijzondere plaats in dit verhaal komt toe aan Pieter Paul Moens, die zich met EDC Fan Belgium inzet voor de bekendheid en het gebruik van de European Disability Card. Hij behoort tot de mensen die blijven aankloppen, vragen stellen, berichten delen en politieke verantwoordelijken aanspreken, ook wanneer antwoorden uitblijven of procedures bijzonder moeizaam verlopen. Zijn Facebookpagina rond de European Disability Card telt volgens de tijdens de bijeenkomst meegedeelde cijfers ongeveer 32.000 volgers. Door de publicaties over de EDC Fan Dag op zijn persoonlijke profiel en via zijn EDC-kanalen te verspreiden, hielp hij de boodschap aanzienlijk verder dragen. Ook de Europese Beweging België verspreidde bijdragen via haar communicatiekanalen en verschillende lokale groepen. Die samenwerking illustreert een belangrijk beginsel: maatschappelijke verandering ontstaat zelden doordat één persoon op één plaats een toespraak houdt. Zij ontstaat wanneer mensen bereid zijn kennis, ervaringen, netwerken en engagement samen te brengen. Pieter Paul Moens verdient erkenning omdat zijn inzet laat zien dat Europees burgerschap niet uitsluitend wordt vormgegeven in vergaderzalen van de Europese Commissie of het Europees Parlement. Het krijgt evenzeer betekenis in Lebbeke, Diksmuide en alle andere gemeenten waar burgers weigeren zich neer te leggen bij uitsluiting. Het is gemakkelijk om in politieke verklaringen te schrijven dat iedereen meetelt. Het is veel moeilijker om dag na dag te blijven werken aan de omstandigheden waarin iedereen ook werkelijk kan deelnemen.

Wat zegt het over onze samenleving wanneer wij de waarde van mensen blijven afmeten aan hun mogelijkheden?

Er schuilt een hardnekkige tegenstrijdigheid in de manier waarop moderne samenlevingen over menselijke waardigheid spreken. In beginsel verklaren vrijwel alle democratische instellingen dat ieder mens gelijkwaardig is. In de praktijk worden mensen voortdurend beoordeeld op hun productiviteit, zelfredzaamheid, opleidingsniveau, inkomen, lichamelijke mogelijkheden en vermogen om zich aan bestaande systemen aan te passen. Wie snel werkt, zelfstandig reist en zonder problemen administratieve procedures doorloopt, ondervindt dikwijls nauwelijks welke obstakels anderen dagelijks tegenkomen. Voor iemand met een mobiliteitsbeperking kan een trap echter bepalen of een gebouw toegankelijk is. Voor iemand met autisme kan een onduidelijke mededeling het verschil betekenen tussen een voorspelbare situatie en overweldigende onzekerheid. Voor iemand die doof is, kan het ontbreken van aangepaste communicatie de toegang tot essentiële informatie verhinderen. Voor iemand in armoede kan de prijs van vervoer bepalen of een medische afspraak überhaupt haalbaar is. Die voorbeelden maken duidelijk dat menselijke waardigheid niet uitsluitend wordt bedreigd door openlijke discriminatie. Zij kan ook worden uitgehold door systemen die onvoldoende rekening houden met verschillen tussen mensen. Wanneer een samenleving iedereen op dezelfde manier behandelt zonder rekening te houden met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften, ontstaat niet noodzakelijk gelijkheid. Soms wordt precies daardoor bestaande ongelijkheid bestendigd.

Van de Franse Revolutie tot vandaag: bijna tweeënhalve eeuw strijd tegen uitsluiting

De geschiedenis van de mensenrechten laat zien dat gelijkwaardigheid nooit vanzelfsprekend tot stand is gekomen. De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger uit 1789, ontstaan tijdens de Franse Revolutie, formuleerde het beginsel dat mensen vrij en gelijk in rechten worden geboren en blijven. Dat was een ingrijpende gedachte in een samenleving waarin afkomst, standen en privileges lange tijd bepaalden welke rechten iemand kon uitoefenen. Tegelijk moeten we erkennen dat die historische beginselverklaring nog lang niet betekende dat iedereen daadwerkelijk dezelfde rechten genoot. De geschiedenis daarna werd gekenmerkt door nieuwe emancipatiebewegingen, sociale strijd, uitbreiding van politieke rechten en voortdurende discussies over wie als volwaardig lid van de samenleving werd erkend. Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan. Daarmee kreeg het beginsel van de inherente waardigheid van ieder mens een internationale formulering die tot vandaag een moreel en juridisch referentiepunt vormt. De geschiedenis leert echter ook dat verklaringen alleen niet volstaan. Telkens opnieuw waren mensen nodig die de afstand tussen verheven beginselen en concrete maatschappelijke omstandigheden zichtbaar maakten. Dat geldt voor de strijd tegen racisme, voor vrouwenrechten, voor sociale grondrechten en evenzeer voor de rechten van personen met een beperking. Bijna tweeënhalve eeuw na 1789 moeten we nog altijd dezelfde fundamentele vraag stellen: wanneer worden de rechten die wij zo vanzelfsprekend vinden eindelijk vanzelfsprekend in het dagelijkse leven van iedereen?

Het VN-verdrag van 2006 veranderde het uitgangspunt, maar niet onmiddellijk de werkelijkheid

Een bijzonder belangrijke mijlpaal was de aanneming van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in 2006. Dat verdrag vertrekt vanuit de erkenning dat personen met een beperking volwaardige houders van mensenrechten zijn en dat overheden maatregelen moeten nemen om de daadwerkelijke uitoefening van die rechten te verzekeren. Het uitgangspunt verschilt fundamenteel van een benadering waarin mensen met een beperking hoofdzakelijk worden beschouwd als ontvangers van zorg of liefdadigheid. Het gaat niet om de vraag hoeveel medelijden een samenleving kan opbrengen, maar om de vraag in welke mate zij haar instellingen, dienstverlening en publieke ruimte zo organiseert dat iedereen kan deelnemen. Het verdrag vestigt onder meer aandacht op toegankelijkheid, zelfstandig leven, onderwijs, arbeid, gezondheid, mobiliteit en maatschappelijke participatie. Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid: niet iedere hindernis moet door het individu worden overwonnen, ook de samenleving moet de obstakels onderzoeken en wegnemen die deelname verhinderen. Toch blijft de uitvoering moeilijk. Een recht op toegankelijkheid betekent weinig wanneer gebouwen ontoegankelijk blijven. Het recht op onderwijs verliest betekenis wanneer noodzakelijke ondersteuning ontbreekt. Het recht op maatschappelijke participatie wordt uitgehold wanneer mensen voortdurend afhankelijk blijven van uitzonderingen, ingewikkelde aanvragen of individuele goodwill. Precies daarom moet de uitvoering van het VN-verdrag een voortdurend aandachtspunt blijven voor lokale, regionale, nationale en Europese beleidsverantwoordelijken.

De European Disability Card mag geen mooie Europese belofte zonder praktische gevolgen worden

De Europese richtlijnen van 2024 betreffende de European Disability Card en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap vormen een volgende stap in de ontwikkeling van Europese rechten. De bedoeling is de erkenning van de handicapstatus en de toegang tot bepaalde voorwaarden en faciliteiten bij kortdurende verblijven in andere lidstaten te vergemakkelijken. De Europese wetgeving voorziet daarbij in een gefaseerde invoering, met 2028 als belangrijk moment voor de daadwerkelijke toepassing. Dat vooruitzicht biedt mogelijkheden, maar mag niet worden verward met de oplossing van alle bestaande toegankelijkheidsproblemen. De European Disability Card verandert op zichzelf immers geen trap in een helling, maakt een ontoegankelijke trein niet automatisch toegankelijk en verzekert niet dat iedere medewerker van een publieke dienst precies weet welke betekenis de kaart heeft. Evenmin vervangt zij het nationale beleid inzake zorg, sociale bescherming of inkomensondersteuning. Daarom is de vraag van Pieter Paul Moens en andere pleitbezorgers van de kaart zo belangrijk: wat betekent Europese erkenning wanneer de persoon die de kaart gebruikt nog altijd geconfronteerd wordt met onbegrip, ontbrekende informatie of ontoegankelijke voorzieningen? De waarde van de European Disability Card zal uiteindelijk niet uitsluitend worden bepaald door het aantal uitgegeven kaarten, maar vooral door de mate waarin mensen dankzij die kaart daadwerkelijk gemakkelijker kunnen deelnemen aan activiteiten en gebruik kunnen maken van de faciliteiten waarvoor zij in aanmerking komen.

Sophie in ’t Veld en de betekenis van Europa buiten Brussel en Straatsburg

Een van de betekenisvolle boodschappen voor de EDC Fan Dag kwam van voormalig Europarlementslid Sophie in ’t Veld. Zij verwees naar haar langdurige betrokkenheid bij de Europese besluitvorming en onderstreepte het belang van mensen zoals Pieter Paul Moens, die buiten de grote politieke instellingen dagelijks bijdragen aan de Europese samenleving. Dat verdient een bredere reflectie. Europa wordt vaak voorgesteld als een ingewikkeld geheel van verdragen, instellingen, richtlijnen, commissies en onderhandelingen. Voor veel burgers lijkt de afstand tot die instellingen bijzonder groot. Toch krijgen Europese waarden pas betekenis wanneer burgers ze herkennen in hun eigen leven. Een Europese Unie die gelijkwaardigheid, solidariteit en menselijke waardigheid verdedigt, kan zich niet beperken tot institutionele taal. Zij moet luisteren naar burgers die vertellen hoe beleid in de praktijk uitwerkt. Mensen zoals Pieter Paul Moens vervullen daarbij een belangrijke democratische functie: zij verbinden ervaringen van gewone burgers met de politieke verantwoordelijken die regelgeving voorbereiden, aannemen of uitvoeren. Dat engagement verdient niet alleen woorden van waardering, maar ook een bereidheid om de gesignaleerde problemen daadwerkelijk te onderzoeken.

François De Smet waarschuwt terecht voor rechten die een dode letter blijven

Ook federaal parlementslid François De Smet leverde een bijdrage waarin toegankelijkheid werd verbonden met menselijke waardigheid en volwaardige maatschappelijke participatie. Zijn waarschuwing dat de Europese ambities rond de European Disability Card tegen 2028 geen dode letter mogen blijven, raakt een fundamenteel probleem. Politieke beloften zijn relatief gemakkelijk te formuleren, maar hun uitvoering vraagt middelen, verantwoordelijkheid, opleiding, samenwerking en controle. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen het aankondigen van rechten en het organiseren van de omstandigheden waarin burgers er gebruik van kunnen maken. Die kloof wordt bijzonder zichtbaar wanneer iemand een voorziening wil bezoeken maar niet binnen kan, wanneer een administratieve dienst een kaart niet kent of wanneer de toegang tot ondersteuning ingewikkelder wordt dan de activiteit waarvoor die ondersteuning bedoeld is. België heeft op verschillende terreinen vooruitgang geboekt, maar ook hier blijven problemen bestaan. In andere Europese landen, waaronder landen op de Balkan, kunnen de uitdagingen eveneens aanzienlijk zijn en sterk verschillen naargelang de bestaande voorzieningen en nationale regelgeving. Europese samenwerking moet daarom verder gaan dan wederzijdse erkenning op papier. Zij moet ook aandacht schenken aan informatie, praktische uitvoering en de bereidheid om van elkaars ervaringen te leren.

Wanneer medische zorg afhankelijk wordt van de inhoud van een portemonnee

Een indringende dimensie van de EDC Fan Dag kwam naar voren in de boodschap van arts Inès Tasca uit Morlanwelz. Zij vestigde de aandacht op de omstandigheden waarin mensen noodzakelijke medische zorg moeten afwegen tegen andere dagelijkse uitgaven. Wat gebeurt er wanneer iemand een behandeling uitstelt omdat het beschikbare geld ontoereikend is? Wat betekent toegankelijkheid wanneer iemand wel een medische afspraak kan krijgen, maar zich het vervoer ernaartoe nauwelijks kan veroorloven? Wat gebeurt er met een revalidatietraject wanneer financiële problemen verhinderen dat alle noodzakelijke sessies worden bijgewoond? Deze vragen raken aan de essentie van sociale rechtvaardigheid. Gezondheid en armoede kunnen elkaar immers wederzijds beïnvloeden. Wie gezondheidsproblemen heeft, kan moeilijkheden ondervinden om te werken of voldoende inkomen te verwerven. Wie onvoldoende inkomen heeft, kan op zijn beurt problemen krijgen om zorg tijdig te bereiken. De gevolgen daarvan kunnen zich opstapelen. Daarom is het onvoldoende om toegankelijkheid uitsluitend te begrijpen als de fysieke mogelijkheid om een gebouw binnen te komen. Ook de financiële, organisatorische en sociale voorwaarden bepalen of medische zorg werkelijk bereikbaar is. Een samenleving die verklaart dat gezondheidszorg voor iedereen belangrijk is, moet eveneens bereid zijn de omstandigheden te onderzoeken waarin mensen die zorg toch mislopen.

De persoonlijke geschiedenis achter een politiek engagement

Tijdens de bijeenkomst werd ook verwezen naar de getuigenis van een Waals parlementslid dat opgroeide met een dove grootvader die niet kon lezen of schrijven. Die familiegeschiedenis maakt duidelijk hoe ervaringen binnen de eigen omgeving kunnen uitgroeien tot een engagement voor bredere maatschappelijke verandering. Wie van dichtbij meemaakt dat een familielid onvoldoende toegang heeft tot informatie, communicatie of dienstverlening, begrijpt vaak bijzonder concreet wat uitsluiting betekent. Het gaat dan niet om theoretische categorieën, maar om dagelijkse handelingen die voor anderen vanzelfsprekend lijken. Een brief ontvangen, een boodschap begrijpen, een afspraak regelen of zelfstandig informatie verkrijgen kan voor iemand die met meerdere communicatiebarrières wordt geconfronteerd een grote uitdaging vormen. Zulke ervaringen herinneren ons eraan dat ontoegankelijkheid niet uitsluitend het gevolg is van lichamelijke omstandigheden. Zij ontstaat eveneens wanneer dienstverlening onvoldoende wordt aangepast aan de verschillende manieren waarop mensen informatie verwerken en communiceren. Het is daarom waardevol wanneer persoonlijke ervaringen hun weg vinden naar politieke discussies. Niet omdat individuele verhalen alle antwoorden bevatten, maar omdat zij zichtbaar maken welke vragen in algemene beleidsdocumenten gemakkelijk onderbelicht blijven.

Hans Bruyninckx stelt de vraag die elke beleidsmaker zichzelf zou moeten stellen

De vraag die onderzoeker Hans Bruyninckx naar voren schoof, vormt misschien wel de kern van de volledige EDC Fan Dag: kan iedereen die meetelt ook werkelijk meedoen? Er ligt een wereld van verschil tussen beide begrippen. Meetellen kan betekenen dat iemand officieel erkend wordt, in statistieken voorkomt, onder een beschermende wetgeving valt of op papier aanspraak kan maken op bepaalde rechten. Meedoen betekent dat die persoon ook daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs, werk, cultuur, sport, dienstverlening, politieke participatie en sociale contacten. Het eerste kan met wetgeving worden vastgelegd; het tweede vereist dat die wetgeving wordt omgezet in toegankelijke omstandigheden. Een inwoner kan formeel dezelfde rechten hebben als zijn buurman en toch voortdurend met hindernissen worden geconfronteerd die die buurman niet kent. De vraag van Hans Bruyninckx verplicht ons daarom verder te kijken dan verklaringen, beleidsnota’s en goede bedoelingen. Zij vraagt om een toetsing aan de werkelijkheid. Kunnen mensen zich verplaatsen? Begrijpen zij de informatie die zij ontvangen? Worden zij gehoord wanneer zij een probleem signaleren? Zijn voorzieningen daadwerkelijk bereikbaar en betaalbaar? En wordt er iets ondernomen wanneer het antwoord op die vragen negatief is? Wie inclusie ernstig neemt, moet bereid zijn zulke vragen telkens opnieuw te stellen.

Roberta Metsola, Hadja Lahbib en de verantwoordelijkheid van Europese beleidsmakers

Dat ook Europees Parlementsvoorzitter Roberta Metsola en Europees commissaris Hadja Lahbib bij de steunbetuigingen en correspondentie rond de EDC Fan Dag werden genoemd, gaf de bijeenkomst een duidelijk Europese dimensie. Hun betrokkenheid onderstreept hoe toegankelijkheid en inclusie niet uitsluitend lokale onderwerpen zijn, maar ook raken aan de waarden en beleidsverantwoordelijkheden van de Europese Unie. Toch zou het verkeerd zijn om de aanwezigheid van prominente namen in een overzicht van steunbetuigingen als eindpunt te beschouwen. De werkelijke betekenis ligt in de opvolging die maatschappelijke signalen krijgen. Wanneer inwoners uitleggen dat zij ondanks bestaande rechten nog steeds problemen ondervinden, mag hun verhaal niet verdwijnen zodra een evenement is afgelopen. Het verdient onderzoek en, waar nodig, politieke of administratieve actie. Dat geldt voor de Europese Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten, maar evenzeer voor provincies, steden en gemeenten. Wie menselijke waardigheid als beleidsdoel onderschrijft, moet ook bereid zijn te luisteren wanneer burgers uitleggen waarom die waardigheid in de praktijk onvoldoende wordt beschermd.

Li Andersson, Bruno Tobback en Hilde Vautmans: Europese wetgeving moet voelbaar worden op het terrein

De steun vanuit het Europees Parlement kreeg verder gestalte door bijdragen van onder anderen Li Andersson, voorzitter van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, en de Europarlementsleden Bruno Tobback en Hilde Vautmans. Hun betrokkenheid is relevant omdat de thema’s van de EDC Fan Dag sterk samenhangen met Europees sociaal beleid, gelijke kansen, mobiliteit en de bescherming van fundamentele rechten. In zijn steunbrief vestigde Bruno Tobback onder meer de aandacht op de jarenlange inzet van Pieter Paul Moens en EDC Fan Belgium. Hij benadrukte dat toegankelijkheid en inclusie niet alleen correct in regelgeving moeten worden vastgelegd, maar vooral betekenis moeten krijgen op het terrein. Ook wees hij op het belang van Europese stappen om de erkenning van de kaart vanaf 2028 verder te versterken. Dat onderscheid tussen regelgeving en uitvoering is essentieel. De Europese Unie beschikt over belangrijke instrumenten om gemeenschappelijke normen vast te leggen, maar burgers ervaren die normen uiteindelijk in concrete situaties. Een succesvolle Europese maatregel is niet alleen een richtlijn die tijdig wordt omgezet. Zij moet ook begrijpelijk zijn voor de betrokken gebruikers, bekend zijn bij uitvoerende diensten en daadwerkelijk bijdragen tot het verminderen van obstakels. Daar ligt een gezamenlijke opdracht voor Europese instellingen, nationale overheden en de organisaties die de belangen van gebruikers verdedigen.

Michelle Dooms en de betekenis van lokale politieke erkenning

De bijdrage van Michelle Dooms, schepen in Veurne, herinnerde eraan dat de waarde van maatschappelijk engagement ook op lokaal niveau erkend moet worden. Zij wees erop dat Pieter Paul Moens mensen een stem geeft. Die formulering raakt aan een belangrijk probleem binnen de lokale democratie. Wie zich gemakkelijk kan uitdrukken, beschikt doorgaans over meer mogelijkheden om zijn bezorgdheden kenbaar te maken. Wie moeilijker communiceert, afhankelijk is van ondersteuning of al meerdere teleurstellende ervaringen met diensten achter de rug heeft, kan veel grotere drempels ondervinden om gehoord te worden. Personen die zulke ervaringen verzamelen en vertolken, vervullen daarom een belangrijke brugfunctie. Maar die brugfunctie mag nooit een excuus worden voor lokale besturen om niet rechtstreeks naar betrokken inwoners te luisteren. Integendeel: een toegankelijke gemeente zou zelf moeten zorgen voor begrijpelijke communicatie, laagdrempelige inspraak en een dienstverlening die rekening houdt met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften. Een gemeentebestuur dat werkelijk inclusief wil zijn, wacht niet uitsluitend op klachten. Het onderzoekt ook actief welke inwoners onvoldoende bereikt worden.

G-sport toont hoe een aangepaste voorziening een volledig gezinsleven kan veranderen

Een van de meest concrete voorbeelden kwam uit de zeilwagenwereld, waar Jeffry Steemans aandacht vroeg voor de mogelijkheden van aangepaste sportbeoefening. Het verhaal van een vader die beide benen verloor en dankzij een aangepaste rolstoel opnieuw samen met zijn dochters kon sporten, maakt zichtbaar waarom inclusie zoveel verder reikt dan de toegang tot een afzonderlijke activiteit. Voor die vader gaat het niet uitsluitend om sportprestaties of lichamelijke beweging. Het gaat ook om deelname aan het gezinsleven, om gedeelde ervaringen met zijn kinderen, om zelfstandigheid en om het behoud van mogelijkheden die door ingrijpende levensomstandigheden onder druk kwamen te staan. De betekenis van een aangepaste rolstoel kan daardoor veel groter zijn dan de technische voorziening zelf. Zij kan bijdragen tot het herstellen van mogelijkheden om samen activiteiten te ondernemen. Precies daarom is het verkeerd om toegankelijkheidsmaatregelen uitsluitend als kostenpost te beoordelen. De maatschappelijke opbrengst kan zich manifesteren in zelfstandigheid, verbondenheid, deelname en levenskwaliteit. Het initiatief om verder te werken aan aangepaste sportmogelijkheden, waaronder een nieuwe G-sportdag in De Panne, verdient vanuit dat perspectief bijzondere aandacht. Geen medelijden organiseren, maar mogelijkheden creëren: dat zou het uitgangspunt van elk inclusief sportbeleid moeten zijn.

Stijn Vandamme maakt duidelijk dat inclusie soms met een eenvoudig bordje begint

De tussenkomst van Stijn Vandamme maakte zichtbaar hoe groot de gevolgen kunnen zijn van ogenschijnlijk kleine aanpassingen. Voor iemand met autisme kan duidelijke bewegwijzering, voorspelbare communicatie of een overzichtelijke inrichting van een gebouw het verschil maken tussen zelfstandig kunnen deelnemen en volledig afhankelijk worden van anderen. Een bordje in een gang lijkt voor veel mensen een vanzelfsprekend of zelfs onbelangrijk detail. Voor iemand die nood heeft aan duidelijkheid kan het echter een essentieel hulpmiddel zijn. Dat voorbeeld is bijzonder relevant voor gemeentebesturen, omdat veel toegankelijkheidsproblemen zich voordoen in publieke gebouwen en diensten waar inwoners regelmatig moeten zijn. Een loket, een vergaderzaal, een gemeentehuis of een dienstencentrum moet niet alleen fysiek bereikbaar zijn, maar ook begrijpelijk georganiseerd. Wie niet weet waar hij moet zijn, onvoldoende informatie krijgt of geconfronteerd wordt met voortdurend veranderende procedures, kan dezelfde uitsluiting ervaren als iemand die voor een fysieke hindernis staat. De boodschap van Stijn Vandamme legt daarom een belangrijke verantwoordelijkheid bij lokale besturen: toegankelijkheid begint ook met aandacht voor de manier waarop inwoners informatie ontvangen, begrijpen en gebruiken.

Jean-Paul Lefebvre waarschuwt voor een nieuwe vorm van digitale afhankelijkheid

De bijdrage van Jean-Paul Lefebvre bracht een bijkomende uitdaging naar voren: de groeiende rol van digitale technologie en artificiële intelligentie in een samenleving waarin niet iedereen over dezelfde digitale mogelijkheden beschikt. Digitalisering kan dienstverlening vereenvoudigen, informatie toegankelijker maken en mensen helpen zelfstandiger te functioneren. Maar zij kan ook nieuwe hindernissen creëren wanneer essentiële diensten uitsluitend digitaal bereikbaar worden of wanneer burgers afhankelijk raken van systemen die zij onvoldoende begrijpen of kunnen gebruiken. Voor ouderen, personen met een beperking, mensen in armoede en burgers met beperkte digitale vaardigheden kan die ontwikkeling bijzonder ingrijpend zijn. Artificiële intelligentie moet daarom in de eerste plaats een hulpmiddel zijn dat mensen ondersteunt en hun zelfstandigheid vergroot. Zij mag geen bijkomende voorwaarde worden om toegang te krijgen tot rechten, hulp of dienstverlening. Een gemeente die een ingewikkelde papieren procedure vervangt door een even ingewikkelde digitale procedure, heeft het onderliggende toegankelijkheidsprobleem niet noodzakelijk opgelost. Technologie verdient waardering wanneer zij aantoonbaar obstakels vermindert. Wanneer zij nieuwe afhankelijkheden veroorzaakt, moet zij kritisch worden geëvalueerd.

Dennie Declercq en het belang van mensen die toegankelijkheid vanuit de praktijk benaderen

Dennie Declercq bracht als deskundige op het gebied van toegankelijkheid en inclusie een perspectief binnen dat in beleidsdiscussies bijzonder noodzakelijk is. Toegankelijkheid moet immers niet uitsluitend worden beoordeeld vanuit de bedoelingen van de organisatie die een voorziening aanbiedt. Zij moet worden bekeken vanuit de ervaringen van de mensen die er gebruik van moeten maken. Een digitale toepassing kan volgens haar ontwerpers efficiënt zijn en toch ontoegankelijk blijken voor bepaalde gebruikers. Een gebouw kan aan verschillende technische eisen voldoen en toch verwarring of praktische moeilijkheden veroorzaken. Een administratieve procedure kan logisch lijken voor een ambtenaar die er dagelijks mee werkt, terwijl de burger die ermee geconfronteerd wordt nauwelijks begrijpt welke stappen nodig zijn. Daarom is het noodzakelijk mensen met uiteenlopende ervaringen te betrekken bij het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van dienstverlening. Het is niet voldoende om over inclusie te spreken. Mensen moeten ook de mogelijkheid krijgen om aan te geven wat werkt, wat niet werkt en waar aanpassingen nodig zijn.

Sabrine Desaever, Delphine Bijttebier en de stem van mensen die dagelijks met hindernissen worden geconfronteerd

De aanwezigheid en bijdragen van Sabrine Desaever en Delphine Bijttebier onderstreepten waarom bijeenkomsten over maatschappelijke inclusie niet uitsluitend mogen bestaan uit toespraken van beleidsmakers en deskundigen. De ervaringen van mensen die rechtstreeks met problemen worden geconfronteerd, zijn onmisbaar om de gevolgen van beleid te begrijpen. In politieke discussies wordt vaak gesproken over doelgroepen, maatregelen, percentages en beschikbare budgetten. Achter die abstracte begrippen schuilen echter individuele levens. Een maatregel die op papier redelijk lijkt, kan in een concrete situatie onvoldoende rekening houden met de omstandigheden van een persoon of gezin. Wie zelf afhankelijk is van ondersteuning of herhaaldelijk obstakels ondervindt, kan details zichtbaar maken die in algemene beleidsanalyses onopgemerkt blijven. Dat betekent niet dat iedere persoonlijke ervaring automatisch tot één bepaalde beleidsoplossing leidt. Het betekent wel dat goede besluitvorming onmogelijk is wanneer zulke ervaringen systematisch buiten beschouwing blijven. Luisteren naar Sabrine Desaever, Delphine Bijttebier en andere betrokkenen mag daarom geen symbolisch onderdeel van een programma zijn. Hun inbreng moet mee bepalen welke vragen beleidsmakers zich stellen en welke oplossingen verder worden onderzocht.

Lisseth Perez legt de pijnlijke afstand bloot tussen democratische beginselen en armoedebestrijding

Lisseth Perez stelde tijdens de EDC Fan Dag de verhouding tussen menselijke waardigheid, democratie en armoede centraal. Haar vergelijking van armoedebestrijding met soep eten met een vork is bijzonder treffend omdat zij de aandacht vestigt op de spanning tussen een uitgesproken doelstelling en de middelen waarmee men die probeert te bereiken. Een overheid kan oprecht verklaren dat zij armoede wil bestrijden, maar wanneer procedures te ingewikkeld zijn, hulp onvoldoende toegankelijk is of verschillende maatregelen elkaar tegenwerken, blijft de uitvoering problematisch. De democratische betekenis daarvan reikt verder dan het individuele geval. Een samenleving moet niet uitsluitend worden beoordeeld op de manier waarop zij functioneert voor de meerderheid, maar ook op haar vermogen om mensen te beschermen die minder gemakkelijk toegang krijgen tot macht, middelen en inspraak. Wie in armoede leeft, beschikt vaak over minder mogelijkheden om zijn belangen te verdedigen. Financiële onzekerheid kan bovendien samenhangen met problemen op het gebied van huisvesting, gezondheid, vervoer en maatschappelijke participatie. Daarom is armoedebestrijding geen geïsoleerd beleidsdomein. Zij raakt aan de organisatie van de samenleving als geheel. De beeldspraak van Lisseth Perez confronteert ons met een ongemakkelijke vraag: beschikken we wel over de juiste instrumenten om de problemen aan te pakken die we zeggen te willen oplossen?

Joris Hindryckx en de samenleving als één grote familie

Joris Hindryckx gebruikte tijdens de bijeenkomst het beeld van één grote familie. Die gedachte kan gemakkelijk als een vriendelijke wens worden afgedaan, maar zij verdient een diepere maatschappelijke interpretatie. Binnen een familie erkennen we doorgaans dat mensen niet allemaal dezelfde mogelijkheden, behoeften of omstandigheden hebben. Het ene familielid heeft tijdelijk ondersteuning nodig, het andere beschikt over meer middelen of kan bepaalde taken gemakkelijker uitvoeren. Toch betekent dat verschil niet dat de ene persoon meer waard is dan de andere. Wanneer we dit uitgangspunt naar de samenleving vertalen, ontstaat een krachtig solidariteitsbeginsel. Niet iedereen hoeft hetzelfde te kunnen om volwaardig deel uit te maken van de gemeenschap. De bereidheid om rekening te houden met verschillen is dan geen uitzondering, maar een onderdeel van samenleven. Uiteraard kan een moderne samenleving niet uitsluitend op persoonlijke goedheid worden gebouwd. Er zijn rechten, instellingen en beleidsmaatregelen nodig. Maar die kunnen moeilijk goed functioneren wanneer wederzijds respect ontbreekt. Het beeld van Joris Hindryckx herinnert ons eraan dat inclusie uiteindelijk ook gaat over de manier waarop mensen elkaar benaderen.

Christ Labaere en de waarde van betrokkenheid buiten het spreekgestoelte

Ook Christ Labaere was betrokken bij de EDC Fan Dag. Zijn plaats in het geheel herinnert eraan dat maatschappelijke evenementen niet uitsluitend worden gedragen door degenen die formeel een toespraak houden. Naast de aangekondigde sprekers zijn er mensen die ideeën aanbrengen, contacten leggen, gesprekken voeren, praktische problemen helpen oplossen en aandacht vragen voor onderwerpen die anders onvoldoende zichtbaar zouden worden. Dat werk krijgt zelden dezelfde publieke aandacht als een tussenkomst op een podium, maar het is daarom niet minder belangrijk. Maatschappelijke betrokkenheid kent veel vormen. Niet iedereen voelt zich geroepen om voor een zaal te spreken. Sommigen leveren hun bijdrage door ervaringen te delen, anderen door mensen samen te brengen of door concrete ondersteuning mogelijk te maken. Wie inclusie verdedigt, moet ook binnen de eigen organisatie erkennen dat verschillende manieren van deelnemen gelijkwaardig kunnen zijn.

Jarich Monstrey en de noodzaak om maatschappelijke signalen politiek ernstig te nemen

De betrokkenheid van Jarich Monstrey bij de bijeenkomst past binnen een bredere discussie over de verhouding tussen burgers en politieke besluitvorming. Wanneer mensen herhaaldelijk dezelfde problemen melden, is het onvoldoende om hun engagement uitsluitend te prijzen. Er moet ook worden nagegaan welke overheid bevoegd is, welke regelgeving van toepassing is en welke praktische oplossingen mogelijk zijn. Politieke verantwoordelijkheid bestaat niet alleen uit het formuleren van standpunten, maar ook uit het onderzoeken van uitvoerbare maatregelen. De afstand tussen een persoonlijke ervaring en een beleidsbeslissing kan groot zijn. Daarom zijn ontmoetingen tussen burgers, vertegenwoordigers van organisaties en politiek betrokken personen waardevol. Zij creëren mogelijkheden om problemen preciezer te omschrijven en om verantwoordelijkheid niet automatisch door te schuiven naar een andere bestuurslaag. Dat blijft een belangrijke uitdaging in België, waar bevoegdheden over verschillende overheden verdeeld zijn.

Dave Vanhoutte en het belang van verschillende stemmen in hetzelfde debat

Met ook Dave Vanhoutte op het programma bracht de EDC Fan Dag verschillende mensen samen rond een gedeeld maatschappelijk vraagstuk. Dat is op zichzelf betekenisvol. Inclusie, sociale bescherming en toegankelijkheid zijn immers geen onderwerpen die vanuit één ervaring, één sector of één politieke invalshoek volledig kunnen worden begrepen. De hindernissen waarmee mensen worden geconfronteerd, verschillen sterk. Fysieke toegankelijkheid vraagt andere praktische maatregelen dan begrijpelijke communicatie. Betaalbare gezondheidszorg stelt andere beleidsvragen dan digitale toegankelijkheid. Toch zijn die uitdagingen met elkaar verbonden doordat zij allemaal raken aan de mogelijkheden van mensen om zelfstandig en gelijkwaardig deel te nemen. Een bijeenkomst die verschillende stemmen samenbrengt, kan helpen om die verbanden zichtbaar te maken. Het is belangrijk om daarbij de eigenheid van iedere bijdrage te respecteren en niet te doen alsof alle sprekers precies dezelfde ervaringen of oplossingen naar voren schuiven. Juist de verscheidenheid maakt een maatschappelijk gesprek waardevol.

Ruben Lombaert en de grootste ruimte die er bestaat

Ruben Lombaert bracht met de gedachte dat de grootste ruimte die er bestaat de ruimte voor verbetering is, een belangrijk uitgangspunt binnen. Die formulering verdient bijzondere aandacht omdat zij een constructieve benadering van maatschappelijke kritiek mogelijk maakt. Wanneer iemand een probleem aankaart, betekent dat niet noodzakelijk dat hij een instelling, organisatie of bestuur wil aanvallen. Het kan evengoed betekenen dat hij mogelijkheden ziet om iets beter te organiseren. Toch wordt kritiek in het publieke debat geregeld ervaren als een persoonlijke beschuldiging of een politieke aanval. Daardoor dreigt de inhoudelijke vraag naar de juistheid van een probleem ondergeschikt te worden aan de vraag wie het probleem heeft aangekaart. De gedachte van Ruben Lombaert biedt een alternatief. Zij nodigt uit om tekortkomingen niet als vernedering te beschouwen, maar als aanleiding om beleid en dienstverlening te verbeteren. Geen enkel bestuur en geen enkele organisatie is volmaakt. Dat hoeft ook niet. Wat wel verwacht mag worden, is de bereidheid om fouten te erkennen, signalen te onderzoeken en verbeteringen door te voeren.

Alfons Moens wil de ideeën uit Diksmuide tot bij de burgemeesters brengen

Moderator Alfons Moens vervulde tijdens de EDC Fan Dag een centrale rol in het verloop van het programma. Hij kondigde de sprekers aan, bewaakte de beschikbare spreektijd en bracht de verschillende bijdragen met elkaar in verband. Zijn belangrijkste voorstel reikte echter verder dan de bijeenkomst zelf: de ideeën en aanbevelingen van de sprekers bundelen in een memorandum dat aan burgemeesters kan worden bezorgd. Dat verdient concrete opvolging. Een evenement over inclusie mag niet eindigen wanneer de stoelen worden opgeruimd en de aanwezigen naar huis terugkeren. Wanneer tijdens een bijeenkomst bruikbare voorstellen worden geformuleerd, moeten die zoveel mogelijk worden vertaald naar een overzichtelijk document waarin duidelijk staat welke problemen worden gesignaleerd, welke maatregelen mogelijk zijn en welke bestuursniveaus daarvoor verantwoordelijkheid dragen. Een memorandum kan daarbij helpen, op voorwaarde dat het meer wordt dan een algemene beginselverklaring. Gemeenten zouden bijvoorbeeld kunnen onderzoeken hoe begrijpelijk hun communicatie is, welke fysieke en digitale toegankelijkheidsproblemen bestaan, hoe medewerkers worden geïnformeerd over de European Disability Card en op welke manier inwoners met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften bij beslissingen worden betrokken. De waarde van het voorstel van Alfons Moens ligt precies in die mogelijke overgang van woorden naar concrete actie.

Armoede betekent soms dat iemand langzaam uit het zicht van de samenleving verdwijnt

De keuze om de EDC Fan Dag op 17 oktober te organiseren was inhoudelijk belangrijk. De Internationale Dag voor de Uitroeiing van Armoede herinnert ons eraan dat armoede veel meer omvat dan een gebrek aan geld. Financiële middelen bepalen uiteraard in belangrijke mate welke goederen en diensten iemand kan betalen. Maar armoede kan ook de mogelijkheden beperken om familie te bezoeken, aan sport te doen, culturele activiteiten bij te wonen, medische afspraken na te komen of deel te nemen aan het democratische leven. Wie voortdurend moet kiezen tussen noodzakelijke uitgaven, beschikt vaak over minder ruimte om sociale contacten te onderhouden of nieuwe kansen te benutten. Wanneer daar nog een beperking, gezondheidsprobleem of ontoegankelijke dienstverlening bovenop komt, kunnen de gevolgen zich versterken. De persoon verdwijnt dan niet letterlijk uit de samenleving, maar raakt wel steeds verder verwijderd van activiteiten en contacten die voor anderen vanzelfsprekend blijven. Dat proces verdient meer aandacht. Sociale uitsluiting laat zich niet altijd vaststellen aan de hand van één duidelijk incident. Zij kan ook ontstaan door een opeenstapeling van kleine hindernissen die afzonderlijk misschien beperkt lijken, maar samen een grote impact hebben.

Werken mag niet automatisch betekenen dat iemand financieel wordt afgestraft

Een belangrijk aandachtspunt is de verhouding tussen arbeid, sociale bescherming en financiële zelfstandigheid. Voor personen die afhankelijk zijn van bepaalde tegemoetkomingen kan de overgang naar werk of een hoger arbeidsinkomen gevolgen hebben voor hun financiële situatie. De precieze uitwerking verschilt volgens het soort tegemoetkoming en de toepasselijke regelgeving, maar het onderliggende probleem verdient ernstig onderzoek. Wanneer mensen willen werken, bijdragen aan de samenleving en hun mogelijkheden benutten, mogen regels geen onnodige financiële onzekerheid creëren. Dat betekent niet dat alle uitkeringen zonder voorwaarden moeten worden toegekend of dat de financiering van sociale bescherming geen grenzen kent. Het betekent wel dat beleidsmakers zorgvuldig moeten onderzoeken hoe verschillende regelingen op elkaar inwerken. Wie uitsluitend kijkt naar het brutoloon of het afzonderlijke uitkeringsbedrag, kan voorbijgaan aan de totale financiële gevolgen voor een persoon of gezin. Een sociaal beleid dat participatie wil bevorderen, moet ook nagaan of de bestaande regels die participatie daadwerkelijk ondersteunen.

Een burgemeester die luistert, kan meer veranderen dan een burgemeester die alleen antwoorden verstuurt

De EDC Fan Dag was geen bijeenkomst tegen één politieke partij, regering of gemeentebestuur. Zij was een uitnodiging aan alle politieke verantwoordelijken om beter te luisteren naar mensen die dagelijks hindernissen ondervinden. Dat onderscheid is fundamenteel. Een kritische opmerking over ontoegankelijke dienstverlening hoeft geen aanval te zijn op de ambtenaren die daar werkzaam zijn. Een vraag over een gemeentelijk gebouw hoeft geen beschuldiging te zijn aan het adres van een burgemeester. Een melding over ingewikkelde procedures betekent niet noodzakelijk dat de betrokken dienst haar werk niet ernstig neemt. Tegelijk mag respect voor personeel of instellingen geen reden worden om concrete problemen onbesproken te laten. Mensen die aankloppen met een klacht of voorstel zijn niet automatisch lastig. Soms zijn zij juist degenen die voldoende moed hebben verzameld om een probleem zichtbaar te maken dat anderen eveneens ondervinden. Besturen zouden zulke signalen daarom in de eerste plaats als informatie moeten beschouwen. Wie een probleem meldt, kan helpen om dienstverlening voor veel meer mensen te verbeteren. Het vermogen om kritiek te ontvangen en er constructief mee om te gaan, is een belangrijke maatstaf voor goed bestuur.

Niet iedereen kan dezelfde hindernissen zelfstandig overwinnen

In discussies over maatschappelijke participatie wordt regelmatig de nadruk gelegd op persoonlijke verantwoordelijkheid. Mensen moeten initiatief nemen, zich informeren, afspraken nakomen en gebruikmaken van de mogelijkheden die bestaan. Die gedachte is niet zonder betekenis, maar zij wordt problematisch wanneer onvoldoende rekening wordt gehouden met de omstandigheden waarin mensen leven. Niet iedereen beschikt over dezelfde lichamelijke mogelijkheden, financiële middelen, digitale vaardigheden of sociale ondersteuning. Wat voor de ene persoon een kleine praktische moeilijkheid is, kan voor iemand anders een vrijwel onoverkomelijke hindernis vormen. Een samenleving die iedereen dezelfde opdracht geeft zonder rekening te houden met de verschillende uitgangsposities, organiseert niet automatisch gelijke kansen. Daarom moet persoonlijke verantwoordelijkheid samengaan met een redelijke maatschappelijke verantwoordelijkheid om onnodige obstakels weg te nemen. Niet alle problemen kunnen onmiddellijk worden opgelost en niet iedere voorziening kan volledig op maat van iedere individuele situatie worden ingericht. Maar dat mag geen argument zijn om verbeteringen achterwege te laten die wel degelijk haalbaar zijn.

Steun uit de internationale verenigingswereld toont hoe breed het engagement is

De EDC Fan Dag kreeg niet alleen aandacht van Belgische en Europese politici, maar ook van organisaties en betrokkenen uit de internationale verenigingswereld. Onder de namen die in de steunbetuigingen en correspondentie naar voren kwamen, bevonden zich Catherine Naughton van het European Disability Forum, Angeliki Baltatzi van HER-autism op Kreta, Krista Ojala uit Finland, Amal Bouhfas namens European Disability Observer, Ornella Schreurs uit Beringen, Els Kuppens, Natascha Ummels en Werner Geboes van Verkeersplatform Rupelstreek. Ook Andy Vermassen van Rode Kruis-Lebbeke liet waardering blijken voor het werk rond toegankelijkheid en inclusie. Daarnaast kwamen er bijdragen of betrokkenheidsverklaringen van onder anderen Kjell Vander Elst, Johan Van Overtveldt, Jinnih Beels, Nawal Farih, Stéphanie Lange, Katrin Langensiepen en Julie Taton, die wegens haar verhuis niet persoonlijk aanwezig kon zijn maar de organisatoren succes wenste. Zulke uiteenlopende contacten mogen niet worden voorgesteld alsof iedereen dezelfde inhoudelijke boodschap heeft geformuleerd of dezelfde vorm van steun heeft verleend. Wel tonen zij hoe breed de belangstelling voor deze thema’s kan zijn. Van Europese beleidsinstellingen tot lokale vrijwilligersorganisaties en van ervaringsdeskundigen tot mensen die actief zijn in zorg, sport en maatschappelijke dienstverlening: de vraag hoe mensen werkelijk kunnen deelnemen, overschrijdt nationale grenzen en sectorale bevoegdheden.

Waardering voor vrijwilligers is noodzakelijk, maar mag de structurele verantwoordelijkheid niet verhullen

Geen enkele bijeenkomst van deze aard komt tot stand zonder mensen die tijd vrijmaken voor praktische werkzaamheden. Het onthaal van deelnemers, de voorbereiding van de zaal, de organisatie van koffie en andere voorzieningen, de technische ondersteuning, de verspreiding van informatie en het opruimen achteraf vragen allemaal inzet. Die werkzaamheden krijgen minder publieke aandacht dan toespraken of officiële boodschappen, maar zij zijn onmisbaar. Vrijwilligers verdienen daarom uitdrukkelijke waardering. Tegelijk moeten we waakzaam blijven voor een samenleving die te vanzelfsprekend rekent op vrijwillige inzet om structurele tekorten op te vangen. Vrijwilligers kunnen verbindingen creëren, mensen ondersteunen en maatschappelijke initiatieven mogelijk maken. Zij kunnen en mogen echter niet alle verantwoordelijkheid overnemen die bij professionele diensten en overheden hoort. De inzet van vrijwilligers is het sterkst wanneer zij een aanvulling vormt op een toegankelijk en goed georganiseerd beleid, niet wanneer zij voortdurend moet compenseren voor het ontbreken daarvan.

Een zaal mag niet de maatstaf worden voor de waarde van een boodschap

Er schuilt nog een belangrijke les in de verhouding tussen het fysieke aantal deelnemers en het grotere digitale bereik van de EDC Fan Dag. Maatschappelijke betekenis laat zich niet eenvoudig meten. Een volle zaal kan indrukwekkend lijken, maar garandeert geen beleidsverandering. Een kleine bijeenkomst kan daarentegen een gesprek mogelijk maken dat later tot belangrijke verbeteringen leidt. Evenmin betekent een groot aantal onlineweergaven automatisch dat mensen hun houding veranderen of dat bestaande hindernissen verdwijnen. Bereik is een mogelijkheid, geen eindresultaat. Daarom moet de belangstelling die rond de EDC Fan Dag ontstond worden benut om de inhoudelijke voorstellen verder te verspreiden. De steunbrieven, ervaringen en beleidsvragen verdienen een vervolg buiten de onmiddellijke actualiteit van 17 oktober. Dat is ook de verantwoordelijkheid van onafhankelijke journalistiek. Niet uitsluitend verslag doen van wat gezegd wordt, maar blijven onderzoeken of toezeggingen worden nagekomen, of problemen worden aangepakt en of mensen daadwerkelijk een verbetering ervaren.

Menselijke waardigheid is geen gunst die een overheid kan verlenen of intrekken

De fundamentele betekenis van mensenrechten is dat menselijke waardigheid niet door een regering, gemeentebestuur, werkgever of maatschappelijke meerderheid wordt toegekend. Zij behoort ieder mens toe. Dat uitgangspunt heeft verstrekkende gevolgen voor de manier waarop we over personen met een beperking, mensen in armoede en andere kwetsbare groepen spreken. Wanneer een overheid een ontoegankelijke voorziening aanpast, verleent zij niet zomaar een vriendelijke gunst. Zij werkt, afhankelijk van de toepasselijke verplichtingen, aan het realiseren van rechten en aan het wegnemen van hindernissen. Wanneer een organisatie haar communicatie begrijpelijker maakt, bewijst zij niet alleen een dienst aan een beperkte doelgroep. Zij kan de kwaliteit van haar dienstverlening voor veel meer mensen verbeteren. Wanneer een sportvereniging aangepaste mogelijkheden ontwikkelt, gaat het niet uitsluitend om een liefdadig initiatief. Het gaat ook om deelname aan een activiteit die verbondenheid, gezondheid en levensvreugde mogelijk maakt. Die verandering in perspectief is wezenlijk. Mensen hoeven niet voortdurend dankbaar te zijn omdat zij eindelijk toegang krijgen tot mogelijkheden die voor anderen vanzelfsprekend zijn.

Het verschil tussen formele gelijkheid en werkelijke gelijkwaardigheid

Gelijkheid wordt soms begrepen als het toepassen van exact dezelfde regels op iedereen. In bepaalde omstandigheden is dat noodzakelijk om willekeur en discriminatie te voorkomen. Maar bij toegankelijkheid kan een uitsluitend uniforme benadering tekortschieten. Wanneer iedereen via dezelfde trap een gebouw moet betreden, worden mensen formeel misschien op dezelfde manier behandeld, maar beschikken zij niet noodzakelijk over dezelfde mogelijkheid om binnen te komen. Wanneer alle burgers uitsluitend via één digitaal kanaal een aanvraag moeten indienen, kunnen mensen met uiteenlopende digitale vaardigheden of ondersteuningsbehoeften verschillend worden geraakt. Werkelijke gelijkwaardigheid vereist daarom aandacht voor de gevolgen van regels en voorzieningen. Het doel is niet dat iedereen identiek functioneert. Het doel is dat verschillen tussen mensen geen onnodige uitsluiting veroorzaken. Dat vraagt om redelijke aanpassingen, toegankelijke informatie, zorgvuldig ontworpen dienstverlening en de bereidheid om oplossingen te evalueren. Inclusie is daarmee geen afzonderlijk project dat na een succesvolle bijeenkomst kan worden afgesloten. Zij moet een voortdurend aandachtspunt worden binnen de normale werking van instellingen.

Politieke verschillen mogen geen excuus worden om menselijke waardigheid te relativeren

Het publieke debat over sociale bescherming, toegankelijkheid en inclusie kan scherpe politieke meningsverschillen oproepen. Partijen kunnen uiteenlopende opvattingen hebben over financiering, bevoegdheden, administratieve vereenvoudiging en de rol van de overheid. Dat hoort bij een democratie. Maar politieke verschillen mogen niet betekenen dat het recht van mensen om ernstig te worden genomen ter discussie wordt gesteld. Niemand hoeft dezelfde beleidsvisie te delen om te erkennen dat een kind met een beperking kansen verdient, dat medische zorg bereikbaar moet zijn of dat publieke dienstverlening niet nodeloos ontoegankelijk mag worden gemaakt. De uitdaging bestaat erin die gedeelde uitgangspunten om te zetten in maatregelen waarover democratisch kan worden beslist. Daarvoor is debat noodzakelijk, maar ook bereidheid tot samenwerking. Een initiatief zoals de EDC Fan Dag kan bijdragen tot die samenwerking wanneer het verschillende politieke en maatschappelijke stemmen samenbrengt zonder van deelnemers te verlangen dat zij over ieder onderwerp hetzelfde denken.

De betekenis van 17 oktober mag niet verdwijnen op 18 oktober

De grootste uitdaging van de EDC Fan Dag begint eigenlijk na afloop van de bijeenkomst. Op 17 oktober worden mensen aangesproken, verhalen gedeeld en verklaringen afgelegd. Op 18 oktober keren de gewone maatschappelijke structuren terug: loketten openen opnieuw volgens hun gebruikelijke procedures, inwoners worden geconfronteerd met dezelfde administratieve regels en mensen die ondersteuning nodig hebben, moeten opnieuw hun dagelijkse leven organiseren. Wanneer de EDC Fan Dag werkelijk betekenis wil krijgen, mag de boodschap niet beperkt blijven tot de duur van het evenement. De ideeën van Alfons Moens over een memorandum voor burgemeesters verdienen verdere uitwerking. De praktische suggesties van Stijn Vandamme over begrijpelijke en voorspelbare omgevingen moeten hun weg vinden naar lokale diensten. De bezorgdheden van Jean-Paul Lefebvre over digitale afhankelijkheid verdienen aandacht binnen de digitalisering van de overheid. De vragen van Inès Tasca over financiële drempels in de gezondheidszorg moeten ernstig worden genomen. Het engagement van Pieter Paul Moens rond de European Disability Card verdient blijvende aandacht, ook wanneer de publieke belangstelling tijdelijk afneemt. Dat is de toetssteen voor elke maatschappelijke bijeenkomst: wat verandert er nadat de laatste spreker het woord heeft gevoerd?

Rechtstaan of blijven zitten: een eenvoudig gebaar met een fundamentele betekenis

Het slotmoment van de EDC Fan Dag bracht de centrale gedachte van de bijeenkomst samen in een eenvoudig gebaar. De aanwezigen werden uitgenodigd om stil te staan bij enkele fundamentele vragen. Geloven we dat een kind met een beperking dezelfde kansen verdient als ieder ander kind? Geloven we dat niemand noodzakelijke medische zorg zou mogen missen omdat financiële omstandigheden een onoverkomelijke hindernis vormen? Geloven we dat een mens nooit volledig mag worden herleid tot zijn beperking, inkomen of gezondheidstoestand? En geloven we dat waardigheid niet afhankelijk is van afkomst, maatschappelijke positie of individuele prestaties? Wie deze overtuigingen deelde, werd uitgenodigd om recht te staan, voor zover dat mogelijk en comfortabel was. Maar onmiddellijk werd duidelijk gemaakt dat wie bleef zitten op precies dezelfde manier deelnam. Dat kleine onderscheid bevat misschien wel een van de belangrijkste boodschappen van de hele namiddag. Een bijeenkomst over inclusie zou zichzelf tegenspreken wanneer zij deelname uitsluitend zou herkennen in één lichamelijke handeling. Niet iedereen hoeft te kunnen rechtstaan om dezelfde overtuiging te delen. Niet iedereen hoeft op dezelfde manier te communiceren om gehoord te worden. Niet iedereen hoeft hetzelfde te presteren om gelijkwaardig te zijn.

De werkelijke erfenis van de EDC Fan Dag moet nog worden geschreven

Diksmuide was op 17 oktober 2026 het decor van een bijeenkomst waarin mensenrechten, armoede, toegankelijkheid, gezondheid, sport, digitale technologie en democratische participatie met elkaar werden verbonden. De bijdragen van Pieter Paul Moens, Alfons Moens, Ruben Lombaert, Lisseth Perez, Joris Hindryckx, Stijn Vandamme, Sabrine Desaever, Delphine Bijttebier, Dennie Declercq, Christ Labaere, Jarich Monstrey, Willy Piasecki, Dave Vanhoutte en Jean-Paul Lefebvre maakten deel uit van een breder maatschappelijk gesprek dat door talrijke steunbetuigingen uit België en daarbuiten werd versterkt. De aanwezigheid van zoveel verschillende stemmen is waardevol, maar de betekenis ervan mag niet worden overdreven tot een overwinning die al zou zijn behaald. De problemen waarover werd gesproken, zijn niet verdwenen omdat er aandacht voor werd gevraagd. De European Disability Card is niet automatisch overal bekend omdat politici haar belang onderschrijven. Digitale dienstverlening wordt niet vanzelf toegankelijk omdat artificiële intelligentie nieuwe mogelijkheden biedt. Armoede verdwijnt niet omdat een samenleving solidariteit als waarde erkent. De werkelijke erfenis van deze dag zal afhangen van de bereidheid om de gesignaleerde problemen verder te onderzoeken, mensen te blijven betrekken en concrete verbeteringen mogelijk te maken.

Niet tot iedereen op papier meetelt, maar tot iedereen in het echte leven kan meedoen

Bijna tweeënhalve eeuw na de beginselverklaring van 1789, bijna tachtig jaar na de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en twintig jaar na de aanneming van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moeten we blijven vaststellen dat menselijke waardigheid nog altijd niet overal dezelfde praktische betekenis heeft. Dat is geen reden om de verworvenheden van de mensenrechten te onderschatten. Het is juist een reden om ze ernstiger te nemen. Iedere generatie erft rechten waarvoor eerdere generaties hebben gestreden en draagt de verantwoordelijkheid om die rechten verder te verwezenlijken. Wie vandaag een ontoegankelijk gebouw signaleert, een onbegrijpelijke procedure ter discussie stelt, betere ondersteuning vraagt of opkomt voor iemand die onvoldoende gehoord wordt, maakt deel uit van die geschiedenis. Dat engagement hoeft niet spectaculair te zijn. Soms begint maatschappelijke verandering met een bordje in een gang, een aangepaste rolstoel, een medewerker die de tijd neemt om te luisteren of een burgemeester die bereid is een voorstel ernstig te onderzoeken. Soms begint zij met één persoon uit Lebbeke die weigert te aanvaarden dat andere mensen vergeten worden. Daarom verdient Pieter Paul Moens waardering, net als alle andere mensen die dagelijks aan een toegankelijkere samenleving werken. De opdracht is niet voltooid zodra iedereen formeel wordt erkend. Zij is evenmin voltooid wanneer een congres succesvol is afgerond, tientallen steunbrieven werden ontvangen of duizenden mensen een boodschap hebben gelezen. De opdracht blijft bestaan zolang mensen hun rechten niet daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Wij moeten blijven luisteren, blijven aankloppen, blijven onderzoeken en blijven verbeteren. Niet tot iedereen op papier meetelt, maar tot iedereen in het echte leven kan meedoen.

De vraag die iedere burgemeester, minister, parlementariër en burger zou moeten beantwoorden

Uiteindelijk blijft na deze bijeenkomst één vraag over die veel belangrijker is dan het aantal aanwezigen, toespraken, steunbetuigingen of onlineweergaven: welke concrete hindernis zijn wij bereid morgen weg te nemen? Niet volgend jaar, niet na de volgende verkiezingen en niet uitsluitend wanneer er nieuwe Europese verplichtingen van kracht worden, maar zodra duidelijk wordt dat verbetering mogelijk is. Voor de ene gemeente kan dat betere bewegwijzering zijn. Voor een andere dienst kan het begrijpelijkere communicatie betekenen. Voor een sportorganisatie kan het een aangepaste voorziening zijn. Voor een parlementslid kan het aanleiding geven tot een vraag over de financiële gevolgen van regelgeving. Voor een beleidsmaker kan het betekenen dat ervaringsdeskundigen vroeger en grondiger bij besluitvorming worden betrokken. De oplossingen zullen verschillen, maar de morele opdracht is dezelfde. Een samenleving bewijst haar menselijkheid niet door voortdurend te herhalen dat ieder mens waardevol is. Zij bewijst die menselijkheid door de omstandigheden te scheppen waarin niemand zijn eigen waarde voortdurend moet verdedigen. Dat is de boodschap die uit Diksmuide moet blijven klinken. Want een mens is niet minder waard omdat hij hulp nodig heeft. Niet minder waard omdat hij arm is. Niet minder waard omdat hij niet kan lopen, horen of communiceren zoals anderen. Niet minder waard omdat zijn mogelijkheden veranderen. De waarde van een mens is geen beloning voor prestaties. Zij is het uitgangspunt van een rechtvaardige samenleving.

Een laatste oproep aan iedereen die gelooft in menselijke waardigheid

Laat ons daarom ophouden inclusie te behandelen als een vriendelijk extraatje dat kan worden aangeboden wanneer er voldoende tijd, personeel of budget overblijft. Laat ons toegankelijkheid beschouwen als een essentieel onderdeel van goed bestuur, en armoedebestrijding als een verantwoordelijkheid die verschillende beleidsdomeinen met elkaar verbindt. Laat ons erkenning geven aan wie problemen zichtbaar maakt, zonder te verwachten dat die mensen eeuwig tevreden moeten zijn met een dankbrief of een vriendelijk antwoord. Laat ons politieke verantwoordelijken beoordelen op hun bereidheid om problemen te onderzoeken en verbeteringen mogelijk te maken, niet uitsluitend op hun aanwezigheid bij plechtigheden. En laat ons vooral beseffen dat iedereen vroeg of laat afhankelijk kan worden van de hulp, solidariteit of toegankelijkheid waarvoor anderen vandaag moeten strijden. Een rechtvaardige samenleving wordt niet gebouwd voor een kleine groep mensen met bijzondere behoeften. Zij wordt gebouwd voor iedereen, in het besef dat menselijke mogelijkheden en levensomstandigheden voortdurend kunnen veranderen. Dat is geen zwakte van de menselijke samenleving. Het is precies de reden waarom wij elkaar nodig hebben. De EDC Fan Dag heeft daarvoor een belangrijk gesprek geopend. Het is nu aan ons allemaal om te voorkomen dat dit gesprek zonder gevolgen blijft.

Een brede kring van steun voor de EDC Fan Dag

De EDC Fan Dag ‘Iedereen telt mee’ kon rekenen op de inzet en betrokkenheid van een brede kring van mensen, van vrijwilligers en ervaringsdeskundigen tot vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en beleidsmakers uit binnen- en buitenland. Pieter Paul Moens, Andy Vermaut, Ruben Lombaert, Lisseth Perez en Alfons Moens droegen de organisatie en het programma vanuit de samenwerking tussen Europese Beweging België en EDC Fan Belgium. Delphine Bijttebier, Stijn Vandamme, Dave Vanhoutte, Sabrine Desaever, Willy Piasecki, Jean-Paul Lefebvre, Jarich Monstrey, Dennie Declercq, Christ Labaere en Joris Hindryckx brachten hun kennis, ervaringen en voorstellen naar Diksmuide. Magda Vandamme, Pieter Paul Moens en Alfons Moens hielpen de gratis drank mogelijk maken, met bijkomende steun van Sabrine Desaever en haar vereniging. Ook buiten de zaal kreeg het initiatief weerklank. Roberta Metsola, Hadja Lahbib, Li Andersson, Katrin Langensiepen, Hilde Vautmans, Bruno Tobback, Wouter Beke, Johan Van Overtveldt, Kris Van Dijck, Liesbet Sommen, Pascal Arimont, Kjell Vander Elst, Loes Vandromme, Catherine Delcourt, François De Smet, Jinnih Beels, Nawal Farih, Nahima Lanjri, Stéphanie Lange en Valérie Bluge ondersteunden de gelegenheid met schriftelijke bijdragen, erkenningsbrieven of videoboodschappen. Daarnaast kwamen bijdragen en blijken van waardering van Koen Surdiacourt, Ornella Schreurs, Els Kuppens, Ines Tasca, Sophie Renaut, Marian Meulemans en Sophie in ’t Veld. Vanuit organisaties die dagelijks werken aan toegankelijkheid en gelijke rechten waren er de bijdragen van Aurélie Baranger van Autism-Europe, Catherine Naughton van het European Disability Forum, Alexandre Bloxs van de European Union of the Deaf en de Franstalige dovenbeweging, Lise Artiges van Info-Sourds de Bruxelles, Amal Bouhfas van European Disability Observer, Angeliki Baltatzi van HER-autism op Kreta en Krista Ojala vanuit de Finse werking rond de European Disability Card. Tjerk Feitsma, Hans Bruintjes en Natascha Ummels leverden eveneens opgenomen of geschreven bijdragen. Steven De Smet bracht de herkenning van niet-zichtbare beperkingen bij politie en hulpdiensten onder de aandacht, Andy Vermassen bezorgde de waardering van Rode Kruis Lebbeke en Werner Geboes benadrukte vanuit het Verkeersplatform Rupelstreek het belang van verkeersveiligheid, mobiliteit en sensibilisering. Jeffry Steemans, Gella Vandecaveye en Marijn Devalck lieten hun steun blijken, terwijl Nic Balthazar de trailer van Team Rudy aanbood voor het programma. Julie Taton, Stephanie D’Hose en Chadia Cambie stuurden aanmoedigingen; Dieter Keuten toonde belangstelling voor verdere uitwisseling over autisme en niet-zichtbare beperkingen. Ook Jade De Baere, Gert Van Tittelboom en Donna Kerseboom wensten het initiatief succes. Stefaan Bogaerts zegde een aankondiging op Mandelnieuws toe. Bij het bezorgen en praktisch opvolgen van verschillende bijdragen hielpen onder anderen Mina Andreeva, Cindy Gutiérrez Silva, Aleksi Karppinen, Anne Somers, Marie Van Hecke, Sarah Singh, Ruth Bloemen en Wilson Bunneghem. Die uiteenlopende vormen van betrokkenheid verdienen erkenning, net als het werk van de vrijwilligers die hielpen bij het onthaal, de bediening, de opbouw en de opruim, de deelnemers die iets meebrachten voor de gezamenlijke maaltijd en iedereen die uitnodigingen en verslagen verder verspreidde. Samen zorgden zij ervoor dat ervaringen over armoede, toegankelijkheid en uitsluiting een publiek kregen en dat ‘Iedereen telt mee’ ook in de praktische organisatie betekenis kreeg.

De steunbetuigingen, boodschappen en verslagen van de EDC Fan Dag – Iedereen telt mee zijn te vinden op indegazette.be.

Welke hindernis moet volgens u als eerste verdwijnen om ervoor te zorgen dat iedereen werkelijk kan meedoen? Reacties, concrete ervaringen en voorstellen zijn welkom via info@indegazette.be.

Redactionele verantwoordelijkheid en recht op antwoord

Dit opiniestuk vertolkt de persoonlijke maatschappelijke en journalistieke beschouwingen van Andy Vermaut, hoofdredacteur van indegazette.be en lid van de raad van bestuur van de Europese Beweging België, naar aanleiding van de EDC Fan Dag van 17 oktober 2026 in Diksmuide. De meningen en waardeoordelen vallen onder zijn verantwoordelijkheid. Wie vragen heeft over de inhoud of een feitelijke onjuistheid wil melden, kan contact opnemen via info@indegazette.be. Betrokkenen kunnen gedurende drie maanden na publicatie een verzoek tot recht op antwoord indienen. Artificiële intelligentie wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist blijft verantwoordelijk voor de controle van de inhoud en de feiten.

Steun de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be

Onafhankelijke journalistiek vraagt tijd, onderzoek, verplaatsingen, contacten, verslaggeving en voortdurende opvolging. Iedere dag brengt indegazette.be nieuws, reportages, maatschappelijke analyses en internationale verhalen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Daarbij willen wij ook aandacht blijven geven aan mensen die in het publieke debat onvoldoende worden gehoord.

Wilt u helpen om deze journalistiek mogelijk te blijven maken? Iedere vrijwillige bijdrage, groot of klein, is bijzonder welkom.

U kunt indegazette.be financieel ondersteunen via:

Ko-fi: https://ko-fi.com/andyvermaut

Buy Me a Coffee: https://buymeacoffee.com/andyvermaut

Hartelijk dank voor uw vertrouwen, betrokkenheid en steun aan onafhankelijke journalistiek.

Andy Vermaut

Hoofdredacteur indegazette.be

Lid van de raad van bestuur van de Europese Beweging België

info@indegazette.be