Wanneer een minister veroordeelt vóór de rechter spreekt, staat de democratie terecht

Jeong Seong-ho, minister van Justitie van Zuid-Korea, komt onder internationaal vuur te liggen nadat hij zich publiek uitsprak over de bestraffing van de 95-jarige Lee Man-hee terwijl de rechter nog geen definitief oordeel heeft geveld.
17 juli 2026
Vanuit Europa is het nauwelijks te bevatten. Een man van 95 jaar, die een groot deel van zijn leven heeft gewijd aan religie, vredeswerk en internationale contacten, zit in Zuid-Korea in voorlopige hechtenis. Lee Man-hee, voorzitter en oprichter van Shincheonji Church of Jesus, wordt ervan beschuldigd dat hij tienduizenden gelovigen onder druk zou hebben gezet om lid te worden van de conservatieve People Power Party. De beschuldiging is ernstig en moet onafhankelijk worden onderzocht. Maar zij is nog niet bewezen. Toch heeft minister van Justitie Jeong Seong-ho al publiek verklaard dat een strenge straf onvermijdelijk zou zijn. Daarmee heeft hij een grens overschreden die geen enkele minister in een democratische rechtsstaat mag overschrijden. Een minister mag wetten verdedigen, het beleid toelichten en algemene beginselen uiteenzetten. Hij mag niet vooraf vastleggen welke straf een individuele verdachte moet krijgen.
Een beschuldiging is nog geen veroordeling
Lee Man-hee werd op woensdag 24 juni 2026 aangehouden. De rechtbank verwees naar het mogelijke risico dat bewijsmateriaal zou verdwijnen. Onderzoekers stellen dat hij tussen 2021 en 2024 een campagne zou hebben geleid waarbij ruim 50.000 leden van Shincheonji zich bij de People Power Party aansloten om invloed uit te oefenen op interne partijverkiezingen, de presidentsverkiezingen van 2022 en de parlementsverkiezingen van 2024. Shincheonji ontkent dat leden werden gedwongen. Lee heeft geen veroordeling opgelopen in deze zaak. Dat onderscheid behoort de basis te zijn van iedere ernstige berichtgeving en van ieder optreden door de overheid. Een beschuldiging is een aanleiding voor onderzoek. Zij is geen toestemming om iemand reeds als schuldige te behandelen. (Reuters)
De rechtsstaat bestaat juist om te verhinderen dat verdenking, publieke afkeer en politieke macht samenvallen. Wanneer dat wel gebeurt, wordt een rechtszaak een ritueel waarvan de uitkomst vooraf bekend lijkt. Dan dient het proces niet langer om de waarheid vast te stellen, maar om een politieke uitspraak te bevestigen. Het vermoeden van onschuld is geen beleefdheidsregel voor advocaten. Het is een dam tegen willekeur. Ook de Zuid-Koreaanse rechtsorde erkent dat niet-veroordeelde gedetineerden als onschuldig moeten worden behandeld. De grondwet garandeert bovendien vrijheid van geweten, godsdienst, meningsuiting, vereniging en politieke deelname. (elaw.klri.re.kr)
Europa begrijpt deze benadering niet
Wij kunnen ons in Europa moeilijk voorstellen dat iemand in de cel zou belanden louter omdat hij een politieke voorkeur uitspreekt, zijn toehoorders aanspoort om te stemmen of verklaart welke partij volgens hem de beste keuzes maakt. Een priester mag zeggen dat hij een christendemocratische, liberale, socialistische, conservatieve of groene kandidaat steunt. Een imam mag zijn mening geven over verkiezingen. Een rabbijn mag zijn visie uitspreken over partijen, veiligheid, onderwijs of buitenlands beleid. Een dominee, monnik, pastoor, humanistisch spreker of religieuze leider verliest zijn burgerrechten niet wanneer hij een spreekgestoelte betreedt.
Dat betekent niet dat alles is toegestaan. Dwang, bedreiging, fraude, omkoping, geheime financiering of misbruik van persoonlijke gegevens kunnen strafbaar zijn. Een religieuze leider mag zijn gezag niet gebruiken om mensen met geweld of intimidatie tot partijlidmaatschap te dwingen. Maar het uitdragen van een politieke voorkeur is iets anders. Het oproepen om te stemmen is iets anders. Het adviseren van gelovigen is iets anders. Het organiseren van burgers rond een maatschappelijk doel is iets anders. Een democratie moet die verschillen blijven zien.
In België kan iemand niet rechtmatig worden opgesloten alleen omdat hij als priester, imam, rabbijn of andere religieuze leider een politieke voorkeur verkondigt. Artikel 19 van de Belgische Grondwet waarborgt zowel de vrije openbare uitoefening van een eredienst als de vrijheid om op ieder gebied een mening te uiten. Misdrijven die tijdens het gebruik van die vrijheid worden gepleegd, kunnen worden bestraft. De mening zelf wordt niet tot misdrijf gemaakt omdat zij uit de mond van een gelovige komt. Het Grondwettelijk Hof beschouwt die bescherming samen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als een samenhangend geheel.
Scheiding betekent geen gedwongen stilzwijgen
De scheiding tussen religie en staat is ook in Europa een wezenlijk beginsel. België kent institutionele neutraliteit en niet-inmenging. De staat benoemt niet zelf de leiders van erediensten en een kerk bestuurt de rechtbanken niet. Burgerlijk recht geldt voor iedereen. Geen enkele geloofsovertuiging kan haar regels boven de wet plaatsen. Maar daaruit volgt niet dat gelovigen uit de publieke ruimte moeten verdwijnen.
Scheiding betekent dat de staat geen geloof oplegt. Zij betekent niet dat de staat gelovigen het zwijgen oplegt. Zij verhindert dat één kerk de overheid bestuurt. Zij verhindert niet dat een priester een politieke mening heeft. Zij beschermt burgers tegen religieuze dwang, maar ook religieuze bewegingen tegen politieke onderwerping. Zij zorgt ervoor dat een minister niet kan bepalen welke leer juist is, welke prediker een ware boodschapper is en welke religieuze leider als een bedrieger moet worden behandeld.
De Raad van Europa heeft herhaaldelijk vastgesteld dat democratie en religie niet elkaars vijanden hoeven te zijn. Religieuze overtuigingen kunnen mensen aanzetten tot inzet tegen armoede, oorlog, racisme, vervolging en sociale uitsluiting. De Europese mensenrechtenregels beschermen het recht om een geloof individueel en samen met anderen, in het openbaar en privé, te belijden. Zij beschermen daarnaast de vrijheid om meningen en ideeën te ontvangen en door te geven. Beperkingen moeten wettelijk voorzien, noodzakelijk en evenredig zijn. (ECHR)
Ook de Zuid-Koreaanse grondwet trekt deze grens. Artikel 20 bepaalt dat alle burgers vrijheid van godsdienst genieten, dat er geen staatsgodsdienst is en dat religie en staat van elkaar gescheiden zijn. Artikel 21 beschermt de vrijheid van meningsuiting, pers, vergadering en vereniging. De grondwet zegt dus niet dat religieuze burgers geen politieke stem hebben. Zij zegt evenmin dat religieuze bewegingen tot een onzichtbaar bestaan achter gesloten deuren zijn veroordeeld.
Een oude Europese les
Europa heeft eeuwen nodig gehad om te begrijpen waarom een overheid zich niet tot meester van het geweten mag uitroepen. Oorlogen tussen geloofsrichtingen, vervolgingen, gedwongen bekeringen, verboden boeken, verbanningen en processen wegens afwijkende overtuigingen hebben diepe wonden nagelaten. De uitweg bestond niet uit het verwijderen van iedere gelovige uit de politiek. De uitweg bestond uit het beperken van dwang.
John Locke stelde in zijn brief over verdraagzaamheid dat de burgerlijke overheid het innerlijke geloof van mensen niet met geweld kan bepalen. Een kerk mocht in zijn benadering evenmin dwingende macht over haar leden uitoefenen. Dat dubbele beginsel blijft wezenlijk: de overheid mag het geweten niet bevelen, en religieuze leiders mogen geen dwang gebruiken. Vrijheid bevindt zich precies tussen die twee verboden. (plato.stanford.edu)
Dat is het onderscheid dat in de Zuid-Koreaanse discussie dreigt te verdwijnen. Wanneer dwang wordt bewezen, moet die worden bestraft. Wanneer burgers vrijwillig een politieke partij kiezen omdat zij luisteren naar een leider die zij vertrouwen, is dat politieke deelname. De staat mag onderzoeken waar overtuiging ophoudt en dwang begint. Hij mag niet zonder bewezen feiten doen alsof elke georganiseerde politieke keuze door gelovigen per definitie een misdrijf is.
De minister en de macht van het voorbarige oordeel
De uitspraken van Jeong Seong-ho zijn daarom zo schadelijk. Hij verklaarde niet alleen dat de feiten moesten worden onderzocht. Hij zei dat een strenge straf onvermijdelijk was. Daarna gebruikte hij Matteüs 7:15, waarin wordt gewaarschuwd voor valse profeten die zich voordoen als schapen maar vanbinnen roofzuchtige wolven zijn. Een minister van Justitie plaatste zo een religieuze verdachte niet alleen in een strafrechtelijk kader, maar sprak tevens een theologisch oordeel over hem uit.
Daarmee doet de minister precies wat hij zegt te willen bestrijden. Hij verwijt een religieuze leider dat deze geloof en politiek zou hebben vermengd, terwijl hij zelf een Bijbelvers inzet in een officiële politieke tussenkomst over een individuele strafzaak. Hij verdedigt de scheiding tussen religie en staat door een verdachte met religieuze taal te veroordelen. Dat is geen consequente neutraliteit. Het is selectief gebruik van geloof door een machthebber die andere gelovigen verwijt dat zij zich in het publieke debat mengen.
Een minister heeft door zijn functie een ander gewicht dan een gewone commentator. Zijn woorden verschijnen niet in een leegte. Aanklagers horen ze. Ambtenaren horen ze. Rechters kennen de publieke discussie. Journalisten nemen ze over. Burgers lezen ze als een boodschap van de overheid. Zelfs wanneer een minister geen rechtstreeks bevel geeft, kan hij een omgeving scheppen waarin vrijspraak, matiging of een alternatieve maatregel als ongewenst wordt gezien.
Wanneer machten elkaar niet langer begrenzen
Montesquieu waarschuwde dat macht de neiging heeft zichzelf uit te breiden en dat vrijheid bescherming nodig heeft doordat macht door andere macht wordt begrensd. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden mogen daarom niet in één hand terechtkomen. Dat beginsel ligt ook aan de basis van de Belgische staatsinrichting.
Jeong Seong-ho heeft geen vonnis uitgesproken in de formele betekenis. Hij kan Lee Man-hee niet persoonlijk veroordelen. Maar de scheiding der machten is niet alleen een schema op papier. Zij vereist terughoudendheid. Een minister van Justitie die de noodzakelijke straf voor een individuele verdachte aankondigt, tast die terughoudendheid aan. Hij betreedt het terrein van de rechter en zet daar een politiek bord neer met de gewenste eindbestemming.
Het is niet voldoende dat rechters juridisch onafhankelijk zijn. De bevolking moet die onafhankelijkheid ook kunnen waarnemen. Wanneer een minister zegt dat een strenge straf onvermijdelijk is, ontstaat de vraag hoeveel ruimte een rechter werkelijk krijgt om tot een andere conclusie te komen. Zelfs wanneer de rechter onafhankelijk handelt, is het vertrouwen reeds beschadigd. Rechtspraak moet niet alleen eerlijk zijn. Zij moet zichtbaar eerlijk verlopen.
Socrates en het gevaar van een wettelijke vergissing
In het Athene van 399 voor Christus werd Socrates op wettige wijze vervolgd wegens goddeloosheid en het bederven van jongeren. Een jury veroordeelde hem ter dood. De procedure had een juridische vorm, maar dat maakte de uitkomst niet rechtvaardig. Zijn kritische vragen waren voor velen een bedreiging geworden. De stad die zichzelf als democratisch beschouwde, schakelde een stem uit die haar ongemakkelijk maakte. (National Hellenic Museum)
Die zaak leert dat een stemming, een rechtbank en een geschreven aanklacht op zichzelf geen garantie vormen tegen onrecht. Democratie vraagt ook om bescheidenheid van de meerderheid, bescherming van afwijkende stemmen en de bereidheid om macht te laten tegenspreken. Zodra een minderheid wordt voorgesteld als een gevaar dat buiten de gewone waarborgen valt, begint het recht zijn beschermende functie te verliezen.
Niemand beweert dat Lee Man-hee een nieuwe Socrates is. De vergelijking gaat niet over personen, maar over een terugkerend patroon. Een samenleving kan een omstreden persoon zo sterk afwijzen dat zij vergeet waarom ook die persoon recht heeft op een onbevooroordeeld proces. Zij kan wettelijke taal gebruiken om een reeds genomen moreel oordeel uit te voeren. Zij kan zichzelf overtuigen dat uitzonderlijke behandeling noodzakelijk is omdat de verdachte door velen wordt gewantrouwd.
Dreyfus en de macht van publieke zekerheid
Europa kent ook het verhaal van Alfred Dreyfus. De Franse officier werd in 1894 wegens verraad veroordeeld. Zijn Joodse afkomst, een vijandige pers, institutionele zelfbescherming en geheim bewijs droegen ertoe bij dat de beschuldiging als waarheid werd behandeld. Pas in 1906 werd hij volledig vrijgepleit. Frankrijk herdenkt zijn rehabilitatie vandaag als een waarschuwing tegen antisemitisme, staatsfouten en publieke veroordeling vóór een eerlijke beoordeling van de feiten.
De les van Dreyfus is niet dat iedere vervolgde religieuze leider onschuldig is. De les is dat instellingen feilbaar zijn. Ministers kunnen dwalen. Aanklagers kunnen zich vastbijten in een theorie. Media kunnen een verdachte herleiden tot een etiket. Een meerderheid kan zekerheid voelen zonder dat het bewijs die zekerheid draagt. Juist daarom bestaan beroepsprocedures, onafhankelijke rechters, verdediging, openbaarheid en het vermoeden van onschuld.
Wanneer een minister een Bijbelvers gebruikt om een religieuze leider als een valse profeet voor te stellen, maakt hij van de persoon een symbool van kwaad. Vanaf dat ogenblik wordt het voor burgers moeilijker om nog onderscheid te maken tussen een feitelijke beschuldiging en een algemene afwijzing van diens religie. De persoon wordt niet langer beoordeeld op wat bewijsbaar is, maar op wat men over zijn beweging denkt.
Schuld door lidmaatschap
Tijdens de Amerikaanse jacht op vermeende communisten in de jaren vijftig verloren mensen hun baan en reputatie nadat zij publiek waren beschuldigd, soms zonder deugdelijk bewijs. Niet alleen concrete daden werden onderzocht. Contacten, lidmaatschappen, vroegere uitspraken en vermoedelijke sympathieën werden gebruikt om mensen verdacht te maken. Het begrip schuld door associatie werd een wapen.
Een soortgelijk risico ontstaat wanneer alle leden van een religieuze beweging worden voorgesteld als onderdelen van één politiek apparaat. Burgers kunnen dezelfde geloofsovertuiging delen en toch uiteenlopende politieke keuzes maken. Zelfs wanneer een leiding aanbevelingen geeft, bewijst dat nog niet dat iedere individuele keuze onder dwang tot stand kwam. Om dwang vast te stellen, moet worden onderzocht welke druk is uitgeoefend, welke gevolgen aan weigering waren gekoppeld, welke instructies bestonden en hoeveel beslissingsruimte de betrokken personen behielden.
Het getal van ruim 50.000 klinkt indrukwekkend en kan de publieke verbeelding domineren. Maar een groot getal is geen zelfstandig bewijs van dwang. Ook vakbonden, werkgeversorganisaties, milieubewegingen, beroepsverenigingen en kerken kunnen grote groepen mensen overtuigen om een bepaalde politieke richting te steunen. Democratische politiek bestaat voor een belangrijk deel uit georganiseerde overtuiging. De juridische vraag is niet hoeveel mensen dezelfde keuze maakten. De vraag is hoe die keuze tot stand kwam.
De druk om mee te gaan
Onderzoek van Solomon Asch liet zien dat mensen soms een zichtbaar fout antwoord overnemen wanneer de rest van een groep unaniem datzelfde antwoord geeft. Zodra één persoon afwijkt, neemt de druk aanzienlijk af. Dat inzicht is ook van belang voor het publieke debat rond strafzaken. Wanneer minister, aanklager, media en politieke meerderheid dezelfde conclusie herhalen, wordt tegenspraak steeds moeilijker. Niet omdat de conclusie noodzakelijk juist is, maar omdat afwijking sociaal kostbaar wordt.
Daarom is institutionele terughoudendheid noodzakelijk. Een minister moet geen extra druk toevoegen aan een situatie waarin een verdachte reeds tegenover politie, openbaar ministerie, media en publieke afkeer staat. Zijn taak is niet de menigte naar een veroordeling te leiden. Zijn taak is het wettelijke kader te beschermen waarin ook een impopulaire verdachte zijn rechten behoudt.
Woorden van gezagsdragers veranderen de manier waarop mensen verantwoordelijkheid beleven. Wanneer de hoogste politieke bestuurder van Justitie verklaart dat bestraffing onvermijdelijk is, kunnen anderen hun eigen kritische beoordeling uit handen geven. Zij hoeven dan niet langer zelf te wegen of het bewijs sterk is, of detentie noodzakelijk is en of minder zware maatregelen mogelijk zijn. De minister heeft het morele antwoord al gegeven.
Een 95-jarige man is geen abstract dossier
Lee Man-hee verscheen bij de rechtbank met een wandelstok en ondersteuning. De rechtbank achtte een risico op het verdwijnen van bewijs aanwezig. Toch blijft de vraag of detentie bij een man van 95 jaar noodzakelijk en evenredig is. Voorlopige hechtenis is geen straf. Zij mag alleen dienen om concrete risico’s te beheersen.
Een moderne rechtsstaat beschikt over andere middelen. Contactverboden, huisarrest, elektronisch toezicht, inbeslagname van communicatiemiddelen, beperkingen op verplaatsingen en toezicht op ontmoetingen kunnen bewijs beschermen zonder een zeer oude verdachte in een cel te houden. De overheid moet aantonen waarom zulke maatregelen niet zouden volstaan. Ouderdom verschaft geen immuniteit, maar zij is evenmin irrelevant.
De wijze waarop een samenleving met oude verdachten omgaat, zegt iets over haar begrip van waardigheid. Rechtvaardigheid is niet hetzelfde als hardheid. Een staat bewijst zijn kracht niet door een broze man zo zwaar mogelijk te behandelen. Hij bewijst zijn kracht wanneer hij ook tegenover een omstreden verdachte zorgvuldig, menselijk en beheerst blijft.

Een leven voor vrede mag niet worden uitgewist
Lee Man-hee is verbonden met internationale vredesinitiatieven en een organisatie die op verschillende continenten actief is. Zijn medestanders wijzen op jarenlange inzet voor vredeseducatie, dialoog tussen geloofsrichtingen en campagnes tegen oorlog. Dat werk maakt hem niet onaantastbaar. Ook iemand met verdiensten kan een wet overtreden. Maar zijn hele leven mag niet worden gewist door één nog onbewezen aanklacht.
Een volwassen rechtsorde kan twee gedachten tegelijk dragen. Zij kan erkennen dat Lee voor veel mensen een vredesleider is en tegelijk onderzoeken of binnen zijn organisatie wetten zijn overtreden. Zij kan zijn internationale werk respecteren zonder hem boven de wet te plaatsen. Zij kan hem vervolgen zonder hem te vernederen. Zij kan bewijzen onderzoeken zonder een theologische veroordeling uit te spreken.
Dat vermogen om onderscheid te maken is precies wat nu ontbreekt in de woorden van de minister. Jeong Seong-ho spreekt niet alleen over mogelijke strafbare handelingen. Door zijn Bijbelse verwijzing beoordeelt hij het karakter en de religieuze betekenis van Lee. Daarmee trekt hij diens hele levenswerk in een kader van bedrog en gevaar. Een minister heeft daar geen bevoegdheid toe.
Geen enkele religieuze leider staat boven de wet
Een krachtig pleidooi voor Lee Man-hee mag geen blind pleidooi worden. Wanneer gelovigen werkelijk gedwongen zijn om lid te worden van een partij, verdient dat een grondig onderzoek. Wanneer dreiging, misleiding, misbruik van persoonsgegevens of georganiseerde omzeiling van partijregels wordt bewezen, moet een rechter passende gevolgen bepalen. Religieuze vrijheid is geen vergunning om andere burgers hun vrijheid af te nemen.
Maar de aanklager moet elk bestanddeel bewijzen. Het begrip dwang mag niet worden opgerekt tot invloed, overtuiging, aanbeveling of moreel gezag. Bijna iedere politieke beweging probeert mensen te overtuigen. Partijvoorzitters vragen leden om kandidaten te steunen. Vakbonden formuleren stemadviezen. Belangengroepen voeren campagnes. Kranten schrijven hoofdartikelen. Bekende personen spreken voorkeuren uit. Religieuze leiders doen dat eveneens.
De kernvraag is daarom niet of Lee een politieke voorkeur had of anderen wilde overtuigen. De kernvraag is of mensen hun keuze nog vrij konden maken. Alleen een onafhankelijke rechtbank kan dat na onderzoek vaststellen. Een minister die de straf reeds aankondigt, loopt op de bewijsvoering vooruit.
Religie naar de binnenkamer verbannen
Jeong Seong-ho stelde dat religieuze organisaties bedoeld zijn voor innerlijke vrede en geestelijke troost, niet om politieke macht na te streven. Dat klinkt op het eerste gezicht als een pleidooi voor neutraliteit, maar het bevat een verregaande opvatting over wat religie mag zijn. De minister bepaalt daarmee dat geloof zich moet beperken tot het innerlijke leven.
Die opvatting is niet verenigbaar met een vrije samenleving. Religie heeft altijd ook een publieke dimensie gehad. Kerken hebben zich uitgesproken over oorlog, slavernij, arbeidsrechten, onderwijs, armoede, migratie, abortus, euthanasie, klimaat, racisme en internationale politiek. Sommige standpunten waren moedig, andere schadelijk. Maar de overheid mag niet bepalen dat religieuze overtuigingen alleen achter gesloten deuren mogen bestaan.
Martin Luther King was predikant toen hij zich tegen rassenscheiding verzette. Desmond Tutu was aartsbisschop toen hij apartheid bestreed. Europese geestelijken verzetten zich tegen dictaturen, hielpen vervolgden en riepen op tot vrede. Hun religieuze positie maakte hun politieke stem niet minder legitiem. Vaak gaf die positie hun juist de morele verplichting om te spreken.
Scheiding tussen religie en staat vraagt dat de overheid geen kerk bestuurt en dat geen kerk de overheid overneemt. Zij vraagt niet dat geloof zonder maatschappelijke gevolgen blijft. Een overtuiging die alleen in stilte mag bestaan, is geen vrije overtuiging.
De staat mag geen theoloog worden
De verwijzing naar valse profeten is daarom bijzonder ernstig. De overheid van Zuid-Korea is niet bevoegd om vast te stellen wie een ware profeet is. Dat kan geen minister, aanklager of rechtbank bepalen. De staat mag onderzoeken of iemand fraude pleegde. Hij mag niet beslissen of diens uitleg van de Bijbel juist is.
Zodra een minister religieuze etiketten gebruikt, ontstaat het gevaar dat strafrecht en geloofsstrijd door elkaar raken. Andere kerken kunnen de woorden van de overheid zien als bevestiging van hun eigen afwijzing van Shincheonji. Leden van de beweging kunnen zich niet langer alleen tegenover een strafrechtelijke beschuldiging geplaatst voelen, maar tegenover een overheid die hun geloof zelf als misleiding behandelt.
De neutraliteit van de staat wordt niet beschermd door een minderheidsreligie te kleineren. Zij wordt beschermd wanneer de overheid weigert partij te kiezen in leerstellige conflicten. Een minister mag persoonlijk geloven dat Lee Man-hee ongelijk heeft. Hij mag dat als privépersoon bespreken. In zijn officiële rol moet hij de wet spreken, niet de kansel beklimmen.
De democratische schade begint vóór het vonnis
Sommigen zullen stellen dat de woorden van de minister niets veranderen omdat uiteindelijk een rechter beslist. Dat is te eenvoudig. Publieke voorveroordeling heeft gevolgen voordat het proces begint. Zij beïnvloedt reputaties, familieleden, medewerkers, gelovigen en zakelijke contacten. Zij kan leiden tot ontslag, sociale uitsluiting, bedreigingen en het verlies van vertrouwen.
Een latere vrijspraak kan die schade niet volledig herstellen. Wie eenmaal door een minister als valse profeet en onvermijdelijk te bestraffen dader is voorgesteld, draagt dat beeld verder. Zoekmachines bewaren het. Nieuwsberichten herhalen het. Tegenstanders gebruiken het. De formele uitspraak van een rechtbank komt vaak later en krijgt minder aandacht.
Juist daarom moeten ministers behoedzaam zijn. Hun woorden hebben staatsgezag. Zij beschikken over een bereik en geloofwaardigheid die een gewone burger niet heeft. Vrijheid van meningsuiting beschermt ook politici, maar een minister draagt bijkomende verantwoordelijkheid omdat hij spreekt vanuit een instelling die macht over verdachten uitoefent.
Zuid-Korea spreekt zichzelf tegen
De Zuid-Koreaanse grondwet beschermt godsdienstvrijheid en bepaalt dat religie en staat gescheiden zijn. Diezelfde tekst beschermt meningsuiting, vergadering, vereniging en politieke rechten. Wanneer de regering de scheiding gebruikt om religieuze burgers uit de politieke ruimte te verwijderen, keert zij de bedoeling van de grondwet om.
Een grondrecht dat alleen geldt zolang iemand geen invloed heeft, is geen grondrecht. Vrijheid van meningsuiting beschermt niet alleen stille gedachten. Zij beschermt het uitspreken, verspreiden en verdedigen van ideeën. Vrijheid van vereniging beschermt niet alleen kleine bijeenkomsten zonder maatschappelijk doel. Zij beschermt burgers die zich organiseren om invloed uit te oefenen.
Ook religieuze burgers mogen macht zoeken via democratische middelen. Zij mogen kandidaten steunen, lid worden van partijen, petities indienen, betogen en verkiezingscampagnes voeren. Wat zij niet mogen doen, is misdrijven plegen. Die grens geldt ook voor atheïsten, ondernemingen, vakbonden, media en actiegroepen. Religie maakt een politieke mening niet strafbaar.
Wat België anders doet
België kent evenzeer spanningen tussen geloof en politiek. Priesters, imams, rabbijnen en andere religieuze leiders krijgen kritiek wanneer zij stemadviezen geven. Burgers kunnen hun woorden ongepast vinden. Politici kunnen hen tegenspreken. Journalisten kunnen hun invloed onderzoeken. Maar de staat zet hen niet in de cel omdat zij een partijvoorkeur hebben uitgesproken.
Artikel 19 van de Grondwet beschermt de vrijheid om op elk gebied een mening te uiten. Die woorden zijn ruim gekozen. Niet alleen neutrale, populaire of vrijblijvende meningen vallen eronder. Ook politieke, religieuze en controversiële opvattingen genieten bescherming. Alleen wanneer tijdens het gebruik van die vrijheid een werkelijk misdrijf wordt gepleegd, kan strafrechtelijk worden opgetreden. (Senaat België)
Daarom zouden Europeanen het bijzonder moeilijk begrijpen wanneer een religieuze leider wegens het uitdragen van een voorkeur of het vrijwillig mobiliseren van gelovigen wordt opgesloten. De overheid zou concrete dwang moeten bewijzen. Zij zou niet kunnen volstaan met de stelling dat religie in de geestelijke sfeer thuishoort en politiek aan anderen moet worden overgelaten.
De angst voor minderheden
Minderheidsreligies roepen vaak sterkere reacties op dan gevestigde kerken. Hun rituelen zijn minder bekend. Hun organisatievormen worden sneller als verdacht gezien. Hun leiders krijgen etiketten die men bij leiders van grotere instellingen voorzichtiger zou gebruiken. Dat verschil in behandeling vormt een test voor de gelijkheid voor de wet.
Vrijheid is eenvoudig te verdedigen wanneer zij betrekking heeft op een vertrouwde meerderheid. Zij krijgt betekenis wanneer zij een groep beschermt die weerstand oproept. Wie vrijheid alleen gunt aan bewegingen die hij redelijk, correct of sympathiek vindt, verdedigt geen vrijheid maar voorkeur.
Shincheonji mag onderzocht en bekritiseerd worden. Oud-leden mogen hun ervaringen vertellen. Journalisten mogen interne structuren analyseren. De overheid mag aantoonbare misdrijven vervolgen. Maar geen van die zaken heft het vermoeden van onschuld op. Geen ervan geeft een minister het recht om een straf onvermijdelijk te noemen.
De minister moet een stap terugzetten
Jeong Seong-ho moet erkennen dat zijn uitspraken ongepast waren. Hij moet duidelijk maken dat alleen de rechter over schuld en straf beslist. Hij moet zijn verwijzing naar valse profeten intrekken en bevestigen dat de Zuid-Koreaanse staat geen oordeel uitspreekt over religieuze leerstellingen.
Daarnaast moet de noodzakelijkheid van de detentie opnieuw worden beoordeeld. De overheid moet uitleggen waarom een man van 95 jaar niet onder strikte voorwaarden buiten de gevangenis kan worden gehouden. De bescherming van bewijs kan belangrijk zijn, maar zij rechtvaardigt niet automatisch iedere vorm van opsluiting.
Een dergelijke correctie zou geen zwakte zijn. Zij zou aantonen dat de regering kritiek kan aanvaarden en haar eigen grondwettelijke grenzen respecteert. Democratische macht onderscheidt zich van autoritaire macht doordat zij zichzelf kan begrenzen.
Een waarschuwing die verder reikt dan Korea
Dit dossier gaat niet alleen over Lee Man-hee of Shincheonji. Het gaat over de vraag wat een democratie doet wanneer zij een impopulaire religieuze beweging verdenkt van politieke invloed. Behandelt zij haar leden als burgers met rechten, of als een collectieve dreiging? Onderzoekt zij concrete daden, of stelt zij geloof en schuld gelijk? Laat zij de rechter spreken, of kondigt een minister het antwoord vooraf aan?
Vandaag treft deze benadering Shincheonji. Morgen kan een andere religieuze, politieke of maatschappelijke minderheid aan de beurt zijn. Wetten die ruim worden uitgelegd om een gehate beweging te treffen, blijven bestaan nadat de eerste zaak voorbij is. De macht die vandaag tegen een tegenstander wordt gebruikt, kan morgen tegen een ander worden gericht.
Daarom moet ook wie geen enkele sympathie voor Shincheonji heeft, zich zorgen maken. Grondrechten worden niet ontworpen als beloning voor populariteit. Zij beschermen mensen juist wanneer publieke steun ontbreekt.
De keuze voor Zuid-Korea
Zuid-Korea heeft een indrukwekkende democratische ontwikkeling doorgemaakt en heeft zich verzet tegen autoritair bestuur. Juist daarom is deze zaak zo belangrijk. Democratie is geen definitief verworven bezit. Zij bestaat iedere dag opnieuw in de manier waarop ministers spreken, aanklagers handelen, rechters oordelen en minderheden worden behandeld.
Het land kan de beschuldigingen tegen Lee Man-hee grondig onderzoeken zonder zijn waardigheid te ontkennen. Het kan mogelijke dwang vervolgen zonder politieke meningsuiting als verdacht te behandelen. Het kan de scheiding tussen religie en staat handhaven zonder religieuze burgers uit de politiek te weren. Het kan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht beschermen door ministers terughoudendheid op te leggen.
Of het kan toelaten dat een minister zichzelf opstelt als politieke aanklager, morele rechter en uitlegger van de Bijbel. Dan blijft de formele scheiding der machten misschien op papier bestaan, maar verliest zij in het publieke bewustzijn haar geloofwaardigheid.
Wij begrijpen niet dat een 95-jarige man, die zijn leven heeft gewijd aan religie en internationale vredesinitiatieven, op deze wijze wordt behandeld. Wij begrijpen niet dat een minister vóór het proces verklaart dat een strenge straf onvermijdelijk is. Wij begrijpen niet dat de scheiding tussen religie en staat wordt gebruikt om gelovigen politieke rechten te ontzeggen.
In Europa betekent die scheiding dat de staat geen geloof oplegt en dat geen kerk de staat bestuurt. Zij betekent niet dat priesters, imams, rabbijnen of andere religieuze leiders geen mening mogen hebben. Zij mogen spreken. Zij mogen overtuigen. Zij mogen stemmen. Zij mogen partijen steunen. Zij blijven burgers.
Auteur: Andy Vermaut
Andy Vermaut is journalist, hoofdredacteur van indegazette.be en voorzitter van de World Council for Public Diplomacy and Community Dialogue. Hij zet zich in voor mensenrechten, godsdienstvrijheid, vrede en de bescherming van democratische grondbeginselen. In zijn opiniestukken onderzoekt hij hoe politieke macht, rechtspraak en fundamentele vrijheden zich tot elkaar verhouden. Deze bijdrage vertolkt zijn persoonlijke visie als auteur.
Bronnen:
Grondwet van de Republiek Korea
Belgische Grondwet en rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Raad van Europa
Reuters en Associated Press over de aanhouding van Lee Man-hee
Verklaringen van minister Jeong Seong-ho – Stanford Encyclopedia over John Locke en Montesquieu
Bronnen over Alfred Dreyfus, Socrates, McCarthy en groepsdruk


