Protected Minority Status: bespreking over een mogelijke oplossing voor Joodse gemeenschappen in Brussel

Tijdens de jaarlijkse conferentie van de European Jewish Association in Brussel werd ook stilgestaan bij de vraag of een beschermde minderheidsstatus een mogelijke oplossing kan bieden voor Joodse gemeenschappen in Europa. Dat gebeurde in de sessie Protected Minority Status: A Solution?, die werd gebracht als een bespreking en presentatie door EJA-voorzitter Menachem Margolin en EJA-vicevoorzitter Alexander Benjamin.
De sessie sloot aan bij het bredere conferentiethema Global Intifada: Jewish Communities on the Frontlines, waarin de positie van Joodse gemeenschappen centraal stond. Binnen dat kader werd in Brussel gekeken naar mogelijke juridische en maatschappelijke antwoorden op de toenemende druk waarmee die gemeenschappen worden geconfronteerd.
Met de tussenkomst van Menachem Margolin en Alexander Benjamin kreeg het publiek een bespreking voorgesteld over de betekenis en de mogelijke meerwaarde van een beschermde minderheidsstatus. Daarmee maakte deze sessie deel uit van een ruimer debat over bescherming, erkenning en de plaats van Joodse gemeenschappen binnen Europa.
Tijdens de sessie over een mogelijke bijzondere beschermde minderheidsstatus voor Joodse gemeenschappen in Europa heeft EJA-voorzitter Rabbi Menachem Margolin gesteld dat de situatie voor Joden in Europa niet verbetert, maar integendeel verder verslechtert. Volgens hem heeft de European Jewish Association de voorbije weken gezocht naar een manier om Joods leven in Europa duurzamer en juridisch sterker te beschermen, los van wisselende politieke meerderheden of tijdelijke beleidskeuzes.
Rabbi Menachem Margolin zei dat EJA daarom een mandaat vraagt om op Europees en nationaal niveau te pleiten voor een bijzondere beschermde minderheidsstatus voor Joden in Europa. Die status zou steunen op het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden. Volgens hem is het grote verschil met bestaande strategieën tegen antisemitisme dat deze aanpak juridisch bindend zou zijn. Hij wees erop dat veel huidige maatregelen of definities slechts gedeeltelijk worden toegepast, afhankelijk van land en politieke context, terwijl fundamentele rechten volgens hem niet mogen afhangen van de politieke gevoeligheden van het moment.
EJA-vicevoorzitter Alexander Benjamin werkte dat voorstel verder uit. Hij verklaarde dat het Kaderverdrag bijkomende bescherming biedt aan groepen met een eigen identiteit en met langdurige historische banden met een land. Volgens hem vallen Joodse gemeenschappen in een groot aantal Europese landen binnen die omschrijving, omdat zij al eeuwenlang aanwezig zijn en hun eigen religieuze, culturele en maatschappelijke identiteit hebben behouden. Hij verwees daarbij onder meer naar historische Joodse wijken en gemeenschappen in verschillende Europese steden als bewijs van die blijvende verankering.
Alexander Benjamin stelde dat een officiële erkenning als nationale minderheid tot gevolg zou hebben dat staten niet langer vrijblijvend zouden kunnen omgaan met de bescherming van Joods leven. Volgens hem zou dat landen verplichten om extra wettelijke bescherming, middelen, programma’s en ondersteuning te voorzien. Hij noemde onder meer het behoud van Joodse erfgoedsites, de bescherming van religieuze rituelen en de continuïteit van Joods onderwijs als concrete elementen die dan sterker verankerd zouden kunnen worden. Hij beklemtoonde dat bescherming via louter godsdienstvrijheid volgens hem kwetsbaar blijft, omdat die bij een regeringswissel sneller onder druk kan komen te staan.
Ook professor Rosa Freedman, hoogleraar rechten aan de University of Reading, ging in op de juridische betekenis van zo’n statuut. Zij legde uit dat minderheidsrechten in essentie voortbouwen op bestaande mensenrechten, maar erkennen dat minderheden die rechten in de praktijk vaak niet ten volle genieten door een geschiedenis van onderdrukking, discriminatie of uitsluiting. Volgens haar is het doel van nationale minderhedenbescherming precies om te vermijden dat zulke groepen opgaan in de dominante cultuur zonder voldoende waarborgen voor hun eigen identiteit.
Professor Rosa Freedman onderstreepte dat wettelijke erkenning op zich niet volstaat, maar wel een noodzakelijk instrument vormt. Zij zei dat wetgeving een kader biedt waarbinnen staten verplicht worden om beleid, ondersteuning en gerichte maatregelen uit te werken in overleg met de betrokken gemeenschappen. Zonder zo’n juridisch kader, zo stelde zij, blijven minderheidsrechten te afhankelijk van goodwill en politieke omstandigheden. Met een wettelijke basis ontstaat volgens haar ten minste een hefboom om bescherming, middelen en inspraak af te dwingen.
In de discussie uit het publiek kwamen vragen naar voren over de praktische uitvoerbaarheid van het voorstel, over mogelijke politieke tegenreacties en over verschillen tussen landen. Professor Rosa Freedman erkende dat de context per land anders is en dat sommige Joodse gemeenschappen mogelijk vrezen om zich zichtbaarder of kwetsbaarder te maken door als nationale minderheid erkend te worden. Juridisch zag zij echter geen nadelen aan de benadering zelf. Politiek, zo gaf zij aan, zal het traject in elk land een andere dynamiek kennen.
Er werd ook gewezen op het feit dat Joodse gemeenschappen verspreid leven over vele Europese landen en dus geen nationale minderheid vormen in slechts één staat. Alexander Benjamin antwoordde daarop dat precies daarom een gecoördineerde inspanning in alle betrokken landen nodig is. Volgens hem bestaan er vandaag te veel uiteenlopende benaderingen, waardoor duurzame bescherming ontbreekt. Rosa Freedman voegde daaraan toe dat ook andere groepen, zoals Roma- en Sinti-gemeenschappen, in meerdere landen als minderheid erkend zijn, wat volgens haar aantoont dat een transnationale aanwezigheid geen juridische hinderpaal hoeft te zijn.
Aan het einde van de sessie maakte Alexander Benjamin duidelijk dat het debat nog maar aan het begin staat. Hij verwees naar verdere werkgroepen waarin de Joodse gemeenschappen zelf concreter zullen aangeven welke bescherming, middelen en mechanismen zij binnen zo’n kader noodzakelijk achten.
De jaarlijkse conferentie van de European Jewish Association bracht in Brussel opnieuw verschillende beleidsmatige en maatschappelijke invalshoeken samen. De sessie rond beschermde minderheidsstatus vormde daarin een van de onderdelen die zich richtten op mogelijke oplossingen voor de uitdagingen waarmee Joodse gemeenschappen vandaag worden geconfronteerd.
Bronnen:
European Jewish Association Annual Conference, 15 april 2026, Brussel, België
Programmaonderdeel: Protected Minority Status: A Solution?
Sprekers: Menachem Margolin, EJA Chairman; Alexander Benjamin, EJA Vice Chairman


