Rit door Seoul dwingt tot vragen over religie, macht en vrijheid (opinie)

7 augustus 2026

Tijdens mijn rit van de luchthaven naar het centrum van Seoul zag ik kerken, hoge kantoorgebouwen, regeringsgebouwen, brede verkeersassen en plaatsen waar grote betogingen hebben plaatsgevonden. De Zuid-Koreaanse hoofdstad toont zich als een moderne metropool waarin economie, technologie, politiek en religie zichtbaar naast elkaar bestaan. Toch bleef één vraag tijdens die rit steeds terugkeren: hoeveel waarde heeft vrijheid van religie wanneer die vrijheid alleen wordt gerespecteerd zolang een overtuiging geen weerstand oproept bij politieke leiders, ambtenaren, magistraten, media of invloedrijke religieuze instellingen? Die vraag raakt niet alleen Zuid-Korea. Zij raakt iedere democratie die zichzelf een rechtsstaat noemt.

Vrijheid wordt getest wanneer overtuigingen weerstand oproepen

Het is eenvoudig om godsdienstvrijheid te verdedigen wanneer het gaat om bekende religies die brede maatschappelijke erkenning genieten. De echte test begint wanneer een religieuze organisatie afwijkt van dominante tradities, veel kritiek krijgt of door politieke en religieuze tegenstanders als bedreigend wordt voorgesteld. Een grondrecht dat alleen geldt voor populaire overtuigingen, is geen grondrecht. Het is dan een voorrecht dat door de meerderheid wordt toegekend en opnieuw kan worden afgenomen zodra de maatschappelijke stemming verandert. Religieuze vrijheid betekent juist dat ook kleinere, nieuwe, omstreden of weinig begrepen religieuze organisaties beschermd worden tegen willekeur, zolang zij de strafwet respecteren. De staat mag onderzoeken of wetten zijn overtreden. De staat mag echter niet de inhoud van een geloof beoordelen alsof een regering kan beslissen welke overtuiging juist, aanvaardbaar of wenselijk is.

Een democratie is geen dictatuur van de meerderheid

Verkiezingen geven politieke bestuurders een mandaat om beleid te voeren. Zij geven geen toestemming om fundamentele rechten selectief toe te passen. Ook een democratisch verkozen regering kan grenzen overschrijden. Ook een parlementaire meerderheid kan wetten aannemen die minderheden onevenredig raken. Ook overheidsdiensten kunnen onder politieke druk handelen. Democratie is daarom niet alleen de regel van de meerderheid. Democratie vraagt ook bescherming van minderheden, onafhankelijke rechtspraak, controle op overheidsmacht, openbaarheid van bestuur, toegang tot verdediging en ruimte voor kritiek. Zonder die waarborgen kan een formeel democratisch systeem uitgroeien tot een bestuur waarin afwijkende stemmen steeds minder plaats krijgen. De stembus alleen beschermt niemand tegen machtsmisbruik. Daarvoor zijn instellingen nodig die bereid zijn grenzen te stellen aan degenen die macht bezitten.

Een seculiere staat moet religies beschermen

Een seculiere staat is geen staat die religie bestrijdt. Hij is evenmin een staat die gelovigen uit het openbare leven probeert te weren. Secularisme betekent dat de overheid geen officiële religieuze waarheid oplegt en geen enkele geloofsovertuiging bevoordeelt of benadeelt. De staat moet afstand bewaren, maar afstand is niet hetzelfde als vijandigheid. Een democratische overheid moet ruimte geven aan gelovigen, ongelovigen, traditionele kerken, nieuwe religieuze bewegingen en mensen die van overtuiging veranderen. Zij moet voorkomen dat dominante religieuze instellingen hun maatschappelijke invloed gebruiken om kleinere organisaties via politieke kanalen te laten uitsluiten. Wanneer bestuurders zich laten leiden door theologische afkeer, electorale berekening of druk vanuit invloedrijke instellingen, komt de neutraliteit van de staat in het gedrang.

Persoonlijke afkeer mag geen overheidsbeleid worden

Iedereen heeft persoonlijke voorkeuren. Mensen kiezen verschillend voedsel, andere politieke ideeën, uiteenlopende levenswijzen en diverse religieuze overtuigingen. Dat verschil behoort tot het dagelijks leven in een vrije samenleving. Het probleem ontstaat wanneer iemand met macht zijn persoonlijke afkeer omzet in bestuurlijke maatregelen, juridische procedures, financiële druk of publieke stigmatisering. Een minister, burgemeester, procureur, politiechef of ambtenaar mag een religieuze organisatie persoonlijk onbegrijpelijk vinden. Die mening mag echter niet bepalen hoe vergunningen, onderzoeken, subsidies, belastingen, veiligheidsmaatregelen of gerechtelijke procedures worden toegepast. Macht vereist zelfbeheersing. Wie een openbaar ambt bekleedt, moet persoonlijke voorkeuren scheiden van wettelijke taken. Juist daarin toont een rechtsstaat zijn kwaliteit.

Wetshandhaving mag geen instrument van uitsluiting worden

Religieuze organisaties staan niet boven de wet. Wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van fraude, geweld, misbruik, dwang of andere strafbare feiten, moeten bevoegde diensten onderzoek voeren. Dat uitgangspunt staat niet ter discussie. De rechtsstaat verliest echter geloofwaardigheid wanneer onderzoeksmiddelen selectief, buitensporig of politiek gestuurd worden ingezet. Een juridisch dossier mag geen middel worden om een organisatie maatschappelijk te breken voordat een rechter een oordeel heeft uitgesproken. Huiszoekingen, arrestaties, langdurige detentie, beslag, publieke verklaringen en mediacampagnes kunnen een grote impact hebben, zelfs wanneer later blijkt dat aantijgingen niet standhouden. Daarom moeten proportionaliteit, onpartijdigheid en het vermoeden van onschuld centraal blijven staan.

De grens tussen onderzoek en bestraffing vóór het vonnis

In gevoelige dossiers ontstaat vaak een gevaarlijke situatie. Een persoon wordt formeel onderzocht, maar in de publieke ruimte al behandeld alsof schuld vaststaat. Beelden van arrestaties worden verspreid. Beschuldigingen worden breed overgenomen. Politici spreken zich uit voordat alle feiten zijn onderzocht. Tegenstanders gebruiken het dossier om een organisatie als geheel te veroordelen. De maatschappelijke schade begint dan lang vóór een rechter uitspraak doet. Wanneer iemand later wordt vrijgesproken of wanneer aanklachten worden afgezwakt, krijgt die correctie zelden dezelfde aandacht. Reputaties zijn dan beschadigd, leden zijn gestigmatiseerd en families zijn onder druk gezet. De rechtsstaat moet daarom niet alleen een eerlijk proces garanderen. Hij moet ook verhinderen dat het proces zelf als straf wordt gebruikt.

Lee Man-hee als test voor de rechtsstaat

De behandeling van Lee Man-hee kan niet uitsluitend worden bekeken door de bril van sympathie of afkeer. Het gaat om een man van 95 jaar die een religieuze organisatie leidt en ook bekendstaat door internationale vredesactiviteiten. Zijn aanhangers zien hem als een vredesleider. Tegenstanders bekijken hem met groot wantrouwen. Precies daarom moet de beoordeling gebeuren op basis van controleerbare feiten, wettelijke normen en onafhankelijk onderzoek. De persoonlijke populariteit van Lee Man-hee mag geen invloed hebben op zijn rechten. Ook zijn religieuze positie mag geen reden zijn voor een mildere behandeling. De maatstaf moet voor iedereen dezelfde zijn. Dat betekent dat aantijgingen ernstig onderzocht mogen worden, maar ook dat zijn leeftijd, gezondheid, verdediging en menselijke waardigheid beschermd moeten blijven.

Detentie mag nooit vernedering worden

Een overheid die iemand van zijn vrijheid berooft, neemt ook de zorg voor die persoon op zich. Dat geldt voor iedere gedetineerde, ongeacht diens overtuiging, functie of reputatie. Bij een man van 95 jaar moet bijzondere aandacht gaan naar mobiliteit, slaap, temperatuur, medische opvolging, toegang tot een stoel of bed en de mogelijkheid om lichamelijke klachten te behandelen. Detentie is geen vrijgeleide voor vernedering. Een onderzoek rechtvaardigt niet dat een oudere persoon onder omstandigheden verblijft die zijn gezondheid kunnen aantasten. De vraag naar passende detentieomstandigheden is geen uitspraak over schuld of onschuld. Het is een vraag over menselijke waardigheid. Een rechtsstaat bewijst zichzelf niet door hard op te treden tegen zwakke personen, maar door ook onder politieke druk humane grenzen te bewaken.

Vredeswerk kan politieke weerstand oproepen

Vredesorganisaties bewegen zich vaak op terreinen waar regeringen, religieuze instellingen en internationale actoren eigen belangen hebben. Wie oproept tot dialoog, ontwapening of samenwerking kan steun krijgen, maar ook wantrouwen oproepen. Vredeswerk is niet automatisch vrij van kritiek. Organisaties moeten transparant zijn over financiering, besluitvorming, interne structuren en internationale contacten. Tegelijk mag kritiek niet worden gebruikt om vreedzame activiteiten zonder bewijs als bedreigend voor te stellen. Een organisatie die vredeseducatie organiseert of internationale verklaringen promoot, moet op haar handelen worden beoordeeld. Verdachtmakingen op basis van religieuze identiteit of politieke afkeer horen niet thuis in een rechtsstaat.

De invloed van dominante religieuze instellingen

In landen waar religieuze instellingen veel maatschappelijke invloed hebben, bestaat het risico dat onderlinge theologische conflicten politieke gevolgen krijgen. Grote kerken beschikken soms over netwerken, mediarelaties, financiële middelen en toegang tot bestuurders. Kleinere religieuze organisaties hebben die bescherming niet. Wanneer een dominante religieuze instelling een andere beweging als ketters, gevaarlijk of bedrieglijk bestempelt, kan die taal doorsijpelen naar journalistiek, politiek en bestuur. De overheid moet dan extra waakzaam zijn. Theologische strijd mag niet worden vertaald in bestuurlijke uitsluiting. De staat heeft geen bevoegdheid om te bepalen welke interpretatie van geloof juist is.

Stigmatisering treft ook gewone leden

Wanneer een religieuze organisatie publiek wordt aangevallen, blijft de impact niet beperkt tot leiders. Gewone leden kunnen problemen krijgen op het werk, binnen families, op school of in hun sociale omgeving. Zij kunnen worden uitgesloten, beledigd of onder druk gezet om hun overtuiging op te geven. Sommigen durven hun religieuze identiteit niet langer kenbaar te maken. Dat raakt de kern van vrijheid van geweten. Een mens moet van religie kunnen veranderen, een geloof kunnen verlaten of zich bij een nieuwe beweging kunnen aansluiten zonder angst voor sociale of bestuurlijke represailles. Ook familieleden hebben geen recht om een volwassen persoon met dwang, opsluiting, bedreiging of manipulatie tot een andere overtuiging te brengen.

Vrijheid van religie en vrijheid van meningsuiting zijn nauw verweven

Religie bestaat niet alleen in gebedshuizen. Gelovigen spreken, publiceren, organiseren bijeenkomsten, geven onderwijs en nemen deel aan het publieke debat. Wanneer vrijheid van meningsuiting wordt beperkt, raakt dat ook het religieuze leven. Omgekeerd kan religieuze invloed worden gebruikt om andere stemmen het zwijgen op te leggen. De rechtsstaat moet beide vrijheden beschermen zonder toe te laten dat zij worden misbruikt om geweld, discriminatie of dwang te rechtvaardigen. Dat vraagt geen keuze tussen vrijheid en veiligheid. Het vraagt duidelijke wetten, onafhankelijke toetsing en maatregelen die niet verder gaan dan noodzakelijk.

Journalisten moeten verder kijken dan officiële verklaringen

In dossiers over religie en macht is journalistieke discipline essentieel. Een officiële verklaring is geen eindpunt. Een beschuldiging is geen bewezen feit. Een politieactie is geen veroordeling. Journalisten moeten nagaan wie informatie verspreidt, welke belangen spelen, welke documenten beschikbaar zijn en of de betrokken partij kan antwoorden. Ook termen als sekte, extremisme of bedreiging moeten met grote terughoudendheid worden gebruikt. Zulke woorden beïnvloeden de lezer voordat de feiten zijn onderzocht. Journalistiek hoort macht te controleren, niet haar taal zonder onderzoek over te nemen. Dat geldt voor regeringen, religieuze instellingen, actiegroepen en internationale organisaties.

De pers mag geen rechtbank worden

Media kunnen een gerechtelijk onderzoek zichtbaar maken, maar zij mogen geen alternatief strafproces voeren waarin beschuldigden geen eerlijke verdediging krijgen. Wanneer kranten en televisiezenders steeds dezelfde aantijgingen herhalen, ontstaat bij het publiek snel de indruk dat schuld vaststaat. Correcties bereiken vaak slechts een klein deel van hetzelfde publiek. Daarom moeten journalisten onderscheid maken tussen aantijgingen, vastgestelde feiten, rechterlijke uitspraken en politieke verklaringen. Ook moet duidelijk zijn wanneer informatie afkomstig is van een tegenstander met een eigen belang. Zonder die zorg kan journalistiek bijdragen aan uitsluiting in plaats van controle op macht.

Internationale aandacht is geen inmenging

Overheden reageren soms afwijzend wanneer buitenlandse journalisten, mensenrechtenorganisaties of diplomaten vragen stellen over religieuze vrijheid. Zulke vragen worden dan voorgesteld als inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Mensenrechten zijn echter niet uitsluitend nationaal. Staten hebben internationale afspraken aanvaard en presenteren zichzelf als democratische rechtsstaten. Wie die status opeist, moet ook kritiek dulden. Internationale aandacht kan fouten zichtbaar maken, slachtoffers een stem geven en nationale instellingen aansporen hun eigen normen correct toe te passen. Dat betekent niet dat buitenlandse waarnemers altijd gelijk hebben. Het betekent dat openheid sterker is dan defensieve geslotenheid.

Ook Europa moet naar zichzelf kijken

Het zou te eenvoudig zijn om Zuid-Korea te beoordelen alsof Europese landen geen problemen kennen. Ook in Europa bestaan spanningen rond religieuze symbolen, gebedshuizen, religieus onderwijs, veiligheidswetgeving en de erkenning van nieuwe religieuze bewegingen. Ook Europese media gebruiken soms stigmatiserende taal. Ook Europese overheden kunnen religieuze minderheden met wantrouwen benaderen. Wie in Seoul vragen stelt, moet daarom bereid zijn dezelfde maatstaven in Brussel, Parijs, Berlijn of andere Europese steden te hanteren. Mensenrechten verliezen hun geloofwaardigheid wanneer zij alleen worden ingeroepen tegen landen waarmee politieke meningsverschillen bestaan.

Macht moet controleerbaar blijven

De kern van het debat is niet of iemand een bepaalde religie sympathiek vindt. De kern is wie macht bezit, hoe die macht wordt gebruikt en welke bescherming een burger heeft wanneer de overheid tegen hem optreedt. Bestaan er onafhankelijke beroepsmogelijkheden? Kan de verdediging dossiers inkijken? Worden medische noden ernstig genomen? Kunnen journalisten vragen stellen zonder druk? Krijgen religieuze organisaties gelijke behandeling? Worden politieke beslissingen gedocumenteerd? Kunnen ambtenaren aansprakelijk worden gesteld bij misbruik? Dat zijn de vragen die bepalen of grondrechten werkelijk bestaan.

De moeilijke vraag moet gesteld worden

Tijdens de internationale persconferentie op vrijdag 7 augustus 2026 om 10.30 uur in Seoul mogen de vragen niet beperkt blijven tot algemene verklaringen over democratie en verdraagzaamheid. Er moet worden gevraagd wie concrete beslissingen heeft genomen, welke wettelijke basis daarvoor bestaat, hoe proportionaliteit wordt getoetst en welke onafhankelijke controle beschikbaar is. Er moet ook worden onderzocht of dezelfde regels op dezelfde manier worden toegepast bij grote gevestigde kerken en kleinere religieuze organisaties. Wanneer de behandeling verschilt, moet duidelijk worden waarom.

Vrijheid vraagt bescherming tegen de eigen overtuiging

De grootste bedreiging voor vrijheid komt niet altijd van mensen die openlijk zeggen dat zij tegen vrijheid zijn. Zij kan ook komen van bestuurders die zeggen dat zij de samenleving beschermen, maar daarbij hun eigen waarden als norm gebruiken. Een politicus kan oprecht geloven dat een religieuze beweging schadelijk is. Een ambtenaar kan denken dat streng optreden noodzakelijk is. Een religieuze leider kan overtuigd zijn dat een andere leer gevaarlijk is. Toch moet de wet boven die persoonlijke overtuigingen staan. Vrijheid bestaat pas wanneer machtsdragers ook de rechten beschermen van mensen met wie zij het diep oneens zijn.

Een rechtsstaat wordt zichtbaar in de behandeling van minderheden

Tijdens de rit door Seoul werd duidelijk dat de discussie over Lee Man-hee en religieuze vrijheid niet alleen over één leider of één organisatie gaat. Zij gaat over de vraag of een democratische staat bereid is minderheden te beschermen wanneer publieke druk, politieke belangen en religieuze tegenstellingen samenkomen. Zuid-Korea heeft sterke democratische instellingen en een levendige burgermaatschappij. Juist daarom moet het land open kunnen omgaan met kritische vragen over machtsgebruik. Kritiek op overheidsoptreden is geen aanval op het land. Zij kan een bijdrage zijn aan de bescherming van de waarden waarop dat land zich beroept.

Bronnen:
Eigen waarnemingen tijdens de reis naar Seoul op 6 augustus 2026

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)