OPINIE | Het mediaproces-Freilich – Democratie in actie: waarom de zoektocht naar oplossingen de kern van onze rechtsstaat raakt

In een democratie botsen grondrechten soms frontaal op elkaar. Dat is geen teken van zwakte, maar van ernst: een rechtsstaat is precies het systeem dat zulke botsingen zichtbaar maakt, ze in regels giet en – waar nodig – herijkt. De commotie rond N-VA-Kamerlid Michaël Freilich past in dat patroon. Sommige stemmen zien zijn gesprekken in Washington als ongepaste beïnvloeding. Anderen – waaronder ik – zien iets anders: een parlementslid dat, binnen zijn mandaat, probeert uit te zoeken hoe je een principiële knoop ontward krijgt zonder één van de betrokken groepen te verpletteren.

Wie de temperatuur uit het debat haalt, merkt al snel dat dit niet draait om één politicus, maar om een kernvraag: hoe organiseer je in een pluralistische samenleving een werkbaar evenwicht tussen kinderrechten, volksgezondheid, religieuze vrijheid en de onafhankelijkheid van justitie?

Religieuze vrijheid is geen randzaak, maar een fundament

De inzet is rituele besnijdenis binnen de Joodse gemeenschap. Dat is geen vrijblijvende gewoonte, maar een religieuze praktijk met een eeuwenoude betekenis, onder meer teruggaand op de verbondsgedachte in Genesis 17. In de liberale traditie van de Verlichting is precies dat soort levensbeschouwelijke ruimte cruciaal: John Stuart Mill legt in On Liberty (1859) uit dat de staat niet mag ingrijpen louter omdat een meerderheid iets afkeurt. Ingrijpen vergt een zwaarwegende rechtvaardiging, met aandacht voor aantoonbare schade en proportionaliteit.

Daar zit meteen de moeilijkheid: bij minderjarigen is het kader strenger. Kinderrechten en medische ethiek dwingen tot extra zorgvuldigheid. Maar zorgvuldigheid is iets anders dan een vooraf uitgemaakte uitkomst. Een rechtsstaat hoort het onderscheid te bewaken tussen “we vinden dit vreemd of onwenselijk” en “dit moet verboden worden”. Precies daar is nuance nodig: niet om kritiek weg te wuiven, wel om te vermijden dat een minderheid haar identiteit enkel nog kan beleven bij gratie van gedoogpolitiek of sociale druk.

Freilich heeft, voor zover uit zijn publieke verklaringen blijkt, niet betwist dat medische veiligheid centraal staat. Zijn inzet – een kader dat veiligheid garandeert zonder de religieuze praktijk onmogelijk te maken – is op zichzelf een herkenbare democratische opdracht: rechten verzoenen waar ze elkaar raken.

Een volksvertegenwoordiger hoort te verkennen, niet te dicteren

Er leeft ook een tweede bezorgdheid: de rechterlijke onafhankelijkheid. Die bezorgdheid verdient respect, want zonder onafhankelijke rechters is er geen rechtsstaat, enkel machtsuitoefening met een juridische verpakking. Montesquieu verdedigde de scheiding der machten om precies dat te vermijden. Maar scheiding der machten betekent niet dat verkozenen niets mogen leren, vergelijken of bijsturen. Wetgevers worden niet verkozen om zwijgend toe te kijken, maar om regels te evalueren wanneer de samenleving aangeeft dat het schuurt.

Het cruciale onderscheid is dat tussen druk zetten op een lopende procedure – wat problematisch is – en zoeken naar beleidsmatige oplossingen voor de toekomst. Freilich vatte dat onderscheid zelf helder samen: “Er is mij nooit gevraagd om druk te zetten, wel om naar een oplossing te zoeken.” Dat is geen semantiek; dat is de grenslijn waar democratische plicht eindigt en ongepaste inmenging begint.

Wie in andere landen gaat kijken hoe men vergelijkbare spanningen benadert, begeeft zich niet automatisch op glad ijs. Aristoteles noemde dit phronesis: praktische wijsheid, het vermogen om in concrete omstandigheden de juiste maat te vinden. In hedendaagse termen: je verzamelt best practices, je toetst opties, je zoekt naar randvoorwaarden en controlemechanismen. Dat is geen achterpoortje; dat is wetgevend werk in zijn meest nuchtere vorm.

“Internationale gesprekken” zijn niet per definitie “buitenlandse inmenging”

Een democratie is geen eiland. Zeker in dossiers die raken aan mensenrechten, medische richtlijnen en religieuze minderheden is het logisch dat landen elkaar observeren. Dat geldt evengoed voor privacywetgeving, terrorismebestrijding, bio-ethiek of kinderbescherming: we vergelijken, we leren, we corrigeren.

Washington is in dat opzicht niet “ver weg”, maar één van de plaatsen waar een grote democratie al lang zoekt naar een evenwicht tussen religieuze praktijken en medische normen. Daar inspiratie opdoen is niet hetzelfde als een buitenlandse actor laten bepalen wat België moet doen. Het is hoogstens: nagaan welke waarborgen werken, welke toezichtmechanismen sluitend zijn, hoe men artsen, religieuze uitvoerders en overheid samenbrengt, en waar het fout kan lopen. Als je doel is om een betere, veiligere regeling te maken, is die informatie relevant.

Wie dat categorisch afwijst, lijkt te suggereren dat wetgeving pas “zuiver” is wanneer ze ontstaat zonder vergelijking, zonder dialoog, zonder kennis van buitenlandse modellen. Dat is een merkwaardige opvatting van democratisch bestuur.

Kritiek is legitiem – maar ze moet consequent zijn

Dat critici zoals Goedele Liekens en Sammy Mahdi het kind centraal stellen, is volkomen verdedigbaar. Het VN-Kinderrechtenverdrag benadrukt het belang van het kind (art. 3) en het recht op gezondheid (art. 24). Ook het principe van lichamelijke integriteit weegt zwaar. In een volwassen debat hoort die kant van de weegschaal niet geminimaliseerd te worden.

Maar diezelfde volwassenheid vraagt ook consequentie. Als de kernredenering is dat een onomkeerbare ingreep bij minderjarigen uitzonderlijk goed gemotiveerd moet worden, dan moet dat principe helder en gelijk toegepast worden. Niet alleen wanneer een Joodse minderheid betrokken is, en niet alleen wanneer het politiek goed uitkomt. Selectieve verontwaardiging is een sluiproute naar dubbele standaarden, en dubbele standaarden zijn een sluiproute naar ongelijkheid.

De uitdaging is dus niet “wie heeft moreel gelijk”, maar: welk normatief kader is tegelijk streng voor veiligheid en rechten, én fair voor minderheden? Dat is precies het soort vraag waarbij een parlementslid niet hoort weg te duiken.

Transparantie weegt mee in het vertrouwen

Een opvallend element in deze affaire is dat Freilich zijn rol niet verborgen hield. Hij communiceerde over zijn contacten en zijn bedoeling: zoeken naar oplossingen. Dat maakt hem niet automatisch onfeilbaar, maar het plaatst het debat op het juiste terrein. Wie transparant werkt, nodigt uit tot controle en tegenspraak – twee dingen waar democratie op draait.

In een tijd waarin “achterkamers” terecht verdacht worden, is openheid geen detail. Het is een democratische deugd, precies omdat ze burgers toelaat om te oordelen op basis van feiten en intenties, niet op basis van insinuaties.

De rechtsstaat wordt sterker door moeilijke evenwichten niet te ontwijken

Wie vandaag vooral wil scoren met verontwaardiging, kan Freilich wegzetten als iemand die “lobbyt” of “inmengt”. Maar daarmee wordt de kernvraag ontweken: hoe creëer je een regeling die medische veiligheid waarborgt, kinderrechten ernstig neemt, en tegelijk religieuze vrijheid niet herleidt tot een privilege dat elk moment kan verdwijnen?

De rechtsstaat is niet het gemak van één eenduidig antwoord. De rechtsstaat is het geduldige werk van wegen, begrenzen en waarborgen. Als Freilich in dit dossier probeert bruggen te slaan tussen traditie en hedendaagse normen – mét oog voor veiligheid en rechten – dan verdient dat een eerlijker lezing dan de karikatuur. Niet omdat hij boven kritiek staat, wel omdat de democratie beter wordt wanneer we motieven en methodes correct benoemen.

De echte test is dan ook niet of we één parlementslid publieke schande aanpraten. De echte test is of we – met respect voor minderheden én met consequente bescherming van kinderen – tot een regeling komen die juridisch houdbaar, medisch verantwoord en maatschappelijk fair is. Dat is geen zwakte. Dat is democratie die doet wat ze moet doen.

Door Andy Vermaut