Europese Commissie reageert op klachten over Joodse rechten in Litouwen, maar verwijst onderzoek naar nationale autoriteiten

10 oktober 2026
De Europese Commissie heeft op vrijdag 9 oktober 2026 officieel gereageerd op ernstige klachten over de behandeling van Joodse gelovigen en organisaties in Litouwen. In een brief aan Gedalia Mendlewicz bevestigt Katharina von Schnurbein, Europees coördinator voor de bestrijding van antisemitisme en de ondersteuning van het Joodse leven, dat de Commissie de aangebrachte bezorgdheden heeft ontvangen en zorgvuldig heeft onderzocht binnen haar diensten. Een rechtstreeks Europees onderzoek naar de aangekaarte vermeende misstanden komt er op basis van deze brief echter niet. De Commissie stelt dat zij niet over de juridische bevoegdheid beschikt om de gevraagde onderzoeken en rechtstreekse interventies zelf uit te voeren. Daarvoor verwijst zij naar de bevoegde regionale en nationale autoriteiten in Litouwen. Het antwoord volgt op twee brieven van 20 en 28 september 2026, waarin aandacht werd gevraagd voor de situatie van de Joodse bevolking en voor een gewelddadige confrontatie op 14 september bij de Choral Synagogue in Vilnius, waarbij rabbijn Sholom Ber Krinsky betrokken was. De zaak raakt aan de bescherming van religieuze vrijheid, de veiligheid van synagogebezoekers, de interne verhoudingen tussen Joodse organisaties en een langdurige discussie over de bestemming en het beheer van compensatiemiddelen die verband houden met tijdens de Holocaust verloren gegaan Joods bezit.
Een officieel antwoord vanuit het hoogste administratieve niveau van de Europese Commissie
De brief van 9 oktober 2026 draagt het referentienummer Ares(2026)9554278 en is opgesteld binnen het Secretariaat-Generaal van de Europese Commissie, meer bepaald bij de dienst Democracy, Rule of Law & Equality. De administratieve behandeling kadert binnen het werk van de Europese coördinator die belast is met de bestrijding van antisemitisme en de ondersteuning van het Joodse leven. De brief is gericht aan Gedalia Mendlewicz en draagt de naam van Katharina von Schnurbein. Het document heeft een formeel karakter en verwijst uitdrukkelijk naar de eerdere correspondentie van september. Die behandeling betekent dat de kwestie de bevoegde Europese dienst heeft bereikt. De brief bevat echter geen vaststelling dat de aangekaarte beschuldigingen juist zijn, geen oordeel over de aansprakelijkheid van betrokken personen en geen aankondiging van een Europees onderzoek. Het document bevestigt vooral welke klachten werden ontvangen, op welk bevoegdheidsgebied de Commissie zich beroept en welke autoriteiten volgens haar voor een verdere formele behandeling moeten worden benaderd.
Twee verzoeken uit september vormen de aanleiding voor het Europese antwoord
De eerste brief aan de Europese Commissie dateert van 20 september 2026. Daarin verzocht Gedalia Mendlewicz om een onmiddellijk onderzoek en een Europese tussenkomst wegens vermeende misstanden die gevolgen zouden hebben voor de Joodse bevolking in Litouwen. Acht dagen later, op 28 september, volgde aanvullende correspondentie. Die tweede brief had betrekking op de reactie van rabbijn Sholom Ber Krinsky op een verklaring van de officieel erkende Litouwse Joodse organisatie naar aanleiding van een gewelddadige confrontatie bij de ingang van een synagoge. Het Europese antwoord behandelt beide brieven gezamenlijk. Hierdoor wordt duidelijk dat de oorspronkelijke klacht over een ruimere problematiek ging, terwijl het latere verzoek een concreet incident aanhaalde. De volledige inhoud van de eerste klacht is niet opgenomen in het Europese antwoord. Daardoor kunnen niet alle oorspronkelijke beschuldigingen, gevraagde maatregelen en aangehaalde bewijsstukken uitsluitend op basis van deze correspondentie worden vastgesteld.
De gebeurtenissen van 14 september aan de Choral Synagogue in Vilnius
Op maandag 14 september 2026 vond aan de Choral Synagogue in Vilnius, gelegen aan Pylimo Street 39, een fysieke confrontatie plaats waarbij rabbijn Sholom Ber Krinsky, een veiligheidsmedewerker en bezoekers betrokken waren. De feiten deden zich voor tijdens een periode van Joodse religieuze feestdagen, waarin de toegang tot de synagoge volgens de Litouwse Joodse organisatie aan bijzondere veiligheidsregels was onderworpen. Het incident kreeg aandacht omdat de beschrijvingen van het verloop sterk uiteenliepen. De betrokken Joodse organisatie erkende dat er een fysieke confrontatie had plaatsgevonden en verklaarde dat de rabbijn, een bezoeker en de bewakingsmedewerker allen hadden gemeld slachtoffer van geweld te zijn geweest. De rabbijn gaf daarentegen een veel ernstiger beschrijving van het geweld dat volgens hem tegen hem was gebruikt. De uiteenlopende verklaringen maakten de gebeurtenissen tot onderwerp van een conflict waarin de feitelijke reconstructie en de vraag naar verantwoordelijkheid centraal staan.
Rabbijn Sholom Ber Krinsky spreekt over een gewelddadige aanval
Rabbijn Sholom Ber Krinsky, die al tientallen jaren religieuze activiteiten organiseert in Vilnius en verbonden is aan Chabad Lubavitch, heeft de gebeurtenissen beschreven als een aanval op zijn persoon. Volgens zijn verklaring bevond hij zich bij de toegangspoort toen enkele bezoekers belangstelling toonden om de synagoge te betreden. Hij zou de poort hebben opengehouden, waarna een veiligheidsmedewerker de bezoekers probeerde tegen te houden. De rabbijn stelt dat de medewerker zich vervolgens tegen hem keerde, hem sloeg, tegen de grond werkte en schopte. Volgens de door hem bekendgemaakte getuigenissen waren ook bezoekers getuige van de confrontatie en liep minstens één bezoeker letsel op. Een Israëlische bezoekster, Lily Raveh, verklaarde dat zij zelf fysiek werd geraakt toen zij de omgeving probeerde te verlaten. De rabbijn heeft de voorstelling van de gebeurtenissen als een wederzijds conflict uitdrukkelijk betwist. Zijn beschuldigingen zijn ernstig, maar voor een gerechtelijke vaststelling van de precieze geweldshandelingen en de verantwoordelijkheid van iedere betrokkene is onafhankelijk onderzoek nodig.
Litouwse Joodse organisatie wijst op bijzondere veiligheidsmaatregelen
De Lithuanian Jewish Community gaf op 14 september een eigen verklaring over het voorval. De organisatie stelde dat de Choral Synagogue tijdens de Joodse hoge feestdagen uitsluitend toegankelijk was voor gebed en religieuze diensten en tijdelijk geen toeristische bezoeken toeliet. Volgens de organisatie waren die beperkingen vooraf kenbaar gemaakt en kregen bewakingsmedewerkers instructies om ze toe te passen. Zij verwees naar een veiligheidswaarschuwing van de Anti-Defamation League van 28 augustus 2026. Die waarschuwing zou betrekking hebben gehad op een persoon die actief was in neonazistische onlinegroepen, dreigingen tegen synagogen en Joden had geuit en daarbij ook naar Litouwen en Vilnius had verwezen. De organisatie verklaarde dat deze informatie aanleiding had gegeven tot bijzondere voorzorgsmaatregelen. Volgens haar ontstond de confrontatie toen de rabbijn bezoekers wilde toelaten ondanks de ingestelde toegangsbeperkingen. Zij sprak haar spijt uit over het fysieke incident en stelde dat veiligheidspersoneel de regels professioneel moet toepassen. De organisatie kondigde aan mee te werken met de bevoegde autoriteiten en zelf onder andere camerabeelden en verklaringen te zullen onderzoeken.
De rabbijn betwist de veiligheidsverklaring
De verklaring over de veiligheidsmaatregelen leidde tot een rechtstreeks meningsverschil over de omstandigheden van het voorval. Rabbijn Krinsky betwist dat de aangehaalde dreiging de aanleiding kan verklaren voor de volgens hem tegen zijn persoon gebruikte fysieke dwang. Hij verwees naar eerdere veiligheidswaarschuwingen en maatregelen die al vóór september zouden zijn genomen. In zijn reactie stelt hij dat de werkelijke achtergrond van het conflict niet bij de bezoekersregeling ligt, maar bij reeds langer bestaande spanningen over het beheer van de synagoge en de positie van zijn religieuze organisatie. Deze verklaring staat tegenover de voorstelling van de Litouwse Joodse organisatie, die juist het belang van veiligheidsinstructies centraal stelt. Het is daarom noodzakelijk onderscheid te maken tussen de aanwezigheid van een mogelijke veiligheidsdreiging, de rechtmatigheid van de ingestelde toegangsregels en het concrete optreden van de veiligheidsmedewerker. Zelfs wanneer beperkingen op de toegang gerechtvaardigd zijn, moet afzonderlijk worden beoordeeld of de gebruikte dwang binnen de toepasselijke regels viel. Omgekeerd vormt de kritiek van de rabbijn geen zelfstandig bewijs dat de veiligheidswaarschuwing ongegrond was.
De positie van Chabad Lubavitch binnen het Joodse leven in Litouwen
Het incident raakt ook aan de verhouding tussen verschillende Joodse organisaties in Litouwen. Chabad Lubavitch is een internationale orthodox-Joodse religieuze beweging die actief is op het terrein van gebed, onderwijs, religieuze vieringen en ondersteuning van Joodse gelovigen. In Litouwen wordt de werking van Chabad al vele jaren mede gedragen door rabbijn Krinsky. De Lithuanian Jewish Community heeft erop gewezen dat Chabad Lubavitch een afzonderlijke organisatie vormt en geen aangesloten lidorganisatie is van haar eigen structuur. Dat institutionele onderscheid verklaart gedeeltelijk waarom er verschillen bestaan over vertegenwoordiging, besluitvorming en het gebruik van religieuze infrastructuur. De vraag welke organisatie namens welke gelovigen optreedt, mag echter niet worden verward met het individuele recht op vrijheid van godsdienst. Religieuze rechten gelden ook voor personen die niet zijn aangesloten bij een bepaalde koepelorganisatie. Bij eventuele toegangs- of bestuursconflicten moet daarom worden onderzocht welke bevoegdheden de betrokken instellingen hebben en hoe die worden uitgeoefend.
Het geschil over restitutiemiddelen werpt een langere voorgeschiedenis op
In zijn reactie op het incident verwijst rabbijn Krinsky naar een discussie die volgens hem al ongeveer twaalf jaar aanhoudt. Die discussie gaat over restitutiemiddelen die verband houden met Joods religieus en collectief bezit dat tijdens de Holocaust verloren ging of na de oorlog niet aan de vroegere eigenaars werd teruggegeven. In Litouwen speelt de Good Will Foundation een rol bij de verdeling van middelen die met dat historische onrecht samenhangen. De rabbijn stelt dat zijn organisatie herhaaldelijk om een volledig overzicht van de toegekende bedragen heeft gevraagd. Volgens hem zijn die verzoeken niet op een voor zijn organisatie bevredigende manier beantwoord. Hij bekritiseert ook de verdeling van subsidies en meent dat de religieuze en sociale activiteiten van Chabad onvoldoende in aanmerking zijn genomen. Het gaat hier om beschuldigingen en standpunten van de rabbijn. De beschikbare correspondentie bevat geen onafhankelijk financieel onderzoek waaruit onrechtmatige bestedingen of strafbare feiten blijken.
Waarom compensatie voor tijdens de Holocaust verloren bezit zo gevoelig ligt
De discussie over restitutiemiddelen kent een historische achtergrond die voor de betrokken families en religieuze instellingen zwaar weegt. Voor de Tweede Wereldoorlog beschikten Joodse instellingen in Litouwen over synagogen, scholen, religieuze gebouwen en andere eigendommen die dienst deden voor het plaatselijke Joodse leven. De Holocaust leidde tot de vernietiging van het overgrote deel van de Litouwse Joodse bevolking. Talrijke instellingen hielden op te bestaan, eigendommen werden onteigend en nabestaanden kregen na de oorlog niet altijd de mogelijkheid om hun bezittingen terug te verkrijgen. Latere compensatieregelingen moesten voor bepaalde categorieën van dat verloren bezit een vorm van herstel bieden. Die middelen dragen daardoor een bijzondere historische en morele verantwoordelijkheid. Bij hun beheer komen vragen aan bod over vertegenwoordiging, controle, toekenning, transparantie en de bestemming van subsidies. De discussie heeft ook betrekking op de verhouding tussen het bewaren van Joods erfgoed en het ondersteunen van hedendaagse religieuze, educatieve en sociale activiteiten.
Beschuldigingen over het beheer van de Good Will Foundation vragen afzonderlijk onderzoek
Rabbijn Krinsky stelt dat de verdeling van restitutiemiddelen onvoldoende transparant verloopt en dat zijn organisatie bij de subsidietoekenningen wordt benadeeld. Hij legt tevens een verband tussen die financiële discussie en de moeilijkheden die hij zegt te ondervinden bij de uitoefening van zijn religieuze activiteiten. In zijn verklaringen wordt ook kritiek geuit op de leiding van de Lithuanian Jewish Community en op de invloed van Faina Kukliansky. Volgens de rabbijn is het veiligheidsbeheer van de synagoge in de loop der jaren gewijzigd op een manier die zijn organisatie minder zeggenschap gaf. Hij verwijst naar eerdere incidenten waarbij hij naar eigen zeggen de toegang tot de synagoge werd ontzegd. Dat zijn beschuldigingen waarbij het recht op antwoord van de betrokken personen en organisaties van toepassing is. De vaststelling dat een conflict over subsidies en bestuur bestaat, betekent niet dat misbruik van gelden of machtsmisbruik juridisch is bewezen. Daarvoor zouden financiële gegevens, bestuursbesluiten, verklaringen van de betrokken partijen en eventuele onderzoeksresultaten moeten worden vergeleken.
Europese Commissie erkent ontvangst en behandeling van de bezorgdheden
In haar antwoord aan Gedalia Mendlewicz bedankt Katharina von Schnurbein de afzender voor de inspanningen om de situatie onder de aandacht te brengen. De Commissie bevestigt dat de zorgen naar behoren zijn geregistreerd en zorgvuldig binnen de bevoegde diensten zijn overwogen. Dit is de eerste formele conclusie die uit de brief kan worden getrokken. De kwestie werd dus administratief behandeld en niet onbeantwoord terzijde gelegd. De Commissie spreekt zich echter niet uit over de feitelijke juistheid van de beschuldigingen. Zij geeft geen oordeel over het geweld bij de synagoge, de interne verhoudingen tussen de betrokken organisaties of de besteding van restitutiemiddelen. Evenmin blijkt dat vanuit Brussel getuigen werden ondervraagd, videobeelden werden onderzocht of financiële controles werden uitgevoerd. De erkenning van de correspondentie is daarom te onderscheiden van de opening van een formeel onderzoeksdossier.
Brussel stelt dat een rechtstreeks onderzoek buiten de eigen juridische bevoegdheid valt
Het centrale onderdeel van de brief betreft de bevoegdheidsverdeling tussen de Europese Commissie en de autoriteiten van Litouwen. De Commissie stelt dat zij niet bevoegd is om het soort onderzoek en rechtstreekse interventie uit te voeren waarom in de correspondentie werd gevraagd. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van dergelijke kwesties ligt volgens haar bij de daarvoor bevoegde regionale en nationale instanties van de betrokken lidstaat. Het antwoord betekent dat Mendlewicz voor een formele behandeling van de aangekaarte gedragingen andere rechtswegen moet volgen. De Commissie wijst daarbij niet één specifieke Litouwse dienst aan en verwijst evenmin naar een concreet dossiernummer bij een nationale onderzoeksinstantie. De Europese brief bevat dus een bevoegdheidsantwoord, geen individuele juridische beslissing over de betrokken beschuldigingen. Ook wordt nergens gesteld dat de klachten ongegrond zouden zijn. Het document geeft uitsluitend aan dat de Europese Commissie de gevraagde directe tussenkomst niet zelf kan uitvoeren.
Wat de Europese afwijzing wel en niet betekent
De beslissing om geen rechtstreeks onderzoek te openen, moet zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Zij betekent in de eerste plaats dat de Commissie voor het gevraagde optreden geen passende juridische grondslag ziet binnen haar eigen bevoegdheden. Dat is niet hetzelfde als een inhoudelijke vrijspraak van de betrokken personen of instellingen. Evenmin betekent het dat de Commissie heeft vastgesteld dat de vermeende feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De beschuldigingen blijven afhankelijk van een afzonderlijke beoordeling door de daarvoor bevoegde instanties. Het Europese antwoord bevat ook geen algemene uitspraak dat de Europese Unie onder geen enkele omstandigheid kan optreden bij problemen rond antisemitisme of de vrijheid van godsdienst in een lidstaat. De Commissie beschikt binnen haar verdragsrechtelijke bevoegdheden wel over mogelijkheden om beleid te ontwikkelen en de toepassing van bepaalde onderdelen van het Unierecht te controleren. Welke bevoegdheid in een individuele zaak bestaat, hangt af van de juridische aard van de feiten en van het toepasselijke recht.
Katharina von Schnurbein leidt sinds 2015 het Europese werk tegen antisemitisme
Katharina von Schnurbein werd in december 2015 aangesteld als de eerste Europese coördinator voor de bestrijding van antisemitisme. Haar opdracht bestaat onder andere uit het onderhouden van contacten met Joodse organisaties, Europese instellingen, nationale overheden en maatschappelijke partners. Zij draagt bij aan de uitvoering van het Europese beleid tegen antisemitisme en aan initiatieven die het voortbestaan van het Joodse religieuze en culturele leven ondersteunen. Haar werkzaamheden zijn dus in de eerste plaats beleidsmatig, coördinerend en adviserend. Zij is geen onderzoeksrechter, politieautoriteit of rechtbank. Dat onderscheid helpt verklaren waarom een klacht bij haar diensten niet automatisch leidt tot een strafrechtelijk of bestuurlijk onderzoek. De functie heeft wel een rol als aanspreekpunt voor signalen over antisemitisme en problemen waarmee Joodse organisaties in de Europese Unie worden geconfronteerd. Ook klachten die buiten haar eigen onderzoeksbevoegdheden vallen, kunnen daardoor ter kennis van de Commissie komen.
De Europese strategie tegen antisemitisme loopt tot 2030
De Europese Commissie keurde op 5 oktober 2021 haar strategie voor de bestrijding van antisemitisme en de ondersteuning van het Joodse leven voor de periode 2021 tot 2030 goed. Daarin worden verschillende beleidsdoelstellingen beschreven. Het gaat onder andere om het bestrijden van antisemitische haatmisdrijven, de bescherming van Joodse instellingen, de ondersteuning van religieuze en culturele activiteiten, onderwijs over de Holocaust en de bescherming van Joods erfgoed. Ook samenwerking met de lidstaten maakt deel uit van de strategie. De Europese instellingen erkennen hiermee dat antisemitisme gevolgen heeft voor het dagelijks leven van Joodse inwoners en dat preventie, veiligheid en onderwijs langdurige aandacht vragen. De strategie verleent de Europese coördinator echter geen onbeperkte bevoegdheid om individuele geweldsincidenten of geschillen tussen particuliere organisaties zelf te onderzoeken. De verantwoordelijkheid voor strafrechtelijke feiten en veel onderdelen van het verenigings- en eigendomsrecht blijft bij de bevoegde nationale autoriteiten liggen.
De vrijheid van godsdienst blijft een centraal Europees rechtsbeginsel
De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst is beschermd door artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt de vrijheid van godsdienst en de uitoefening ervan. Deze bepalingen vormen een juridisch kader voor de beoordeling van beperkingen op religieuze activiteiten. Het Handvest is voor lidstaten van toepassing wanneer zij het recht van de Europese Unie ten uitvoer brengen. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft een eigen toepassingsgebied. Bij een conflict over de toegang tot een synagoge kunnen verschillende rechten en belangen spelen, waaronder de vrijheid van godsdienst, veiligheid van aanwezigen, eigendomsrechten en bevoegdheden van de instelling die het gebouw beheert. Welke regels in Vilnius precies toepasselijk zijn en of deze correct werden toegepast, moet worden vastgesteld op basis van de feiten en het Litouwse recht. De Europese brief bevat daarover geen inhoudelijke beslissing.
Veiligheid van synagogebezoekers en toegang tot religieuze diensten
De gebeurtenissen van 14 september brengen twee vraagstukken samen die juridisch afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Synagogen en andere religieuze gebouwen kunnen veiligheidsmaatregelen treffen om gelovigen en bezoekers te beschermen tegen bedreigingen. Wanneer concrete dreigingen bestaan, kan de toegang tijdelijk worden beperkt of gecontroleerd. Dat betekent echter niet dat iedere vorm van fysiek optreden door veiligheidsmedewerkers automatisch gerechtvaardigd is. De wettelijke bevoegdheden van bewakingspersoneel, de proportionaliteit van eventuele dwang en de omstandigheden van een incident moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Voor de Choral Synagogue is daarom van belang welke toegangsvoorwaarden op 14 september golden, hoe deze bekend werden gemaakt, welke instructies de veiligheidsmedewerker had gekregen en wat zich feitelijk bij de poort heeft afgespeeld. De verklaringen van de rabbijn en de Litouwse Joodse organisatie geven hierover uiteenlopende lezingen. Een onafhankelijke beoordeling van beeldmateriaal en getuigenverklaringen kan bijdragen aan de reconstructie.
Ook de rechten van de bezoekers verdienen aandacht
Bij de confrontatie waren volgens de beschikbare verklaringen ook bezoekers betrokken die de synagoge wilden betreden. De verklaring van Lily Raveh maakt duidelijk dat het incident volgens haar niet uitsluitend een conflict tussen de rabbijn en een bewakingsmedewerker was. Zij stelde eveneens door het fysieke optreden te zijn geraakt. Dat brengt de positie van derden in beeld. Bezoekers van religieuze gebouwen moeten de toepasselijke toegangs- en veiligheidsregels respecteren, maar mogen bij de uitvoering daarvan verwachten dat personeel binnen de wettelijke grenzen handelt. Voor de juridische beoordeling zijn de identiteit en verklaringen van getuigen, eventuele medische gegevens en het beschikbare beeldmateriaal van belang. De Europese Commissie heeft deze gegevens niet inhoudelijk beoordeeld in haar brief van 9 oktober. Een oordeel over de precieze gebeurtenissen kan daarom niet uitsluitend op het Europese antwoord worden gebaseerd.
De verhouding tussen interne autonomie en individuele religieuze rechten
Religieuze organisaties beschikken in democratische rechtsstaten doorgaans over een zekere autonomie om hun interne werking te regelen. Zij kunnen beslissingen nemen over bestuur, lidmaatschap, de organisatie van diensten en het gebruik van eigen gebouwen, binnen de grenzen van het toepasselijke recht. Die autonomie kan spanningen veroorzaken wanneer verschillende religieuze stromingen of organisaties gebruikmaken van dezelfde infrastructuur. De situatie in Vilnius bevat elementen van zo’n institutioneel conflict. De Lithuanian Jewish Community en Chabad Lubavitch hebben verschillende organisatorische structuren. De precieze rechten van beide partijen op het gebruik van de Choral Synagogue kunnen niet worden vastgesteld zonder inzicht in de eigendomsverhoudingen, beheersovereenkomsten en eventuele rechterlijke beslissingen. Ook het recht van individuele gelovigen op deelname aan religieuze diensten moet daarbij worden betrokken. Het incident van september maakt duidelijk waarom zulke verhoudingen juridisch helder moeten zijn.
Een strafrechtelijke klacht en de rol van Litouwse onderzoeksautoriteiten
Volgens de berichtgeving over de gebeurtenissen werd op 18 september 2026 bij de politie een strafrechtelijke klacht ingediend over de confrontatie met rabbijn Krinsky. Het bestaan van een klacht betekent dat de aangevoerde feiten onder de aandacht van de politie zijn gebracht. Het vormt op zichzelf geen bewijs dat een strafbaar feit is gepleegd of dat een bepaalde persoon daaraan schuldig is. Een onderzoek kan onder andere bestaan uit het verzamelen van getuigenverklaringen, camerabeelden, medische vaststellingen en verklaringen van de betrokken bewakingsmedewerker. Of Litouwse autoriteiten inmiddels formele verdenkingen hebben vastgesteld of verdere onderzoeksmaatregelen hebben genomen, blijkt niet uit het Europese antwoord. De beslissing over eventuele vervolging behoort tot de bevoegde Litouwse instanties. Daarmee sluit de verwijzing van de Europese Commissie aan bij de nationale verantwoordelijkheid voor de behandeling van mogelijke geweldsfeiten.
Camerabeelden kunnen een rol spelen bij de feitelijke reconstructie
De Lithuanian Jewish Community verklaarde na het incident bereid te zijn camerabeelden, verklaringen en andere gegevens te laten onderzoeken. Ook rabbijn Krinsky heeft aangedrongen op het beschikbaar stellen van beeldmateriaal dat het verloop van de confrontatie zou kunnen verduidelijken. Wanneer verschillende betrokkenen eenzelfde gebeurtenis anders beschrijven, kunnen beelden helpen om de volgorde van de handelingen en de positie van de aanwezigen vast te stellen. Wel blijft de beoordeling afhankelijk van de kwaliteit, volledigheid en context van de opnamen. Een beeldfragment toont immers niet noodzakelijk alles wat vóór of na een gefilmde handeling gebeurde. In de brief van de Europese Commissie wordt geen uitspraak gedaan over het bestaan, de inhoud of de bewijskracht van specifieke camerabeelden. Evenmin wordt meegedeeld of dergelijke beelden aan de politie zijn overgemaakt. Die punten blijven voor verdere journalistieke en juridische opvolging van belang.
Het beheer van Holocaustcompensatie vormt een afzonderlijk juridisch dossier
De klachten over financiële transparantie moeten worden onderscheiden van het mogelijke geweldsincident. Zelfs wanneer beide onderwerpen door een betrokkene met elkaar in verband worden gebracht, vereisen zij verschillende vormen van onderzoek. Een onderzoek naar geweld richt zich op concrete handelingen en mogelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid. Een financieel of bestuurlijk onderzoek zou eerder betrekking hebben op bestuursreglementen, subsidiebesluiten, jaarrekeningen, eventuele belangenconflicten en wettelijke verplichtingen rond transparantie. De Good Will Foundation wordt in de verklaringen van rabbijn Krinsky bekritiseerd wegens vermeende tekortkomingen in de verdeling van restitutiemiddelen. De betrokken organisatie en haar bestuurders moeten gelegenheid krijgen om daarop te reageren. Zonder volledige financiële documenten en de toepasselijke regelgeving kan niet worden vastgesteld of er sprake is van discriminatie, onrechtmatig beheer of een verschil in beleidskeuzes dat juridisch is toegestaan.
De historische verantwoordelijkheid tegenover de slachtoffers van de Holocaust
De discussie over de restitutiemiddelen raakt aan de vraag hoe middelen die voortkomen uit historisch onrecht moeten worden beheerd. Voor Joodse organisaties en families hebben deze fondsen een andere achtergrond dan gewone subsidies. Zij hangen samen met eigendommen die ooit toebehoorden aan religieuze instellingen en organisaties waarvan vele leden tijdens de Holocaust werden vermoord. Het beheer van dergelijke middelen kan daarom aanleiding geven tot discussies over historische vertegenwoordiging en de bestemming van de beschikbare budgetten. Sommige organisaties leggen het accent op erfgoedzorg en herdenking, andere vragen middelen voor religieus onderwijs, sociale dienstverlening of activiteiten voor hedendaagse Joodse inwoners. Welke verdeelsleutel juridisch geldt, hangt af van de wetgeving en de statuten van de betrokken fondsen. Een evenwichtige beoordeling vereist inzicht in de wettelijke opdracht van de stichting, de bestaande financieringscriteria en de beslissing over iedere aanvraag.
De rol van Faina Kukliansky in de kritiek van rabbijn Krinsky
In de verklaringen van rabbijn Krinsky wordt Faina Kukliansky, die een leidinggevende functie binnen de Lithuanian Jewish Community bekleedt, rechtstreeks genoemd. Volgens hem bestaat er een verband tussen bestuurlijke beslissingen over de bewaking en de toegang tot de synagoge en eerdere meningsverschillen over restitutiegelden. Hij beschuldigt de leiding ervan zijn religieuze activiteiten te belemmeren. Dat is zijn lezing van de feiten. De officiële verklaring van de Lithuanian Jewish Community beschrijft het incident vanuit de geldende veiligheidsvoorschriften en geeft geen erkenning van een opzettelijke campagne tegen de rabbijn. Zonder een volledig antwoord van de betrokken leidinggevenden en zonder onafhankelijk onderzoek kan geen oordeel worden gevormd over de juistheid van de persoonlijke verwijten. Dat onderscheid is noodzakelijk omdat ernstige beschuldigingen over machtsmisbruik en financieel beheer gevolgen kunnen hebben voor de reputatie van betrokken personen.
Geen inhoudelijk Europees oordeel over de Litouwse bestuursverhoudingen
Een opvallend element in de brief van 9 oktober is dat de Europese Commissie zich niet mengt in de inhoudelijke discussie over de verhoudingen tussen de Joodse organisaties in Litouwen. Zij geeft geen mening over de vertegenwoordiging van Chabad Lubavitch, het bestuur van de Lithuanian Jewish Community of de verdeling van middelen door de Good Will Foundation. De Commissie neemt ook geen standpunt in over de verklaringen van rabbijn Krinsky en de argumenten van de betrokken veiligheidsorganisatie. De afwezigheid van zo’n oordeel maakt het onjuist om de brief te presenteren als Europese steun voor een van de partijen. De Commissie bevestigt uitsluitend de ontvangst en behandeling van de klachten en maakt duidelijk dat de gevraagde interventie binnen de bevoegdheid van Litouwse autoriteiten valt.
Welke nationale instanties zouden de zaak kunnen behandelen?
Het verdere verloop kan afhangen van de juridische aard van iedere afzonderlijke klacht. Mogelijke geweldsfeiten behoren in beginsel tot het terrein van politie, openbaar ministerie en strafrechtbanken. Geschillen over het gebruik van gebouwen, het bestuur van organisaties of contractuele rechten kunnen binnen het burgerlijk recht vallen. Klachten over discriminatie vereisen een beoordeling van de toepasselijke gelijkebehandelingsregels en de bevoegdheid van de daarvoor aangewezen nationale instanties. Een onderzoek naar restitutiemiddelen kan afhankelijk van de aard van de middelen en de betrokken organisaties financiële of bestuurlijke controle vergen. De Europese Commissie heeft in haar brief geen concrete verwijzingsroute uitgewerkt. Er is dus geen bevestiging dat de klachten al automatisch aan een Litouwse instantie werden doorgestuurd. Voor een formele behandeling zal moeten worden vastgesteld welke Litouwse autoriteit voor welk onderdeel bevoegd is.
De Europese rechtsstaat en de verantwoordelijkheid van de lidstaten
Binnen de Europese Unie berust de toepassing van het strafrecht en een groot deel van het nationale bestuursrecht bij de lidstaten. Dat sluit Europese controle niet onder alle omstandigheden uit, maar de Commissie kan niet zonder wettelijke grondslag optreden als nationale politie, onderzoeksrechter of rechtbank. De Europese rechtsorde berust op de bevoegdheden die door de verdragen aan de instellingen zijn toegekend. Voor bepaalde vormen van discriminatie en voor de uitvoering van Europees recht bestaan Europese regels die lidstaten moeten naleven. Een individuele klacht moet echter worden gekoppeld aan een concrete juridische verplichting om te kunnen beoordelen of een Europese bevoegdheid bestaat. In de brief aan Mendlewicz wordt een dergelijke grondslag voor het gevraagde directe onderzoek niet vastgesteld. De Commissie verwijst daarom naar de nationale autoriteiten. Het antwoord maakt duidelijk dat het Europese beleid tegen antisemitisme en de juridische behandeling van individuele feiten niet hetzelfde traject volgen.
Waarom de Europese Commissie geen gerechtelijke onderzoeksinstantie is
Het Europese beleid tegen antisemitisme omvat samenwerking, regelgeving, financiering en ondersteuning van initiatieven in de lidstaten. Die werkzaamheden mogen niet worden verward met het onderzoeken van individuele strafbare feiten. Een nationale politieautoriteit kan binnen de wettelijke voorwaarden personen verhoren en bewijs verzamelen. Een openbaar ministerie kan beslissen over strafrechtelijke vervolging. Een rechter kan vaststellen of een beschuldiging bewezen is. De Europese coördinator voor antisemitisme beschikt niet over diezelfde bevoegdheden. Haar werk richt zich op beleid, overleg en samenwerking met organisaties en nationale overheden. De door Mendlewicz gevraagde rechtstreekse interventie ging volgens de Commissie buiten die opdracht. De verwijzing naar Litouwse autoriteiten volgt uit die bevoegdheidsverdeling, zonder dat daarmee een uitspraak wordt gedaan over de ernst van de aangevoerde problemen.
De brief bevat geen toezegging tot diplomatieke bemiddeling
In het Europese antwoord wordt evenmin een concreet bemiddelingstraject aangekondigd tussen de betrokken Joodse organisaties. Er wordt geen bijeenkomst voorgesteld, geen onafhankelijke bemiddelaar aangesteld en geen datum voor een vervolggesprek genoemd. De Commissie belooft ook geen periodieke terugkoppeling over de behandeling van de zaak door de Litouwse autoriteiten. Dat zijn grenzen aan wat uit het document kan worden afgeleid. Het is mogelijk dat betrokkenen later opnieuw contact opnemen met Europese diensten of dat aanvullende informatie wordt ingediend, maar zulke stappen worden in de brief niet aangekondigd. Het formele antwoord eindigt met de mededeling dat een eventuele verdere behandeling op regionaal of nationaal niveau moet plaatsvinden.
Een Europees dossier zonder vaststelling van antisemitisme
De aard van de oorspronkelijke klachten en de functie van de ontvanger kunnen de indruk wekken dat de Europese Commissie antisemitisme heeft vastgesteld. Dat is niet het geval. De brief bevat geen juridische kwalificatie van het incident als antisemitisch geweld. Ook de door rabbijn Krinsky gestelde benadeling van zijn religieuze organisatie wordt niet door de Commissie als discriminatie erkend of afgewezen. Het onderscheid is journalistiek van belang. Een conflict waarbij Joodse personen en organisaties betrokken zijn, kan vragen oproepen over religieuze rechten, discriminatie en veiligheid, maar krijgt niet automatisch een bepaalde juridische kwalificatie. Daarvoor moet worden onderzocht welke gedragingen hebben plaatsgevonden, welke motieven eventueel een rol speelden en welke wettelijke bepalingen van toepassing zijn.
De positie van Gedalia Mendlewicz in het dossier
Gedalia Mendlewicz is de geadresseerde van het Europese antwoord en degene van wie de Commissie de twee verzoeken uit september bevestigt. Daarmee is haar rol als indiener van de correspondentie vastgelegd. Uit de brief blijkt dat zij vroeg om een onmiddellijk onderzoek en een interventie wegens vermeende misstanden in Litouwen. Ook bracht zij de reactie van rabbijn Krinsky over het incident bij de synagoge onder de aandacht. Het document vermeldt echter niet in welke formele hoedanigheid zij optrad, of zij namens een organisatie schreef dan wel op persoonlijke titel, en welke aanvullende documenten zij heeft ingediend. Daarover kunnen op basis van dit Europese antwoord geen verdere uitspraken worden gedaan. Wel staat vast dat haar correspondentie rechtstreeks door de betrokken diensten van de Europese Commissie werd beantwoord.
Het belang van een zorgvuldig en onafhankelijk feitenonderzoek
De zaak in Vilnius bevat verschillende elementen die bij een zorgvuldig onderzoek afzonderlijk moeten worden behandeld. Het geweldsincident vraagt om een feitelijke reconstructie van de gebeurtenissen op 14 september. Het meningsverschil over de toegang tot de synagoge vereist een beoordeling van de geldende regels en de bevoegdheden van de betrokken organisaties. De klachten over restitutiemiddelen vragen inzicht in financiële documenten, wettelijke verplichtingen en bestuurlijke beslissingen. Ook de verklaringen van de rabbijn, de veiligheidsmedewerker, de bezoekers en de vertegenwoordigers van de Lithuanian Jewish Community verdienen een afzonderlijke beoordeling. Een onafhankelijk onderzoek kan helpen om feiten te onderscheiden van vermoedens en persoonlijke interpretaties. Het ontbreken van een Europees onderzoek betekent niet dat deze vragen zonder antwoord moeten blijven, maar de verantwoordelijkheid voor formele onderzoeksstappen ligt volgens de Commissie bij de bevoegde Litouwse instanties.
De bescherming van Joods religieus leven vergt juridische duidelijkheid
De Europese strategie voor de ondersteuning van het Joodse leven is gericht op omstandigheden waarin Joodse inwoners hun religie en cultuur veilig kunnen uitoefenen. Daarbij spelen de bescherming van gebouwen, de bestrijding van haat en de vrijheid van godsdienst een rol. Het incident in Vilnius maakt zichtbaar hoe verschillende belangen in een concrete situatie met elkaar in conflict kunnen komen. Religieuze instellingen moeten bezoekers kunnen beschermen tegen bedreigingen. Gelovigen en religieuze leiders hebben op hun beurt recht op een behandeling die voldoet aan de toepasselijke wetten en rechten. Wanneer organisaties van mening verschillen over bestuur en toegang, kunnen die kwesties niet uitsluitend door publieke verklaringen worden opgelost. Een onafhankelijke juridische beoordeling biedt de mogelijkheid om vast te stellen waar de bevoegdheden van iedere partij beginnen en eindigen.
Een formele Europese reactie, maar voor de betrokkenen nog geen definitief antwoord
Met de brief van 9 oktober 2026 is een eerste Europese administratieve fase afgerond. Gedalia Mendlewicz heeft een officieel antwoord ontvangen, ondertekend met de naam van de Europese coördinator tegen antisemitisme. De Commissie heeft de zorgen in behandeling genomen, maar geen inhoudelijke vaststellingen gedaan over de beschuldigingen en geen rechtstreeks onderzoek aangekondigd. Voor de betrokken partijen blijven hierdoor verschillende vragen bestaan. Wat gebeurde er precies bij de poort van de Choral Synagogue op 14 september? Welke rol speelden de geldende veiligheidsmaatregelen? Zijn er strafbare feiten gepleegd? Hoe worden de restitutiemiddelen beheerd en welke rechten hebben de betrokken religieuze organisaties? Het Europese antwoord beantwoordt deze vragen niet. Het bepaalt wel dat de formele behandeling ervan bij de bevoegde nationale en regionale autoriteiten moet worden gezocht.
Bronnen:
Europese Commissie, Secretariaat-Generaal, officiële brief Ares(2026)9554278 van 9 oktober 2026 aan Gedalia Mendlewicz
Lithuanian Jewish Community, verklaring over het incident aan de Choral Synagogue van 14 september 2026
Defending History, bekendgemaakte verklaringen van rabbijn Sholom Ber Krinsky en getuigen, 25 september 2026
Europese Commissie, functie en mandaat van de coördinator voor de bestrijding van antisemitisme en de ondersteuning van het Joodse leven
Europese Commissie, EU-strategie voor de bestrijding van antisemitisme en de ondersteuning van het Joodse leven 2021–2030
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 10
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 9
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)
Wil je de onafhankelijke journalistiek van indegazette.be ondersteunen?
Iedere dag zetten we ons in om nieuws, reportages en verhalen te brengen uit de Westhoek, België, Europa en de rest van de wereld. Dat doen we met veel inzet en de overtuiging dat onafhankelijke journalistiek toegankelijk moet blijven voor iedereen.
Wil je onze redactie een financieel duwtje in de rug geven? Elke vrijwillige bijdrage, groot of klein, helpt ons om ons journalistieke werk voort te zetten.
Je kunt ons ondersteunen via:
☕ Ko-fi: https://ko-fi.com/andyvermaut
☕ Buy Me a Coffee: https://buymeacoffee.com/andyvermaut
Hartelijk dank voor je vertrouwen, je betrokkenheid en je steun aan indegazette.be!
Andy Vermaut
Hoofdredacteur indegazette.be


