Klimaatcrisis doodt, Europa blijkt nog altijd niet klaar

15 juli 2026

De Europese Commissie heeft op woensdag 15 juli 2026, van 16.00 tot 18.30 uur, in Brussel de vierde Europese herdenkingsdag voor de slachtoffers van de mondiale klimaatcrisis georganiseerd. De bijeenkomst, die ook rechtstreeks online werd uitgezonden, bracht Europese beleidsmakers, wetenschappers, gezondheidsdeskundigen, verzekeraars, rampenbestrijders en bestuurders uit getroffen regio’s bijeen. De rode draad was hard: extreem weer kost nu al mensenlevens, ontwricht zorg, energie, voedselvoorziening, transport en economie, terwijl de voorbereiding achterblijft op het tempo waarmee de risico’s stijgen. De dag stond in het teken van de slachtoffers, maar evenzeer van de vraag welke beslissingen overheden vandaag moeten nemen om te voorkomen dat waarschuwingen, draaiboeken en budgetten opnieuw te laat komen.

Een herdenkingsdag geboren uit de ramp van 2021

De datum 15 juli werd bewust gekozen. Op die dag bereikte de overstromingsramp van 2021 in België en Duitsland een van haar zwaarste fasen. In 2023 legden het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie in een gezamenlijke verklaring vast dat 15 juli voortaan jaarlijks in het teken zou staan van mensen die door de mondiale klimaatcrisis omkwamen, gewond raakten, hun woning verloren of blijvende schade ondervonden. De editie van 2026 was de vierde herdenking en viel samen met de vijfde verjaardag van de overstromingen in de Vesdervallei en het Duitse Ahrdal. De Europese Commissie koppelde de plechtigheid aan twee inhoudelijke gesprekken: het eerste over risicoanalyse en bewustwording, het tweede over voorbereiding, bescherming op het terrein en de weerbaarheid van steden, dorpen en regio’s. De bijeenkomst werd afgesloten met een minuut stilte en een celloconcert.

Jan Dusík: de klimaatcrisis is geen verre waarschuwing meer

Jan Dusík, plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Klimaatactie van de Europese Commissie, opende de bijeenkomst met een verwijzing naar de hitte die Europa opnieuw trof. Hij sprak over schattingen die tijdens de recente hittegolf opliepen tot circa 14.000 vroegtijdige sterfgevallen. Daarmee maakte hij duidelijk dat een jaarlijkse herdenkingsdag niet losstaat van de overige dagen van het jaar: de menselijke gevolgen van hitte, droogte, branden en overstromingen zijn intussen geregeld tastbaar. Hij wees ook op de herdenkingen die in België en Duitsland plaatsvonden en op de inwijding van een monument vlak bij de Europese instellingen. Volgens Dusík lopen de gevolgen van klimaatverandering van buurtniveau tot het mondiale niveau en moet voor elk risico helder zijn op welke bestuurslaag actie nodig is. Hij verwees naar zijn recente bezoek aan de Filipijnen en naar zijn rol in het fonds dat schade en verlies door klimaatverandering helpt opvangen. De Europese Unie werkt volgens hem aan de afronding van een geïntegreerd kader voor klimaatweerbaarheid. Dat kader moet de planning verbeteren, bruikbare informatie aanleveren, duidelijk maken wie eigenaar is van welk risico en geld en instrumenten vrijmaken om levens, bestaansmiddelen en eigendom beter te beschermen.

Teresa Ribera: klimaatverandering doodt

Uitvoerend vicevoorzitter Teresa Ribera kon om persoonlijke redenen niet aanwezig zijn en sprak de deelnemers toe via video. Haar boodschap liet weinig ruimte voor geruststelling. Overstromingen, hitte, droogte en bosbranden tonen volgens haar dagelijks dat klimaatverandering pijnlijk, schadelijk en beangstigend is. Zij vroeg aandacht voor stedelijke infrastructuur die bij extreme temperaturen faalt, treindiensten die uitvallen, wegdekken die niet tegen hitte bestand zijn, ziekenhuisdiensten die onder druk komen, elektriciteitsnetten die niet langer binnen veilige grenzen kunnen werken en woningen waarin oudere mensen tijdens dagen van 37 tot 40 graden vast komen te zitten. Ribera wees tegelijk op lokale besturen die kwetsbare wijken in kaart brengen, waarschuwingssystemen opzetten en openbare ruimte aanpassen. Zij waarschuwde echter dat burgemeesters dit niet alleen kunnen dragen. Nationale regeringen en Europese instellingen moeten geld, kennis en bestuurlijke steun leveren. Volgens Ribera heeft Europa, ondanks zijn welvaart, moeten vaststellen dat het niet klaar is voor de omvang van de risico’s. De uitstoot verminderen blijft volgens haar de eerste opdracht, maar zelfs een sterke daling van emissies neemt de schade die al op komst is niet weg. Ook hernieuwbare energie, economische slagkracht en werkgelegenheid bieden geen zekerheid wanneer elektriciteitsnetten, productie-installaties, waterbeheer en gebouwen niet bestand zijn tegen nieuwe omstandigheden. Haar kernzin was direct: klimaatverandering doodt en vereist politieke inzet, uitvoering en het afwijzen van desinformatie die de dreiging ontkent.

Wie aan tafel zat

Het eerste gesprek werd geleid door dr. Anna Dimitrijevics, plaatsvervangend hoofd van de eenheid Voorbereiding en Aanpassing bij DG CLIMA. Zij werkt mee aan de voorstellen voor het geïntegreerde Europese kader voor klimaatweerbaarheid en aan de Europese klimaatrisicoanalyse. Voor haar komst naar DG CLIMA werkte zij bij de economische en financiële diensten van de Commissie en droeg zij bij aan een opleidingsprogramma voor rampenbeheer van het Wereldbankinstituut. Aan haar tafel zaten Saïd El Khadraoui, vertegenwoordiger van het Europees Milieuagentschap in Brussel en deskundige voor de betrekkingen met de Europese instellingen, Nicolas Jeanmart, hoofd Personen- en Schadeverzekeringen bij Insurance Europe, en Francesca Racioppi, hoofd van het Europese kantoor van de Wereldgezondheidsorganisatie. El Khadraoui was ruim tien jaar lid van het Europees Parlement en werkte later bij de interne denktank van de Europese Commissie. Jeanmart houdt zich bij Insurance Europe onder andere bezig met natuurrampen en de groeiende kloof tussen schade en verzekeringsdekking. Racioppi heeft ruim dertig jaar ervaring met milieu, gezondheid, stedelijk beleid, verkeersveiligheid, One Health en de gevolgen van klimaatverandering voor zorg en welzijn.

Saïd El Khadraoui: 36 risico’s en jaarlijks circa 50 miljard euro schade

Saïd El Khadraoui zette de eerste Europese klimaatrisicoanalyse centraal. Die analyse bracht 36 soorten risico’s in kaart, waaronder bedreigingen voor energie-infrastructuur, voedselvoorziening, transport, gezondheid, economie en financiële stabiliteit. De kern van zijn betoog was dat deze risico’s elkaar voortduwen. Watertekort treft landbouw, vermindert voedselproductie, vergroot de afhankelijkheid van invoer en kan sociale en economische spanning veroorzaken. Droogte treft tegelijk energieproductie en logistiek. El Khadraoui verwees naar drie Franse kernreactoren die wegens de hitte werden stilgelegd en naar de lage waterstand van de Rijn, waardoor vrachtschepen op sommige trajecten nog circa twintig procent van hun normale capaciteit konden meenemen. Een probleem in één regio raakt daardoor productie en aanvoerketens elders in Europa. Volgens de berekeningen waarnaar hij verwees bedroeg de jaarlijkse schade door klimaatgerelateerd extreem weer in de Europese Unie tussen 2022 en 2024 ongeveer 50 miljard euro. Dat ligt in dezelfde orde als de jaarlijkse Europese landbouwuitgaven. Circa tachtig procent van die schade was niet verzekerd; in enkele landen liep dat aandeel op tot 95 procent. Burgers, ondernemingen en overheden betalen dan het resterende bedrag. El Khadraoui stelde dat de risico’s sneller toenemen dan de aanpassingsmaatregelen. Veel lidstaten hebben inmiddels nationale analyses en plannen, maar zij gebruiken uiteenlopende definities en methoden. Hij pleitte daarom voor een gedeelde taal, vergelijkbare gegevens en heldere afspraken over verantwoordelijkheid. Het Europees Milieuagentschap werkt aan een nieuwe klimaatrisicoanalyse die tegen september 2028 moet verschijnen. Die editie zal niet alleen risico’s actualiseren, maar ook sterker onderzoeken welke maatregelen waar werken, wat hun effect is en op welk moment zij moeten worden ingezet.

Nicolas Jeanmart: preventie bepaalt of verzekering betaalbaar blijft

Nicolas Jeanmart beschreef een verzekeringsmarkt die geconfronteerd wordt met opeenvolgende en elkaar versterkende gebeurtenissen. Een lange droogte kan gevolgd worden door stortregen en plotse overstromingen. Een natuurbrand kan de bodem aantasten, waarna een storm modderstromen veroorzaakt. Het risicobewustzijn groeit volgens hem, maar niet snel genoeg. Verzekeraars betalen schade uit, maar hun rol begint eerder. Zij kunnen burgers, ondernemingen, burgemeesters en steden adviseren over bouwplaatsen, materialen en maatregelen die schade beperken. Jeanmart wees erop dat er nog altijd woningen en bedrijfsgebouwen worden neergezet in overstromingsgebied. Zulke beslissingen vergroten de schade en zetten de betaalbaarheid van polissen onder druk. Preventie is volgens hem geen bijkomende keuze meer, maar een voorwaarde om brede verzekerbaarheid te behouden. Klimaatrisico moet daarom in investeringsbeslissingen, ruimtelijke ordening en bedrijfsplannen terechtkomen. Dat vraagt betrouwbare klimaatscenario’s en deskundigen uit verschillende vakgebieden. Jeanmart gaf voorbeelden van infrastructuurbeheerders die hun normen al aanpassen. Eurostar zou voor nieuwe treinen rekening houden met temperaturen tot 50 graden in plaats van 45 graden. In Caen in Normandië zou bij de inplanting van een nieuwe wijk rekening zelfs gehouden worden met een tijdelijk karakter vanwege toekomstige kust- en klimaatrandvoorwaarden. Ook satellietgegevens van Copernicus en aardobservatie van het Europees Ruimteagentschap kunnen verzekeraars en overheden helpen om risico’s nauwkeuriger te beoordelen.

Francesca Racioppi: een hitteplan is een instrument dat levens redt

Francesca Racioppi plaatste gezondheid centraal. Van de onderzochte Europese landen meldden er in 2024 slechts 21 een nationaal hittegezondheidsplan, terwijl de Europese regio van de Wereldgezondheidsorganisatie 53 lidstaten telt. De WHO publiceerde daarom, met steun van de Europese Commissie, vernieuwde richtlijnen voor zulke plannen. Racioppi verzette zich tegen het idee dat hittebescherming vooral neerkomt op individuele raad zoals water drinken, alcohol vermijden, binnenshuis koelte zoeken en alleenstaande mensen bellen. Die adviezen blijven nuttig, maar leggen de last te gemakkelijk bij de burger. Een werkend hitteplan koppelt meteorologische diensten, waarschuwingen, zorginstellingen, lokale besturen, ruimtelijke ordening en hulp aan kwetsbare mensen. Groene zones, water in de stad en aangepaste gebouwen kunnen stedelijke hitte temperen, luchtvervuiling terugdringen en ook het psychisch welzijn verbeteren. Racioppi wees erop dat overlijdens slechts het zichtbare deel van de gezondheidsschade zijn. Onder dat cijfer zitten trauma na een ramp, angst bij jongeren, psychische druk bij zelfstandigen die moeten kiezen tussen lonen en verzekeringspremies, en extra bezoeken aan spoeddiensten. Zij vergeleek de uitdaging met de eerste fase van COVID-19: het zorgstelsel moet voorkomen dat een grote groep tegelijk op de spoed belandt. Mensen buiten het ziekenhuis gezond houden is daarom een opdracht voor ruimtelijk beleid, sociale diensten, huisvesting en preventieve zorg.

Wie bezit het risico en wie moet handelen?

Anna Dimitrijevics vroeg hoe Europa van afzonderlijke plannen naar samenhangend risicobeheer kan gaan. El Khadraoui antwoordde dat eerst duidelijk moet zijn wie een risico draagt en wie bevoegd is om het te beperken. Dat kan een gemeente, regio, lidstaat, Europese instelling of een gedeelde groep zijn. Veel plannen bestaan al, maar de uitvoering stokt door gebrek aan geld, personeel en bestuurlijke afspraken. Hij pleitte voor financiering uit publieke én private middelen en voor betere meting van het effect van investeringen. Jeanmart vroeg om klimaatrisico veel nadrukkelijker in besluiten over bouw, infrastructuur en investeringen te plaatsen. Ook de gekozen tijdsduur is van belang: een verzekeringscontract kan kort lopen, maar een spoorlijn, energiecentrale of wijk moet tientallen jaren bruikbaar blijven. Racioppi wees op politieke samenhang tussen steden, regio’s en nationale regeringen. Klimaatbeleid kan niet langer alleen bij een milieuministerie liggen. Gezondheid, financiën, veiligheid, landbouw, infrastructuur en sociale bescherming moeten mee aan tafel. Zij verwees naar een onafhankelijke commissie onder leiding van een voormalige IJslandse premier die klimaatverandering benaderde als een bedreiging voor menselijke veiligheid, omdat economische stabiliteit, voedsel, water en gezondheid tegelijk geraakt worden. Ook verkeerde informatie zag zij als een vorm van maatschappelijke vervuiling die beleid en voorbereiding vertraagt.

Data moeten bruikbaar zijn voor een burgemeester, arts en hulpverlener

Het gesprek ging daarna over instrumenten. El Khadraoui verwees naar Climate-ADAPT, het Europese platform met informatie en voorbeelden voor aanpassing. Hij erkende dat het platform nog beter moet aansluiten bij de vragen van steden, regio’s, bedrijven en burgers. Digitale toepassingen, aardobservatie en kunstmatige intelligentie kunnen informatie vertalen, filteren en in meerdere talen toegankelijk maken. Toch zijn databanken niet genoeg. Mensen moeten ervaringen uitwisselen en maatregelen aanpassen aan lokale omstandigheden. Racioppi legde de nadruk op opleiding. Ziekenhuisdirecteurs, artsen, verpleegkundigen en beleidsmakers moeten tijdens hun studie leren hoe hitte, overstromingen, vectorziekten en uitval van infrastructuur de zorg veranderen. Zij wees erop dat muggen intussen zelfs in IJsland worden gemeld, waardoor artsen aandoeningen moeten herkennen die vroeger nauwelijks in hun regio voorkwamen. Universiteiten, scholen voor publieke gezondheid en beroepsopleidingen moeten daarom nieuwe vaardigheden opnemen in hun programma’s.

Vragen uit de zaal: waar begint een bestuurder met beperkte middelen?

Jane Walker van Eco Democracy vroeg waar een overheid moet beginnen wanneer er enerzijds veel kennis bestaat, maar anderzijds onzekerheid blijft over de maatregel met het hoogste effect. Zij wees erop dat politici niet alleen risico’s moeten begrijpen, maar ook kosten, baten en de kans op resultaat moeten inschatten. El Khadraoui verduidelijkte dat er geen fundamenteel gebrek is aan kennis over de risico’s. De grotere leemte ligt bij de vraag welke ingreep in welke omgeving het beste resultaat geeft. Bestaande instrumenten zijn vaak los van elkaar ontwikkeld en moeten beter op elkaar aansluiten. Hij zag mogelijkheden voor kunstmatige intelligentie om technische informatie om te zetten in begrijpelijke taal, maar waarschuwde dat elke regio eigen kwetsbaarheden heeft. Juliet Bicker, journaliste bij Context, vroeg welke uitkomst de panelleden verwachten van het nieuwe Europese kader. Jeanmart antwoordde dat de Europese Unie vooral gegevensuitwisseling, voorbereiding en goede praktijk kan steunen, maar dat verzekeringsstelsels sterk per land verschillen. Publiek-private stelsels kunnen in sommige landen zinvol zijn, maar er bestaat geen uniform model voor heel Europa. Dimitrijevics zei dat het komende kader moet zorgen voor een gedeeld beeld van de toekomst waarop Europa zich voorbereidt, voor heldere uitgangspunten en voor duidelijke toewijzing van risico’s.

Cornelia Weigand waarschuwt dat de werkelijkheid het beleid voorbijloopt

Nog voor zij in het tweede gesprek op het podium plaatsnam, nam Cornelia Weigand vanuit de zaal het woord. Zij is districtsbestuurder van Ahrweiler en was tijdens de ramp burgemeester van de Verbandsgemeinde Altenahr. Weigand vroeg aandacht voor verplichte verzekering tegen natuurrampen. Mensen in zones met weinig gevaar kunnen vaak goedkoop verzekeren, terwijl bewoners van zwaar getroffen gebieden na de heropbouw geconfronteerd worden met premies die zij niet meer kunnen betalen. Zij zei dat de werkelijkheid sneller verandert dan de besluitvorming en vroeg Europa om prioriteiten te kiezen die aantoonbaar veel levens en schade kunnen besparen. Jeanmart antwoordde dat een verplichte verzekering alleen binnen het nationale verzekeringsmodel kan worden beoordeeld. Racioppi stelde dat elke regio moet beginnen met een kwetsbaarheidsanalyse. Voor het ene gebied is overstroming het eerste risico, voor een ander gebied droogte, voedselzekerheid of hitte. Zo kan een overheid middelen richten op het gevaar dat lokaal het zwaarst weegt.

Een getuigenis over angst voor regen opent het tweede gesprek

Voor het tweede panel werd een videogetuigenis getoond over de blijvende psychische gevolgen van een overstroming. De presentator merkte op hoe moeilijk het is zich voor te stellen dat het geluid van regen jaren later opnieuw angst en spanning kan oproepen. Daarmee verschoof het gesprek van cijfers en beleidsmodellen naar de ervaring van mensen die een ramp overleefden. De tweede ronde werd opnieuw geleid door Anna Dimitrijevics. Naast Cornelia Weigand namen Natalia Alonso Cano, hoofd van het regionale kantoor van de VN-organisatie voor rampenrisicovermindering voor Europa en Centraal-Azië, Joao Silva van het directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp van de Europese Commissie en Yenthe Peeters plaats. Hoewel federaal minister Jean-Luc Crucke in het officiële programma stond, sprak zijn adjunct-kabinetschef Klimaat en Milieu Yenthe Peeters namens hem. Alonso Cano leidt binnen de Verenigde Naties het regionale kantoor dat 55 landen in Europa en Centraal-Azië bestrijkt en heeft ruim 25 jaar internationale ervaring met rampenvoorbereiding, klimaatbeleid en ontwikkelingsvraagstukken. Silva werkt sinds 2017 voor de Europese Commissie en houdt zich binnen de Europese civiele bescherming bezig met preventie, risicobeoordeling, rescEU, luchtcapaciteit voor natuurbranden, transport en logistiek. Weigand, juriste en biologe, werd in januari 2022 de eerste vrouwelijke districtsbestuurder van Ahrweiler, nadat zij sinds 2019 burgemeester was geweest in het Ahrdal.

Cornelia Weigand: 135 doden, 700 gewonden en 17.000 mensen die alles kwijt waren

Cornelia Weigand bracht het meest indringende feitenrelaas van de middag. In het Ahrdal stierven volgens haar 135 mensen. Ruim 700 mensen raakten in één nacht gewond. Ongeveer 17.000 inwoners verloren alles en kwamen buiten met natte kleren, zonder identiteitsdocumenten, geld of bezittingen. Circa 42.000 van de 130.000 inwoners werden zwaar tot zeer zwaar getroffen. Een strook van ongeveer veertig kilometer werd verwoest en ongeveer 9.000 gebouwen werden geheel of grotendeels vernietigd. De bestaande overstromingsplannen gingen uit van een uitzonderlijke waterstand van 4,5 meter. In haar voormalige gemeente steeg het water volgens haar tot tien meter. Plannen die op papier waren geactiveerd, boden geen antwoord op die schaal. Ahrweiler hertekende daarna de noodplanning met vier op elkaar afgestemde plannen voor overstromingen, hevige regen, waarschuwing en evacuatie. Acht lokale besturen werken nu met dezelfde grondregels, aangevuld met plaatselijke details.

Helikopters bleven weg en patiënten konden niet op medicijnen wachten

Weigand beschreef hoe formele goedkeuring tijdens een ramp levens kan kosten. In de rampnacht waren helikopters nodig en elders beschikbaar, maar de toestemming liep vast bij een tussenniveau dat de ernst niet tijdig begreep. De toestellen kwamen niet. Zij zei zonder omwegen dat dit mensenlevens heeft gekost. Ook basiszorg stortte in. Artsenpraktijken en apotheken waren vernield en medische dossiers waren niet beschikbaar. Een diabetespatiënt kan geen vijf dagen op insuline wachten. Artsen uit de buurt tekenden daarom blanco voorschriften en enkele apothekers leverden geneesmiddelen ondanks regels die dat normaal niet toelieten. Weigand gebruikte dit voorbeeld om te tonen dat noodplannen niet alleen brandweer, evacuatie en communicatie moeten regelen, maar ook medicatie, identiteitsdocumenten, geld, voedsel, drinkwater, sanitaire voorzieningen en vervoer.

Tien dagen zonder formele voedselhulp

Volgens Weigand zaten 42.000 mensen zonder water, voedsel, hygiëne, onderdak, vervoer en geld. Het duurde ruim tien dagen voordat het officiële systeem voedsel kon leveren. In die periode kookten particulieren, verenigingen en buurten en brachten zij maaltijden naar getroffen zones. Zij stelde dat zulke spontane hulp niet mag worden gezien als hinder voor de professionele diensten. Zij moet worden geleid, ondersteund en opgenomen in de noodorganisatie. Ahrweiler richtte een aparte afdeling voor brandweer en rampenbescherming op en trok beroepsbrandweerlieden en administratieve medewerkers aan. Weigand maakte ook een duidelijk onderscheid tussen handelen tijdens een crisis en achteraf juridisch bewijzen dat elke regel werd gevolgd. Een verantwoordelijke moet in de eerste uren beslissen op basis van het redden van mensen, terwijl een systeem dat vooral aansprakelijkheid probeert te vermijden besluitvorming kan verlammen. Zij pleitte voor oefeningen met inwoners, zodat mensen onder stress terugvallen op handelingen die zij eerder hebben geoefend.

Heropbouw vraagt niet alleen beton, maar ook mensen achter de dossiers

Weigand wees op een onderschat knelpunt in de heropbouw: personeel. Een verwoeste regio moet woningen, bruggen, wegen, riolering, drinkwaterleidingen en elektriciteitsvoorzieningen tegelijk herstellen. Daarvoor zijn plannen, vergunningen, aanbestedingen en aanvragen nodig. Europese en nationale fondsen betalen vaak de werken, maar niet altijd de extra medewerkers die duizenden dossiers moeten verwerken. De administratie wordt dan de smalle doorgang waar elk project op wacht. Zij vroeg daarom dat herstelfondsen ook personeelskosten dekken. Daarnaast moet heropbouw volgens haar verder gaan dan terugkeren naar de toestand vóór de ramp. Woningen werden op verhoogde funderingen gezet, kelders afgedicht en technische installaties naar hogere verdiepingen verplaatst. Toch zijn ingrepen per woning of langs één rivier niet genoeg. Het hele stroomgebied vraagt opvangbekkens en andere grootschalige maatregelen. Daarvoor ontbreekt volgens haar nog financiering. Inwoners stapten intussen over van fossiele verwarming naar warmtepompen, lokale warmtenetten en zonnepanelen. Weigand stelde dat burgers hun aandeel opnemen, maar dat hogere overheden ruimte moeten maken voor ingrepen die een hele vallei beschermen.

Yenthe Peeters: België wil van reageren naar vooruitkijken

Yenthe Peeters sprak namens federaal minister Jean-Luc Crucke. Zij herinnerde aan de 41 doden in de Vesdervallei en stelde dat hittegolven, overstromingen, droogte en natuurbranden geen rekening houden met grenzen, bevoegdheden of Belgische staatsstructuren. Op 1 juli bracht Crucke vertegenwoordigers van federale en regionale ministers bijeen om de voorbereiding op nieuwe hittegolven te verbeteren. Het doel was volgens Peeters niet een extra bestuurslaag, maar betere afstemming, gedeelde informatie en bescherming die voor de burger merkbaar is. Er was steun voor de vernieuwing van hittewaarschuwingen, betere gezondheidsmonitoring, gerichte communicatie naar kwetsbare groepen, sterkere capaciteit bij de civiele bescherming en beter zichtbare en toegankelijke koelteplekken. België gebruikt federale inkomsten uit het Europese emissiehandelssysteem om het risico op vegetatie- en bosbranden nauwkeuriger in kaart te brengen. Hulpdiensten, lokale besturen en crisiscentra hebben volgens haar gedeelde en operationele gegevens nodig. De omslag moet gaan van reageren na de ramp naar ingrijpen vóór de situatie escaleert.

Lokale kennis en Europese steun moeten elkaar versterken

Peeters beschreef een taakverdeling waarin lokale besturen weten welke straten, woningen en bewoners het kwetsbaarst zijn, terwijl regio’s bevoegd zijn voor ruimtelijke ordening, waterbeheer en aanpassingsbeleid. De federale overheid levert crisisbeheer, gezondheidsbescherming, wetenschappelijke opvolging en civiele bescherming. De Europese Unie kan prognoses verbeteren, kennis uitwisselen en middelen mobiliseren. Ervaringen uit België kunnen bruikbaar zijn in Spanje, Griekenland of Duitsland, en omgekeerd. Peeters verwees naar de Climate Chance Europe-toppen in Brussel en de Verklaring van Brussel over klimaataanpassing, die vanuit steden, regio’s, bedrijven, wetenschappers en organisaties input leverde voor het Europese debat. Zij waarschuwde dat aanpassing geen excuus mag worden om uitstootvermindering uit te stellen. Europa moet tegelijk mensen beschermen tegen schade die al optreedt en de overgang weg van fossiele brandstoffen versnellen. België steunt volgens haar internationale trajecten voor een uitfasering van fossiele brandstoffen en onderzoekt hoe fossiele subsidies op een sociaal rechtvaardige manier kunnen verdwijnen.

Natalia Alonso Cano: voorbereiding begint met begrijpelijke kennis

Natalia Alonso Cano vatte haar aanpak samen in vier opdrachten: risico’s begrijpen, inwoners centraal plaatsen, investeren vóór de ramp en beter herstellen. Risico-informatie moet wetenschappelijk degelijk zijn, maar ook bruikbaar voor een dorp, wijk of lokale dienst. Een kaart of rapport heeft weinig waarde wanneer een inwoner niet begrijpt wat het gevaar betekent of welke handeling nodig is. Zij verwees naar de dodelijke natuurbranden in Portugal in 2017. Die ramp leidde tot een bestuurlijke omslag van reactie naar preventie. Portugal verschoof volgens haar de verhouding in de uitgaven naar zestig procent preventie en veertig procent interventie. De gedachte daarachter was dat preventie bij natuurbranden niet alleen beter is dan genezen, maar zelf de genezing vormt. Alonso Cano waarschuwde dat weerbaarheid niet door een overheid aan inwoners kan worden uitgedeeld. Mensen zijn vaak als eerste getroffen, reageren als eerste en beschikken over plaatselijke kennis. Plannen moeten daarom samen met hen worden opgesteld.

Theaters, bibliotheken en musea als koelteplekken

Alonso Cano noemde de Britse Cool Off-campagne als praktisch voorbeeld. Lokale besturen, cultuurinstellingen en private partners stelden theaters, bioscopen, musea en bibliotheken open zodat mensen tijdens extreme hitte een koele plek konden vinden. Bestaande gebouwen kregen daarmee tijdelijk een rol in de gezondheidsbescherming. Zij wees ook op de economische logica van voorbereiding. Elke euro die vooraf wordt besteed, bespaart volgens ramingen vier tot vijftien euro aan herstel. Zelfs die verhouding onderschat de werkelijke winst, omdat indirecte schade vaak niet wordt meegerekend: bedrijven die weken stilvallen, verlies aan natuur, psychische schade en langdurige uitval van onderwijs of zorg. Herstel vraagt daarom vooraf afgesproken bevoegdheden, protocollen en besluitvorming. Wie beslist over woningen, water, wegen, gezondheidszorg en financiën nadat een ramp een hele regio treft? Volgens Alonso Cano moet dat vóór de ramp duidelijk zijn.

Joao Silva: het Europese beschermingsmechanisme telt 37 landen

Joao Silva verduidelijkte dat civiele bescherming in de eerste plaats een nationale bevoegdheid is. De Europese Commissie ondersteunt, coördineert en versterkt samenwerking. Het EU-mechanisme voor civiele bescherming omvat 37 deelnemende landen, waaronder niet-EU-landen zoals Noorwegen, IJsland en Turkije. Capaciteiten worden samengebracht en op verzoek ingezet. Na de Portugese branden besloot de Commissie onder toenmalig voorzitter Jean-Claude Juncker dat condoleances niet genoeg waren. Daaruit groeide rescEU, de Europese reserve met onder andere blusvliegtuigen, medische middelen en logistieke capaciteit. Silva beschreef hoe de aard van rampen verandert. De Nederlandse overheid vroeg in mei voor het eerst Europese steun bij vijf opeenvolgende natuurbranden. In en rond Parijs woedden branden. De overstroming in Valencia in 2024 kostte volgens hem 230 mensen het leven en werd door een Portugese hulpverlener omschreven als een stedelijke tsunami. Hitte noemde hij een stille doder, omdat overlijdens vaak worden geregistreerd als hart-, long- of andere medische problemen en niet rechtstreeks als gevolg van hoge temperaturen.

Van korte inzet naar jarenlange hulp in Oekraïne

De Europese civiele bescherming was lange tijd vooral ingericht op branden, aardbevingen en overstromingen met een inzet van enkele dagen of weken. COVID-19 veranderde die werkwijze. De oorlog in Oekraïne deed dat opnieuw. Silva zei dat Europese diensten er al vier jaar energievoorzieningen, medische evacuaties, goederen en humanitaire steun helpen organiseren. Daardoor moet civiele bescherming tegelijk omgaan met klassieke natuurrampen, pandemieën, langdurige oorlog, sabotage en hybride dreiging. Hij koppelde dit aan de Europese strategie voor een paraatheidsunie en aan het advies dat burgers 72 uur zelfredzaam moeten kunnen zijn. Toen de Europese commissaris haar noodpakket toonde, werd daar volgens hem aanvankelijk om gelachen. Twee dagen later viel op het Iberisch Schiereiland de stroom uit en werd duidelijk waarom water, voeding, licht, radio, medicijnen en basisbenodigdheden thuis beschikbaar moeten zijn. De eerste uren zijn cruciaal. Wanneer huishoudens korte tijd zelfredzaam zijn, kunnen hulpdiensten zich richten op mensen in direct levensgevaar.

Transport, kunstmatige intelligentie en militaire middelen

Silva noemde vervoer en logistiek een terugkerend zwak punt. Wegen, spoorlijnen, havens en luchthavens kunnen uitvallen op het moment dat hulp moet aankomen. Kunstmatige intelligentie kan helpen bij voorspellingen, beeldanalyse, routeplanning en de inzet van capaciteit, maar moet verder worden ontwikkeld voor civiele bescherming. Ook samenwerking met defensie wordt belangrijker, omdat legers beschikken over zware transportmiddelen, vliegtuigen en infrastructuur die burgerdiensten niet altijd hebben. Silva verwees naar een recente aardbevingsmissie in Venezuela. Bijna 800 reddingswerkers en ongeveer twintig Europese teams konden volgens hem binnen twee dagen ter plaatse zijn dankzij militaire vliegtuigen die konden landen op banen die niet geschikt waren voor gewone lijnvluchten. Hij zag ook een groeiend risicobewustzijn bij jongeren, wat volgens hem kansen biedt voor opleiding en vrijwilligerswerk.

Kennis moet van Brussel naar het dorp én terug

Anna Dimitrijevics legde daarna de vraag voor hoe kennis in beide richtingen kan reizen. Cornelia Weigand vertelde dat haar Duitse deelstaat na de ramp een aparte dienst met een permanent bemand centrum oprichtte om signalen samen te brengen. Tijdens de ramp van 2021 was de meldkamer overspoeld met noodoproepen van mensen die dreigden te sterven, terwijl informatie via sociale media en afzonderlijke diensten niet tot één werkbaar beeld leidde. Zij vroeg ook aangepaste aanbestedings- en vergunningsregels voor de heropbouw van een verwoeste regio. Gewone procedures zijn volgens haar te traag wanneer honderden bruggen, straten, woningen en leidingen tegelijk moeten worden hersteld. Herstelgeld moet bovendien preventie toelaten en niet uitsluitend terugbetaling van wat verloren ging.

Drones boven brandhaarden en helikopters met een dubbele functie

Yenthe Peeters gaf het voorbeeld van Belgische brandweerlieden die drones gebruikten om de kern van een vegetatiebrand te lokaliseren en blusmiddelen gerichter in te zetten. Zij pleitte er ook voor om defensiehelikopters die met publiek geld worden aangekocht zo uit te rusten dat zij bij natuurbranden water kunnen afwerpen. Daarna bracht zij een begrotingsvraag op tafel. Defensie-uitgaven kunnen in bepaalde Europese begrotingsafspraken buiten de gewone limieten worden gehouden, terwijl investeringen in klimaatbescherming binnen die grenzen blijven. Peeters vroeg of die benadering nog houdbaar is wanneer elk Europees land door klimaatgerelateerde rampen wordt getroffen. Dimitrijevics antwoordde dat dit punt thuishoort in de economische en financiële besprekingen van België op Europees niveau, maar nam de vraag mee.

Albanese budgetregels en Portugese dorpsverantwoordelijken

Natalia Alonso Cano verwees naar Albanië, waar een deel van de middelen die de centrale overheid aan gemeenten overdraagt voor rampenrisicovermindering moet worden gebruikt. Zo ontstaat op lokaal niveau ten minste een budget voor preventie. Portugal heeft daarnaast een nationaal platform waar civiele bescherming, gezondheid, onderwijs, transport, financiën en vertegenwoordigers van gemeenten samen beleid bespreken. Joao Silva gaf het Portugese programma Safe Village, Safe People als voorbeeld. Kleine dorpen wijzen een plaatselijke verantwoordelijke aan die opleiding krijgt, bewoners kan waarschuwen en de eerste organisatie op zich neemt totdat professionele hulp aankomt. De gedachte is dat civiele bescherming bij de burger begint en niet pas wanneer een nationale dienst arriveert. Silva verwees tevens naar een studie die het directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp samen met de Wereldbank uitvoerde over de economie van preventie en naar een online opleiding die op basis daarvan beschikbaar is.

De cijfers achter de herdenking

Het informatiedossier van de Europese Commissie plaatste de gesprekken in een bredere cijfercontext. Europa warmt sneller op dan enig ander continent. Hittegolven vertegenwoordigden volgens het dossier ongeveer twintig procent van de geregistreerde weer- en klimaatgevaren, maar waren verantwoordelijk voor 95 procent van de sterfgevallen door zulke extremen in Europa over vier decennia. Alleen al in 2023 werden circa 48.000 hittegerelateerde overlijdens geraamd. Door het stedelijk hitte-eilandeffect kan de temperatuur in steden tien tot vijftien graden hoger liggen dan in het omliggende platteland. Mondiaal wonen 3,6 miljard mensen in gebieden die sterk gevoelig zijn voor klimaatverandering. Tussen 2030 en 2050 kan klimaatverandering volgens de WHO jaarlijks circa 250.000 extra overlijdens veroorzaken door ondervoeding, malaria, diarree en hittestress.

Overstromingen raken miljarden mensen en kosten Europa honderden miljarden euro

Sinds 1998 werden wereldwijd ruim twee miljard mensen door overstromingen getroffen. Ongeveer 1,81 miljard mensen, of 23 procent van de wereldbevolking, leven in zones met aanzienlijk overstromingsrisico. In 2025 zei 38 procent van de Europeanen zich persoonlijk blootgesteld te voelen aan klimaatrisico’s. In 2024 werden in Europa ten minste 413.000 mensen getroffen door stormen en overstromingen en stierven minstens 335 mensen. De economische verliezen aan bezittingen door weer- en klimaatgebeurtenissen in de Europese Unie bedroegen tussen 1980 en 2024 circa 822 miljard euro. Daarvan viel 208 miljard euro, een kwart van het totale bedrag, in de korte periode van 2021 tot en met 2024. Die cijfers ondersteunen de waarschuwing uit het eerste panel: de rekening stijgt snel en een groot deel is niet verzekerd.

Europese hulp: ruim 830 activeringen en een nieuwe brandweerreserve

Het mechanisme voor civiele bescherming van de Europese Unie werd sinds 2001 ruim 830 keer geactiveerd, waarvan 64 keer in 2025. Uit de Europese reserve voor solidariteit en noodhulp werd sinds 2002 circa 8,2 miljard euro betaald voor herstel na rampen en humanitaire crisissen. Overstromingen vormen de vaakst gefinancierde categorie; de hoogste bedragen gingen naar herstel na aardbevingen. In februari 2026 lanceerde de Europese Unie een snel inzetbare eenheid van 300 brandbestrijders voor grensoverschrijdende hulp tijdens zware natuurbrandperiodes. Het dossier vermeldt dat in 2025 in Spanje ongeveer 380.000 hectare en in Portugal ongeveer 260.000 hectare afbrandde. In Portugal ging het om circa drie procent van het grondgebied. Minstens acht mensen kwamen om, tienduizenden moesten evacueren en rook trok tot Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Scandinavië.

Wopke Hoekstra: slachtoffers verdienen uitvoering, niet alleen medeleven

Europees commissaris Wopke Hoekstra kon evenmin in Brussel aanwezig zijn en leverde een videoboodschap voor de afsluiting. Hij herinnerde aan de overstromingen van vijf jaar geleden, toen levens verloren gingen, gezinnen uiteengerukt raakten en woningen en ondernemingen in enkele uren werden verwoest. Hij plaatste de Europese ramp naast natuurbranden in Noord-Amerika, droogte in de Hoorn van Afrika en stormen en hitte op elk continent. De Europese Unie blijft volgens hem inzetten op uitstootvermindering, de overgang naar schone energie en samenwerking rond het Akkoord van Parijs. Tegelijk moet Europa erkennen dat te weinig emissiereductie in het verleden betekent dat aanpassing niet kan wachten. Hoekstra noemde sterkere infrastructuur tegen water en storm, steden die hitte aankunnen, landbouw die voedselzekerheid beschermt, robuuste watersystemen, slimmer risicobeheer, betere waarschuwingen en steun voor mensen in de eerste linie. Later in 2026 wil de Europese Commissie het geïntegreerde Europese kader voor klimaatweerbaarheid aannemen. Dat moet gezondheid, veiligheid, economische zekerheid en bedrijven beschermen tegen risico’s die volgens hem al bekend zijn. Zijn slotboodschap was dat slachtoffers recht hebben op politieke vastberadenheid en uitvoering, niet alleen op medeleven.

Een minuut stilte en Aleksey Shadrin op cello

Na de videoboodschap vroeg de presentator alle aanwezigen hun toestellen uit te schakelen. De zaal hield een minuut stilte voor de mensen die door klimaatrampen omkwamen. Daarna speelde Aleksey Shadrin, cellist van Oekraïense afkomst en laureaat van de Koningin Elisabethwedstrijd. De muziek beëindigde een bijeenkomst die twee tonen naast elkaar zette: rouw om verloren levens en ongeduld over maatregelen die al jaren bekend zijn, maar nog te traag worden uitgevoerd. Achteraf waren drank en hapjes voorzien, met ruimte voor gesprekken die door het strakke programma niet meer in de zaal konden worden afgerond.

Het cijfer dat blijft hangen is niet alleen 50 miljard euro schade per jaar of 822 miljard euro sinds 1980. Het zijn ook de tien dagen waarin 42.000 mensen in het Ahrdal zonder formele voedselhulp zaten, de helikopters die door een trage toestemming niet kwamen en de patiënten die zelf moesten uitzoeken hoe zij aan insuline geraakten. De Europese Commissie wil eind 2026 een nieuw kader klaar hebben. De echte maatstaf wordt of dat kader bij de volgende ramp sneller werkt dan het water stijgt.

Bronnen:
Europese Commissie, programma van “EU Day for the Victims of the Global Climate Crisis – Building Resilience to Protect People and Communities”
Europese Commissie, achtergrond bij de jaarlijkse Europese herdenkingsdag van 15 juli
Europese Commissie, document met panelleden en moderator
Europese Commissie, informatiedossier “Commemorating Victims of Global Climate Change”
Federale Dienst Klimaatverandering, naamverificatie Yenthe Peeters

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)