Tussen bronwater, bouwkranen en een verlaten autofabriek: hoe Vorst zichzelf opnieuw uitvindt

Een rondgang met Lisseth Pérez door een Brusselse gemeente die haar industriële verleden omzet in woningen, natuur, cultuur en nieuwe stedelijke kansen

Auteur: Andy Vermaut

Vorst laat zich niet begrijpen door er snel doorheen te rijden. Wie alleen de grote verkeersassen volgt, ziet spoorlijnen, industriegebouwen, drukke kruispunten en dichtbebouwde straten. Wie te voet op verkenning gaat, ontdekt een ander verhaal. Achter een ogenschijnlijk gesloten poort ligt een gemeenschappelijke tuin met kippen en tomaten. Tussen moderne appartementsgebouwen stroomt natuurlijk bronwater. Een smalle weg die nauwelijks op een stationsingang lijkt, leidt naar de perrons van Vorst-Oost. Rond het Sint-Denijsplein wordt volop gebouwd aan een nieuwe culturele en publieke kern. Even verderop ligt de immense site van Audi Brussels er stil en verlaten bij. Lisseth Pérez neemt mij mee door haar gemeente. Lisseth Pérez toont geen zorgvuldig geselecteerde toeristische route, maar het Vorst van het dagelijkse leven: de plaatsen waar mensen wonen, wachten, wandelen, werken, leren en elkaar ontmoeten. Lisseth Pérez wijst op projecten waar de gemeente trots op mag zijn, maar ook op afval, beschadigde infrastructuur, onduidelijke doorgangen en gemiste kansen. Onderweg praten we over betaalbaar wonen, groene architectuur, energie, water, toegankelijkheid, familie, onderwijs, cultuur, mobiliteit en de toekomst van een industrieterrein waar ooit duizenden mensen werkten. We stoppen geregeld voor een foto. We raken af en toe het richtingsgevoel kwijt. We discussiëren over de beste weg naar het station en over de vraag of een tuin die achter een poort ligt werkelijk een open tuin kan worden genoemd. Juist daardoor wordt het een doorleefde tocht door een gemeente die niet plots een volledig nieuwe stad probeert te worden, maar haar verleden laag na laag probeert om te vormen.

Een wijk op voormalige industriegrond

“Waar zijn we hier precies?”, vraag ik wanneer we tussen een reeks moderne woongebouwen staan. “Dit is de Bervoetswijk”, antwoordt Lisseth Pérez. De wijk ligt op grond die vroeger hoofdzakelijk voor industriële activiteiten werd gebruikt. Vandaag staan er appartementen, eengezinswoningen, ateliers en gemeenschappelijke voorzieningen. Nieuwe straten dragen namen als Auguste Heenestraat, Hippolyte Vervackstraat en Toots Thielemansstraat. De gebouwen staan niet netjes naast elkaar zoals in een klassieke verkaveling. De wijk bestaat uit verschillende volumes, doorgangen, binnenruimten en kleine hoogteverschillen. Spoorlijnen, oudere woningen en resterende bedrijfsgebouwen liggen vlakbij. “Hier verschijnen voortdurend nieuwe gebouwen”, zegt Lisseth Pérez. “Soms lijkt het alsof er elke maand ergens een nieuw gebouw bijkomt.” Bouwkranen en onafgewerkte delen bevestigen dat beeld. Sommige gebouwen worden nog afgewerkt. Rond andere constructies liggen materialen te wachten. De wijk voelt daardoor niet als een voltooid project, maar als een omgeving die verder groeit terwijl de bewoners er al wonen. Voor Lisseth Pérez is de Bervoetswijk ook verbonden met familieherinneringen. Een broer van Lisseth Pérez woonde enige tijd in een van de grijze gebouwen. “Hij verhuurde een klein appartement en aan de achterkant met een tuintje”, vertelt Lisseth Pérez. “Toen hij vertrok, heeft hij zijn meubels bij mij achtergelaten.” Ook een oom die tijdelijk in Sint-Lambrechts Woluwe verbleef, liet meubels achter. “Mijn kelder staat ondertussen vol. Gelukkig heb ik een grote kelder”, zegt Lisseth Pérez lachend. Zelfs haar hond bleef het gebouw na zijn vertrek herkennen. Wanneer Lisseth Pérez met de hond langs de vroegere woning kwam, wilde het dier opnieuw naar binnen. Zo wordt een nieuwbouwproject langzaam een echte wijk. Niet door de architectuur alleen, maar doordat mensen er wonen, vertrekken, spullen doorgeven en persoonlijke herinneringen opbouwen.

Architectuur die groen moet worden

Lisseth Pérez wijst naar metalen structuren langs verschillende gevels. “De gebouwen zijn zo ontworpen dat planten langs de buitenkant omhoog kunnen groeien”, legt Lisseth Pérez uit. De constructies lijken op grote roosters die aan de gevels zijn bevestigd. Op sommige plaatsen is de begroeiing al zichtbaar, elders moet het groen zich nog ontwikkelen. De bedoeling is duidelijk: de gebouwen mogen niet louter uit beton, glas en metaal bestaan, maar moeten na verloop van tijd gedeeltelijk opgaan in planten en begroeiing. Op verschillende daken liggen zonnepanelen. Groendaken en open binnenruimten moeten de harde stedelijke omgeving verzachten. “Dit gebouw werkt vooral met zonnepanelen”, zegt Lisseth Pérez terwijl ze naar een recenter bouwvolume wijst. “En daar staan de technische installaties van de gezamenlijke energievoorziening.” De wijk beschikt over een collectief warmtesysteem met warmtekrachtkoppeling. Warmte en elektriciteit worden daarbij gezamenlijk geproduceerd, zodat de gebruikte energie efficiënter wordt benut. Tijdens de wandeling zien we ook de schoorsteen die bij de installatie hoort. “Daar komt het systeem samen”, zegt Lisseth Pérez. De energievoorziening toont hoe snel ideeën over duurzaamheid veranderen. Bij de aanleg van de wijk was een collectief systeem bijzonder vooruitstrevend. Vandaag wordt steeds nadrukkelijker gevraagd hoe zulke systemen volledig fossielvrij kunnen worden. De gedeelde infrastructuur blijft niettemin een belangrijke troef. Wanneer een volledige wijk op een gezamenlijk netwerk is aangesloten, kunnen toekomstige aanpassingen mogelijk collectief worden uitgevoerd. De wijk toont daarmee dat duurzame ontwikkeling geen eenmalige prestatie is. Een energiezuinige oplossing van gisteren moet morgen opnieuw worden verbeterd.

Een bron tussen de woongebouwen

We wandelen verder en horen water stromen. Tussen de gebouwen komt water aan de oppervlakte. Het wordt via een aangelegde bedding langs het pad geleid. “Dit is een natuurlijke bron”, zegt Lisseth Pérez. “Kun je daarvan drinken?”, vraag ik. “Nee, dit water is niet bedoeld als drinkwater”, antwoordt Lisseth Pérez. “Ze hebben het water zichtbaar gemaakt en door de wijk geleid.” De waterloop is afkomstig van de Calvariebron. Het water wordt niet meteen in een gesloten riool gestopt, maar krijgt plaats in de publieke ruimte. De kleine stroom geeft beweging aan de omgeving en herinnert eraan dat onder de gebouwen en straten nog altijd een natuurlijk landschap aanwezig is. “Een gebouw staat eigenlijk boven de plaats waar het water naar buiten komt”, legt Lisseth Pérez uit. “Daarom hebben ze een systeem gemaakt waarmee het water naar dit pad wordt geleid.” Aan weerszijden zijn kanalen en afwateringsstructuren zichtbaar. De bron is meer dan een decoratief element. Brussel heeft tijdens de voorbije eeuwen talloze waterlopen onder de grond gebracht. Beken werden overwelfd, bronnen verdwenen achter muren en regenwater werd zo snel mogelijk afgevoerd. Vandaag groeit het besef dat water opnieuw ruimte nodig heeft. Water dat ter plaatse wordt vastgehouden of vertraagd, vermindert de druk op riolen en helpt de omgeving af te koelen. Terwijl wij naar het stromende water kijken, waait er afval over de grond. “Waarom laten mensen dat hier liggen?”, vraag ik. “Een deel komt waarschijnlijk uit de vuilnisbakken en wordt door de wind meegenomen”, antwoordt Lisseth Pérez. “Maar het blijft jammer. Er wordt zoveel moeite gedaan om dit mooi te maken.” Het contrast is scherp. Ingenieurs en ontwerpers creëren een open waterstructuur, maar enkele verpakkingen en blikjes zijn voldoende om de indruk van verwaarlozing te wekken. Een duurzame wijk heeft daarom niet alleen goede ontwerpen nodig, maar ook degelijk onderhoud en bewoners die de omgeving als gemeenschappelijk bezit behandelen.

Achter de poort wachten kippen en tomaten

Even verderop bereiken we een poort naar een gemeenschappelijke tuin. “De tuin is voor de hele wijk”, zegt Lisseth Pérez. “Iedereen kan hier normaal naar binnen.” We proberen de toegang, maar de poort is nog gesloten. Volgens het bord gaat de tuin pas later open. Er staat ook vermeld welke parlofoon bezoekers moeten gebruiken. We bekijken de aanwijzingen en proberen te begrijpen via welke deur men naar binnen kan. “Normaal is dit toegankelijk”, zegt Lisseth Pérez. “Maar nu zijn we blijkbaar te vroeg.” Door de poort krijgen we toch zicht op de tuin. Plots beweegt er iets tussen de planten. “Kippen!”, roep ik. Lisseth Pérez kijkt verbaasd. “Inderdaad. Ze hebben hier kippen. Dat had ik nog niet gezien”, zegt Lisseth Pérez. Verderop staan bakken met groenten en planten. Er groeien tomaten. Er zijn zitplaatsen en plekken waar kinderen kunnen spelen. “Dit is toch aangenaam voor de mensen die hier wonen”, zeg ik. “Ze kunnen naar buiten zonder de wijk te verlaten.” Lisseth Pérez knikt. “De tuin is gedeeld. Dat is belangrijk. De kinderen hebben hier plaats en bewoners kunnen elkaar ontmoeten.” De tuin toont dat een woonproject meer kan zijn dan een verzameling appartementen. Een gebouw biedt onderdak, maar een wijk moet ook ruimte geven aan contact, rust, natuur en spel. Tegelijk stelt de gesloten poort een ongemakkelijke vraag. Hoe openbaar is een ruimte wanneer bezoekers niet meteen weten of ze welkom zijn? Een tuin moet beschermd worden tegen nachtelijke overlast en beschadiging, maar een ingewikkeld toegangssysteem kan ook afstand creëren. Het verschil tussen een gemeenschappelijke tuin en een private binnentuin wordt uiteindelijk niet bepaald door een beleidsdocument, maar door de ervaring van iemand die voor de poort staat.

“Dit is onze wijk”

De uitspraak klinkt eenvoudig, maar raakt de kern van stadsvernieuwing. Een nieuwe wijk kan architecturaal geslaagd zijn en toch aanvoelen als een afgesloten eiland. Ze kan duurzaam gebouwd zijn en tegelijk onbetaalbaar worden voor de mensen die al jarenlang in de omgeving wonen. Ze kan mooie tuinen hebben die in de praktijk alleen door een beperkte groep worden gebruikt. Een wijk wordt werkelijk van iedereen wanneer verschillende inkomensgroepen er kunnen wonen, wanneer publieke ruimten toegankelijk zijn en wanneer voorzieningen niet uitsluitend voor nieuwe bewoners worden ingericht. In de wijk Bervoets zijn dankzij het Brussels Woningfonds (zoals onder andere het project “Le Vignoble”) en CityDev (voorheen GOMB) ook kwalitatief hoogwaardige woningen tegen betaalbare prijzen – te koop en te verhuren – gebouwd. Het tekort aan sociale huurwoningen – een project van maar 38 woningen in de Marguerite Bervoetsstraat werd in 2024 ingehuldigd – heeft niet verhinderd dat bepaalde gebouwen onder precaire gebruiksafspraken ter beschikking zijn gesteld aan kunstenaars of andere personen die moeite hebben om een woning te verhuren. Dat is essentieel in een stad waar de huurprijzen blijven stijgen en betaalbare woningen steeds moeilijker te vinden zijn. Tijdens de wandeling spreken we een bewoner aan bij een gebouw met een collectieve woonfunctie. Ik vraag of er nog een plaats beschikbaar is voor een studente. De man wil eerst weten wie ik ben. Ik stel mij voor en leg uit dat mijn dochter studeert en dat betaalbare studentenkamers moeilijk te vinden zijn. “Alles is bezet, mijn vriend”, antwoordt de man. De man verwijst naar andere studentenverblijven in de omgeving, maar kent de prijzen niet. Het korte gesprek plaatst de mooie architectuur meteen tegenover een harde realiteit. Terwijl in Vorst nieuwe woonprojecten verschijnen, zoeken studenten en gezinnen naar kamers die geen 600 of 700 euro per maand kosten. De belangrijkste vraag is daarom niet alleen hoeveel woningen er worden gebouwd, maar wie ze kan betalen.

Supporters tussen feest en afval

Aan de rand van de wijk toont Lisseth Pérez een plaats waar bussen met supporters van Union Sint-Gillis kunnen stoppen. Van daaruit trekken groepen supporters richting het Joseph Marienstadion. “Ze wandelen hier voorbij terwijl ze zingen”, vertelt Lisseth Pérez. “Dat kan heel levendig zijn.” Na wedstrijden blijft er volgens Lisseth Pérez soms afval achter. Blikjes en verpakkingen belanden langs het pad of in de buurt van de waterloop. “Het is dan moeilijk om de hele omgeving proper te houden”, zegt Lisseth Pérez. “Supporters zijn supporters.” We lachen, maar het onderwerp blijft ernstig. Grote bezoekersstromen brengen sfeer en economische activiteit, maar veroorzaken ook druk op woonwijken. De verantwoordelijkheid kan niet uitsluitend bij de gemeentelijke schoonmaakdiensten worden gelegd. Voetbalclubs, supportersverenigingen, organisatoren en individuele bezoekers hebben allemaal een rol. Meer vuilnisbakken en snellere ophaling helpen, maar uiteindelijk vraagt een nette wijk ook respect van de gebruikers. De woorden van Lisseth Pérez krijgen hier opnieuw betekenis: wie zegt dat een wijk van iedereen is, zegt ook dat iedereen verantwoordelijkheid draagt.

Toots Thielemans in het straatbeeld

“Hier is de Toots Thielemansstraat”, zegt Lisseth Pérez wanneer we een andere straat inslaan. “Heeft Toots Thielemans hier gewoond?”, vraag ik. “Nee, maar Toots Thielemans was aanwezig bij de inhuldiging van de straat die ten ere van hem naar hem is vernoemd ”, antwoordt Lisseth Pérez. Ze zoekt op haar telefoon naar een foto of een artikel over dat bezoek. Ondertussen probeer ik het straatnaambord en de omgeving te fotograferen. “Je staat te dichtbij”, zegt Lisseth Pérez. “Je moet iets meer afstand nemen. Anders zie je de omgeving niet.” Ik neem enkele stappen achteruit. De gevels, het bord en de straat komen samen in beeld. “Zo is het beter”, zegt Lisseth Pérez. De naam Toots Thielemans verbindt de jonge wijk met een artiest die vanuit Brussel wereldfaam verwierf. Straatnamen kunnen een nieuwe buurt een geheugen geven, maar alleen wanneer bewoners en bezoekers weten welke verhalen achter die namen schuilgaan. Anders wordt zelfs een wereldberoemde naam niet meer dan een aanduiding voor de postbode. Lisseth Pérez wijst vervolgens naar haar appartement dat volgens Lisseth Pérez vroeger als modelappartement werd gebruikt. “De tuin ziet er indrukwekkend uit, maar binnen is het minder comfortabel dan mensen misschien denken.” De opmerking maakt duidelijk dat architectuur op een foto iets anders is dan wonen in de praktijk. Een wijk moet niet alleen aantrekkelijk ogen. Een wijk moet ook comfortabel functioneren.

Onderwijs op wandelafstand

Niet veel later toont Lisseth Pérez een gebouw waar Lire et Écrire activiteiten zal organiseren. De organisatie helpt volwassenen die willen leren lezen en schrijven of hun kennis willen verbeteren. “Ik heb al contact met hen opgenomen”, zegt Lisseth Pérez. “Ik zou hier graag één dag per week terechtkunnen. Dat zou veel gemakkelijker zijn, omdat het vlakbij is.” De combinatie van woningen en onderwijsvoorzieningen is belangrijk. Wanneer begeleiding alleen in het centrum van Brussel wordt aangeboden, moeten mensen telkens tijd en geld investeren in verplaatsingen. Een lokaal in de eigen wijk verlaagt de drempel. Mensen kunnen een cursus volgen, informatie vragen of een examen afleggen zonder een ingewikkelde reis. Een duurzame wijk gaat daardoor niet alleen over zonnepanelen, isolatie en wateropvang. Ze gaat ook over toegang tot kennis. Een gebouw kan technisch uitstekend presteren, maar een wijk wordt pas sociaal duurzaam wanneer bewoners er kansen vinden om zich te ontwikkelen.

Marguerite Bervoets blijft aanwezig

We komen in de Marguerite Bervoetsstraat. De straat draagt de naam van Marguerite Bervoets, een jonge Belgische vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief was in het verzet. Marguerite Bervoets werd gearresteerd en in 1944 in Wolfenbüttel terechtgesteld. Marguerite Bervoets was toen dertig jaar oud. “Marguerite Bervoets werd beschouwd als een rebelse vrouw”, zegt Lisseth Pérez. “Een beetje zoals Jeanne d’Arc.” De vergelijking is niet letterlijk historisch bedoeld. Lisseth Pérez gebruikt ze om de moed en vastberadenheid van Marguerite Bervoets te beschrijven. We zoeken naar een gedenkplaat. Eerst lijkt de plaat achter de planten verdwenen. “Normaal hing ze hier”, zegt Lisseth Pérez. “De begroeiing heeft alles bedekt.” Enkele ogenblikken later vinden we de plaat toch. De situatie toont hoe gemakkelijk geschiedenis uit het zicht verdwijnt. Een straatnaam wordt dagelijks gebruikt, maar de persoon achter de naam raakt vergeten wanneer er geen uitleg wordt gegeven. De herinnering aan Marguerite Bervoets verdient een zichtbare plaats in de wijk. Niet als versiering, maar als uitnodiging om na te denken over vrijheid, verzet en burgerlijke moed. Ook historische herinnering heeft onderhoud nodig.

Een station dat dichterbij ligt dan gedacht

“Het station ligt daar, achter de bomen”, zegt Lisseth Pérez. We kijken in de aangewezen richting. Het blijkt station Vorst-Oost te zijn. Eerder hadden we op een bus gewacht en een lange omweg gemaakt. “Hebben we zo lang gewacht terwijl we hier in enkele minuten naartoe konden wandelen?”, vraag ik. Lisseth Pérez lacht. “Op die manier hebben we tenminste meer van Vorst gezien.” De toegang naar het station loopt via de Toegangsweg. Het straatje ziet er niet onmiddellijk uit als de ingang van een spoorwegstation. De weg verdwijnt tussen gebouwen en groen. “Wanneer je dit niet kent, weet je niet wat er achteraan ligt”, zeg ik. “Je zou kunnen denken dat dit een private doorgang is.” Lisseth Pérez legt uit dat er verschillende routes naar de perrons zijn. Aan de andere kant liggen trappen. We wandelen verder en proberen te achterhalen op welk perron een trein zou stoppen. “Welk spoor hebben we nodig?”, vraag ik. “Er zijn maar twee sporen”, antwoordt Lisseth Pérez. “Het is hier geen station met twintig perrons.” Toch toont mijn verwarring een belangrijk probleem. Een station kan vlakbij liggen en toch ver weg aanvoelen wanneer de toegangsroute niet duidelijk is. Goede bewegwijzering, verlichting en toegankelijke voetpaden bepalen of bewoners de trein werkelijk als een praktisch vervoermiddel ervaren. Een mobiliteitsknooppunt is meer dan een perron. Ook de weg ernaartoe moet veilig, zichtbaar en bruikbaar zijn.

De straat bekeken vanuit een pijnlijke rug

Op een oneffen gedeelte voel ik mijn rug. Lisseth Pérez merkt het en vertraagt. “Pas op”, zegt Lisseth Pérez. “Ik had even niet meer aan je rug gedacht.” De straat ziet er voor een gezonde wandelaar misschien probleemloos uit. Voor iemand met rugklachten, een beperkte mobiliteit of evenwichtsproblemen voelt hetzelfde traject anders. Losse tegels, trappen, hellingen en beschadigde bestrating kunnen bepalen of een route haalbaar is. Steden worden nog te vaak ontworpen voor een denkbeeldige gemiddelde gebruiker die snel loopt, goed ziet, zonder pijn beweegt en gemakkelijk een trap neemt. In werkelijkheid gebruiken kinderen, ouderen, personen met een handicap, ouders met kinderwagens en mensen met tijdelijke blessures dezelfde ruimte. Toegankelijkheid mag daarom geen correctie achteraf zijn. Ze moet vanaf het begin deel uitmaken van elk stadsproject. Een wijk die van iedereen wil zijn, moet ook door iedereen gebruikt kunnen worden.

De Kersbeeklaan en het oudere Vorst

Via de Kersbeeklaan komen we in een ouder gedeelte van de gemeente. De moderne gevels van de Bervoetswijk maken plaats voor historische woningen, kleine voortuinen en straten met meer individuele architectuur. “Dit is een heel groene omgeving”, zegt Lisseth Pérez. “Het is aangenaam om hier te wonen.” Ik kijk naar de oude gevels. “Nieuwe gebouwen hebben voordelen, maar oude huizen hebben een bijzondere uitstraling. Ze lijken ook heel stevig.” Ik vertel dat mijn eigen woning meer dan honderd jaar oud is. Lisseth Pérez kijkt naar de huizen en knikt. Oudere woningen brengen uitdagingen mee. Ze moeten worden geïsoleerd en aangepast aan hedendaags comfort. Toch bevatten ze materialen, details en verhoudingen die moeilijk opnieuw te bouwen zijn. Stadsvernieuwing hoeft daarom niet te betekenen dat alles wordt afgebroken. Renovatie kan historische waarde behouden en tegelijk het energiegebruik verminderen. Vorst ontleent een groot deel van zijn karakter aan de nabijheid van verschillende tijdslagen. Moderne woonblokken, oude arbeiderswoningen, industriegebouwen en monumentale publieke gebouwen liggen op wandelafstand van elkaar.

“Danse ta vie” in het straatbeeld of “Danse la ville”

Onderweg valt een eenvoudige boodschap op die met krijt op de gevel is geschreven: “Danse ta vie”, letterlijk vertaald als “Dans je leven”. Naast de woorden groeit een hoge bloem omhoog, waardoor het opschrift en de omgeving bijna vanzelf één beeld vormen. Het is geen groot monument of officieel kunstwerk, maar een kleine, spontane boodschap die de aandacht trekt tijdens onze wandeling. Lisseth Pérez en ik blijven er even bij stilstaan en maken een foto. De woorden passen opvallend goed bij Vorst, een gemeente die voortdurend in beweging is. Tussen nieuwe woonprojecten, historische straten, bouwkranen, culturele plannen en een verlaten fabriek lijkt “Danse ta vie” bijna een uitnodiging om mee te bewegen met de veranderingen, zonder het dagelijkse leven en de mensen achter die veranderingen uit het oog te verliezen.Jawel: “Danse la ville”!

“Dan krijg je de tekst en de omgeving samen.” Ik maak een foto van Lisseth Pérez en daarna wisselen we van plaats. “Met het hele lichaam”, zegt Lisseth Pérez. “Niet alleen van dichtbij.” De woorden passen bij Vorst. De gemeente beweegt niet in een rechte lijn. Op sommige plaatsen gaat de verandering razendsnel en verschijnen voortdurend nieuwe gebouwen. Op andere plaatsen wachten verlaten panden al jaren op een bestemming. De stad maakt een stap vooruit, botst op weerstand, zoekt een nieuwe richting en probeert opnieuw haar evenwicht te vinden. “Danse la ville” wordt daardoor bijna een opdracht: verander, maar verlies het ritme van de bewoners niet.

Het gemeentehuis dat aan de Oscars doet denken

Wanneer we het centrum naderen, wijst Lisseth Pérez naar het gemeentehuis. De monumentale gevel en goudkleurige details vallen onmiddellijk op. “Dit lijkt wel een gebouw waar de Oscars worden uitgereikt”, zeg ik. Lisseth Pérez lacht. “Het lijkt inderdaad goud.” Rond het gemeentehuis komen verschillende functies samen. Er zijn winkels, de post, de kerk, het Sint-Denijsplein en de markt. “Dit is het centrum van Vorst”, zegt Lisseth Pérez. “Gisteren was hier markt en vandaag is er een rommelmarkt.” Het plein wordt niet door één activiteit bepaald. Op verschillende dagen verandert het van functie. Dat maakt het tot een echte publieke ruimte. Tegelijk is het centrum een grote werf. Straten worden opgebroken, doorgangen verplaatst en bouwzones afgeschermd. De heraanleg moet het Sint-Denijsplein opnieuw tot een aantrekkelijke ontmoetingsplaats maken, met meer bomen, ruimte voor voetgangers, beter waterbeheer en toegankelijke tramhaltes. Tijdens de werken ervaren bewoners en handelaars vooral hinder. Dat is het moeilijke tussenstadium van elke stadsvernieuwing. Het oude functioneert niet meer volledig en het nieuwe is nog niet zichtbaar. Een gemeente moet in die periode niet alleen bouwen, maar ook uitleggen, luisteren en zorgen dat winkels en woningen bereikbaar blijven.

Weinig restaurants in een gemeente die snel groeit

Tijdens de lange wandeling valt op dat het horeca-aanbod in grote delen van Vorst beperkt is. Er zijn wel eetgelegenheden en cafés, maar ze liggen verspreid en in verschillende woonwijken zijn nauwelijks restaurants of terrassen te vinden. “Hier zijn niet zoveel restaurants”, zegt Lisseth Pérez wanneer we opnieuw door een overwegend residentiële omgeving lopen. “Op sommige plaatsen heb je woningen en bedrijven, maar bijna geen plek waar mensen rustig iets kunnen eten of drinken.” Dat tekort wordt zichtbaarder naarmate Vorst verder groeit. Nieuwe woningen brengen nieuwe bewoners mee, culturele projecten trekken bezoekers aan en de herontwikkeling van het Sint-Denijsplein moet meer mensen naar het centrum brengen. Wanneer het aanbod aan restaurants, cafés en toegankelijke ontmoetingsplaatsen niet mee evolueert, dreigen bewoners voor een eenvoudige maaltijd of een afspraak telkens naar een andere Brusselse gemeente te moeten reizen. Horeca vervult bovendien een bredere rol dan alleen eten en drinken. Een café of restaurant kan een ontmoetingsplaats zijn voor buren, bezoekers, verenigingen en mensen die na een voorstelling, markt of vergadering nog willen napraten. Vooral rond station Vorst-Oost, de Bervoetswijk en bepaalde residentiële straten is het aanbod opvallend dun. De toekomstige culturele pool ABŸ en de herontwikkeling van de voormalige Audi-site kunnen kansen bieden om daar verandering in te brengen. Daarbij moet wel ruimte blijven voor betaalbare, lokale en onafhankelijke zaken. Een gemeente heeft weinig aan uitsluitend exclusieve restaurants die voor een groot deel van de bevolking onbereikbaar zijn. De heruitvinding van Vorst vraagt daarom ook om een gevarieerd horeca-aanbod dat past bij de diversiteit van de bewoners en bezoekers.

oplus_2097152

De Abdij van Vorst krijgt een nieuwe toekomst

Boven de site van de Abdij van Vorst steken bouwkranen uit. “Daar komt de muziekacademie”, zegt Lisseth Pérez. Ze volgt zelf lessen binnen het Brusselse academienetwerk en heeft gevraagd of een overstap naar Vorst mogelijk is. “Dat zou voor mij veel gemakkelijker zijn”, zegt Lisseth Pérez. “Dan hoef ik niet telkens naar een andere kant van Brussel.” De abdijsite wordt ontwikkeld tot de culturele pool ABŸ. In het gerestaureerde complex komen onder meer de Academie voor Muziek, Dans en Woordkunsten, een bibliotheek, een spelotheek, ruimten voor jongeren en verenigingen, een caférestaurant en een voorstellingszaal. “Kunnen we naar binnen?”, vraag ik. Een groot deel van de site is door de werken afgesloten. “Nu nog niet”, antwoordt Lisseth Pérez. “Maar wanneer alles klaar is, kan dit een heel belangrijke plaats worden.” De toekomst van ABŸ zal niet alleen worden bepaald door de schoonheid van de restauratie. De doorslaggevende vraag is wie de site zal gebruiken. Krijgen kinderen uit de omliggende buurten er toegang tot muzieklessen? Kunnen lokale verenigingen er betaalbaar samenkomen? Voelen jongeren zich er welkom? Een culturele investering wordt pas werkelijk publiek wanneer de deuren ook openstaan voor mensen die niet vanzelf hun weg naar een academie, bibliotheek of theater vinden.

Van middeleeuwse feesten naar Audi Brussels

Lisseth Pérez vertelt dat rond de abdijsite ook middeleeuwse festiviteiten worden georganiseerd. “Dat is echt de moeite waard”, zegt Lisseth Pérez. “Je moet daarvoor eens terugkomen.” Niet veel verder doemen de gebouwen van Audi Brussels op. De overgang is opvallend. Historisch erfgoed, een kerk, een plein en een voormalige autofabriek liggen bijna naast elkaar. “Is dat daar Audi?”, vraag ik. “Ja”, antwoordt Lisseth Pérez. “De productie is gestopt, maar alle gebouwen staan er nog.” We besluiten dichterbij te gaan. Terwijl we verder wandelen, valt opnieuw op hoe weinig plaatsen er in deze omgeving zijn waar bezoekers even kunnen zitten of iets kunnen eten. “Voor jou is dit allemaal nieuw”, zegt Lisseth Pérez. “Voor mij is het gewoon de plaats waar ik woon.” Die zin maakt het verschil duidelijk tussen een bezoeker en een bewoner. Wat ik als een ontdekking beschouw, is voor Lisseth Pérez het dagelijkse decor.

Stilte achter de hekken van Audi Brussels

Hoe dichter we bij Audi Brussels komen, hoe groter de gebouwen lijken. De site strekt zich veel verder uit dan vanuit het centrum zichtbaar is. “Gaat het nog verder?”, vraag ik. “Veel verder”, antwoordt Lisseth Pérez. “Het is enorm.” We blijven voor de omheining staan. Achter de hekken liggen grote hallen en uitgestrekte terreinen. Er is nauwelijks beweging. “Het voelt verontrustend”, zeg ik. “Hier werkten zoveel mensen.” Lisseth Pérez kijkt naar de gebouwen. De sluiting van Audi Brussels betekende niet alleen dat een fabriek stopte. Duizenden werknemers verloren hun werk en ook leveranciers en onderaannemers werden getroffen. Achter elk cijfer zit een gezin dat plots zijn zekerheid verloor. De stilte op de site is daardoor zwaar. Een verlaten fabriek kan snel worden voorgesteld als een kans voor stadsontwikkeling, maar elke toekomstige visie moet beginnen met de erkenning van wat hier verloren is gegaan.

oplus_2097152

“Ik koop het voor één euro”

Om de zwaarte even te doorbreken, maak ik een grap. “Ik ga de fabriek kopen”, zeg ik. “Symbolisch voor één euro. Dan maken we hier een groot centrum voor de Europese Beweging.” Lisseth Pérez lacht en speelt mee. “Er is in elk geval genoeg plaats.” We beginnen ons voor te stellen wat op het terrein mogelijk zou zijn. Lisseth Pérez denkt aan groen, ruimte voor kinderen, recreatie en toerisme. Ik denk aan vergaderzalen, opleidingen, internationale samenwerking en nieuwe economische activiteiten. Voor een lege fabriek is dromen gemakkelijk. De moeilijke opdracht bestaat erin een plan te maken dat sociaal, economisch en ecologisch standhoudt. De site van ongeveer 53 hectare biedt uitzonderlijke mogelijkheden. Er zijn spoorverbindingen, energie-infrastructuur en grote bestaande gebouwen. Tegelijk ligt het terrein in een gebied dat gevoelig is voor wateroverlast en vormt de fabriek een lange fysieke barrière tussen verschillende delen van Vorst en Anderlecht. De toekomstige invulling moet daarom meer doen dan nieuwe gebouwen neerzetten. Ze moet verbindingen creëren, water ruimte geven en opnieuw werkgelegenheid brengen.

Geen woonwijk zonder werk

Brussel heeft dringend woningen nodig, maar dat betekent niet dat de volledige Audi-site in appartementen moet veranderen. Vorst en het hele Brusselse Gewest hebben ook plaatsen nodig waar producten worden gemaakt, hersteld, verwerkt en ontwikkeld. De sluiting van Audi Brussels toont hoe kwetsbaar een lokale economie wordt wanneer duizenden werknemers afhankelijk zijn van één groot bedrijf. Een toekomstige ontwikkeling kan beter ruimte bieden aan verschillende ondernemingen, opleidingen, circulaire productie, onderzoek en logistiek. Bestaande hallen moeten daarbij niet automatisch worden afgebroken. Hergebruik kan grondstoffen besparen en een deel van de industriële geschiedenis bewaren. Niet elk gebouw zal geschikt zijn voor een nieuwe functie, maar een volledige tabula rasa zou de herinnering aan generaties werknemers uitwissen. “Je kunt hier zoveel doen”, zegt Lisseth Pérez. “Maar ze moeten wel nadenken over wat de buurt nodig heeft.” Dat is de kern. Een plan van deze schaal mag niet uitsluitend worden bepaald door de hoogste grondprijs of het grootste financiële rendement. Bewoners, voormalige werknemers, ondernemingen en lokale verenigingen moeten vroeg bij de keuzes worden betrokken.

Kleine beschadigingen vertellen een groot verhaal

Tijdens de terugweg wijst Lisseth Pérez op een recent aangelegd onderdeel van de publieke ruimte dat al beschadigd is. “Dit ligt hier nog geen halfjaar en het is nu al kapot”, zegt Lisseth Pérez geïrriteerd. Op andere plaatsen zien we afval, graffiti en bestrating waarop voertuigen schade hebben veroorzaakt. “Ze kunnen alles mooi vernieuwen”, zegt Lisseth Pérez, “maar wanneer het daarna niet wordt onderhouden, gaat het snel achteruit.” De opmerking is terecht. Stadsprojecten worden vaak beoordeeld op de dag waarop ze feestelijk worden geopend. Er worden foto’s gemaakt, toespraken gehouden en linten doorgeknipt. De echte test volgt jaren later. Werken de installaties nog? Worden planten verzorgd? Zijn de voetpaden veilig? Blijven gebouwen betaalbaar? Wordt schade snel hersteld? Onderhoud is minder zichtbaar dan nieuwbouw, maar bepaalt de dagelijkse kwaliteit van een gemeente. Een stad die voortdurend nieuwe projecten opent en bestaande infrastructuur laat verkommeren, bouwt geen duurzame toekomst. Ze verzamelt tijdelijke visitekaartjes.

Een oude dorpskern in een grootstedelijke gemeente

Wanneer we opnieuw richting het Sint-Denijsplein wandelen, wordt zichtbaar hoe dicht de verschillende werelden van Vorst bij elkaar liggen. Binnen een relatief korte afstand lopen we van een duurzame woonwijk langs een natuurlijke bron en een klein station naar historische woningen, een monumentaal gemeentehuis, een abdijwerf en een enorme verlaten fabriek. Vorst wordt soms als een afzonderlijke Brusselse gemeente bekeken, maar de omgeving rond het Sint-Denijsplein heeft nog altijd iets van een dorpskern. Kerk, plein, gemeentehuis, markt en abdij vormen samen een herkenbaar centrum. Tegelijk staat de voormalige Audi-fabriek bijna in de achtertuin. Vorst is daardoor zowel dorp als industriestad, zowel woonplaats als mobiliteitsknooppunt, zowel historische gemeente als grootstedelijke ontwikkelingszone. Die veelheid mag door de vernieuwing niet worden gladgestreken. Een centrum met alleen uniforme terrassen, dure appartementen en zorgvuldig geselecteerde winkels zou levendig kunnen lijken zonder werkelijk divers te zijn. Markten, rommelmarkten, kleine handelszaken en spontane ontmoetingen moeten hun plaats behouden. Het beperkte aantal restaurants en cafés maakt duidelijk dat er nog ruimte is voor lokale horeca die bewoners en bezoekers samenbrengt. Een plein wordt niet openbaar omdat het zo in een plan staat. Het wordt openbaar wanneer verschillende mensen er werkelijk kunnen zijn zonder eerst iets te moeten kopen.

Een stad wordt tijdens het wandelen begrijpelijk

Beleidsdocumenten verdelen een gemeente in afzonderlijke thema’s: mobiliteit, huisvesting, water, energie, cultuur en economie. Tijdens een wandeling lopen al die onderwerpen voortdurend door elkaar. Een gemeenschappelijke tuin gaat tegelijk over wonen, biodiversiteit, kinderen, toegankelijkheid en sociale contacten. Een station gaat over mobiliteit, maar ook over veiligheid en de vraag of mensen in de buurt een betaalbare woning vinden. Een abdij gaat over erfgoed, maar ook over muziekles, jeugdwerk, ontmoeting en horeca. Een fabriek gaat over werk, maar eveneens over water, energie, grondgebruik en collectief geheugen.

Vorst verandert zonder zichzelf uit te wissen

Het is verleidelijk om te zeggen dat Vorst van een industriële gemeente verandert in een groene woon- en cultuurgemeente. Dat beeld is te eenvoudig. Industrie is niet alleen verleden tijd. Op de Audi-site moet opnieuw plaats komen voor economische activiteiten en productieve werkgelegenheid. De oude woonstraten verdwijnen niet en de nieuwe wijken zijn nog niet voltooid. Het centrum wordt vernieuwd terwijl bewoners en handelaars er dagelijks blijven leven. De abdij krijgt een nieuwe functie zonder haar historische betekenis volledig te verliezen. Vorst vindt zichzelf daarom niet opnieuw uit door alles af te breken. Vorst herschikt wat er al is. Voormalige industriegrond wordt woonruimte. Een bron die lang onzichtbaar was, krijgt opnieuw een plaats tussen gebouwen. Een abdij wordt een culturele pool. Een moeilijk herkenbare stationsingang kan een belangrijkere mobiliteitsschakel worden. Een gesloten autofabriek kan opnieuw een plaats van werk en innovatie worden. Straatnamen houden de herinnering aan Marguerite Bervoets en Toots Thielemans levend.

“Het is tijd om je leven te veranderen”

Op een bepaald moment vraag ik hoe laat het is. Het gesprek neemt een onverwachte wending. “Het is tijd om je leven te veranderen”, klinkt het. Het is een speelse zin, maar hij past bij de gemeente waarin we wandelen. Een stad kiest niet op één bepaald uur om haar leven te veranderen. Verandering gebeurt voortdurend. Een fabriek sluit. Een woning wordt opgeleverd. Een kind speelt voor het eerst in een gemeenschappelijke tuin. Een bewoner schrijft zich in voor een taalcursus. Een oud plein wordt opgebroken en later opnieuw geopend. Een bron vindt een weg tussen gebouwen. De richting van die verandering wordt bepaald door politieke keuzes, investeerders, bewoners, verenigingen, werknemers en bezoekers. De grootste fout zou zijn te denken dat heruitvinden alleen over architectuur gaat. De echte vraag is of bewoners de verandering als de hunne kunnen ervaren. “Dit is onze wijk”, zei Lisseth Pérez aan het begin van de wandeling. Na uren kijken, lopen en praten blijkt dat de kern van het verhaal. Vorst slaagt pas in zijn heruitvinding wanneer zowel oude als nieuwe bewoners kunnen zeggen dat de gemeente ook van hen is. Niet als slogan, maar omdat ze toegang hebben tot een woning, onderwijs, cultuur, werk, groen, mobiliteit en een publieke ruimte waarin ze werkelijk welkom zijn.

Vorst is nog lang niet afgewerkt

Wie met Lisseth Pérez door Vorst wandelt, ziet geen afgewerkte voorbeeldstad. Men ziet een gemeente op de werf. Soms is Vorst rommelig, soms verrassend mooi, soms onzeker en soms bijzonder ambitieus. Men hoort bouwmachines en zingende voetbalsupporters. Men ziet kippen tussen appartementen en water tussen straatstenen. Men wandelt van een gedenkplaat voor Marguerite Bervoets naar een centrum waar nog ruimte is voor meer restaurants, cafés en ontmoetingsplaatsen. Uiteindelijk staat men voor een fabriek die groot genoeg is om een volledig nieuw hoofdstuk voor Brussel te dragen. Vorst zoekt niet naar één nieuw gezicht. De gemeente probeert met al haar verschillende gezichten verder te leven. Juist daarin ligt de werkelijke heruitvinding van Vorst.

Andy Vermaut +32499357495