Vijftigduizend sociale huurwoningen voor Vlaanderen, maar wie geraakt er nog aan een huis?

7 december 2025
Studiedag over wonen in Tienen
Vorige week kwamen vertegenwoordigers van steden en gemeenten in Tienen samen voor een studiedag over het woonbeleid in Vlaanderen, georganiseerd door de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten. Voor het luik sociaal wonen nam Joris Hindryckx, schepen in Houthulst en voorzitter van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst, het woord namens de lokale besturen. Hij legde uit hoe sociaal huren vandaag een cruciale rol speelt voor mensen en gezinnen die de stijgende woonkosten op de private markt niet meer kunnen dragen.
Volgens zijn analyse schuift de samenleving verder uit elkaar. Terwijl een beperkte groep zeer vermogende mensen steeds nadrukkelijker aanwezig is in de media en het publieke beeld, wordt wonen voor een groeiende groep minder haalbaar. De studiedag maakte duidelijk hoe sterk woonbeleid samenhangt met de manier waarop Vlaanderen met inkomen, kansen en bescherming omgaat.
Een middenklasse onder druk
Joris Hindryckx schetste een evolutie die veel gezinnen herkennen. Een vorige generatie kon vaak een huis bouwen op een perceel van tien are, terwijl jongeren nu al blij zijn als ze op twee are terechtkunnen. Dat wordt vaak verantwoord met verwijzingen naar de omgeving en de ecologische voetafdruk, maar voor wie op zoek is naar een betaalbare woning voelt het ook als inleveren.
Ook op andere terreinen ziet hij een verschuiving. Waar sommige ouders nog op vijfenvijftigjarige leeftijd konden stoppen met werken, lijkt het voor de huidige jongeren vanzelfsprekend dat ze tot om en bij de zeventig jaar professioneel actief zullen blijven. De vergrijzing geldt dan als verklaring, maar in de praktijk betekent het dat veel mensen langer moeten blijven werken om dezelfde basiszekerheid te behouden. In zijn lezing gebruikte hij daarvoor het beeld van een Vlaanderen dat armer wordt, zeker voor wie geen ruime financiële reserve heeft.
Sociale bescherming op de proef
Die evolutie raakt volgens Joris Hindryckx ook de manier waarop er naar sociale bescherming wordt gekeken. In het strafrecht geldt het vermoeden van onschuld tot het tegendeel bewezen is. In het sociaal beleid ervaart hij eerder het omgekeerde: steeds vaker moeten mensen aantonen dat ze het echt nodig hebben.
Vragen als “heb je wel recht op pensioen als je nog zou kunnen werken?” of “ben je wel echt ziek als je thuisblijft?” klinken steeds luider. In dezelfde beweging wordt de toets strenger voor werkzoekenden: wie geen job vindt, krijgt sneller de vraag of hij wel genoeg inspanningen levert. Een breed sociaal beleid komt daardoor onder druk te staan. Uiteindelijk blijven vooral mensen over van wie niemand ernstig kan betwisten dat ze ziek zijn, invalide zijn, geen reële kansen hebben op de arbeidsmarkt of een leeftijd hebben bereikt waarop werken niet meer haalbaar is.
Volgens Joris Hindryckx zijn dit geen louter spontane maatschappelijke verschuivingen. Het gaat ook om politieke keuzes. Juist daarom vindt hij het essentieel om te blijven opkomen voor sociale vangnetten die per dossier worden beoordeeld. Instrumenten zoals het leefloon horen volgens hem bij een waardige samenleving, omdat ze gekoppeld zijn aan een individueel dossier en duidelijke afspraken om problemen stap voor stap aan te pakken. Voor sociaal huren geldt hetzelfde: achter elke aanvraag staat een mens of een gezin dat zelf geen onderdak meer kan betalen op de gewone woningmarkt.

Nieuwe woonmaatschappijen per regio
Tot voor kort bestonden er in Vlaanderen verschillende sociale huisvestingsmaatschappijen en sociale verhuurkantoren die actief waren op hetzelfde grondgebied. Die structuur is nu grondig aan het wijzigen. In het kader van de regiovorming wordt er per regio, zoals de Westhoek, nog één woonmaatschappij behouden. Die nieuwe entiteiten kunnen zowel eigen woningen verhuren als woningen inhuren op de markt om die verder te verhuren aan sociale huurders.
Het democratisch anker van deze woonmaatschappijen blijft volgens Hindryckx bij de gemeentebesturen en het provinciebestuur liggen. Daar zitten de mandatarissen die de lokale noden kennen en de afweging maken tussen ruimtelijke planning, budgetten en sociale doelstellingen.
Het Bindend Sociaal Objectief tot 2042
De Vlaamse overheid legt steden en gemeenten, met enige mogelijkheid tot verschuiving binnen de regio, een Bindend Sociaal Objectief op. De huidige planperiode loopt af en er komt een nieuw doel voor de jaren 2026 tot en met 2042, met evaluatiemomenten onderweg. Volgens de informatie die op de studiedag werd gedeeld, zouden er in die periode ongeveer vijftigduizend extra sociale huurwoningen bijkomen.
Hoe die opdracht wordt verdeeld over de gemeenten is het resultaat van een berekening met verschillende gegevens: een nulmeting van de huidige situatie, de verwachte bevolkingsgroei, de ontwikkeling van de doelgroep, de ruimtelijke mogelijkheden en de lokale woningmarkt. Uiteindelijk moet in elke gemeente tussen drie en negen procent van het totale woningenbestand uit sociale huurwoningen bestaan. Gemeenten die daarboven uitkomen, worden niet afgeremd.
Omdat sociale verhuring niet tegen marktconforme prijzen kan gebeuren, kunnen woonmaatschappijen onder meer lenen bij de overheid met een negatieve rente. Het doel van vijftigduizend bijkomende woningen en de beschikbare financiering moeten volgens Hindryckx in balans blijven, omdat het om twee kanten van dezelfde medaille gaat. Gemeenten die hun objectief niet halen, worden geconfronteerd met een verplichting om een gelijkwaardig aantal woonpremies te betalen.
Voor de schepen is het niet alleen een wettelijke opdracht, maar ook een morele verantwoordelijkheid om die doelstelling te realiseren. Hij vermoedt dat vijftigduizend extra sociale huurwoningen uiteindelijk lager zal liggen dan de totale groei van het aantal woongelegenheden tegen 2042, wat betekent dat het aandeel sociale huur niet vanzelf toeneemt.
Spreiding en regionale verantwoordelijkheid
Binnen een regio kunnen gemeenten afspraken maken over de verdeling van de extra sociale huurwoningen. Toch blijft dat in de praktijk gevoelig. Het toewijzingscriterium lokale binding weegt zwaar: veel lokale mandatarissen willen in de eerste plaats zorgen voor inwoners met een band met de eigen gemeente.
Toch vindt Joris Hindryckx dat de eerste stappen naar een gedeelde regionale verantwoordelijkheid betekenisvol zijn. Op klein niveau pleit hij voor spreiding van sociale huurwoningen. Afzonderlijke wijken waar bijna uitsluitend sociale huurders wonen, acht hij niet langer wenselijk. Elke buurt heeft nood aan sterk sociaal kapitaal, en een gevarieerd aanbod van woningen en bewoners kan daar volgens hem toe bijdragen.
Tegelijk ziet hij mogelijke voordelen in een sterkere toewijzing op regioniveau. Veel kleinere gemeenten rekenen op voorzieningen zoals cinema, zwembad en scholen in een nabijgelegen centrumstad. Dat roept op termijn de vraag op of een gelijkmatige spreiding van sociale huurwoningen over alle gemeenten altijd haalbaar en nuttig blijft.
Stadsrand, stadscentrum en internationale voorbeelden
Vlaanderen kent gebieden waar de wijken met hogere inkomens vooral in de buitenrand liggen en de kern van de stad vaker met armoede te maken krijgt. Dat patroon is echter niet overal hetzelfde. In andere landen ziet men geregeld een omgekeerd beeld, waarin de buitenwijken arm zijn en het centrum zeer welvarend is.
Joris Hindryckx verwees onder meer naar New York, waar Manhattan niet aan de rand ligt en wonen aan Central Park tot de duurste plekken ter wereld behoort. Zulke voorbeelden tonen aan hoe uiteenlopend woonpatronen kunnen zijn. Voor Vlaanderen betekent dit volgens hem dat sociaal huren altijd in verband moet worden gebracht met het brede woonbeleid.
Het Bindend Sociaal Objectief is daarbij slechts één onderdeel. De manier waarop ruimtelijke ordening, mobiliteit, energie en sociale maatregelen samen vorm krijgen, zal uiteindelijk bepalen of wonen betaalbaar en leefbaar blijft voor gezinnen in steden, dorpen en landelijke regio’s.
In dit verhaal staat één vraag centraal: hoe zorgt Vlaanderen ervoor dat mensen met een bescheiden inkomen in 2042 nog een degelijk dak boven het hoofd hebben in een buurt waar ze zich thuis voelen, zonder dat ze daar levenslang mee worstelen?
Wie de studiedag in Tienen bekijkt door de bril van gezinnen die vandaag op een wachtlijst staan, ziet vooral het spanningsveld tussen ambitie op papier en de dagelijkse realiteit. Vijftigduizend extra sociale huurwoningen klinken indrukwekkend, maar de echte toets komt bij gezinnen die nu al jaren wachten op nieuws over een betaalbare woning. De manier waarop gemeenten, regio’s en Vlaanderen samen deze opdracht waarmaken, zal tonen of het woonbeleid werkelijk in de richting van die mensen buigt.
Bronnen:
VVSG
Gemeente Houthulst
Joris Hindryckx, schepen voor sociale zaken, voorzitter BCSD, gezondheidsbeleid, huisvesting, noord-zuid, onderwijs
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


